Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6973

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-11-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
16/661142-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor ontuchtige handelingen met meisje van 15 jaar tot een gevangenisstraf van 61 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van 120 uren. Overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661142-15

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 18 november 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1984] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [postcode] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer] .

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 22 september 2014 te Bunnik met [slachtoffer] , die toen nog geen 16 jaar oud was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, waarbij ook seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, met [slachtoffer] , die toen nog geen 16 jaar oud was.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen2;

- de akte van geboorte van [slachtoffer]3 en

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting.4

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

omstreeks 22 september 2014 te Bunnik, met [slachtoffer] , geboren [1999] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 dag onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, een gevangenisstraf van 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging te volstaan met het opleggen van één dag gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van kortere duur als door de officier van justitie gevorderd. Het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf is niet nodig, omdat er geen recidiverisico bestaat.

Daarnaast moet rekening gehouden worden met de overschrijding van de redelijke termijn.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze van de sanctie en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, terwijl zij vanwege haar leeftijd, haar omstandigheden en haar relatie tot de verdachte in een kwetsbare en afhankelijke positie verkeerde en niet in voldoende mate in staat was om de consequenties van een seksuele relatie met verdachte te overzien. Het slachtoffer was immers op 21 september 2014 weggelopen uit het meidenhuis waar zij verbleef en zwierf die avond over straat. Er was sprake van een groot leeftijdsverschil. Het slachtoffer was destijds 15 jaar en verdachte was 29 jaar oud. Bij verdachte en het slachtoffer bestonden gevoelens van verliefdheid voor elkaar en zij hadden die gevoelens ook naar elkaar uitgesproken. Verdachte wist dat het slachtoffer slechts vijftien jaar was. Verdachte wist ook dat het slachtoffer eerder negatieve seksuele ervaringen had gehad. Desondanks heeft verdachte haar (op haar verzoek) opgehaald en mee naar zijn woning genomen. Daarna is verdachte samen met het slachtoffer in zijn bed gaan slapen en heeft hij eenmaal seks met haar gehad.

Artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die, gelet op hun jeugdige leeftijd, in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. De omstandigheid dat in deze zaak sprake was van vrijwilligheid aan de zijde van het slachtoffer en dat zij verdachte heeft gevraagd haar op te halen, doet gelet daarop geen afbreuk aan het strafwaardig handelen van verdachte. Het had op de weg van verdachte als volwassene gelegen om weerstand te bieden aan de bestaande gevoelens en mogelijke verleidingen en om te voorkomen dat zij samen in één bed zouden slapen. Verdachte heeft dit niet gedaan en heeft uiteindelijk ook seks met het slachtoffer gehad. Dergelijke feiten kunnen een normale en gezonde seksuele ontwikkeling van een kind doorkruisen en kunnen vaak langdurige en ernstige schade toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers.

Gelet op de ernst van het feit, waarbij in het bijzonder van belang zijn het grote leeftijdsverschil tussen het slachtoffer en verdachte en de kwetsbaarheid van het slachtoffer, is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft echter ook acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 september 2016 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor gelijksoortige feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 27 mei 2016. Hieruit blijkt onder meer dat de reclassering het recidiverisico bij verdachte als ‘laag’ inschat en er geen reclasseringstoezicht of andere bijzondere voorwaarden nodig worden geacht. De reclassering heeft geadviseerd een werkstraf op te leggen en eventueel daarnaast een voorwaardelijke straf.

Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedragingen, openheid van zaken heeft gegeven en zich bewust is van de grenzen die hij heeft overschreden.

Tot slot houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafvervolging op grond van artikel 6 EVRM tot een berechting moet komen. Verdachte is op 22 september 2014 in verzekering gesteld. Daaraan heeft hij in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Gelet op de datum van dit vonnis wordt de redelijke termijn van 2 jaar met bijna 2 maanden overschreden. Indien deze termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een taakstraf van 140 uur en een gevangenisstraf van 61 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk hebben opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 120 uur en een gevangenisstraf van 61 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Gelet op de tijd die is verstreken na het plegen van het feit, zal de rechtbank de proeftijd bepalen op één jaar.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 750,- ingediend wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie vordert toewijzing van de gehele vordering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de gestelde schade betwist en verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat een deel van de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het nodig was dat de benadeelde partij therapieën heeft gevolgd of nog zal gaan volgen om zich weerbaarder op te stellen tegen onder meer negatieve invloeden van jongens/mannen en om haar verleden te verwerken. Aannemelijk is dat het door verdachte gepleegde feit heeft bijgedragen aan de noodzaak tot het volgen van die therapieën.

De rechtbank acht met inachtneming daarvan het deel van in totaal € 500,- van de vordering gegrond en - vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2014 - voor toewijzing vatbaar.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 61 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 (één) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later de tenuitvoerlegging gelast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 500,- (zegge vijfhonderd euro), aan immateriële schade. Het bedrag wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij - tot op heden begroot op nihil - en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , van een bedrag van € 500,- (zegge vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2014 tot aan de dag van algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.H.M. Collombon, voorzitter,

mrs. C.E.M. Nootenboom-Lock en E. Akkermans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. van der Vegte, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 november 2016.

mr. E. Akkermans is buiten staat mede dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 september 2014 te Bunnik, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [slachtoffer] , geboren [1999] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht/gehouden.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering, van pagina 1 tot en met 47. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om proces-verbaal nr. PL0900-2014265912, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van 22 september 2014, pagina’s 24 tot en met 26.

3 Akte van geboorte van [slachtoffer] , pagina 22.

4 Proces-verbaal van de terechtzitting van 4 november 2016.