Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:700

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
16/701538-14 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:5498, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:895, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de 52-jarige verdachte in het onderzoek naar de Utrechtse serieverkrachter tot de maximale gevangenisstraf van zestien jaar. De rechtbank acht de man schuldig aan vier verkrachtingen. Drie verkrachtingen werden gepleegd in 1995, één in 2001.

De rechtbank legde voor deze feiten maximale celstraf op, omdat de man met ‘onvoorstelbare bruutheid’ heeft gehandeld. De rechtbank sprak van verkrachtingen in de ‘meest vergaande zin van het woord’. Hij liet zich niet stoppen terwijl hij wist dat zijn slachtoffers enorme pijn ondervonden. De impact op de slachtoffers, van wie er twee slechts 16 jaar waren, is groot. De slachtofferverklaringen hebben laten zien dat de psychische schade ook na 15 dan wel 20 jaar nog altijd bestaat. Eén van hen is zelfs geëmigreerd, omdat zij zich in Nederland niet meer veilig voelde. De rechtbank woog ook mee dat ten tijde van de gepleegde vier feiten grote angst is ontstaan onder vrouwen in de regio Utrecht.

DNA-bewijs speelde een belangrijke rol in de strafzaak. De rechtbank stelt vast dat in drie van de vier zaken sprake is van is van de sterkst denkbare vorm van DNA-bewijs. In de vierde zaak zijn de DNA-sporen minder sterk, maar acht de rechtbank het, gezien de overige bewijsmiddelen, eveneens bewezen dat het de verdachte is die dat feit heeft gepleegd.

Ook de aangiftes van de slachtoffers werden door de rechtbank gebruikt voor het bewijs, evenals het gedrag dat verdachte vertoonde rond zijn DNA-afname. Hij was gestrest en suïcidaal en bezocht op internet pagina’s over zelfmoord, de Utrechtse serieverkrachter, uitkering in detentie en DNA-afname.

De verklaring tegen een informant - dat verdachte de Utrechtse serieverkrachter zou zijn - gebruikte de rechtbank niet als bewijs. De rechtbank sluit niet uit dat verdachte alleen heeft willen zeggen dat hij degene is die ervan wordt verdacht de Utrechtse serieverkrachter te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701538-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 12 februari 2016.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1963] ,

verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Vught.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 en 19 januari 2016 en op
1 februari 2016. Tijdens de zittingen van 18 en 19 januari 2016 is de verdachte in persoon verschenen en heeft hij zich laten bijstaan door mrs. M.A. Krikke en F. van Seventer, advocaten te Bussum. Tijdens de zitting van 1 februari 2016, waarbij alleen het onderzoek is gesloten, is niemand verschenen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van het Openbaar Ministerie en van wat verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Omwille van de privacy van de slachtoffers heeft de rechtbank de namen van de aangeefsters in de tenlastelegging onherkenbaar gemaakt.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 5 september 1995 te De Bilt een vrouw van 27 jaar heeft verkracht;

Feit 2: in de periode van 15 september 1995 tot en met 16 september 1995 te Bunnik een meisje van 16 jaar heeft verkracht;

Feit 3: op 26 september 1995 te Utrecht een vrouw van 28 jaar heeft verkracht;

Feit 4: in de periode van 24 oktober 2001 tot en met 25 oktober 2001 te Bilthoven een meisje van 16 jaar heeft verkracht.

3 Voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.2

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.2.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in zijn vervolging. De raadsman heeft daartoe -kort gezegd- het volgende aangevoerd.

A. Onthouden van (ontlastende) stukken

De verdediging heeft niet de mogelijkheid gekregen onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal.

1. De verdediging heeft gedurende het proces meermalen aan het Openbaar Ministerie verzocht om het zogenaamde ‘lokfietsdossier’, op basis waarvan de verplichting voor de verdachte is ontstaan om zijn DNA-materiaal af te geven, toe te voegen aan het dossier. De enkele omstandigheid dat de ‘lokfietszaak’ een afzonderlijke zaak is, brengt niet mee dat een fout in die zaak geen fout kan opleveren die van betekenis kan zijn voor de beslissingen van de rechtbank in deze strafzaak. Indien in de ‘lokfietszaak’ fouten zijn gemaakt, kan het zijn dat het DNA-materiaal van de verdachte onrechtmatig is verkregen.

De verdediging heeft het vermoeden dat het ‘cold caseteam’ van de politie, dat zich heeft bezig gehouden met de zaak van de ‘Utrechtse serieverkrachter’ de lokfiets bewust in de buurt van de woning van de verdachte heeft neergezet. Als de politierechter die de verdachte in de ‘lokfietszaak’ heeft veroordeeld hiervan niet op de hoogte is gebracht, berust het vonnis van de politierechter op misleiding. Als de verdachte door het plaatsen van de lokfiets door de politie is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet van te voren was gericht, dan zou dit bovendien tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie hebben moeten leiden.

Door afwijzend te beslissen op de onderzoekswensen van de verdediging met betrekking tot de ‘lokfietszaak’, heeft het Openbaar Ministerie bewust tegengehouden dat de verdediging (grondig) onderzoek heeft kunnen doen naar de rechtmatigheid van de verkrijging van het DNA-profiel van de verdachte.

2. De DNA-match die na de veroordeling in de ‘lokfietszaak’ is gevonden, is de enige aanwijzing geweest die tot de aanhouding van de verdachte heeft geleid. Om die reden heeft de verdediging verzocht om de toevoeging aan het dossier van de aanstellingsbesluiten en de certificaten van bekwaamheid van de betrokken zedenrechercheurs. Zij hebben het materiaal veiliggesteld, verzameld en in beslaggenomen, waaruit de DNA-profielen zijn verkregen. De verdediging heeft willen onderzoeken of de behandeling van het materiaal (juridisch) juist is gegaan, in verband met het gevaar voor contaminatie van sporen door onjuiste behandeling. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft de verdediging ook het recht om aanstellingsbesluiten en bekwaamheidscertificaten van opsporingsambtenaren in te zien.

3. Ten slotte heeft de verdediging verzocht het strafdossier aan te vullen met diverse stukken en informatie uit het brede opsporingsdossier naar de ‘Utrechtse serieverkrachter’. De verdediging ziet het immers als haar taak om na te gaan of zich in dit brede opsporingsonderzoek ontlastende feiten voor de verdachte bevinden. Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van alle verzochte stukken echter geconcludeerd tot afwijzing. Ook heeft het Openbaar Ministerie geweigerd aan te geven aan hoeveel personen in het kader van het onderzoek naar ‘de Utrechtse serieverkrachter’ is gevraagd vrijwillig DNA af te staan, hoeveel personen hieraan geen gevolg hebben gegeven en welke personen zijn meegenomen in het verwantschapsonderzoek in 2012. Volgens de verdediging valt niet uit te sluiten dat de ten laste gelegde feiten gepleegd kunnen zijn door meerdere daders. Tussen de personen die hebben geweigerd mee te werken aan het DNA-onderzoek zou heel goed één van de daders kunnen zitten.

Het Openbaar Ministerie heeft deze verzoeken telkens afgewezen, dan wel ten aanzien van de onderzoekswensen die aan de rechtbank zijn voorgelegd geconcludeerd tot afwijzing hiervan. De verdediging is van mening dat het Openbaar Ministerie daarmee heeft tegengehouden dat de verdediging een (grondig) onderzoek heeft kunnen doen. Het bewust onthouden van stukken en informatie, leidt tot een schending van een eerlijk proces en van de ‘equality of arms’, waardoor doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

De inzet van informant A-3843

Door de inzet van informant A-3843 (de rechtbank begrijpt: politiële informatie-inwinner A-3843, maar zal hem in dit vonnis omwille van de leesbaarheid evenals de verdediging aanduiden als ‘informant’) is volgens de verdediging sprake van schending van het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Gelet op de uitspraak van het Europees Hof voor de bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in het arrest Allan (EHRM 5 november 2002, 48539/99) heeft het Openbaar Ministerie met het inzetten van de politie informant de rechten van de verdachte op zo een grove wijze veronachtzaamd, dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Hof heeft in de zaak Allan overwogen dat als de politie door misleiding belastende verklaringen weet te verkrijgen die de verdachte via de reguliere weg niet heeft willen afleggen, de vrije wil om te verklaren is aangetast. De verklaringen van Allan zijn niet spontaan afgelegd maar zij zijn het gevolg van de aanhoudende vragen van de informant. Deze aanhoudende vraagstelling kan volgens het Hof worden aangemerkt als een functionele equivalent van een verhoor, terwijl dit verhoor met geen enkele waarborg is omgeven.

Naar de mening van de verdediging onderstreept de zaak Allan dat het zwijgrecht een absoluut recht is waaraan niet mag worden getornd. Indien een verdachte zich in een gevoelige situatie bevindt (zoals voorlopige hechtenis) geldt dit in nog sterkere mate. In de onderhavige zaak gaat het ook om een voorlopig gehechte verdachte. Verder is van belang dat het Openbaar Ministerie kenbaar heeft gemaakt dat de inzet van de informant ook in deze zaak is ingegeven door het feit dat de verdachte ervoor heeft gekozen zich op zijn zwijgrecht te beroepen.

Daarbij komt dat de informant volgens de verdediging is ingezet met een ander doel dan waarvoor de aanvraag is gedaan / het bevel is gegeven. De toestemming voor de inzet is gegeven met als doel bewijs te vergaren over de zaken die niet op de tenlastelegging staan, met name over de aanleiding en toedracht, alsmede over het motief van de wel ten laste gelegde feiten. De informant is echter teruggetrokken nadat de verdachte gezegd zou hebben: “Normaal vertel ik dit aan niemand, maar ik ben de Utrechtse serieverkrachter”. Op het moment van terugtrekken van de informant was er nog geen bewijs verzameld met betrekking tot de feiten die niet op de tenlastelegging staan, noch met betrekking tot het motief van de wél ten laste gelegde feiten.

Gelet op het voorgaande is de verdediging van mening dat lichtvaardig en op onjuiste gronden tot de inzet van de informant is besloten. Er is bovendien gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM door een grove inbreuk te maken op het ‘nemo tenetur-beginsel’. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Eerlijk proces

De verdediging stelt vast dat de verdachte in het onderzoek in 1995/1996 en zeker ook in 2002 voor de politie feitelijk al verdachte was in de zin van artikel 27 Sv. Op basis van de zich in het dossier bevindende gegevens zou de Hoge Raad in die tijd hebben geoordeeld dat uit de feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeide. De verdachte had daarom ook als zodanig moeten worden behandeld. De verdachte, destijds door de politie aangeduid als subject, is in de genoemde periode echter gehoord zonder daaraan voorafgaand de cautie te hebben gekregen en er is onderzoek gedaan in zijn woning en berging. Door in deze strafzaak gebruik te maken van de aldus verkregen gegevens, heeft het Openbaar Ministerie gehandeld in strijd met de regels van een eerlijk proces.

Toen de verdachte in juli 2014 wel als verdachte in de zin van artikel 27 Sv werd aangemerkt, zetten de verbalisanten hem onder druk toen hij zich op zijn zwijgrecht bleef beroepen. De verbalisanten deden dit kennelijk met als doel te bewerkstelligen dat de verdachte alsnog vragen zou beantwoorden. Het Openbaar Ministerie was van de toepassing van deze verhoortechniek op de hoogte maar heeft nooit ingegrepen.

Verder merkt de verdediging nog op dat de verhorende verbalisanten sturende vragen aan de verdachte hebben gesteld en hem hebben geconfronteerd met onjuiste informatie. Ook ten aanzien van deze verhoortechniek, waarvan het Openbaar Ministerie op de hoogte was, heeft het Openbaar Ministerie niet ingegrepen.

Door niet in te grijpen in dit proces waar dat wel geboden was, heeft het Openbaar Ministerie opnieuw gehandeld in strijd met de beginselen van een eerlijk proces. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Gelet op de onder A, B en C genoemde punten, elk op zichzelf beschouwd dan wel in onderling verband en samenhang bezien, is aannemelijk geworden dat door het Openbaar Ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte een zodanige afbreuk is gedaan aan diens recht op een eerlijk proces dat hij definitief geen eerlijk proces meer kan krijgen. Om die reden dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging in deze strafzaak, aldus de verdediging.

Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank om haar oordeel over de onder A genoemde stukken te herzien en deze stukken alsnog aan het dossier toe te voegen. Daaraan koppelt zij tevens het verzoek de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris met de opdracht om in overleg met de verdediging datgene te doen wat in het belang van het onderzoek nodig wordt geacht.

3.2.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich allereerst op het standpunt dat onjuist is de stelling dat voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie alle door de raadsman genoemde elementen in onderling verband en samenhang kunnen worden bezien. Vaste jurisprudentie is dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op basis van elke beweerdelijk geschonden norm afzonderlijk moet worden getoetst. Ten aanzien van de afzonderlijk genoemde elementen heeft het Openbaar Ministerie zich op het volgende standpunt gesteld:

A. Onthouden van (ontlastende) stukken

Elk punt waarop het Openbaar Ministerie heeft geweigerd informatie aan het dossier toe te voegen, is door de rechtbank getoetst. In vrijwel alle gevallen heeft de rechtbank geoordeeld dat het Openbaar Ministerie op juridisch terechte gronden heeft beslist zoals het heeft beslist. Uitsluitend wat betreft de machtigingen van de rechter-commissaris heeft de rechtbank anders geoordeeld. Niet valt in te zien hoe die feiten en omstandigheden nu zouden kunnen leiden tot de vaststelling dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Daarbij moet worden opgemerkt dat de raadsman het dossier betreffende de diefstal van de lokfiets heeft mogen inzien.

De inzet van informant A-3843

In de Nederlandse jurisprudentie is uitgemaakt dat de inzet van een politiële informatie-inwinner, ook in het huis van bewaring, moet worden getoetst aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De aard van de verdenking wordt daarbij meegenomen, alsmede het onderzoek dat al heeft plaatsgevonden. In deze zaak betreft het een onderzoek naar de verdenking van zeer ernstige zedenfeiten waarin de verdachte geen duidelijkheid heeft verschaft. Na de inzet van alle andere opsporingsmiddelen heeft het Openbaar Ministerie deze bijzondere opsporingsmethode proportioneel ingezet. Er is daarbij geen verhoorsituatie gecreëerd en er is geen druk uitgeoefend op de verdachte.

Dit leidt naar de mening van het Openbaar Ministerie tot de conclusie dat de inzet van de informant rechtmatig is geweest.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, als een in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg, in aanmerking komt indien sprake is van een vormverzuim dat daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Met inachtneming van die maatstaf, overweegt de rechtbank ten aanzien van de door de raadsman aangevoerde gronden het volgende:

A. Onthouden van (ontlastende) stukken

Tijdens de regiezittingen in deze strafzaak heeft de verdediging de rechtbank verzocht de stukken zoals hiervoor bij de weergave van het standpunt van de verdediging genoemd onder 1, 2 en 3 toe te voegen aan het dossier. De rechtbank heeft ten aanzien van vrijwel al deze stukken afwijzend beslist.

Het onthouden van stukken heeft daarmee steeds plaatsgevonden na toetsing door de rechtbank. Het kan daarom niet zo zijn dat met deze onthouding van stukken door het Openbaar Ministerie een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Het verzoek van de verdediging tot toevoeging aan het dossier van de machtigingen van de rechter-commissaris heeft de rechtbank wel toegewezen. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens ook aan dit verzoek voldaan. Het enkele feit dat het Openbaar Ministerie deze stukken niet aan het dossier heeft gevoegd

zonder voorafgaande beslissing van de rechtbank daartoe, vormt evenmin een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat met het onthouden van bedoelde processtukken sprake is van een tekortkoming aan de zijde van het Openbaar Ministerie. Voor niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie is op deze grond dan ook geen plaats.

Het verzoek zoals subsidiair door de verdediging gedaan wijst de rechtbank af. De rechtbank heeft al eerder beslist op het verzoek van de verdediging tot toevoeging van diverse stukken. De rechtbank blijft bij haar beslissing zoals zij die tijdens de regiezittingen ten aanzien van dit verzoek heeft genomen. Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft de verdediging geen nieuwe argumenten aangebracht die tot een ander oordeel moeten leiden.

De inzet van informant A-3843

De inzet van een bijzondere opsporingsbevoegdheid ten behoeve van het stelselmatig inwinnen van informatie door een politieambtenaar op grond van het bepaalde in artikel 126j Sv, impliceert dat sprake is van het maken van inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van een verdachte. Inherent aan deze inzet is dat vragen worden gesteld door de niet als opsporingsambtenaar kenbare informant aan een verdachte in een situatie die niet voldoet aan de vereisten die artikel 29 Sv aan een verhoorsituatie stelt. Naar aanleiding van de door de verdediging aangehaalde zaak Allan (EHRM 5 nov 2002, NJ 2004, 262) heeft de Hoge Raad (HR 9 maart 2004, NJ 2004, 263) geoordeeld dat het stelselmatig inwinnen van informatie waarbij een opsporingsambtenaar onder een andere identiteit in de omgeving van de verdachte verkeert en met de verdachte in contact komt, niet in strijd is met het EVRM, zolang de inzet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Vervolgens moet de rechter beoordelen of niet in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte is gehandeld.

Bezien in dat kader overweegt de rechtbank het volgende. In deze zaak is sprake van een verdenking van zeer ernstige zedenfeiten. De feiten maken onderdeel uit van een onderzoek naar nog meer zedenfeiten die niet op de tenlastelegging staan vermeld. De inzet van de informant was er allereerst op gericht ten aanzien van de zedenfeiten die niet op de tenlastelegging staan informatie in te winnen met betrekking tot de aanleiding en de toedracht van deze feiten. Ook was de inzet van de informant erop gericht bewijs te vergaren met betrekking tot het motief van de verdachte ten aanzien van de feiten die wél op de tenlastelegging staan.

De ernst van de feiten onderstreept het belang van een antwoord op deze vragen. Juist omdat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en daarmee op geen enkele wijze helderheid heeft willen geven over zijn mogelijke betrokkenheid bij de feiten, was de inzet van de informant een gepaste opsporingsbevoegdheid. Onder de gegeven omstandigheden voldeed deze inzet dan ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Met de inzet van de informant is de verdachte weliswaar misleid, maar niet aannemelijk is geworden dat daarmee de verklaringsvrijheid van de verdachte onder druk is komen te staan, noch dat sprake is van schending van het ‘nemo tenetur-beginsel’. De informant heeft tijdens de gesprekken met de verdachte de normen van fatsoen in acht genomen en steeds in een ontspannen sfeer met hem gesproken. Dat blijkt alleen al uit het feit dat de verdachte zelf aan hem heeft laten weten dat hij het fijn vond met hem te praten. In die context heeft de verdachte aan de informant bepaalde informatie verschaft. Niet gebleken is dat dit met ongeoorloofde pressie gepaard is gegaan.

De omstandigheid dat de informant is teruggetrokken nog voordat de verdachte heeft verklaard over de feiten die niet op de tenlastelegging staan, rechtvaardigt niet de conclusie dat hij voor een ander doel is ingezet dan in de aanvraag staat vermeld. Daarvan is ook anderszins niet gebleken. Aan de beslissing tot het terugtrekken van een informant kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen.

De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat de inzet van de informant rechtmatig heeft plaatsgevonden, zodat ook op deze grond geen sprake is van strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Eerlijk proces

Het Openbaar Ministerie heeft op deugdelijke wijze uitgelegd waarom de huidige verdachte in 1995/1996 en zeker ook in 2002 nog niet als verdachte is aangemerkt in de zin van artikel 27 Sv. De rechtbank stelt op grond van die uitleg en de desbetreffende stukken vast dat, kort gezegd, het Openbaar Ministerie in die tijd beschikte over een lijst met een groot aantal mannen die om verschillende redenen in beeld waren bij de politie in het kader van dit onderzoek. Het aantal van die mannen, waarvan de verdachte er één was, moest nog worden uitgedund. Daartoe werden onder meer gesprekken gevoerd. Aan deze mannen werd voorafgaand aan die gesprekken geen cautie gegeven. Dit is op terechte gronden achterwege gelaten, omdat uit de feiten en omstandigheden zoals die op dat moment bekend waren nog geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit kon worden vastgesteld. De strekking van deze gesprekken was bovendien ook niet gelijk aan een verhoor. Van andere onderzoekshandelingen die uitsluitend ten aanzien van een verdachte in de zin van artikel 27 Sv mogen worden verricht is evenmin gebleken. Dat de verdachte in die tijd nog niet als zodanig is aangemerkt en behandeld, levert dan ook geen strijd op met de regels van een eerlijk proces.

Naar aanleiding van de uitkomsten van DNA-onderzoek is de verdachte in juli 2014 wel als verdachte aangemerkt in de zin van artikel 27 Sv. Op basis van de desbetreffende processen-verbaal stelt de rechtbank vast dat tijdens de verhoren die toen plaatsvonden, sprake was van een sturende en indringende vraagstelling. Een dergelijke vraagstelling is binnen zekere grenzen echter toegestaan. De zwijgende verdachte mag door de verhorende ambtenaar geconfronteerd worden met ander bewijsmateriaal en hij mag gewezen worden op de zwakheid van zijn positie. Ook mag de verdachte die zwijgt frequent worden gehoord, met het doel hem alsnog een verklaring te laten afleggen. Daarbij mag hij confronterend worden toegesproken. De druk die binnen deze grenzen wordt uitgeoefend is geoorloofd.

Niet gebleken is dat de druk die in deze zaak is uitgeoefend ongeoorloofd was. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie niet heeft ingegrepen op de verhoormethoden die werden toegepast, maakt dan ook niet dat sprake was van een oneerlijk proces. Ook op deze grond kan daarom niet worden vastgesteld dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging. Daarbij heeft de rechtbank elke grond afzonderlijk bezien.

3.3

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de vier aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan gelet op de bewijsmiddelen zoals die zich in het dossier bevinden. In het bijzonder acht het Openbaar Ministerie hierbij het volgende van belang:

Feiten 2 en 3

Het Openbaar Ministerie concludeert dat de feiten 2 en 3 door de verdachte zijn gepleegd, omdat het zijn autosomaal DNA is dat in het spermaspoor in de slip van aangeefster van feit 2 is aangetroffen (AXA906) en omdat het eveneens zijn autosomaal DNA is dat in het spermaspoor in de vagina van de aangeefster van feit 3 is aangetroffen (ABV701). Verder komt het Openbaar Ministerie tot deze conclusie omdat de feitelijkheden van beide verkrachtingen op vrijwel alle punten overeenkomen.

Feit 1

De feitelijkheden die overeenkomen bij de feiten 2 en 3 komen ook terug bij feit 1. Het Openbaar Ministerie noemt in dit verband het tijdstip, te weten de maand september 1995, de locatie, te weten de omgeving van de Uithof in Utrecht, de wijze van benadering van het slachtoffer op de fiets, te weten van achteren, het signalement van de dader dat past bij de signalementen die in de andere twee aangiftes worden genoemd, de bedreiging met een inklapbaar mes, de geleiding van het slachtoffer naar een tweede locatie, dezelfde specifieke seksuele handelingen en een soortgelijk taalgebruik.

Daarnaast bevestigt sporenonderzoek door middel van een Y-chromosomaal DNA onderzoek aan drie bemonsteringen in het inlegkruisje van aangeefster van feit 1 (AXA901#02 stringent en mild en AXA901#03 mild) dat het feitencomplex aan de verdachte of een aan hem in de mannelijke lijn verwant persoon, kan worden gekoppeld.

Gelet op de geringe frequentie en verspreiding van de familienaam [familienaam] en de overeenkomsten tussen de ten laste gelegde feiten, kunnen de aan verdachte in de mannelijke lijn verwante personen worden uitgesloten als dader van dit feit.

Als het Y-chromosomaal DNA-profiel, getrokken uit sporenmateriaal aangetroffen in de zaak van aangeefster van feit 1 niet van verdachte is, dan is er dus een andere verkrachter actief geweest in dezelfde periode, in hetzelfde gebied, met dezelfde werkwijze, met dezelfde seksuele voorkeur en met hetzelfde signalement, die een Y-chromosomaal DNA-profiel heeft dat zozeer lijkt op dat van de verdachte, dat er enkel een Y-chromosomale DNA hit ontstaan is met de verdachte als gevolg van een artefact. Dat zou betekenen dat niet alleen een of meer pieken die voorkomen in het profiel van die andere dader zijn weggevallen in het piekenprofiel (drop-out), maar bovendien dat er op die plek of plekken óók een piek is ontstaan die matcht met het profiel van de verdachte (een drop-in).

Dit lijkt het Openbaar Ministerie op geen enkele manier een enigszins waarschijnlijke optie te kunnen zijn.

Feit 4

Tijdens het onderzoek naar feit 4 zijn ook sporen veiliggesteld. Van de aangeefster van feit 4 zijn uitstrijkjes afgenomen, de zogenaamde zedenkit (ZAB634) en ook de jurk van aangeefster van feit 4 is bemonsterd (ACD549). Het DNA van de verdachte matcht met het spoor op de jurk van aangeefster van feit 4 (ACD549), een volledig autosomaal DNA-profiel van een spoor dat positief test op spermavloeistof. Voor deze DNA hit heeft de verdachte geen enkele verklaring gegeven.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten en heeft daartoe -kort gezegd- het volgende aangevoerd.

Feit 1

Allereerst heeft de verdediging aangevoerd dat zij niet heeft kunnen controleren of bij het afnemen, veiligstellen, bewaren en verder verwerken van de sporen iets is mis gegaan. Zo wordt celmateriaal in een inlegkruisje gevonden, terwijl niet is gebleken dat een inlegkruisje in beslag is genomen. Er is ook geen zegel van dit inlegkruisje aanwezig. Van belang is om hierbij te vermelden dat in 1995/1996 bij het NFI nog sprake was van een veel minder strenge/goede procedure van het behandelen van sporen, waardoor een risico op contaminatie bestond. Contaminatie komt bijvoorbeeld voor door gereedschap dat gebruikt wordt om stukken van overtuiging te behandelen, maar ook omdat in beslag genomen stukken van verschillende misdrijven met elkaar in contact komen.

Verder is de vraag of het materiaal uit de bemonstering van het inlegkruisje wel in verband kan worden gebracht met feit 1. Blijkens de rapportage worden op het inlegkruisje van het slipje van aangeefster van feit 1 enkele cellen gezien die sterke overeenkomst vertonen met de zogenaamde kop van een spermatozoön en een zwak positieve reactie op de aanwezigheid van het enzym zure fosfatase, een bestanddeel van spermaplasma. In het slipje zelf werd géén sperma aangetroffen. De verdediging merkt in dit verband nog op dat aangeefster van feit 1 heeft verklaard dat ze niet weet of de dader is klaargekomen en dat de dader niet vaginaal heeft gepenetreerd. Op het shirt waarmee de dader zijn penis zou hebben afgeveegd is ook geen sperma aangetroffen. De verdediging leidt hieruit af dat de dader in ieder geval niet is klaargekomen in of rondom de vagina. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat het sperma in het inlegkruisje van de dader afkomstig zou zijn. Mogelijk heeft verwisseling plaatsgevonden en is het inlegkruisje van een andere zaak afkomstig.

De verdediging plaatst ook kanttekeningen bij de rapportage van het NFI over het Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Het NFI heeft verschillende analyses uitgevoerd en het analyse resultaat met de meest complete informatie gebruikt als basis voor de statistische berekening. De verdediging begrijpt uit de verklaring van de onafhankelijke DNA deskundige Herbergs dat de door het NFI gebruikte methode om tot een DNA vergelijking te komen ter discussie staat in de wetenschappelijke wereld. De hoeveelheid celmateriaal was te weinig voor de toepassing van deze methode, met name omdat het om een onvolledig DNA-profiel gaat. Het risico bestaat volgens deskundige Herbergs dat er door drop-in en drop-out een DNA-profiel ontstaat dat niet juist is. Volgens hem had de consensus-methode moeten worden toegepast.

De verdediging constateert bovendien dat het NFI, ondanks dat niet van alle loci alle DNA kenmerken zijn vastgesteld, toch gekozen heeft voor het beste profiel aan de hand van de LCN methode. Deze methode is volgens de verdediging echter te onbetrouwbaar in dit soort gevallen. De kans op complicerende neveneffecten is bij het gebruik van deze methode veel groter dan bij de standaard DNA-analyse. Om die reden mag de LCN methode uitsluitend worden toegepast als bij de betrokken loci van het DNA-mengprofiel alle DNA-kenmerken (pieken) zijn vastgesteld.

Verder is de verdediging van mening dat de NFI rapportage met betrekking tot het Y-chromosomaal DNA-onderzoek niet voor bewijs bruikbaar is. Niet vast te stellen is wat de bewijswaarde zou moeten zijn van het Y-chromosomaal DNA-profiel, omdat de zeldzaamheid van het Y-chromosomaal DNA-profiel van de verdachte niet is vastgesteld. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat Y-chromosomale DNA-profielen verre van persoonsspecifiek zijn.

Gelet op al het bovenstaande afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, komt de verdediging tot de conclusie dat het herziene rapport van het NFI van 16 januari 2015 niet betrouwbaar genoeg is om tot bewijs te kunnen dienen. De verdediging verzoekt daarom primair de resultaten uit dit rapport uit te sluiten van het bewijs. Subsidiair verzoekt de verdediging een nader onderzoek te doen instellen naar dit DNA-bewijs.

Ten slotte is de verdediging van mening dat de omschrijving van de dader door de aangeefster van feit 1 niet voldoende overeenkomt met de beschrijving van de verdachte in die tijd. Vastgesteld kan bijvoorbeeld worden dat de verdachte in die tijd een snor droeg, terwijl de aangeefster van feit 1 daar niets over verklaart. Evenmin verklaart de aangeefster van feit 1 over het missende topje van zijn rechterwijsvinger, een opvallend lichamelijk kenmerk, aldus de verdediging. Ten slotte heeft de verdachte volgens de politie een Utrechts accent, terwijl aangeefster spreekt over accentloos Nederlands.

Feit 2

Ook ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging zich op het standpunt dat de sporen die zijn onderworpen aan DNA-onderzoek niet volgens de wettelijke eisen zijn veiliggesteld, althans, dat dit niet is vast te stellen. Niet kan worden uitgesloten dat daarbij contaminatie heeft plaatsgevonden. Onduidelijk is bijvoorbeeld hoe de door verbalisant [verbalisant 11] aangeleverde kleding is behandeld. Dit is wel relevant, nu aangeefster van feit 2 heeft verklaard dat ze thuis heeft gedoucht, haar onderbroek en BH in de prullenbak heeft gegooid en ’s ochtends bloed op het wc-papier aantrof. De sporen en al hetgeen daaruit is verkregen kunnen daarom niet tot bewijs dienen.

Verder valt het de verdediging ook bij dit feit op dat de omschrijving van de dader door de aangeefster van feit 2 niet (voldoende) overeenkomt met de beschrijving van de verdachte door de politie in die tijd. Net als de aangeefster van feit 1 verklaart de aangeefster van feit 2 niets over een snor en spreekt zij over een accentloos Nederlands sprekende man. Ook zij verklaart ten slotte niet over het missende topje van de rechterwijsvinger van de verdachte, terwijl zij zoiets opvallends wel zou moeten hebben gezien of gevoeld.

Feit 3

Wederom voert de verdediging aan dat niet voldoende duidelijk is op welke wijze de sporen destijds zijn veiliggesteld. Niet kan worden uitgesloten dat dit niet conform de daaraan gestelde wettelijke vereisten is gebeurd en dat er contaminatie van sporen is opgetreden. De sporen en al hetgeen daaruit is verkregen, kunnen daarom niet tot bewijs dienen, aldus de verdediging.

Ten aanzien van het door aangeefster van feit 3 gegeven signalement van de dader zijn ook kanttekeningen te plaatsen. Net als de aangeefsters van de feiten 1 en 2 omschrijft de aangeefster van feit 3 de dader als (vermoedelijk) niet snordragend, terwijl de verdachte in die tijd wel een snor droeg. Ook over het missende topje van de rechterwijsvinger van de verdachte verklaart aangeefster van feit 3 niets.

Feit 4

Onzekerheid bestaat opnieuw over de zorgvuldigheid van het DNA-onderzoek. Deze onzekerheid wordt gevoed door het noemen van een pornoblad door het NFI in het rapport van de zaak van aangeefster 4, terwijl in het dossier nergens wordt geverbaliseerd dat een blad met porno door de politie in beslag is genomen. Wederom valt niet uit te sluiten dat onzorgvuldigheid in het onderzoek tot contaminatie heeft geleid.

De verdediging constateert daarnaast dat in de zaak van de aangeefster van feit 4 sperma is aangetroffen, terwijl de verdachte op 2 september 1996 is gesteriliseerd. Het aangetroffen sperma kan daarom niet van hem zijn.

Het DNA-materiaal dat op de tie-rips is aangetroffen matcht evenmin met dat van de verdachte. Er moet dus sprake zijn van een andere dader. Dat er toch DNA van de verdachte in deze zaak is aangetroffen, kan uitsluitend worden verklaard door contaminatie, zo stelt de verdediging.

Verder is de verdediging van mening dat de verdachte niet voldoet aan het signalement zoals opgegeven door de aangeefster van feit 4. Aangeefster heeft niet verklaard over de snor en het ringbaardje die de verdachte destijds droeg, noch over het missende topje van zijn rechter wijsvinger. Dat laatste had haar zeker moeten opvallen, nu zij wel heeft verklaard over de korte nagels van de verdachte zonder witte randen. Bovendien is de door de aangeefster van feit 4 omschreven integraal helm destijds niet teruggevonden in de schuur van de verdachte. Wel zijn vijf andere bromfietshelmen aangetroffen waarvan drie integraalhelmen.

Tot slot merkt de verdediging op dat de modus operandus van de dader van feit 4 niet of nauwelijks overeenkomt met de modus operandus in de andere drie ten laste gelegde feiten in deze strafzaak. Zij wijst daarbij onder meer op het tijdstip en de locatie van de gepleegde feiten. Bovendien wordt de aangeefster van feit 4 anders dan de andere aangeefsters vastgebonden, waarbij haar mond wordt dichtgeplakt met tape.

Feiten 1, 2, 3 en 4

De verdediging is van mening dat de resultaten van de inzet van de informant, verbalisant A-3843, moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat deze resultaten onrechtmatig zijn verkregen. De verdediging verwijst hiervoor naar hetgeen zij in het kader van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd. Ook moet volgens de verdediging bewijsuitsluiting volgen op de grond dat het door deze verbalisant verkregen materiaal niet betrouwbaar is.

De inhoud van de afgeluisterde gesprekken die de verdachte met zijn ex-vrouw heeft gevoerd in de penitentiaire inrichting zijn ingegeven door schaamte over de verdenking. De verdediging leest in deze gesprekken nergens een begin van enige bekentenis.

Gelet op het voorgaande verzoekt de verdediging de verdachte vrij te spreken van alle vier aan hem ten laste gelegde feiten.

4.3

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Feit 1

De verkrachting

Aangeefster van feit 1, geboren op [1968] , heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard.

Op 5 september 1995 om 21:50 uur verliet ik het terrein van de Utrechtse Universiteit. Terwijl ik op de Bisschopsweg te De Bilt fietste, kwam plotseling een onbekende man naast mij fietsen.2 Ik voelde dat hij met zijn hand mijn lange haar direct vastpakte.3 Hij trok met zijn rechterhand op een dusdanige manier aan mijn haren dat mijn gelaat van hem werd afgekeerd.4 Ik stopte en stapte van mijn fiets, evenals hij. Ik voelde dat hij mij nog steeds vasthield met zijn rechterhand. Ik zag dat hij in zijn linkerhand een mes had. Ik hoorde de man zeggen: “Zet je fiets neer”. Ik hoorde de man zeggen: “Niet kijken of niet gillen want ik heb hier een mes. Als je doet wat ik zeg, gebeurt er niets. Als je gaat gillen, ga je eraan”.5 Toen hij tegen mij had gezegd: “Zet je fiets neer”, duwde hij mijn hoofd in de richting van de rechterzijde van de weg. Ik begreep hieruit dat ik die richting uit moest lopen. Hij trok mij aan mijn haren in de richting van een houten hek. Bij het hek gekomen maakte hij dit open.6Het hek geeft toegang tot een soort veld.7 Ik zag dat we over gras liepen in de richting van struikgewas. Het was aardedonker. Terwijl hij mijn haren vast hield liepen wij door de struiken en bossages.8 Hij vroeg: “Heb je geld bij je?”. Ik zei: “Nee, nou ja 5 gulden”.9 Ik hoorde hem zeggen: “Trek alles uit.”10 Terwijl hij dicht achter mij stond pakte hij met zijn handen mijn spijkerblouse vast en trok de drukknopen los.11 Direct daarna trok hij mijn T-shirt uit de bovenbroek. Met zijn rechterhand maakte hij vervolgens de riem los waarna hij de knoopjesgulp opende.12 Ik voelde dat hij met zijn vingers in mijn vagina binnendrong. Op hetzelfde moment zag ik lichten van een auto. Ik had de indruk dat de auto was gestopt nabij mijn fiets. Op hetzelfde moment trok de man mijn lichaam met zijn armen tegen zijn lichaam. Ik had de indruk dat de man mij van het zicht van de weg wilde afschermen. Ik zag dat hij het mes in zijn linkerhand vasthield. Hij zei de woorden: “Als je wat laat horen of zo, dan steek ik je neer”. Daarna reed de auto weg. De man zei vervolgens: “Doe je kleren uit”.13 Toen de auto was verdwenen voelde ik dat de man met zijn hand naar mijn geslacht ging en mij vingerde.14 Toen ik geheel naakt was vroeg de man mij: “Heb je wel eens gepijpt?”. Ik antwoordde: “Nee”. Hij reageerde daarop door te zeggen: “Dat zal ik je wel leren dan”.15 Hij draaide mij om en zei tegen mij ga daar maar zitten. Hij zei: “Zuigen”. Terwijl ik zijn lul in mijn mond had, bewoog de man met zijn onderlichaam. Daarna zei de man tegen mij de woorden: “Ga voorover op je buik liggen”. Hij drong met zijn lul binnen in mijn anus. Daarna zei hij: “Ga maar verder op je buik liggen”. Ik voelde dat hij voor de tweede keer met zijn lul in mijn anus binnendrong.16

Ik heb de man tijdens de verkrachting niet in zijn gezicht kunnen kijken. Daarom kan ik maar een beperkt signalement van de dader opgeven. Het signalement dat ik u van de dader kan geven luidt 1.65 à 1.70 meter lang, een stevig postuur, kort haar.17

Forensisch onderzoek

Verbalisant [verbalisant 1] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd:

Door de gynaecoloog van het Academisch Ziekenhuis Utrecht (hierna: AZU), dr. Akkerman, is een medisch onderzoek ingesteld bij aangeefster van feit 1. Na het onderzoek is door mij onder meer de volgende sporendrager verpakt en veiliggesteld: een slipje.18

Aan het slipje werd identiteitszegel AXA901 gekoppeld.19 Dit stuk van overtuiging is op de voorgeschreven wijze op 12 september 1995 aan het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk geleverd.20

Deskundige Kloosterman van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk vermeldt in het rapport d.d. 6 maart 1996 -zakelijk weergegeven- het volgende:

Van het materiaal op het inlegkruisje dat zich in het kruis van het slipje met identiteitszegel AXA901bevond, werden microscooppreparaten vervaardigd. In deze preparaten werden enkele cellen gezien die een sterke overeenkomst vertonen met de zogenaamde kop van de spermatozoön. Het materiaal in het inlegkruisje vertoonde een zwak positieve reactie op de aanwezigheid van het enzym zure fosfatase.21 De conclusie luidt dat in het materiaal op het inlegkruisje, dat zich bevond in het kruis van het slipje van het slachtoffer, een belangrijke aanwijzing werd gevonden voor de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid sperma.22

Deskundige De Blaeij van het NFI vermeldt in het rapport d.d. 16 januari 2015 -zakelijk weergegeven- het volgende:

Het restant van het inlegkruisje (AXA901) is onderzocht en in twee bemonsteringen veiliggesteld als AXA901#02 en AXA901#03. Deze veiliggestelde bemonsteringen zijn onderzocht op de aanwezigheid van sperma(vloeistof) met behulp van de PSA-test (Prostaat Specifiek Antigen). Deze test gaf voor beide bemonsteringen een positief resultaat.23 Het materiaal is onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek.24 Het autosomaal DNA-profiel van het slachtoffer van feit 1 en het autosomaal en Y-chromosomaal DNA-profiel van de verdachte zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. Het celmateriaal uit de stringente lysisfractie van bemonstering AXA901#02 en uit de milde lysisfractie van bemonsteringen AXA901#02 en AXA901#03 leverden een autosomaal DNA-profiel op van een vrouw dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer van feit 1 en een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel van één man, dat afkomstig kan zijn van de verdachte.25

Voor het celmateriaal uit de stringente lysisfractie van bemonstering AXA901#02 geldt: de onderzoeksresultaten van het Y-chromosomaal DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker als het mannelijke celmateriaal in deze bemonstering afkomstig is van de verdachte of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man dan wanneer het mannelijk celmateriaal niet afkomstig is van verdachte, maar van een willekeurig gekozen niet in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man.26

Voor het celmateriaal uit de milde lysisfractie van bemonsteringen AXA901#02 en AXA901#03 geldt: de onderzoeksresultaten van het Y-chromosomaal DNA-onderzoek zijn veel waarschijnlijker als het mannelijke celmateriaal in deze bemonsteringen afkomstig is van de verdachte of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man dan wanneer het mannelijk celmateriaal niet afkomstig is van verdachte, maar van een willekeurig gekozen niet in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man.27

De onvolledige Y-chromosomale DNA-profielen zijn op 15 januari 2015 vergeleken met Y-chromosomale DNA-profielen in de zogenoemde ‘Y chromosome Haplotype Reference Database’ (YHRD). Op die datum waren 84256 DNA-profielen in deze databank aanwezig en deze betreffen DNA-profielen van referentiemonsters van mannen uit verschillende en over de gehele wereld verspreide bevolkingsgroepen waaronder de Nederlandse bevolkingsgroep. Bij de vergelijking is gebleken dat de Y-Chromosomale DNA-profielen van het celmateriaal in deze sporen tussen de 6 en 103 keer in deze databank voorkomen.28

Deskundige Kloosterman heeft ter terechtzitting -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:

De onvolledige Y-chromosomale DNA-profielen die zijn opgemaakt kwamen respectievelijk 6, 11 en 103 keer voor in de YHRD databank. De in het rapport genoemde verbale waarschijnlijkheidsuitspraak is gebaseerd op deze getallen. Hierbij geldt dat het profiel wat het vaakst in de databank voorkwam, 103 keer, het minst volledige Y-chromosomale profiel was.29

Aangeefster van feit 1 heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard.

U vertelt mij dat er op het inlegkruisje van mijn slipje een spermaspoor werd aangetroffen. Als dit zo is dan kan dat spermaspoor alleen maar afkomstig zijn van de man door wie ik ben verkracht. Ik heb in de periode voor mijn verkrachting geen gemeenschap gehad met enig ander persoon. De laatste keer was zeker twee jaar geleden.30

Feit 2

De verkrachting

Aangeefster van feit 2, geboren op [1979] , heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard.

Op 15 september 1995 had ik tot 23:00 uur bij de [bedrijfsnaam 1] gewerkt. Rond 23:25 uur ben ik naar mijn fiets gelopen. Toen ik over het fietspad in de richting van het Vagantenpad dat naar Bunnik gaat fietste, ben ik een man uit de tegenovergestelde richting tegengekomen. Er was geen verlichting. Ik ben het Vagantenpad richting Bunnik op gefietst. Ik werd ineens van achteren aan mijn paardenstaart getrokken. Ik voelde dat er stevig aan mijn paardenstaart werd getrokken en werd gedwongen te stoppen. Ik hoorde een man zeggen: “Stoppen bitch”.31 Ik zag een man met een lichtbruine panty over zijn hoofd. Ik hoorde de man zeggen: “Niks zeggen, geen kik geven, want ik heb een mes”, of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat de man een mes in zijn hand had. Hij toonde mij het mes. De man zei tegen mij: “Meekomen, bek houden”. “Nee, je moet gewoon je bek houden”.

De man pakte me toen bij mijn linkerarm met zijn rechterhand vast. De man dwong mij mee te lopen het weiland in.32 De man zei: “Blijven staan, want ik heb een mes, ik kan je zo…”. Ik vroeg waarom doe je dit. Hij antwoordde: “Ja, ik word achterna gezeten”. Hij zei: “Ik wil nu dat je je bek dicht houdt”. Ik hoorde hem toen zeggen: “Ga liggen”. “Ga nou liggen en laat mij nou maar gaan”, of woorden van gelijke strekking. Hij zei toen: “Doe je broek uit”.

Ik zei: “Ik ben maagd, dat kun je niet doen”. De man probeerde vervolgens mijn schoenen uit te trekken. Dat lukte niet. Hij zei: “Trek ze dan uit. Alles moet uit.” Ik heb toen mijn schoenen, mijn ribbroek en mijn onderbroek uitgetrokken. Ik lag toen weer op mij rug. De man voelde toen met zijn rechterhand aan mijn vagina. Daarbij ging hij ook met zijn vingers in mijn vagina. Ik zag dat hij een mes in zijn rechterhand had en in één beweging van onder naar boven mijn BH midden door sneed. Nadat de BH los was, voelde hij aan mijn linkerborst. Gelijkertijd voelde hij ook aan mijn vagina.33 De man probeerde met zijn vingers steeds verder in mijn vagina te komen. De man haalde zijn penis uit zijn onderbroek. Ik zag dat hij zichzelf aftrok. Ik vroeg: “Gebruik je dan wel een condoom en ben je niet ziek”. Hij antwoordde: “dat doe ik nooit”. De Man boog voorover en greep me met één van zijn handen bij mijn keel. Ik hoorde hem zeggen: “Ik doe wat ik wil”. Dit vastgrijpen gebeurde hard. Zijn duim drukte heel hard in mijn keel en deed ook flink zeer.

Hij probeerde met zijn penis mijn vagina binnen te dringen. Ik heb hem intussen aangekeken. Ik wilde zijn gezicht zien en in me opnemen. De man had nog steeds die panty over zijn hoofd. Ik zag dat hij een slecht gebit had. Ik kon zijn gezicht verder niet zien.

De man ging weer op zijn knieën zitten en trok zichzelf weer af. Nadat zijn penis stijf was, probeerde hij weer mijn vagina binnen te dringen. Hij probeerde op alle mogelijke manieren met zijn penis in mijn vagina te komen. Hij was daar zo hard en druk mee bezig, dat hij niet eens merkte dat hij soms naast mijn vagina zat. Hij voelde dan met zijn vingers waar het gaatje zat. Ook zat hij met zijn vingers in mijn anus.34 Hij probeerde toen weer met zijn penis mijn vagina binnen te dringen.

Toen hij met zijn penis in mijn vagina of in mijn anus probeerde te komen, voelde hij ook nog met zijn rechterhand aan mijn rechtertepel. Hij is wel een stukje in mijn vagina geweest tijdens het proberen.

Hij stond op en vroeg: “Weet je wat pijpen is? Heb je dit wel eens gedaan?” Ik antwoordde daarop: “Nee”. Hij zei toen: “Dan leer ik het je wel, gewoon heel hard zuigen”.
Hij trok me aan mijn arm omhoog en ik moest van hem op mijn knieën gaan zitten. Ik zat vervolgens op mijn knieën en moest hem pijpen. Hij stopte zijn penis in mijn mond. Ik hoorde hem zeggen: “Gewoon zuigen”. Hij pakte me achter bij mijn hoofd beet en deed mijn hoofd op en neer. Hij drong zijn penis steeds verder mijn mond binnen tot bijna in mijn keel. Hij stopte vervolgens met het pijpen Hij vertelde mij dat ik mijn handen uit elkaar moest zetten en op mijn knieën moest blijven zitten. Ik bemerkte dat hij gehurkt achter mij zat. Ik voelde dat hij eerst met zijn vinger toen van achteren mijn vagina binnendrong. Dit lukte maar een klein stukje. Daarna ging hij weer met zijn penis mijn vagina binnen. Ik voelde dat het hem lukte mijn vagina verder binnen te dringen.

Hij trok zich vervolgens van mij weg. Hoorde hem iets van “O” zeggen. Ik begreep dat hij was klaargekomen. Ik voelde aan mijn vagina dat het behoorlijk nat was. Dit was niet nat van mijzelf.35

Ik moest hem toen weer pijpen. Dat was maar kort. Hij kleedde zich toen aan en ik deed dat ook. Terwijl ik me aankleedde, zag ik dat de man naar mijn fiets liep en mijn band lek stak. Dit deed hij met dat mes. Hij zei tegen mij: “Niet de politie erbij halen, want ik weet waar je werkt”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.36

De onderbroek en BH had ik gelijk in de prullenbak gegooid. Ik zag dat de onderbroek vies en nattig was. Ik heb toen gedoucht en me heel erg schoon gewassen. Veel shampoo gebruikt en goed mijn tanden gepoetst door veel tandpasta te gebruiken.37
Wat ik verder over de man kan vertellen is het volgende: ongeveer 1.70/1.75 meter lang, breed postuur, skinheadtype qua haar.38

Forensisch onderzoek

Verbalisant [verbalisant 2] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd:

Voor zover ik mij kan herinneren ben ik op 15 of 16 september 1995 als zedenrechercheur betrokken geraakt bij het onderzoek van aangeefster van feit 2. Zij had verklaard dat haar kleding die zij tijdens het feit had gedragen nog bij haar thuis in de ouderlijke woning lag. Ik heb aan aangeefster een daarvoor bestemde papieren zak overhandigd en gevraagd daar al haar kleding in te doen die zij ten tijde van het feit had gedragen. Ik kan mij niet herinneren of ik haar één of meerdere papieren zakken heb gegeven. Aangeefster is toen alleen naar haar woning gegaan, heeft de betreffende kleding opgehaald en in de door mij verstrekte zak gedaan. Nadat zij bij de auto was teruggekomen, heeft zij die papieren zak(ken) aan mij overhandigd.39

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] hebben -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd:

Ik, [verbalisant 1] , ontving op 17 september 1995 de kleding van het slachtoffer die zij tijdens de verkrachting had gedragen, waaronder een slipje. Dit goed werd voor onderzoek verzonden naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk.40

Aan het slipje werd identiteitszegel AXA906 gekoppeld.41 Dit stuk van overtuiging is op de voorgeschreven wijze op 21 september 1995 aan het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk geleverd.42

Deskundige Kloosterman van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk vermeldt in het rapport d.d. 6 maart 1996 -zakelijk weergegeven- het volgende:

In microscooppreparaten van materiaal in het slipje (AXA906) van het slachtoffer van feit 2 werden spermakoppen waargenomen. Daarnaast vertoonde het materiaal op het slipje een positieve reactie op de aanwezigheid van het enzym zure fosfatase.43

In het NFI rapport d.d. 15 juli 2014, opgemaakt door deskundige Kokshoorn, staat een databank match beschreven tussen het referentiemonster van de verdachte en het profielcluster 1303, waar het DNA-profiel opgemaakt van celmateriaal uit een slipje, AXA906#01, deel van uitmaakt. De matchkans van profiel AXA906#01 is kleiner dan één op één miljard, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op de één miljard.44

Feit 3

De verkrachting

Aangeefster van feit 3, geboren op [geboortedatum] , heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard.

Op 26 september 1995 verliet ik omstreeks 22:00 uur het ‘Wentgebouw’ te Utrecht. Terwijl ik onder twee viaducten over de Archimedeslaan te Utrecht fietste, kwam er een fietser mij tegemoet fietsen over het fietspad waarop ik fietste. Ik denk dat het heel goed mogelijk is dat de fietser de man is die mij korte tijd later verkrachtte. Daar het viaduct goed verlicht is, kan ik de fietser als volgt omschrijven. De man was niet heel erg groot, hij had een bol gelaat, kort geknipt haar, bovenop het hoofd lange stekels. De man droeg geen bril en had geen baard. De man had een breed postuur. Door de verlichting schitterde een oorbel in zijn rechteroor.

Ik stak de Archimedeslaan over. Op dat moment hoorde ik dat iemand achter mij fietste.45

Ik werd opeens bij mijn linkerschouder vastgepakt. De man pakte met zijn andere hand het stuur van mijn fiets vast. Ik keek over mijn linkerschouder naar achteren. De man zei: “Niet kijken” en draaide zijn eigen hoofd weg. Ik heb de man in een flits gezien. Ik zag dat de man kort haar, lange stekels en een oorbel in zijn rechteroor had. Terwijl de man mij vastpakte hoorde ik hem zeggen: “Jij moet afstappen, ik heb zojuist ingebroken, de politie zit me op de hielen. Als jij met mij meeloopt, gebeurt er niets”, of woorden van gelijke strekking. De man had mij nog steeds bij mijn linkerschouder vast. Met zijn vrije hand pakte hij een mes. Ik hoorde de man zeggen: “Doorlopen, niet omkijken”. De man heeft mij dan bij de door mij gedragen rugtas vast. Terwijl wij daar liepen, hoorde ik de man zeggen: “Gewoon doorlopen, als jij doet wat ik zeg, gebeurt er niets”.46 Het voetpad ging over in een bruggetje over een sloot. Ik zag dat aan weerszijden van het voetpad bomen en struiken stonden. Ik heb de man niet goed gezien omdat het voetpad niet verlicht is. Het was er erg donker. Opeens passeerde de man mij, fietsend aan mijn linkerzijde. Toen de man mij gepasseerd was, stapte hij van zijn fiets en legde zijn fiets op de grond over het fietspad. Zijn fiets blokkeerde toen mijn doorgang. De man pakte direct het stuur van mijn fiets beet en zei: “Stap maar even af” of “Kom maar even hier”. Ik weet niet precies wat hij gezegd heeft. De man zei: “Doe je rugtas af”. De man pakte met zijn linkerarm mijn linkerarm vast. De man trok mij met kracht naar zich toe. De man sloeg zijn rechterarm om mijn borstkas heen. In zijn linkerhand had de man opeens het mes weer in zijn handen. Terwijl hij mij beet heeft hoorde ik hem zeggen: “Je weet zeker wel hoe scherp deze messen zijn”. De man zei vervolgens: “Trek je broek en je jas uit en leg deze op de grond”.47 De man zat al aan mijn broek te trekken. De man zei: “Ga voorover op je knieën op je jas zitten”. Terwijl ik op mijn knieën zat, voelde ik dat de man met het mes het kruis van mijn slip opensneed. De man stak zijn rechterhand met daarin het mes tussen mijn benen door van achteren naar voren. Daarna sneed hij van rechts naar links het kruis van mijn slipje door. Vervolgens trok de man met zijn linkerhand de rechterzijkant van het slipje stuk. Direct daarna drong de man met een vinger mijn vagina binnen. Dit deed hij terwijl hij achter mij zat. De man drong afwisselend met een vinger mijn vagina dan wel mijn anus binnen. De man bracht telkens één vinger binnen. Voor mijn gevoel is de man met alle vingers inclusief duim in zowel de vagina als de anus binnengedrongen.48 De man bewoog zijn vingers grover in mijn vagina. Ik zei tegen de man: “Dat doet pijn”. Ik hoorde de man daarop antwoorden: “Dat moet ook”.
De man vroeg: “Heb je een vriend?” En: “Waar woon je? Heb je geld bij je?”. De man stelde mij wel drie keer de vraag of ik geld bij me had. Ik antwoordde daarop: “Ja, ik heb geld bij me”. De man vroeg mij: “Weet je hoeveel?” De man trok mij toen aan mijn linkerarm overeind. De man zei: “Draai je om”. Hij zei: ”Ga op je knieën zitten”. De man duwde mij hierbij naar de grond. Vervolgens pakte de man mij met beide handen bij mijn hoofd vast. De man zei: “Jij moet flink zuigen”. De man duwde mijn hoofd naar zijn penis toe. Ik werd op deze wijze gedwongen de penis in mijn mond te nemen. Ik heb gekokhalst. De man bewoog mijn hoofd heen en weer, zodat zijn penis op deze wijze in mijn mond heen en weer bewoog. Hij zei ook een paar keer “Goed zo”. Hij bleef mijn hoofd heen en weer bewegen ondanks het feit dat ik kokhalste.49 De man kwam op zijn knieën achter mij zitten. Hij bracht zijn penis in mijn vagina of anus. Hij heeft meerdere keren zijn penis in mijn anus dan wel vagina gebracht. De man trok zichzelf ook af, vermoedelijk om zijn penis stijver te krijgen. De man betastte tijdens deze handelingen mijn rechterborst. Dat deed hij erg hard. Hij wipte mijn BH omhoog en pakte mijn gehele rechterborst vast en kneep er hard in. Ook kneep de man in mijn rechtertepel. Vervolgens pakte de man de fietspomp van zijn fiets.50 De man zei dat ik op mijn zij moest gaan liggen. Ik voelde dat de man de pomp in mijn anus bracht. Hij bracht het handvat naar binnen. Ik voelde dat de pomp in mijn anus heen en weer bewogen werd. Ik voelde dat de man de pomp losliet. Hij bleef wel in mijn anus zitten. Direct daarop voelde ik dat de man zijn penis in mijn vagina bracht. Op een gegeven moment wisselde de man. De man bracht de pomp met het handvat in mijn vagina. Terwijl de pomp in mijn vagina zit, dringt hij met zijn penis mijn anus binnen. De man zei nu op mijn rug te gaan liggen en trok aan mijn rechterbeen zodat ik op mijn rug kwam te liggen. Ik zag toen dat hij mijn rode pet op had gezet. Hij zat toen tussen mijn benen en bracht toen zijn penis in mijn vagina.51 Ik moest toen weer op mijn handen en knieën gaan zitten. De man bracht de pomp met de handvatzijde wederom in mijn anus. Hij bewoog de pomp op een ruwe wijze in mijn anus. Vervolgens bracht hij zijn penis in mijn vagina. De man wisselde enkele malen. Inmiddels had de man mijn rechterbroekspijp helemaal uitgetrokken. De man haalde op enig moment de pomp en zijn penis uit mijn anus en uit mijn vagina, stond op en draaide zich om naar de fiets toe.52

Ik kan u zeggen dat de man met een Utrechts accent praat. Dat herken ik want ik woon al tien à elf jaar in Utrecht.

Forensisch onderzoek

Verbalisant [verbalisant 4] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd:

Op 27 september 1995 werd in het AZU bij medisch onderzoek aan het lichaam van aangeefster van feit 3 een aantal uitstrijkjes afgenomen. De zedenkit werd door mij op 27 september 1995 ontvangen uit handen van [A] . Tot de zedenkit behoorde het vocht van de schede van aangeefster van feit 3.53

Aan het vocht van de schede werd identiteitszegel ABV701 gekoppeld.54 Genoemd monster is op de voorgeschreven wijze verpakt en gewaarmerkt en zal op 2 oktober 1995 namens mij worden overgebracht naar het Gerechtelijk Natuurkundig Laboratorium te Rijswijk.55

Deskundige Kloosterman van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk vermeldt in het rapport d.d. 6 maart 1996 -zakelijk weergegeven- het volgende:

In het celmateriaal in het schedeuitstrijkje (ABV701) van het slachtoffer van feit 3 werd sperma aangetroffen.56

In het NFI rapport d.d. 15 juli 2014, opgemaakt door deskundige Kokshoorn, staat een databank match beschreven tussen het referentiemonster van de verdachte en het profielcluster 1303, waar het DNA-profiel opgemaakt van celmateriaal uit de bemonstering van de schede, ABV701#01, deel van uitmaakt. De matchkans van profiel ABV701#01 is kleiner dan één op één miljard, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.57

Feit 4

De verkrachting

Aangeefster van feit 4, geboren op [geboortedatum] , heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard.

Op 24 oktober 2001 ben ik om 18:30 uur op de fiets vertrokken vanuit Utrecht richting Soest. Ik ben over het Kees Boekelaantje te Bilthoven gefietst. Ik zag dat het op dat moment donker was en dat er geen straatverlichting was.58 Ik zag dat links naast mij een persoon op een scooter kwam rijden. Ik hoorde dat de persoon op de scooter zei: “Stoppen nu. Zie je dit?”. Ik zag dat de persoon een integraalhelm droeg. Ik zag dat de persoon in zijn rechterhand een mes had. Ik hoorde dat de man sprak met een accent. Ik vermoed dat dit een Utrechts accent was omdat Bilthoven in de buurt van Utrecht ligt. Ik hoorde dat de man zei: “Geld, heb je geld. Ik moet je geld hebben”, of zoiets. Ik hoorde dat de man zei: “Afstappen”. Ik hoorde dat hij dit op een gebiedende toon zei. Ik hoorde dat hij nogmaals zei: “Afstappen nu snel, opschieten”.59Ik hoorde de man zeggen: “Ga maar achterop zitten”. Ik hoorde dat de man dit zei op een gebiedende wijze. Ik hoorde dat de man zei: “Achterop, schiet op”.

Ik zag dat hij het bos inreed. Waar we heenreden weet ik echt niet. Het was donker. Op een gegeven moment stopte de man. Ik zag niets. Ik hoorde dat de man zei: “Afstappen”. Ik hoorde dat hij zei: Voor me uitlopen”. Na een halve à hele minuut werd ik staande gehouden door de man.60 Ik zag dat we stopten bij een boom. Ik hoorde dat de man zei: “Doe je armen om de boom”. Ik voelde dat hij duwde tegen mijn ellenbogen, zodat mijn handen kruislings over elkaar kwamen. Ik zag dat hij twee tie-rips om mijn polsen deed.” Ik zei tegen de man: “Wat ga je doen?” Ik hoorde dat hij zei: “Niks, als je niks zegt, gebeurt er niks.” Ik voelde dat de man op mijn rechterwang tape deed. Ik voelde dat de man de tape om mijn mond en hoofd draaide. Ik voelde dat de tape ook over mijn haar werd gedaan. Volgens mij werd de tape tot tweemaal toe om mijn hoofd gedraaid. Ik kon nog ademhalen door mijn neus.

Ik hoorde en merkte dat hij achter mij ging staan. Ik hoorde dat hij zei: “Blijf staan” of zoiets. Ik merkte dat hij mijn rok omhoog deed. Ik voelde dat hij mijn panty naar beneden deed. Ik voelde dat hij de panty zo hard naar beneden trok dat mijn panty en mijn rechterschoen uitgingen.

Ik voelde dat hij achter mij stond en met meerdere vingers in mijn vagina ging. Ik voelde dat hij met zijn vingers in mijn vagina heen en weer ging. Ik voelde dat hij hierna met één of twee vingers in mijn anus ging en de vingers heen en weer bewoog. Dat wisselde hij zo’n vijf keer af. Terwijl de man met zijn vingers in mijn anus en vagina ging, stond ik nog steeds met mijn handen vastgebonden aan de boom. Ik vermoed dat de man zich vervolgens ging aftrekken. Ik hoorde hem snel ademhalen, hijgen. Hierna voelde ik iets tegen de achterkant van mijn rechterbeen. Ik vermoed dat dit spetters sperma waren.

Hierna hoorde ik dat hij zei: “Ga op de grond liggen”, of zoiets. Ik hoorde dat de man zei: “Ik ga je neuken”. Ik voelde dat hij mij naar beneden probeerde te trekken. Ik hoorde dat hij zei: Op je buik”. Ik zei: “Dat kan ik niet”. Ik hoorde dat hij zei: “Nou, dan leer je dat maar”.

Zo goed en zo kwaad als dat ging ben ik op de grond gaan liggen op mijn buik. Ik voelde dat hij wederom met zijn vingers in mijn vagina en anus ging. Ik voelde dat hij met ongeveer vier vingers in mijn vagina ging. In mijn anus vermoed ik twee. Ik voelde dat hij met zijn penis in mijn anus ging en dat hij stootbewegingen maakte.61 Ik kan mij niet herinneren of de man zijn penis ook in mijn vagina heeft gestopt. Ik heb vocht gevoeld in mijn schaamstreek. Ik denk dat dit zijn sperma was. Ik voelde dat hij mijn benen vastpakte bij mijn enkels en mijn benen bij elkaar deed. Ik voelde dat hij om mijn twee grote tenen vermoedelijk tie-rips deed. Ik voelde dat de man nogmaals een vinger in mijn vagina deed. Ik zag dat de man wegliep.62

Ook herinner ik mij dat de man aan mijn linkerborst heeft gezeten. Ik voelde dat hij zijn hand over mijn borst deed en daarin kneep.

Ik zag dat de man er als volgt uit zag: dik, fors postuur, ongeveer net zo groot als ik of iets langer dus ongeveer 1.75 tot 1.80 meter, 30 tot 35 jaar.63

Forensisch onderzoek

Verbalisant Vergeer heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd.

In het Universitair Medisch Centrum (hierna: UMC) te Utrecht werd het slachtoffer van feit 4 onderzocht. De kleding van het slachtoffer werd hierbij veilig gesteld en in beslag genomen.64Aan de jurk van het slachtoffer werd identiteitszegel ACD549 gekoppeld.65

Voor onderzoek werd onder meer het volgende stuk van overtuiging aangeboden aan het NFI om te onderzoeken op sperma en voor het bepalen van een DNA-profiel: de jurk van het slachtoffer (ACD549).66

Deskundige Kockx van het NFI vermeldt in het rapport d.d. 19 december 2001 -zakelijk weergegeven- het volgende:

Op de jurk (ACD549) is een aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van sperma. De aanwezigheid van sperma kon microscopisch echter niet worden bevestigd.67

Het materiaal op de jurk is onderworpen aan een DNA-onderzoek. De conclusie luidt dat het onderzochte celmateriaal vanaf de jurk bestaat uit een mengsel van celmateriaal dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer van feit 4 en celmateriaal van een onbekend persoon.68

Deskundige De Blaeij vermeldt in het rapport d.d. 19 december 2014 -zakelijk weergegeven- het volgende:

Op de jurk ACD549 zijn diverse vlekken waargenomen. Materiaal in deze vlekken is met behulp van een indicatieve test (zure fosfatasetest) onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van sperma(vloeistof). De testuitslag was positief, dus is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van spermavloeistof. In de bijbehorende microscooppreparaten zijn geen spermacellen waargenomen. Derhalve is de aanwezigheid van sperma microscopisch niet bevestigd, maar deze bevindingen passen bij de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid sperma in deze bemonstering.69

Deskundige Kloosterman heeft in het rapport van het NFI d.d. 9 december 2015 -zakelijk weergegeven- het volgende vermeld:

Op de jurk (ACD549) zijn vlekken aangetroffen die een positieve zure fosfatase reactie vertoonden. Omdat in de microscooppreparaten van deze vlekken geen spermacellen zijn aangetroffen, is met behulp van de immunologische PSA test nader onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van spermavloeistof in de bemonstering van de jurk. Hierbij is een positieve reactie voor de aanwezigheid van spermavloeistof verkregen. Hoewel de aanwezigheid van sperma op de jurk niet met 100% zekerheid is aangetoond zijn de gecombineerde onderzoeksresultaten (indicatieve test en PSA test) waarschijnlijker als de bemonsteringen ACD549#1 en #2 van de jurk sperma(vloeistof) bevatten, dan wanneer deze bemonsteringen geen sperma(vloeistof) bevatten.70

In het NFI rapport d.d. 15 juli 2014, opgemaakt door deskundige Kokshoorn, staat een databank match beschreven tussen het referentiemonster van de verdachte en het profielcluster 1303, waar het DNA-profiel opgemaakt van celmateriaal van de jurk, ACD549#02, deel van uitmaakt. De matchkans van profiel ACD549#02 is kleiner dan één op één miljard, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.71

Feiten 1, 2, 3 en 4

Gedrag verdachte rond DNA-afname

Aan verdachte, die op 19 maart 2014 door de Rechtbank Midden-Nederland is veroordeeld ter zake van artikel 310 Sr, is een bevel tot afname DNA bij veroordeelden gegeven gedateerd 14 april 2014. Veroordeelde moet zich volgens dit bevel melden op 20 mei 2014.72

Het proces-verbaal van afname DNA-materiaal vermeldt dat de afname van DNA van verdachte heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014 te 10:25 uur.73

Getuige [getuige 1] , de ex-vriendin van de verdachte, heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:

Op 18 mei 2014 deed [verdachte] een poging tot zelfmoord en op 20 mei 2014 moest hij DNA afstaan voor de gestolen fiets.74 Toen [verdachte] DNA moest afstaan was hij ontzettend zenuwachtig. Hij heeft de afspraak afgezegd in verband met zijn psychische problemen. Voor zover ik me herinner is 3 juni 2014 de dag geweest dat hij DNA heeft afgestaan. Hij was zenuwachtig, zweten, zijn hele manier van doen. Hij is flink veranderd sinds 18 mei.75 De laatste tijd keek hij continu vanaf zijn balkon naar buiten.76

Verbalisant [verbalisant 5] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd:

Op 17 juni 2014 werd een doorzoeking gedaan in de woning van de verdachte.77

In beslag werden genomen onder meer een laptop en mobiele telefoons.78

Verbalisant [verbalisant 6] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd:

Vastgesteld werd dat in de periode van 2 juni 2014 tot en met 5 juni 2014 op de inbeslaggenomen telefoon van het merk Samsung Galaxy Note III websites waren bezocht die gerelateerd waren aan onder andere DNA, DNA-onderzoek, serieverkrachter, Utrechtse serieverkrachter, opsporing (ophouden voor verhoor), uitkering tijdens detentie, wetteksten, zelfmoord, zelfdoding, ophanging, wurging en euthanasie.79 Ik zag dat tot 2 juni 2014 geen bezoeken aan deze gerelateerde sites te zien zijn. Op 2 juni 2014 gedurende de gehele dag en op 3 juni 2014 tot omstreeks 10:30 uur is een sterke toename te zien in het bezoeken van deze internetsites. Op 4 juni 2014 wordt geen van de sites meer bezocht en op 5 juni 2014 worden nog 2 sites bezocht gerelateerd aan DNA. Na 6 juni 2014 zijn geen bezoeken meer te zien.80

Verbalisant [verbalisant 7] heeft -zakelijk weergegeven- het volgende gerelateerd:

Op de laptop van de verdachte werden zoektermen van 13 mei 2014 aangetroffen betreffende onder meer overdosis van mirtazapine, remeron en temazepan.81

Gedrag verdachte in de ten laste gelegde periode

Getuige [getuige 2] , de ex-vrouw van de verdachte, heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:

Ik ben getrouwd geweest met [verdachte] van 1990-2010.82 We hebben samen een dochter, [B] , geboren op [1991] .83

Fietsen deed [verdachte] alleen en hij kwam overal en nergens. Hij wist overal de weg. Het fietsen deed hij meestal in de avonduren.84

In de periode 1995/1995 maakte [verdachte] gebruik van een fiets, een mountainbike en een scooter. Hij ging ’s avonds altijd even schumen buiten. Hij ging gewoon naar buiten of er wel eens iets te halen viel.85 Hij ging op de fiets of scooter naar zijn moeder en ooms in Zeist.86 Waar hij dan precies heen ging weet ik niet. Het kan één of twee keer per week zijn geweest en dan weer een paar weken niet. Doorgaans vertrok hij ’s avonds laat. Tien à elf uur. Dat is inderdaad een vreemd tijdstip om bij iemand op bezoek te gaan. Of hij bij iemand op bezoek ging weet ik ook niet. Hij zei dan dat hij een stukje ging fietsen of brommen.87 Hij had een goudkleurige ronde oorbel. Hij deed zijn sieraden nooit af als hij weg ging.88

[verdachte] is gesteriliseerd. Ik denk toen [B] 4 of 5 jaar oud was.89

Getuige [getuige 3] , de dochter van verdachte, heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:

De plekken waar het is gebeurd komen mij bekend voor. De Uithof. Mijn vader kwam daar ook. Hij ging daarnaar toe om naar zijn werk te gaan. Hij werkte bij [bedrijfsnaam 2] . Hij vertelde dat hij omreed. Of dat hij zin had om te scooteren voordat hij naar zijn werk ging. Soms ging hij wel een paar uur eerder van huis. Hij moest dan bijvoorbeeld om 23:00 uur beginnen met werken en hij ging vaak uren eerder weg bijvoorbeeld al om 20:00 uur. Hij ging best wel vaak ’s avonds uren scooterrijden als hij een vrije avond had.90

Getuige [getuige 4] , de oom van de verdachte, heeft -zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:

[verdachte] kwam iedere zondag bij ons in Zeist, vroeger altijd op de fiets, zeker in 1995, 1996, daarna op de bromfiets. Hij reed altijd via de Utrechtse weg richting Utrecht tot aan het Herman Jordan Lyceum, dan oversteken de Schorteldoeksesteeg in, daarna rechtdoor over de Bisschopweg, rechtdoor naar Fort Rhijnauwen of De Uithof.91

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Vastgesteld kan worden dat de verdachte de aangeefsters door geweld, door een andere feitelijkheid, door bedreiging met geweld en door bedreiging met een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van meerdere handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Hij heeft dit gedaan door de aangeefsters in het donker op onverhoedse wijze te dwingen van hun fiets te stappen, door daarbij aan hun haren of lichaam te trekken, door hun gezicht van hem afgeschermd te houden, door aan hen een mes te tonen en door hen gebiedend en bedreigend toe te spreken. Hij heeft dit gedaan door met een mes de onderkleding van twee aangeefsters open te snijden. Hij heeft dit ook gedaan door de aangeefsters te brengen naar locaties waar zij door niemand konden worden geholpen en waar de verdachte de volledige controle over hen had. In het geval van feit 4 heeft de verdachte daarbij de handen van aangeefster met tie-rips vastgebonden om een boom en haar gezicht omwikkeld met tape.

De dwang die de verdachte door deze dwangmiddelen heeft uitgevoerd was zodanig dat de aangeefsters zich niet aan zijn handelen konden onttrekken.

Het seksueel binnendringen heeft bij elk van de aangeefsters bestaan uit meerdere handelingen. De handelingen die bewezen kunnen worden verklaard bestaan onder meer uit het brengen van de vingers in de vagina van elk van de aangeefsters, het brengen van de vingers in de anus van de aangeefsters 2, 3 en 4, het brengen van de penis in de vagina van aangeefsters 2, 3 en 4, het brengen van de penis in de anus van de aangeefsters van de feiten 1, 3 en 4, het brengen van de penis in de mond van aangeefsters 1, 2 en 3 en in het geval van feit 3 ook uit het brengen van het handvat van een fietspomp in de vagina en anus van de aangeefster. Een groot aantal van deze handelingen heeft de verdachte meermalen gepleegd.

Bij de aangeefsters 2, 3 en 4 heeft de verdachte bovendien de borst en tepel betast, zoals ook ten laste is gelegd.

Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten overweegt de rechtbank het volgende. Daarbij zullen, omwille van de begrijpelijkheid, eerst de feiten 2 en 3 worden besproken en vervolgens de feiten 1 en 4:

Feit 2

In de slip (AXA906) van de aangeefster van feit 2 is een spermaspoor aangetroffen, waarvan een autosomaal DNA-profiel werd verkregen. De aangeefster van feit 2 heeft verklaard dat zij heeft begrepen dat de persoon die haar verkrachtte was klaargekomen, dat ze voelde dat haar vagina nat was en dat dit niet van haarzelf was. Ook haar slip was vies en nat. Het spermaspoor in de slip is om die reden te relateren aan het delict. Nu het DNA-profiel van de verdachte matcht met dit spoor en de kans dat een willekeurig gekozen persoon hetzelfde DNA-profiel heeft kleiner is dan 1 op 1 miljard kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de aangeefster van feit 2 heeft verkracht.

Feit 3

In de schede van de aangeefster van feit 3 is eveneens een spermaspoor (ABV701) aangetroffen, waarvan een volledig autosomaal DNA-profiel werd verkregen. Gezien de locatie van het aangetroffen spermaspoor, te weten inwendig bij aangeefster, en de beschreven handelingen tijdens de verkrachting, is ook dit spermaspoor delict gerelateerd. Nu het DNA-profiel van de verdachte matcht met dit spoor, en de kans dat een willekeurig gekozen persoon hetzelfde DNA-profiel heeft kleiner is dan 1 op 1 miljard, kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de aangeefster van feit 3 heeft verkracht.

Feit 1

Het inlegkruisje

Aangeefster van feit 1 is na haar verkrachting onderworpen aan een medisch onderzoek. Daarbij is een slip veiliggesteld, waaraan identiteitszegel AXA901 is gekoppeld. Deze slip is doorgestuurd naar het Gerechtelijk Laboratorium, waar deskundige Kloosterman de slip heeft onderzocht. Deskundige Kloosterman noemt in zijn rapport van 6 maart 1996 voor het eerst het inlegkruisje. Hij vermeldt dat in het inlegkruisje een kleine hoeveelheid mannelijk celmateriaal is aangetroffen. Daarbij vermeldt hij ook dat dit inlegkruisje zich in het slipje met identiteitszegel AXA901 bevond. Waar in nadere rapporten over het inlegkruisje wordt gesproken, wordt ook steeds dit identiteitszegel nummer genoemd.

Vastgesteld kan daarom worden dat het inlegkruisje waarop celmateriaal is aangetroffen, onderdeel uitmaakte van de slip van de aangeefster van feit 1. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat mogelijk verwisseling van materiaal heeft plaatsgevonden en dat het inlegkruisje van een andere zaak afkomstig is.

De methode van het Y-chromosomaal onderzoek

De kleine hoeveelheid mannelijk celmateriaal in het inlegkruisje is later door het NFI onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door het NFI gehanteerde methode bij het Y-chromosomaal onderzoek. Door het NFI zijn verschillende analyses gemaakt van de beperkt beschikbare hoeveelheid celmateriaal. Deskundige Kloosterman heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat het analyseresultaat met de meest complete informatie is gebruikt als basis voor de statistische berekening. Dit is de gebruikelijke werkwijze bij het NFI, aldus de deskundige. Naar aanleiding van de analyse zijn drie onvolledige Y-chromosomale DNA-profielen opgesteld. Deze profielen kwamen respectievelijk 6, 11 en 103 keer voor in de YHRD databank. Deskundige Kloosterman heeft ter terechtzitting verklaard dat bij deze profielen geen reden was ervan uit te gaan dat sprake was van artefacten. Omdat Y-chromosomaal DNA-onderzoek per locus maar één kenmerk oplevert, is snel duidelijk als sprake is van een drop in of een drop out. In geval van een drop in wordt een extra kenmerk zichtbaar. In geval van een drop out is er bij Y-chromosomaal onderzoek geen resultaat. In de verschillende profielen waren geen kenmerken zichtbaar die verdachte, dan wel een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man, uitsluiten.

Deskundige Herbergs heeft verklaard dat hij ervan uit gaat dat het NFI de LCN methode heeft gebruikt bij het Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Hij maakt dit op uit de notatie 9kV die bij de profielen staat vermeld. Dit is geen standaard methode en deze methode wordt toegepast wanneer sprake is van weinig DNA-materiaal. Bij het gebruiken van de LCN methode wordt het opstellen van een consensus profiel aanbevolen. Anders dan het NFI zou hij dan ook de consensusmethode gebruiken bij dergelijk Y-chromosomaal DNA-onderzoek. De door het NFI gekozen methode is volgens hem echter wel op de juiste wijze toegepast. Hij heeft verklaard dat de door het NFI gebruikte profielen weliswaar onvolledig waren, maar dat het niet zo is dat er nog kenmerken in het profiel zaten die van een ander afkomstig zouden kunnen zijn. De profielen die door het NFI zijn opgesteld matchen ook volgens deskundige Herbergs allemaal met de verdachte. Andere kanttekeningen die hij ten overstaan van de rechter-commissaris ten aanzien van de door het NFI gehanteerde methode heeft geuit, heeft hij na de nadere uitleg van deskundige Kloosterman ter terechtzitting ingetrokken.

Deskundige Kloosterman heeft ter zitting verklaard dat de notatie 9kV inderdaad duidt op het gebruik van een meer gevoelige techniek. Het is één van de meer gevoelige technieken die kunnen worden toegepast. Dit is echter niet hetzelfde als de LCN methode. Bij de LCN methode wordt ook gebruik gemaakt van hyperamplificatie. Deze techniek wordt door het NFI nooit toegepast in het Y-chromosomaal DNA-onderzoek, en dat is in deze zaak ook niet gebeurd. Dat gebeurt alleen bij autosomaal DNA-onderzoek. Dit heeft de deskundige ook ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard.

Het verweer van de raadsman op dit punt wordt dan ook verworpen.

Zeldzaamheid van het Y-chromosomaal DNA-profiel

Wat betreft de bewijswaarde van de resultaten van een Y-chromosomaal onderzoek wordt in het rapport van het NFI van 16 januari 2015 door deskundige Pouwels uitgelegd dat geldt hoe zeldzamer het matchende Y-chromosomaal DNA-profiel is, hoe groter de bewijswaarde. De deskundige heeft vastgesteld hoe vaak de onvolledige Y-chromosomale DNA-profielen van de aangetroffen sporen in een wereldwijde databank voorkomen. Dat was tussen de 6 en 103 keer. Deskundige Kloosterman heeft ter terechtzitting verklaard dat de drie profielen respectievelijk 6, 11 en 103 keer voorkwamen in de database. Op basis van deze getallen is vervolgens in het rapport van 16 januari 2015 geconcludeerd in de vermelde verbale termen van waarschijnlijkheid.

Deskundige Herbergs heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij bij het doen van een verbale uitspraak over de zeldzaamheid van het profiel dezelfde methodiek zou gebruiken als is toegepast door het NFI. Bij deze verbale uitspraak is meegenomen dat het Y-chromosomaal DNA-profiel van het spoor onvolledig is. Het is dit onvolledige profiel dat matcht met het profiel van de verdachte. Er zijn geen pieken waargenomen die niet in het profiel van de verdachte vallen.

Deskundige Herbergs heeft ten overstaan van de rechter-commissaris ook verklaard dat voor het doen van de verbale uitspraak niet van belang is te weten hoe zeldzaam het Y-chromosomaal DNA-profiel van de verdachte is. De rechtbank begrijpt dat voor het vaststellen van de bewijswaarde van een dergelijke match de zeldzaamheid van de Y-chromosomale DNA-profielen die matchen met het Y-chromosomaal DNA-profiel van verdachte van belang is, en dat van deze matchende DNA-profielen is vastgesteld hoe vaak ze in de databank voorkomen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen reden de uitkomst van het Y-chromosomaal onderzoek uit te sluiten van het bewijs.

Subsidiair verzoek

Het verzoek van de verdediging zoals subsidiair gedaan, toetst de rechtbank aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Op basis van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft zij geen reden te twijfelen aan de juistheid van de resultaten van het DNA-onderzoek zoals dat thans aan haar voorligt. Van noodzaak tot het doen van nader onderzoek is dan ook geen sprake. Het verzoek tot het instellen van een nader onderzoek naar het DNA-bewijs wijst de rechtbank daarom af.

Betrokkenheid van de verdachte bij feit 1

De resultaten van het Y-chromosomaal DNA-onderzoek laten zien dat de verdachte dan wel een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man aan feit 1 kan worden gekoppeld. Daarbij is van belang dat het onderzochte celmateriaal delict gerelateerd is, nu daar een belangrijke aanwijzing werd gevonden voor de aanwezigheid van sperma. Op basis van de resultaten van het Y-chromosomaal DNA-onderzoek, in samenhang bezien met de overeenkomsten van de verkrachting van aangeefster van feit 1 met de verkrachtingen van de aangeefsters van de feiten 2 en 3, kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is die zich ook aan de verkrachting van aangeefster van feit 1 heeft schuldig gemaakt. Onder de gegeven omstandigheden is het zo onwaarschijnlijk dat een andere in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man de verkrachting van aangeefster 1 heeft gepleegd, dat de rechtbank aan die mogelijkheid voorbij gaat.

Over de overeenkomsten tussen de verschillende verkrachtingen, die blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen, zal de rechtbank hierna meer overwegen.

Feit 4

Op de jurk (ACD549) van de aangeefster van feit 4 is een spoor aangetroffen, waarvan een volledig autosomaal DNA-profiel werd verkregen dat positief testte op de aanwezigheid van spermavloeistof. Het DNA-profiel van de verdachte matcht met dit spoor.

Delict gerelateerdheid van het spoor

Gesteld is dat de verdachte ten tijde van het onder 4 ten laste gelegde feit gesteriliseerd was. In de bemonstering van de jurk van aangeefster van feit 4 zijn ook geen spermacellen aangetroffen. Wel is door de deskundigen geconcludeerd dat het waarschijnlijker is als de bemonstering van de jurk spermavloeistof bevat dan wanneer deze bemonstering geen spermavloeistof bevat. Deze conclusie, die is getrokken op basis van zowel de indicatieve zure fosfatasetest als de immunologische PSA test, is niet strijdig met het gegeven dat de verdachte op dat moment gesteriliseerd zou zijn. Ter terechtzitting heeft deskundige Kloosterman verklaard dat iemand die gesteriliseerd is wel PSA in zijn spermavloeistof heeft. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft ook deskundige Herbergs verklaard dat in het geval sprake is van een gesteriliseerde man de PSA test nog wel bruikbaar is.

Op basis van het voorgaande kan worden vastgesteld dat de bemonstering van de jurk delict gerelateerd materiaal bevatte. De delict gerelateerdheid volgt ook uit het feit dat aangeefster van feit 4 heeft verklaard dat zij in de twee weken voorafgaand aan het delict geen seksueel contact heeft gehad met een andere man. Nu DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat het materiaal uit de bemonstering van de jurk matcht met het DNA-profiel van de verdachte, kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de aangeefster van feit 4 heeft verkracht.

Feiten 1, 2, 3 en 4

Contaminatie DNA

Bij het voorgaande heeft de rechtbank de resultaten van het DNA-onderzoek door het NFI als bewijs gebruikt. Zij ziet geen enkele aanwijzing dat het DNA-materiaal van de verdachte door middel van contaminatie op de onderzochte bemonsteringen terecht kan zijn gekomen. In het geval van de feiten 2 en 3 is autosomaal DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen in spermasporen in respectievelijk het slipje en het schedevocht van de aangeefsters van de feiten 2 en 3. In het geval van feit 4 is autosomaal DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen in een spoor op de jurk van de aangeefster van feit 4 dat positief testte op spermavloeistof. In het geval van feit 1 ten slotte is in celmateriaal op het inlegkruisje van de slip van de aangeefster van feit 1 een aanwijzing gevonden voor de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid sperma. Dit celmateriaal leverde onder meer een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel op van één man, welke overeenkomt met het Y-chromosomaal profiel van de verdachte. Volstrekt onwaarschijnlijk is dat in al deze vier gevallen de sporen zodanig zijn gecontamineerd dat daaruit steeds profielen zijn gekomen die wijzen op de verdachte. De feiten hebben op vier verschillende locaties plaatsgevonden. De sporen zijn op vier verschillende momenten door verschillende personen veiliggesteld. De sporen zijn steeds op delict gerelateerde plaatsen aangetroffen en het betreft steeds delict gerelateerd sporenmateriaal. Zelfs in aanmerking nemende dat de wijze van veiligstellen van sporenmateriaal in de tijd van de ten laste gelegde feiten met minder waarborgen was omgeven dan op dit moment het geval is, bestaat voor het aantreffen van delict gerelateerd DNA-materiaal van de verdachte onder de genoemde omstandigheden geen enkele aannemelijke verklaring.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid van het DNA-bewijs.

Overeenkomsten

Het hiervoor opgesomde bewijs laat zien dat de vier verkrachtingen door dezelfde dader zijn gepleegd, te weten de verdachte. Dat de vier verkrachtingen door dezelfde dader zijn gepleegd, vindt bevestiging in het feit dat de verkrachtingen een aantal overeenkomsten vertonen. De verkrachtingen hebben alle vier plaatsgevonden in dezelfde regio van Utrecht. Het betreft een regio waarover door getuigen is verklaard dat de verdachte hier bekend was. Juist in die regio fietste de verdachte volgens de getuigen regelmatig in de avonduren. De reden van deze fietstochten was voor de getuigen, waaronder de toenmalige vrouw van de verdachte, echter onduidelijk.

Een andere overeenkomst is dat de verdachte de fietsende aangeefsters steeds van achteren benaderde. De aangeefsters 1 en 2 trok hij aan de haren, aangeefster 3 aan haar schouder. Onder bedreiging van een mes nam hij alle vier de aangeefsters mee naar de plek waar hij hen verkrachtte.

Ook valt op dat de verdachte de verschillende aangeefsters op vergelijkbare wijze heeft toegesproken. Tegen aangeefsters 1, 2 en 4 heeft hij gezegd: “Dan leer je dat maar.” Om aan aangeefsters 1, 2 en 3 duidelijk te maken dat zij hem moesten pijpen zei hij: “Zuigen, je moet flink zuigen”. Tegen aangeefsters 1 en 3 heeft hij gezegd: “Als je doet wat ik zeg, gebeurt er niets”. Tegen aangeefster 4 heeft hij vergelijkbare woorden geuit, namelijk: “Als je niks zegt, gebeurt er niks”. De aangeefsters van de feiten 1, 3 en 4 heeft de verdachte om geld gevraagd en tegen de aangeefsters 2 en 3 heeft hij gezegd dat de politie achter hem aan zat.

Ten slotte zijn overeenkomsten te zien in de seksuele handelingen die de verdachte bij de vier verschillende aangeefsters heeft verricht. Bij alle vier de aangeefsters heeft hij zijn vingers in de vagina gebracht. Bij de aangeefsters van de feiten 2, 3 en 4 heeft hij zijn vingers ook in de anus gebracht. Bij de aangeefsters van de feiten 1, 2 en 3 heeft hij zijn penis in de mond van de aangeefsters gebracht. Bij de feiten 2, 3 en 4 heeft hij zijn penis in de vagina gebracht. Bij alle vier de aangeefsters heeft hij zijn penis in de anus gebracht. In het geval van de feiten 2, 3 en 4 heeft de verdachte de borst en tepel van de aangeefster betast.

Signalement

Ook bestaan overeenkomsten in het signalement dat de verschillende aangeefsters van de dader hebben gegeven. Telkens wordt gesproken over een fors postuur, kort haar en een lengte van circa 1.70 meter. Deze kenmerken passen bij het signalement van de verdachte in die tijd.

Over een snor hebben de aangeefsters van de feiten 1 en 2 bij het geven van het signalement van de dader niets verklaard. De aangeefster van feit 3 heeft verklaard: “Volgens mij had de man geen snor”.

De ex-vriendin van de verdachte, getuige [getuige 1] , heeft verklaard dat zij zeker weet dat de verdachte op 16 september 1995 wel een snor droeg. Zij is daar zo zeker van omdat zij die dag met de verdachte in het zwembad heeft gepraat. Het viel haar toen op dat hij tijdens het praten aan zijn snor pulkte. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte in ieder geval ten tijde van feit 2 en waarschijnlijk ook ten tijde van de feiten 1 en 3 een snor moet hebben gedragen.

Dat de aangeefsters geen melding hebben gemaakt van deze snor, is te verklaren door de omstandigheden waaronder de verkrachtingen hebben plaatsgevonden. Het was steeds donker en de verdachte benaderde de aangeefsters steeds van achteren. De aangeefsters konden de verdachte op dat moment niet zien. De verdachte dwong de aangeefsters vervolgens ook om weg te kijken, waarschijnlijk met als doel te voorkomen dat zij zijn gezicht konden zien. In het geval van feit 2 droeg de verdachte een panty over zijn hoofd. Dit maakte dat het voor aangeefsters moeilijk zo niet onmogelijk was om details van het gezicht van de verdachte te zien. De aangeefster van feit 3 heeft de verdachte waarschijnlijk wel gezien toen hij haar kort voor de verkrachting tegemoet fietste in een verlichte tunnel. Echter, zij zag hem toen slechts in een flits. Nadat de verdachte haar even later van achteren benaderde en dwong van haar fiets te stappen, sommeerde hij haar net als de anderen om niet om te kijken. En ook in het geval van aangeefster van feit 3 was het donker op de plek waar de verdachte haar vervolgens verkrachtte.

Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het zeer wel voorstelbaar dat geen van de aangeefsters de snor van de verdachte heeft genoemd bij het opgeven van het signalement van de dader. Dat geldt ook voor het missende topje van de rechtervinger van de verdachte. De rechtbank acht het zeer wel voorstelbaar dat ook dit lichaamskenmerk de aangeefsters niet is opgevallen. Op basis van het ontbreken van lichaamskenmerken van de verdachte bij het opgeven door aangeefsters van het signalement van de dader, is bij de rechtbank dan ook geen twijfel ontstaan over de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten.

Aangeefster van feit 4 heeft een specifieke omschrijving gegeven van de integraalhelm die de dader droeg op het moment dat hij haar dwong van haar fiets af te stappen. In september 2002 werd door de politie een bezoek gebracht aan de verdachte, destijds subject, en daarbij werden ook integraalhelmen in de berging gezien. De omstandigheid dat de helmen die in de berging van de verdachte werden gezien niet voldeden aan de specifieke omschrijving zoals die door de aangeefster van feit 4 is gegeven, maakt niet dat de rechtbank de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit in twijfel trekt. Het bezoek aan de verdachte vond plaats bijna een jaar na het tijdstip van de verkrachting in oktober 2001. Niet uit te sluiten is dat de verdachte de helm na deze verkrachting heeft weggegooid. Het feit dat wel andere integraalhelmen zijn aangetroffen, bevestigt dat de verdachte in die tijd gewend was soortgelijke helmen te dragen.

Dat twee van de vier aangeefsters hebben verklaard dat de dader accentloos Nederlands sprak, terwijl de verdediging heeft gesteld dat de verdachte spreekt met een Utrechts accent, maakt ten slotte ook niet dat de rechtbank de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten in twijfel trekt. De bewoordingen op basis waarvan de aangeefsters deze uitspraak hebben gedaan zijn beperkt. Bovendien is niet duidelijk in hoeverre alle aangeefsters in staat waren verschillende accenten te onderscheiden. Ook is niet uit te sluiten dat de verdachte zowel met als zonder een Utrechts accent kan spreken.

Gedrag van de verdachte rond DNA-afname

Opvallend acht de rechtbank ten slotte het gedrag dat de verdachte heeft vertoond voorafgaand aan en na afloop van zijn DNA-afname. De naderende DNA-afname gaf de verdachte stress en maakte hem suïcidaal. Op internet bezocht hij pagina’s die te maken hadden met de Utrechtse serieverkrachter, hij bezocht pagina’s over DNA-onderzoek, over uitkering tijdens detentie en over zelfmoord. Kennelijk beschikte de verdachte over de wetenschap dat hij na zijn DNA-afname in verband zou worden gebracht met de Utrechtse serieverkrachter en dat dit tot detentie zou leiden. De rechtbank ziet hierin bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde verkrachtingen, die onderdeel hebben uitgemaakt van het onderzoek naar de Utrechtse serieverkrachter.

Geen bewijs

In de penitentiaire inrichting heeft de verdachte tegen een door het Openbaar Ministerie ingezette informant verklaard: “Normaal vertel ik dit tegen niemand, maar ik ben de Utrechtse serieverkrachter.” De rechtbank heeft deze verklaring niet als bewijsmiddel gebruikt, omdat niet duidelijk is wat de strekking is van deze verklaring. Niet uitgesloten kan worden dat de verdachte hiermee bedoeld heeft te zeggen dat hij degene is die ervan wordt verdacht de Utrechtse serieverkrachter te zijn. Deze verklaring kan dan ook niet als bekentenis tegenover de informant worden beschouwd.

Voor zover de rechtbank de verweren van de verdediging niet heeft besproken, vinden deze hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 05 september 1995 te De Bilt door geweld en een andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld en een andere feitelijkheid aangeefster van feit 1 (geboren op [geboortedatum] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte

meermalen, althans eenmaal,

- zijn vingers in de vagina van die aangeefster gebracht en

- zijn penis in de mond van die aangeefster gebracht en

- zijn penis in de anus van die aangeefster gebracht

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld en die andere feitelijkheden hierin dat hij verdachte toen en aldaar

- plotseling en onverhoeds naast die fietsende aangeefster kwam fietsen en

- vervolgens terwijl hij verdachte naast die aangeefster fietste aan haar

hoofdhaar heeft getrokken welk trekken op een dusdanige manier geschiedde dat

haar gelaat van hem, verdachte werd afgewend en

- nadat die aangeefster en hij, verdachte, hadden afgeremd en tot stilstand

waren gekomen aan het hoofdhaar van die aangeefster bleef trekken en

vasthouden en

- een mes aan die aangeefster heeft getoond en voorgehouden en

- de volgende woorden aan die aangeefster heeft toegevoegd: "Niet kijken of niet

gillen, want ik heb hier een mes" en "Zet je fiets neer." althans woorden van soortgelijke strekking

en

- terwijl die aangeefster nog steeds aan haar hoofdhaar werd getrokken die

aangeefster de looprichting -waarin hij verdachte en die aangeefster

wilde laten lopen- heeft geduwd en

- een hek van een omheining van een weiland/grasland voor die aangeefster en

hemzelf heeft geopend en

- de volgende woorden aan die aangeefster heeft toegevoegd: "Als je doet wat ik

zeg, gebeurt er niets." en "Als je gaat gillen, ga je eraan", althans soortgelijke woorden en

- die aangeefster en hemzelf naar een omgeving/plaats waar struiken en bossages

stonden heeft gebracht, waar geen verlichting brandde en waar het

mitsdien aardedonker was, terwijl hij, verdachte die aangeefster aan het

hoofdhaar trok en naar die omgeving/die plaats geleidde en

- de volgende woorden aan die aangeefster heeft toegevoegd: "Trek alles uit"

en

- terwijl hij verdachte achter die aangeefster stond de drukknopen van de door

die aangeefster gedragen blouse heeft losgetrokken en

- het door die aangeefster gedragen T-shirt uit de door die aangeefster gedragen

broek heeft getrokken en

- de riem van die aangeefster heeft losgetrokken en de knoopjesgulp van de

door die aangeefster gedragen broek heeft geopend/losgetrokken en

- terwijl er een auto met brandende koplampen in de directe omgeving waar hij

verdachte en die deels ontkleedde aangeefster stonden, stilstond het lichaam van

die aangeefster met zijn armen tegen zijn lichaam heeft geduwd en

- de volgende woorden aan die aangeefster heeft toegevoegd: "Als je wat laat

horen of zo, dan steek ik je neer." en "Doe je kleren uit." en aldus

die aangeefster heeft gedwongen zich uit te kleden en

- nadat die aangeefster vrijwel geheel ontkleed was de volgende woorden

toegevoegd: "Heb je wel eens gepijpt? " en "Dat zal ik je dan leren dan."

en

- nadat hij, verdachte, die aangeefster had omgedraaid tegen die aangeefster de

volgende woorden heeft toegevoegd: "Ga daar maar zitten." en "Zuigen."

en nadat die aangeefster de penis van hem verdachte in haar mond had, zijn

onderlichaam heeft bewogen en

-die aangeefster de volgende woorden heeft toegevoegd: "Ga voorover op je buik

liggen." en/of "Ga maar verder op je buik liggen";

2.

in de periode van 15 september 1995 tot en met 16 september 1995 te Bunnik, door geweld en een andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld en een andere feitelijkheid aangeefster van feit 2 (geboren op [geboortedatum] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar

meermalen, althans eenmaal,

-zijn vingers in de vagina en de anus van die aangeefster gebracht, en

-de borst en tepel en vagina van die aangeefster betast, en

-zijn penis in de vagina en de mond van die aangeefster

gebracht, en

-zijn penis tegen de vagina/schaamstreek en de anus van die aangeefster

gedrukt,

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld en die andere feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, toen en aldaar

- onverhoeds en van achteren -terwijl hij, verdachte, een panty over zijn

hoofd droeg- die -fietsende- aangeefster stevig aan dier staart heeft getrokken

waardoor zij tot stoppen werd gedwongen en daarbij tegen die aangeefster

heeft gezegd: "Stoppen bitch" en "Je moet stil zijn." en "Niks zeggen,

geen kik geven, want ik heb een mes", en

- de arm van die aangeefster heeft vastgepakt, en

- die aangeefster een mes heeft getoond, en

- tegen die aangeefster heeft gezegd: "Meekomen, bekhouden" en: "Nee, je moet

gewoon je bek houden", en

- die aangeefster aldus heeft gedwongen met hem, verdachte, door een weiland mee te lopen naar een afgelegen plek, en

- tegen die aangeefster heeft gezegd; "Blijven staan, want ik heb een mes, ik

kan je zo…" en "Ik wil nu dat je je bek dichthoudt" en "Ga liggen" en

"Ga nou liggen en laat mij nou maar gaan" en "Doe je broek uit", en

- tegen die aangeefster heeft gezegd dat ze haar schoenen uit moest trekken en

dat alles uit moest en aldus die aangeefster heeft gedwongen zich uit te

kleden, en

-met een mes de bh van die aangeefster doormidden heeft gesneden, en

-met zijn, verdachtes hand naar de keel van die aangeefster heeft gegrepen en

zijn, verdachtes duim en/of vinger in de keel van die aangeefster heeft gedrukt

en daarbij heeft gezegd: "Ik doe wat ik wil", en

- zichzelf heeft afgetrokken in de nabijheid van die aangeefster en

- die aangeefster heeft gedwongen op haar knieën en handen te gaan zitten,

en het hoofd van die aangeefster heeft vastgepakt en haar hoofd heen en

weer heeft bewogen, en

-de fietsband van die aangeefster met een mes lek heeft gestoken, en

-tegen die aangeefster heeft gezegd: "Niet de politie erbij halen, want ik weet

waar je werkt", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking;

3.

op 26 september 1995 te Utrecht, door geweld en een andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld en een andere feitelijkheid aangeefster van feit 3 (geboren op [geboortedatum] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar

meermalen, althans eenmaal,

-zijn vingers in de vagina en de anus van die aangeefster gebracht, en

-zijn penis in de mond en de vagina en de anus van die aangeefster gebracht,

en

- het handvat van een fietspomp in de vagina en de anus van die aangeefster gebracht en

dat handvat van die fietspomp in de vagina van die aangeefster gebracht en tegelijkertijd zijn penis in de anus van die aangeefster gebracht en

- een deel van een fietspomp in de anus van die aangeefster gebracht en tegelijkertijd zijn penis in de vagina van die aangeefster gebracht en

- de borst en tepel van die aangeefster betast en daarin geknepen,

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging

met geweld en/of die andere feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, toen

en aldaar

- onverhoeds) die -fietsende- aangeefster bij haar linkerschouder heeft vastgepakt en tegelijkertijd met zijn, verdachtes andere hand het stuur van de fiets van die aangeefster heeft vastgepakt, en

- tegen die aangeefster heeft gezegd: "Niet kijken" en/of "Jij moet afstappen. (...)

Als jij met mij meeloopt gebeurt er niets", en/of

- - nadat hij, verdachte, een mes had gepakt tegen die aangeefster heeft gezegd: "Doorlopen, niet omkijken", en "Gewoon doorlopen, als jij doet wat ik zeg, gebeurt er niets", en

- die aangeefster bij haar rugzak heeft vastgehouden, en

- de doorgang voor die aangeefster heeft geblokkeerd door zijn, verdachtes fiets op

het pad te leggen, en vervolgens haar stuur heeft vastgepakt en tegen

die aangeefster heeft gezegd: "Stap maar even af" en "Kom maar even hier" en "Doe je rugtas af", en

- met die aangeefster is gelopen naar een afgelegen plek waar dichte bomen en struiken stonden en waar geen verlichting brandde en waar het mitsdien donker was en

- de arm van die aangeefster heeft vastgepakt en die aangeefster met kracht naar zich

toe heeft getrokken en zijn, verdachtes arm om de borstkas van die aangeefster

heen heeft geslagen, en

- tegen die aangeefster heeft gezegd: "Je weet zeker wel hoe scherp deze messen

zijn", terwijl hij, verdachte, een mes in zijn hand had, en

- tegen die aangeefster heeft gezegd: "Trek je broek en je jas uit en leg deze op

de grond", en

- tegen die aangeefster heeft gezegd: "Ga voorover op je knieën op je jas zitten",

en

-met een mes het kruis van de onderbroek van die aangeefster heeft opengesneden en vervolgens die onderbroek kapot heeft getrokken, en

-tegen die aangeefster heeft gezegd: "Dat moet ook', nadat die aangeefster zei dat

het pijn deed, en

- aan die aangeefster heeft gevraagd: "Heb jij een vriend?" en "Ben jij

Nederlandse?" en "Heb je geld bij je?" en "Hoeveel geld heb je bij je?"

en

-die aangeefster aan haar arm overeind heeft getrokken en tegen die aangeefster heeft

gezegd: "Draai je om" en "Ga op je knieën zitten" en die aangeefster naar de grond heeft geduwd, en

- met zijn, verdachtes handen die aangeefster bij dier hoofd heeft gepakt en

vervolgens dier hoofd naar zijn, verdachtes, penis heeft geduwd en

daarbij tegen die aangeefster heeft gezegd: "Jij moet flink zuigen", althans

telkens woorden van gelijke aard en/of strekking, en het hoofd van die

aangeefster heen en weer heeft bewogen, terwijl die aangeefster kokhalsde en

daarbij tegen die aangeefster heeft gezegd: "Goed zo." en

- de bh van die aangeefster omhoog heeft getrokken en

- zichzelf heeft afgetrokken in de nabijheid van die aangeefster en

- de pet van die aangeefster heeft opgezet en

- tegen die aangeefster heeft gezegd dat zij op dier zij en rug moest gaan

liggen en aan het been van die aangeefster heeft getrokken en een broekspijp

van die aangeefster heeft uitgetrokken;

4.

in de periode van 24 oktober 2001 tot en met 25 oktober 2001 te Bilthoven, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid aangeefster van feit 4 (geboren op [geboortedatum] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar

meermalen, althans eenmaal,

- zijn vingers in de vagina en de anus van die aangeefster gebracht, en

- de borst van die aangeefster betast en daarin geknepen, en

- zijn penis in de vagina en de anus van die aangeefster gebracht en

- zijn penis tegen de vagina/schaamstreek en de anus gedrukt,

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheden en/of die

bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, toen

en aldaar

- op zijn, verdachtes scooter -terwijl hij een helm droeg- naast die

-fietsende- aangeefster is gaan rijden, en

- tegen die aangeefster heeft gezegd: "Stoppen nu, Zie je dit" en daarbij

die aangeefster een mes heeft getoond, en

- tegen die aangeefster op een gebiedende toon heeft gezegd: "Afstappen" en

"Afstappen nu snel, opschieten" en "Ga maar achterop zitten" en

"Achterop, schiet op", en

- die aangeefster aldus met zijn, verdachtes scooter heeft meegenomen naar

een afgelegen plek in het bos, waar geen verlichting brandde en waar het mitsdien donker was en

- tegen die aangeefster heeft gezegd: "Afstappen" en "Voor me uitlopen",

en

- die aangeefster bij een boom heeft laten stoppen en daarbij tegen haar

heeft gezegd: "Doe je armen om de boom" en die aangeefster tegen de boom

heeft geduwd en vervolgens die aangeefster tegen de boom heeft

vastgebonden door tie-rips om haar polsen te doen, en

- tape over de mond en rondom het hoofd van die aangeefster heeft

gewikkeld en geplakt en

- tegen die aangeefster heeft gezegd dat ze moest blijven staan en haar rok

omhoog heeft gedaan en

- dusdanig hard haar panty uit heeft getrokken ten gevolge waarvan haar panty en haar rechterschoen uitgingen, en

-tegen die aangeefster heeft gezegd: "Ga op de grond liggen" en "Ik ga je

neuken" en "Op je buik" en "Nou dan leer je dat maar", toen die

aangeefster aangaf dat ze dat niet kon, althans telkens woorden van gelijke

aard en/of strekking, en

- zichzelf heeft afgetrokken in de nabijheid van die aangeefster en

- hoorbaar voor die aangeefster heeft gehijgd, en

- tie-rips om twee tenen van die aangeefster heeft gebonden, en

- die aangeefster vervolgens vastgebonden aan een boom heeft achtergelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. De namen van aangeefsters zijn in alle feiten vervangen door aangeefster van feit 1, 2, 3 respectievelijk 4. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feiten 1, 2, 3 en 4, telkens: Verkrachting.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door het Openbaar Ministerie bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) jaren, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft dat onder meer gemotiveerd met een beroep op de geschokte rechtsorde, de grote omvang van het aan de slachtoffers toegebrachte leed, de grote kans op herhaling en de aanwezigheid van zeer veel straf verzwarende omstandigheden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft allereerst aangevoerd dat geen ruimte bestaat voor de oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling van de verdacht. Door het Pieter Baan Centrum is niet vastgesteld dat de verdachte lijdende is aan een psychische stoornis, noch is enige uitspraak gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Daarbij komt dat de ten laste gelegde feiten 15 tot 20 jaar geleden hebben plaatsgevonden, zodat het op dit moment helemaal moeilijk zo niet onmogelijk is om te bepalen dat er op dat moment bij de verdachte sprake was van een psychische stoornis.

Indien de rechtbank toekomt aan strafoplegging, dient rekening te worden gehouden met het feit dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Er is sprake van overschrijding van deze termijn indien de behandeling van een zaak ter terechtzitting niet binnen zestien maanden na de aanvang van die termijn is afgerond met een einduitspraak. In deze zaak is de redelijke termijn gaan lopen op 16 juli 2014. Er heeft zich geen bijzondere omstandigheid voorgedaan die maakt dat een langere termijn gerechtvaardigd is.

Ook dient rekening te worden gehouden met de media-aandacht die deze zaak heeft gehad en de negatieve gevolgen die de verdachte hiervan heeft ondervonden. In de media heeft het Openbaar Ministerie de verdachte vanaf het moment van zijn aanhouding ten onrechte weggezet als dé Utrechtse serieverkrachter, terwijl de officier van justitie ter terechtzitting van 13 april 2015 zelf heeft gezegd dat er ook strafbare feiten uit de desbetreffende periode zijn die duidelijk niet aan deze verdachte kunnen worden gekoppeld.

De verdediging wijst daarnaast op de wijze van aanhouding van de verdachte door een arrestatie team, welke wijze volgens de verdachte buitenproportioneel was. Niet duidelijk is geworden dat er ernstig en onmiddellijk gevaar bestond, noch dat sprake was van gevaar voor ontvluchting.

Voor zover de rechtbank niet besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar-Ministerie, dienen de in dat kader aangevoerde gronden ook bij de bepaling van de strafmaat in aanmerking te worden genomen.

Ten slotte dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte onnodig lang in beperkingen heeft doorgebracht en dat tijdens de verhoren van de verdachte door de verbalisanten verschillende keren de regels van betamelijkheid zijn geschonden.

Al deze gronden dienen te leiden tot strafvermindering.

Dat sprake is van recidiverisico kan aan de hand van de justitiële documentatie ten slotte niet worden vastgesteld, aldus de verdediging.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier verkrachtingen. Het betreffen verkrachtingen in de meest vergaande zin van het woord. De verdachte heeft de vier slachtoffers gedwongen om toe te staan dat hij meerdere seksuele handelingen bij hen verrichtte. Bij één van de slachtoffers is hij zover gegaan, dat hij het handvat van een fietspomp afwisselend in haar vagina en anus bracht, terwijl hij tegelijkertijd zijn penis afwisselend in haar anus en vagina bracht.

De seksuele handelingen heeft de verdachte veelal herhaald en hij liet zich niet stoppen door de wetenschap dat de slachtoffers hierdoor pijn ondervonden. Toen één van de slachtoffers hem dit liet merken zei hij: “Dat moet ook”. Dit was tekenend voor de wijze waarop hij te werk ging.

De verkrachtingen vonden plaats in het buitengebied van Utrecht in de donkere avonduren van het najaar. Voorafgaand aan de seksuele handelingen bedreigde de verdachte de aangeefsters met een mes en met ditzelfde mes sneed hij van twee van hen de onderkleding open. Na afloop liet hij de slachtoffers alleen, hulpeloos en gedeeltelijk naakt achter. De geestelijke shock van de slachtoffers was daarbij groot.

Eén van de slachtoffers bond hij met behulp van tie-rips vast aan een boom en in deze toestand liet hij haar, een 16-jarig meisje, na de verkrachting in het bos achter. Het slachtoffer heeft vervolgens, gedeeltelijk ontkleed, uren in het donkere, koude bos moeten wachten totdat iemand haar in vrijheid en veiligheid bracht. Ze heeft hierover verklaard dat het de koudste nacht was uit haar leven en dat ze tijdens de lange uren die zij in onzekerheid doorbracht bang is geweest voor de dood.

Uit al het voorgaande blijkt dat de verdachte met een onvoorstelbare bruutheid heeft gehandeld en dat hij over een volstrekt gebrek aan geweten beschikte. Hij heeft de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers volledig miskend en ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele lusten. Hij heeft van de slachtoffers, waarvan er twee slechts 16 jaar waren ten tijde van de verkrachting, een onbevangen leven afgenomen. De impact hiervan is groot. Dat slachtoffers van zedenmisdrijven langdurig psychische schade ondervinden, is een feit van algemene bekendheid. In dit geval laten de door of namens de slachtoffers voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaringen zien dat deze schade 15, respectievelijk 20 jaar na dato nog altijd bestaat. Het levenspad van de slachtoffers is door de verkrachting blijvend beïnvloed. Eén van hen is geëmigreerd, omdat zij het gevoel van veiligheid in Nederland niet meer terug kon vinden, zolang de dader niet was gepakt.

Op vier momenten heeft de verdachte besloten zich schuldig te maken aan de bewezenverklaarde, gruwelijke feiten. Uit de herhaling van de gedragingen van de verdachte, die veel overeenkomsten vertoonden qua locatie, aard en werkwijze, volgt de seriematige wijze van zijn handelen. Dat er in de periode waarin de verkrachtingen door verdachte zijn gepleegd nog meer verkrachtingen in hetzelfde gebied hebben plaatsgevonden die niet aan verdachte ten laste zijn gelegd, doet niet af aan het feit dat ook het handelen van verdachte op zichzelf beschouwd is aan te merken als seriematig en dat (mede) door zijn handelen in de desbetreffende periode grote angst is ontstaan onder vrouwen die gewend waren zich vrijelijk in het buitengebied van Utrecht voort te bewegen. Er was angst voor het volgende soortgelijke incident, waarvan niemand wist wanneer dat zou plaatsvinden. Het vrijelijk voortbewegen was niet langer vanzelfsprekend. (Mede) door het handelen van verdachte waren maatregelen waren nodig om de veiligheid van vrouwen te kunnen garanderen.

De rechtbank is ernstig geschokt door de wreedheid van het handelen van verdachte en de volstrekte minachting die hij heeft getoond voor zijn slachtoffers. Hij heeft duidelijk gemaakt geen enkel medeleven te voelen voor zijn slachtoffers en geen enkele rekening gehouden met hun lichamelijke en geestelijke welzijn. Deze geschoktheid bestaat ook bij de samenleving als geheel.

Verdachte heeft voor zijn daden echter geen enkele verantwoordelijkheid getoond en hij heeft geen enkele openheid van zaken willen geven over zijn betrokkenheid bij de feiten. Wanneer een vraag aan hem werd gesteld, heeft hij steeds een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Dat recht komt verdachte toe maar door het in deze zaak gebruik maken van dat recht maakt verdachte duidelijk zijn eigen belang nog steeds ver boven dat van zijn slachtoffers te stellen. Daarmee toont hij aan ook thans nog niets te voelen van enig medeleven met de slachtoffers of van spijt van wat hij hen heeft aangedaan.

Over zijn persoonlijke omstandigheden heeft de verdachte evenmin willen verklaren. Om ten behoeve van de strafmaat toch inzicht te krijgen in de persoon van de verdachte, is hij geobserveerd in het Pieter Baan Centrum. Het rapport van het Pieter Baan Centrum van 30 oktober 2015 vermeldt echter dat de verdachte ook daar weinig van zichzelf heeft laten zien. In ieder geval is het niet mogelijk gebleken een uitspraak te doen over de vraag of bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op basis van de overige stukken uit het dossier kan deze conclusie ook niet worden getrokken, zodat de rechtbank voor de oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling geen ruimte ziet.

De enige andere wijze waarop aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten recht kan worden gedaan is met de oplegging van een langdurige gevangenisstraf. Volgens het bepaalde in artikel 242 Sr kan voor een verkrachting een gevangenisstraf worden opgelegd van ten hoogste 12 jaren. Indien iemand hetzelfde feit meermalen pleegt kan dit strafmaximum op grond van artikel 57 Sr met één derde worden verhoogd tot 16 jaren.

De wettelijke strafverzwaringsgrond zoals neergelegd in artikel 248 zesde lid Sr, inhoudende dat de gevangenisstraf met een derde kan worden verhoogd indien het slachtoffer de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en het feit is voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld, is hier niet van toepassing. Het moment van in werking treden van deze wettelijke bepaling is gelegen na de ten laste gelegde feiten.

Het LOVS92 heeft, voor wat betreft verkrachting, een aantal straf verzwarende factoren geformuleerd. Een groot aantal van deze factoren is in dit geval van toepassing. Allereerst de frequentie van de door de verdachte gepleegde feiten. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan vier verkrachtingen, waarvan er drie kort na elkaar plaatsvonden, terwijl bij ieder slachtoffer meerdere seksuele handelingen werden verricht, die ook veelal werden herhaald. De jonge leeftijd van de slachtoffers speelt hier ook een rol. Twee van de vier slachtoffers waren nog minderjarig ten tijde van de verkrachting. Als bijzonder schadelijke gevolgen kunnen in deze zaak worden genoemd de ontmaagding van één van de slachtoffers en het besmettingsrisico. Verdachte heeft bij geen van de verkrachtingen een condoom gebruikt. Ook het blijvende psychische letsel dat de verdachte bij de slachtoffers heeft veroorzaakt kan worden aangemerkt als bijzonder schadelijk gevolg. Verder zijn bepalend het door de verdachte toegepaste geweld, de vergaande seksuele handelingen, de vrijheidsbeneming van het slachtoffer van feit 4 en de penetratie met een voorwerp bij het slachtoffer van feit 3.

De justitiële documentatie van de verdachte van 10 september 2014 laat zien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een zedenfeit. Verdachte heeft wel eerder een transactie ontvangen vanwege huiselijk geweld en hij is op 19 maart 2014 door de politierechter te Utrecht veroordeeld wegens fietsendiefstal. Van recidive op grond van deze justitiecontacten is echter geen sprake. Hierin is dan ook geen straf vermeerderende factor gelegen.

Van straf verminderende factoren is in zijn geheel geen sprake. De hoeveelheid media aandacht die deze zaak heeft gekregen kan niet als zodanig worden aangemerkt. Deze aandacht is inherent aan de aard van de zaak. Bovendien is deze aandacht mede het gevolg van de inzet van de media als functioneel middel in de tijd dat de feiten zijn gepleegd. Nadat de drie verkrachtingen in september 1995 naar buiten zijn gekomen, is grote angst ontstaan. Door informatievoorziening via de media werd geprobeerd te voorkomen dat nog meer vrouwen slachtoffer zouden worden van verkrachting. De media werden aldus ingezet als beschermingsmiddel. Ook werd via de media geprobeerd de dader op te sporen.

Het feit dat vanaf de aanhouding van de verdachte in juli 2014 aan deze zaak de naam ‘het onderzoek naar de Utrechtse serieverkrachter’ is gekoppeld, kan evenmin als straf verminderende factor worden meegenomen. Bewezenverklaard is dat de verdachte vier feiten heeft gepleegd die onderdeel uitmaken van dit onderzoek. De koppeling van de naam ‘het onderzoek naar de Utrechtse serieverkrachter’ aan deze zaak is daarom niet verwonderlijk.

De wijze van aanhouding van de verdachte past bij de ernst van de verdenking en de op dat moment bestaande risico’s. Ook daarin is geen reden gelegen voor strafvermindering.

Van een overschrijding van de redelijke termijn is geen sprake, gelet op de aard en ingewikkeldheid van de zaak en het verloop van het proces.

De overige door de verdediging aangevoerde gronden vormen ten slotte evenmin aanleiding voor strafvermindering.

Gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr moet de rechtbank bij de door haar op te leggen straf rekening houden met de veroordeling van de politierechter van 19 maart 2014. De straf die bij die veroordeling is opgelegd betreft een taakstraf en er is geen gevangenisstraf opgelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 57 Sr is deze straf dan ook niet van invloed op de maximaal op te leggen straf voor de thans voorliggende feiten.
Aan de toepasselijkheid van artikel 63 Sr worden dan ook geen gevolgen verbonden voor wat betreft de op te leggen straf.

Al het voorgaande overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat voor de bewezenverklaarde feiten alleen de hoogst mogelijke straf passend is. Zij zal de verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van het voorarrest. Deze straf is gelijk aan de eis van het Openbaar Ministerie.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij van feit 4 toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vordering van de benadeelde partij van feit 4 onvoldoende in onderbouwd. Er zijn geen objectieve bewijsstukken overgelegd, zodat niet eenvoudig kan worden vastgesteld of er een causaal verband is tussen het ten laste gelegde feit en de opgevoerde schade, noch of er sprake is van immateriële schade. De verdediging is dan ook van mening dat de vordering niet eenvoudig is en een onevenredige belasting oplevert voor het strafgeding, zodat deze zich niet leent voor behandeling in deze strafzaak. Aangeefster van feit 4 dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Voor zover de rechtbank aangeefster van feit 4 wel ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, verzoekt de verdediging de vordering te matigen omdat de verdachte over geen enkele draagkracht beschikt. De verdachte heeft inkomsten, noch vermogen. Gelet op zijn leeftijd en zijn opleidingsniveau zijn reële kansen op de arbeidsmarkt illusoir. Het is dan ook reëel te verwachten dat de verdachte gedurende zijn verdere leven aangewezen zal zijn op een uitkering.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van de aangeefster van feit 4 levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 4 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade zoals die nu gevorderd wordt blijkt uit de stukken die door de benadeelde partij zijn overgelegd en waardeert deze conform de vordering op € 439,98.

Dat slachtoffers van zeden misdrijven ook langdurig psychische schade ondervinden, is een feit van algemene bekendheid. In dit geval laat de door de benadeelde partij op indrukwekkende wijze voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring zien dat deze schade 15 jaar na dato nog altijd bestaat. Ook laat deze verklaring zien hoe groot deze psychische schade is. Het is de schade die een vrouw de rest van haar leven moet blijven dragen nadat zij als 16 jarig meisje in een donker bos aan een boom is vastgebonden en onder die omstandigheden op gruwelijke wijze is verkracht. Nog steeds vastgebonden aan die boom is zij vervolgens achtergelaten, waarbij zij doodsangsten heeft uitgestaan. Het is de schade van alle psychische en lichamelijke onderzoeken die daarna volgden, van concentratieproblemen, van stemmingswisselingen, van problemen met sociale situaties, van studievertraging, van een constant gevecht met het toekomstperspectief, van het voor altijd slachtoffer zijn. De rechtbank waardeert deze immateriële schade die ten gevolge van het plegen van feit 4 is ontstaan conform de vordering op € 35.000,--.

Gelet op het voorgaande kan de vordering worden toegewezen voor het gehele bedrag van

€ 35.439,98 (vijfendertig duizend vierhonderd negenendertig euro en achtennegentig eurocent). Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente, met ingang van

24 oktober 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Sr) aan verdachte opgelegd.

De rechtbank verwerpt het draagkrachtverweer van de verdediging. Gelet op de reparatoire aard van deze schadevergoedingsmaatregel, is de draagkracht van de verdachte in beginsel niet van betekenis bij de bepaling van de hoogte van deze maatregel. Het standpunt van de verdediging is onvoldoende onderbouwd om op dit uitgangpunt een uitzondering te maken. Niet gebleken is van een uitzonderlijk karakter van de financiële situatie van de verdachte.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feiten 1, 2, 3 en 4, telkens: Verkrachting

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de aangeefster van feit 4 toe tot € 35.439,98 (vijfendertig duizend vierhonderd negenendertig euro en achtennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente, met ingang van 24 oktober 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de aangeefster van feit 4.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de aangeefster van feit 4 aan de Staat

€ 35.439,98 (vijfendertig duizend vierhonderd negenendertig euro en achtennegentig eurocent), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, met ingang van 24 oktober 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 212 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mrs. G. Perrick en C.A.M. van Straalen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts en A.J. Henderson, MSc., griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2016.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 05 september 1995 te De Bilt, althans in Nederland, door

geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging met geweld en

/ of een andere feitelijkheid . xxxx (geboren op [geboortedatum] ) heeft

gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede

hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft

verdachte

(telkens) meermalen, althans eenmaal,

- zijn vinger(s) in de vagina van die xxxx gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die xxxx gebracht en/of

- zijn penis in de anus van die xxxx gebracht en/of

- zijn penis in de vagina van die xxxx gebracht,

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij

verdachte toen en aldaar

- plotseling en onverhoeds naast die fietsende xxxx kwam fietsen en/of

- ( vervolgens) terwijl hij verdachte naast die xxxx fietste aan haar

hoofdhaar heeft getrokken (welk trekken op een dusdanige manier geschiedde dat

haar gelaat van hem, verdachte werd afgewend) en/of

- nadat die xxxx en hij, verdachte, hadden afgeremd en tot stilstand

waren gekomen (aan) het hoofdhaar van die xxxx bleef trekken en/of

vasthouden en/of

- een mes aan die xxxx heeft getoond en/of voorgehouden en/of

- de volgende woorden aan die xxxx heeft toegevoegd: "Niet kijken of niet

gillen, want ik heb hier een mes, als je doet wat ik zeg, dan gebeurt er

niets." en/of "Zet je fiets neer." althans woorden van soortgelijke strekking

en/of

- terwijl die xxxx nog steeds aan haar hoofdhaar werd getrokken die

xxxx de looprichting -waarin hij verdachte en die xxxx

wilde laten lopen- heeft geduwd en/of

- een hek van een omheining van een weiland/grasland voor die xxxx en

hemzelf heeft geopend en/of

- de volgende woorden aan die xxxx heeft toegevoegd: "Als je doet wat ik

zeg, gebeurt er niets." en/of "Als je gaat gillen, ga je eraan" en/of "Je mag

niet kijken." althans soortgelijke woorden en/of

- die xxxx en hemzelf naar een omgeving/plaats waar struiken en bossages

stonden heeft gebracht, waar geen (straat) verlichting brandde en waar het

mitsdien aardedonker was (terwijl hij, verdachte die xxxx aan het

hoofdhaar trok en naar die omgeving/die plaats geleidde) en/of

- de volgende woorden aan die xxxx heeft toegevoegd: "Trek alles uit"

en/of

- terwijl hij verdachte achter die xxxx stond de drukknopen van de door

die xxxx gedragen blouse heeft losgetrokken en/of

- het door die xxxx gedragen T-shirt uit de door die xxxx gedragen

broek heeft getrokken en/of

- de riem van die xxxx heeft losgetrokken en/of de knoopjesgulp van de

door die xxxx gedragen broek heeft geopend/losgetrokken en/of

- terwijl er een auto met brandende koplampen in de directe omgeving waar hij

verdachte en die deels ontkleedde xxxx stonden, stilstond het lichaam van

die xxxx met zijn armen tegen zijn lichaam heeft geduwd en/of

- de volgende woorden aan die xxxx heeft toegevoegd: "Als je wat laat

horen of zo, dan steek ik je neer." en/of "Doe je kleren uit." en/of (aldus)

die xxxx heeft gedwongen zich uit te kleden en/of

- nadat die xxxx vrijwel geheel ontkleed was de volgende woorden

toegevoegd: "Heb je wel eens gepijpt? " en/of "Dat zal ik je dan leren dan."

en/of

- nadat hij, verdachte, die xxxx had omgedraaid tegen die xxxx de

volgende woorden heeft toegevoegd: "Ga daar maar zitten." en/of "Zuigen."

en/of nadat die xxxx de penis van hem verdachte in haar mond had, zijn

onderlichaam heeft bewogen en/of

-die xxxx de volgende woorden heeft toegevoegd: "Ga voorover op je buik

liggen." en/of "Ga maar verder op je buik liggen";

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 september 1995 tot en met 16 september

1995 te Bunnik, althans in Nederland,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met

geweld en/of een andere feitelijkheid xxxx (geboren op [geboortedatum]

)

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of

mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers

heeft hij, verdachte, toen en aldaar

(telkens) meermalen, althans eenmaal,

-zijn vinger(s) in de vagina en/of de anus van die xxxx gebracht, en/of

-de borst(en) en/of tepel(s) en/of de vagina van die xxxx

betast/aangeraakt, en/of

-zijn penis in de vagina en/of de anus en/of de mond van die xxxx

gebracht, en/of

-zijn penis tegen de vagina/schaamstreek en/of de anus van die xxxx

gedrukt (gehouden),

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging

met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, toen

en aldaar

-(onverhoeds en/of van achteren -terwijl hij, verdachte, een panty over zijn

hoofd droeg-) die -fietsende- xxxx stevig aan dier staart heeft getrokken

(waardoor zij tot stoppen werd gedwongen) en/of daarbij tegen die xxxx

heeft gezegd: "Stoppen bitch" en/of "Je moet stil zijn." en/of "Niks zeggen,

geen kik geven, want ik heb een mes", en/of

-de fiets van die xxxx heeft vastgepakt en/of de arm van die xxxx

heeft vastgepakt, en/of

-die xxxx een mes heeft getoond en/of voorgehouden, en/of

-tegen die xxxx heeft gezegd: "Meekomen, bekhouden" en/of "Nee, je moet

gewoon je bek houden", en/of

-die xxxx (aldus) heeft gedwongen met hem, verdachte, door (een)

weiland(en)/grasland(en) mee te lopen/gaan naar een afgelegen plek, en/of

- tegen die xxxx heeft gezegd; "Blijven staan, want ik heb een mes, ik

kan je zo" en/of "Ik wil nu dat je je bek dichthoudt" en/of "Ga liggen" en/of

"Ga nou liggen en laat mij nou maar gaan" en/of "Doe je broek uit", en/of

-tegen die xxxx heeft gezegd dat ze haar schoenen uit moest trekken en/of

dat alles uit moest en/of (aldus) die xxxx heeft gedwongen zich uit te

kleden, en/of

-met een mes de bh van die xxxx doormidden heeft gesneden, en/of

-met zijn, verdachtes hand naar de keel van die xxxx heeft gegrepen en/of

zijn, verdachtes duim en/of vinger in de keel van die xxxx heeft gedrukt

en/of daarbij heeft gezegd: "Ik doe wat ik wil", en/of

- zichzelf heeft afgetrokken in de nabijheid van die xxxx en/of

-die xxxx heeft gedwongen op haar knieën en/of handen te gaan zitten,

en/of het hoofd van die xxxx heeft vastgepakt en/of haar hoofd heen en

weer heeft bewogen, en/of

-de fietsband(en) van die xxxx met een mes lek heeft gestoken, en/of

-tegen die xxxx heeft gezegd: "Niet de politie erbij halen, want ik weet

waar je werkt", althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard en/of

strekking;

3.

hij op of omstreeks 26 september 1995 te Utrecht, althans in Nederland,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met

geweld en/of een andere feitelijkheid xxxx (geboren op [geboortedatum] )

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of

mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar

(telkens) meermalen, althans eenmaal,

-zijn vinger(s) in de vagina en/of de anus van die xxxx gebracht, en/of

-zijn penis in de mond en/of de vagina en/of de anus van die xxxx gebracht,

en/of

- het handvat, althans een (onder)deel, van een fietspomp in de vagina en/of

de anus van die xxxx gebracht/gestoken en/of

het/dat handvat, althans een/dat (onder)deel van een/die fietspomp in de

vagina van die xxxx gebracht/gestoken terwijl/tegelijkertijd zijn penis in

de anus van die xxxx gebracht en/of

- een (deel van een) fietspomp in de anus van die xxxx gebracht/gestoken

terwijl/ tegelijkertijd zijn penis in de vagina van die xxxx gebracht en/of

-(in) de borst(en) en/of tepel(s) van die xxxx betast/aangeraakt en/of

geknepen,

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging

met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, toen

en aldaar

-(onverhoeds) die -fietsende- xxxx bij haar (linker)schouder heeft

vastgepakt en/of (tegelijkertijd met zijn, verdachte's andere hand) het stuur

van de fiets van die xxxx heeft vastgepakt, en/of

-tegen die xxxx heeft gezegd: "Niet kijken" en/of "Jij moet afstappen. (...)

Als jij met mij meeloopt gebeurt er niets", en/of

--nadat hij, verdachte, een mes had gepakt/getrokken en/of opengeklapt- tegen

die xxxx heeft gezegd: "Doorlopen, niet omkijken", en/of "Gewoon doorlopen,

als jij doet wat ik zeg, gebeurt er niets", en/of

-die xxxx (bij haar rugzak) heeft vastgehouden, en/of

-de doorgang voor die xxxx heeft geblokkeerd door zijn, verdachtes fiets op

het pad te leggen, en/of (vervolgens) haar stuur heeft vastgepakt en/of tegen

die xxxx heeft gezegd: "Stap maar even af" en/of "Kom maar even hier" en/of

"Doe je rugtas af", en/of

- met die xxxx is gelopen naar een afgelegen plek/omgeving waar dichte

bossages en/of bomen en/of struiken stonden en waar geen (straat)verlichting

brandde en waar het mitsdien donker was en/of

-de arm van die xxxx heeft vastgepakt en/of die xxxx met kracht naar zich

toe heeft getrokken en/of zijn, verdachtes arm om de borstkas van die xxxx

(heen) heeft geslagen, en/of

-tegen die xxxx heeft gezegd: "Je weet zeker wel hoe scherp deze messen

zijn", terwijl hij, verdachte, een mes in zijn hand(en) had, en/of

- tegen die xxxx heeft gezegd: "Trek je broek en je jas uit en leg deze op

de grond", en/of aan de legging/broek van die xxxx heeft getrokken, en/of

- aan de legging/broek en/of de jas, althans de kleding, van die xxxx heeft

getrokken en/of

-tegen die xxxx heeft gezegd: "Ga voorover op je knieën op je jas zitten",

en/of

-met een/dat mes (het kruis van) de legging en/of de onderbroek van die xxxx

heeft opengesneden en/of (vervolgens) die legging en/of die onderbroek kapot

heeft getrokken en/of uitgetrokken, en/of

-tegen die xxxx heeft gezegd: "Dat moet ook', toen/nadat die xxxx zei dat

het pijn deed, en/of

- aan die xxxx heeft gevraagd: "Heb jij een vriend?" en/of "Ben jij

Nederlandse?" en/of "Heb je geld bij je?" en/of "Hoeveel geld heb je bij je?"

en/of

-die xxxx aan haar arm overeind heeft getrokken en/of tegen die xxxx heeft

gezegd: "Draai je om" en/of "Ga op je knieën en/of handen zitten" en/of die

xxxx naar de grond heeft geduwd, en/of

- met zijn, verdachtes handen die xxxx bij dier hoofd heeft gepakt en/of

(vervolgens) dier hoofd naar zijn, verdachtes, penis heeft geduwd en/of

daarbij tegen die xxxx heeft gezegd: "Jij moet flink zuigen", althans

(telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of het hoofd van die

xxxx heen en weer heeft bewogen, (terwijl die xxxx kokhalsde) en/of

(daarbij) tegen die xxxx heeft gezegd: "Goed zo." en/of

- de bh van die xxxx omhoog heeft getrokken en/of

- zichzelf heeft afgetrokken in de nabijheid van die xxxx en/of

- de pet/het hoofddeksel van die xxxx heeft opgezet/gedragen en/of

- tegen die xxxx heeft gezegd dat zij op dier zij en/of rug moest gaan

liggen en/of aan het been van die xxxx heeft getrokken en/of een broekspijp

en/of schoen van die xxxx heeft uitgetrokken;

4.

hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2001 tot en met 25 oktober 2001

te Bilthoven, althans in Nederland,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met

geweld en/of een andere feitelijkheid xxxx (geboren op [geboortedatum]

)

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of

mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers

heeft hij, verdachte, toen en aldaar

(telkens) meermalen, althans eenmaal,

-zijn vinger(s) in de vagina en/of de anus van die xxxx gebracht, en/of

-(in) de borst(en) van die xxxx betast/aangeraakt en/of geknepen, en/of

-zijn penis in de vagina en/of de anus van die xxxx gebracht en/of

-zijn penis tegen de vagina/schaamstreek en/of de anus gedrukt (gehouden),

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging

met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, toen

en aldaar

- op/met zijn, verdachtes scooter -terwijl hij een helm droeg- naast die

-fietsende- xxxx is gaan rijden, en/of

- tegen die xxxx heeft gezegd: "Stoppen nu, Zie je dit" en/of daarbij

die xxxx een mes heeft getoond, en/of

-tegen die xxxx op een gebiedende toon heeft gezegd: "Afstappen" en/of

"Afstappen nu snel, opschieten" en/of "Ga maar achterop zitten" en/of

"Achterop, schiet op", en/of

-die xxxx (aldus) met zijn, verdachtes scooter heeft meegenomen naar

een afgelegen plek/omgeving in het bos, waar geen (straat)verlichting brandde

en waar het mitsdien donker was en/of

-tegen die xxxx heeft gezegd: "Afstappen" en/of "Voor me uitlopen",

en/of

-die xxxx bij een boom heeft laten stoppen en/of daarbij tegen haar

heeft gezegd: "Doe je armen om de boom" en/of die xxxx tegen de boom

heeft geduwd en/of (vervolgens) die xxxx aan/tegen de boom heeft

vastgebonden door tie-raps om haar polsen te doen, en/of

-tape over de mond en/of rondom het hoofd van die xxxx heeft

gewikkeld/gedraaid en/of geplakt en/of

- tegen die xxxx heeft gezegd dat ze moest blijven staan en/of haar rok

omhoog heeft gedaan en/of

- ( met kracht/dusdanig hard) haar panty en/of onderbroek (deels) uit heeft

getrokken ten gevolge waarvan haar panty en haar rechterschoen uitgingen, en/of

-tegen die xxxx heeft gezegd: "Ga op de grond liggen" en/of "Ik ga je

neuken" en/of "Op je buik" en/of "Nou dan leer je dat maar", toen die

xxxx aangaf dat ze dat niet kon, althans (telkens) woorden van gelijke

aard en/of strekking, en/of

- zichzelf heeft afgetrokken in de nabijheid van die xxxx en/of

- hoorbaar voor die xxxx heeft gehijgd en/of gekreund en/of

- tie-raps om twee, althans een of meer, te(e)n(en) van die xxxx heeft

(vast)gebonden/gedaan, en/of

-die xxxx vervolgens vastgebonden aan een boom heeft achtergelaten.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 2014 194146, genummerd van 1 tot en met 2236 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Sv, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 6 september 1995, pag. 1154.

3 Proces-verbaal van aangifte van feit 1, d.d. 5 september 1995, pag. 1151.

4 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 6 september 1995, pag. 1154.

5 Proces-verbaal van aangifte van feit 1, d.d. 5 september 1995, pag. 1151.

6 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 6 september 1995, pag. 1155.

7 Proces-verbaal van aangifte van feit 1, d.d. 5 september 1995, pag. 1151.

8 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 6 september 1995, pag. 1155.

9 Proces-verbaal van aangifte van feit 1, d.d. 5 september 1995, pag. 1151.

10 Proces-verbaal van aangifte van feit 1, d.d. 5 september 1995, pag. 1152.

11 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 6 september 1995, pag. 1155.

12 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 6 september 1995, pag. 1156.

13 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 6 september 1995, pag. 1156.

14 Proces-verbaal van aangifte van feit 1, d.d. 5 september 1995, pag. 1151.

15 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 6 september 1995, pag. 1156.

16 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 6 september 1995, pag. 1157.

17 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 6 september 1995, pag. 1158.

18 Proces-verbaal van onderzoek van de regionale technische recherche van verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 11 september 1995, pag. 1166, pag. 1167 onderaan en pag. 1168 bovenaan.

19 Proces-verbaal van inbeslagname in het kader van DNA-wetgeving van verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 11 september 1995, pag. 1173.

20 Proces-verbaal van inbeslagname in het kader van DNA-wetgeving van verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 11 september 1995, pag. 1174.

21 Rapport van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk, opgemaakt door drs. A.D. Kloosterman, d.d. 6 maart 1996, pag. 1190.

22 Rapport van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk, opgemaakt door drs. A.D. Kloosterman, d.d. 6 maart 1996, pag. 1192.

23 Herzien rapport van het NFI, opgemaakt door drs. Ing. T.J.P. de Blaeij, d.d. 16 januari 2015, pag. 1212.

24 Herzien rapport van het NFI, opgemaakt door drs. Ing. T.J.P. de Blaeij, d.d. 16 januari 2015, pag. 1213.

25 Herzien rapport van het NFI, opgemaakt door drs. Ing. T.J.P. de Blaeij, d.d. 16 januari 2015, pag. 1215.

26 Herzien rapport van het NFI, opgemaakt door drs. Ing. T.J.P. de Blaeij, d.d. 16 januari 2015, pag. 1216.

27 Herzien rapport van het NFI, opgemaakt door drs. Ing. T.J.P. de Blaeij, d.d. 16 januari 2015, pag. 1216.

28 Herzien rapport van het NFI, opgemaakt door drs. Ing. T.J.P. de Blaeij, d.d. 16 januari 2015, pag. 1216.

29 Proces-verbaal van de terechtzitting van 18 januari 2016.

30 Proces-verbaal van verhoor aangeefster van feit 1, d.d. 10 april 1996, pag. 1162.

31 Proces-verbaal van aangifte van feit 2, d.d. 16 september 1995, pag. 186.

32 Proces-verbaal van aangifte van feit 2, d.d. 16 september 1995, pag. 187.

33 Proces-verbaal van aangifte van feit 2, d.d. 16 september 1995, pag. 188.

34 Proces-verbaal van aangifte van feit 2, d.d. 16 september 1995, pag. 189.

35 Proces-verbaal van aangifte van feit 2, d.d. 16 september 1995, pag. 190.

36 Proces-verbaal van aangifte van feit 2, d.d. 16 september 1995, pag. 191.

37 Proces-verbaal van aangifte van feit 2, d.d. 16 september 1995, pag. 192.

38 Proces-verbaal van aangifte van feit 2, d.d. 16 september 1995, pag. 193.

39 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , d.d. 24 augustus 2015, pag. 2234.

40 Proces-verbaal van onderzoek door de regionale technische recherche van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , d.d. 19 september 1995, pag. 195.

41 Proces-verbaal van inbeslagname in het kader van DNA-wetgeving van verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 19 september 1995, pag. 202.

42 Proces-verbaal van onderzoek door de regionale technische recherche van verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 24 oktober 1995, pag. 211.

43 Rapport van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk, opgemaakt door drs. A.D. Kloosterman, d.d. 6 maart 1996, pag. 224.

44 Rapport van het NFI d.d. 15 juli 2014, opgemaakt door dr. B. Kokshoorn, pag. 901.

45 Proces-verbaal van aangifte van feit 3, d.d. 27 september 1995, pag. 241.

46 Proces-verbaal van aangifte van feit 3, d.d. 27 september 1995, pag. 242.

47 Proces-verbaal van aangifte van feit 3, d.d. 27 september 1995, pag. 243.

48 Proces-verbaal van aangifte van feit 3, d.d. 27 september 1995, pag. 244.

49 Proces-verbaal van aangifte van feit 3, d.d. 27 september 1995, pag. 245.

50 Proces-verbaal van aangifte van feit 3, d.d. 27 september 1995, pag. 246.

51 Proces-verbaal van aangifte van feit 3, d.d. 27 september 1995, pag. 247.

52 Proces-verbaal van aangifte van feit 3, d.d. 27 september 1995, pag. 248.

53 Proces-verbaal van onderzoek door de regionale technische recherche, opgemaakt door [verbalisant 4] , d.d. 2 oktober 1995, pag. 299, 300.

54 Proces-verbaal van inbeslagname in het kader van DNA-wetgeving van verbalisant [verbalisant 4] , d.d. 30 september 1995, pag. 302.

55 Proces-verbaal van inbeslagname in het kader van DNA-wetgeving van verbalisant [verbalisant 4] , d.d. 30 september 1995, pag. 303.

56 Rapport van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk, opgemaakt door drs. A.D. Kloosterman, d.d. 6 maart 1996, pag. 339.

57 Rapport van het NFI d.d. 15 juli 2014, opgemaakt door dr. B. Kokshoorn, pag. 901.

58 Proces-verbaal van aangifte van feit 4, d.d. 26 oktober 2001, pag. 360.

59 Proces-verbaal van aangifte van feit 4, d.d. 26 oktober 2001, pag. 361.

60 Proces-verbaal van aangifte van feit 4, d.d. 26 oktober 2001, pag. 362.

61 Proces-verbaal van aangifte van feit 4, d.d. 26 oktober 2001, pag. 363.

62 Proces-verbaal van aangifte van feit 4, d.d. 26 oktober 2001, pag. 364.

63 Proces-verbaal van aangifte van feit 4, d.d. 26 oktober 2001, pag. 366.

64 Proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 8] d.d. 25 oktober 2001, pag. 441.

65 Proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 8] d.d. 25 oktober 2001 pag. 443.

66 Aanvraag onderzoek gerechtelijk laboratorium Rijswijk door verbalisant [verbalisant 9] d.d. 26 oktober 2001, pag. 459.

67 Rapport van het NFI d.d. 19 december 2001, opgemaakt door drs. J.M. Kockx, pag. 472.

68 Rapport van het NFI d.d. 19 december 2001, opgemaakt door drs. J.M. Kockx, pag. 473.

69 Rapport van het NFI d.d. 4 december 2014, opgemaakt door drs. Ing. T.J.P. de Blaeij, pag. 1202.

70 Rapport van het NFI d.d. 9 december 2015, opgemaakt door drs. A.D. Kloosterman.

71 Rapport van het NFI d.d. 15 juli 2014, opgemaakt door dr. B. Kokshoorn, pag. 901.

72 Bevel afname DNA bij veroordeelden d.d. 14 april 2014, pag. 894.

73 Proces-verbaal afname DNA d.d. 3 juni 2014, pag. 898.

74 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 28 juli 2014, pag. 568.

75 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 28 juli 2014, pag. 573.

76 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 28 juli 2014, pag. 577.

77 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , d.d. 17 juli 2014, pag. 811.

78 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , d.d. 17 juli 2014, pag. 811.

79 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] , d.d. 31 juli 2014, pag. 835.

80 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] , d.d. 31 juli 2014, pag. 836.

81 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , d.d. 28 juli 2014, pag. 841.

82 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 18 juli 2014, pag. 495.

83 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 22 juli 2014, pag. 510.

84 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 22 juli 2014, pag. 501.

85 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 23 juli 2014, pag. 515.

86 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 23 juli 2014, pag. 517.

87 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 23 juli 2014, pag. 518.

88 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 23 juli 2014, pag. 521.

89 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 23 juli 2014, pag. 539.

90 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 7 augustus 2014, pag. 609.

91 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 18 augustus 2014, pag. 636.

92 Landelijk overleg voorzitters strafsectoren van rechtbanken en gerechtshoven