Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6959

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
09-01-2017
Zaaknummer
4792728 AC EXPL 16-584
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZZP'er heeft relatiebeding geschonden - matiging verschuldigde contractuele boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 4792728 AC EXPL 16-584 GLK/1126

Vonnis van 14 december 2016

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J.A. Kaspers,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: BBU Juristen & Incasso’s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 januari 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    de zittingsaantekeningen van de comparitie van 7 november 2016.

1.2.

Na de comparitie zijn partijen in de gelegenheid gesteld om alsnog in onderling overleg tot overeenstemming te komen. Dit is niet gelukt, zodat vonnis is bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een organisatie die zich bezig houdt met het begeleiden van mensen met autisme en/of gedragsstoornissen. [gedaagde] is sociaal-psychiatrisch verpleegkundige.

2.2.

[eiseres] en [gedaagde] hebben op 1 juli 2014 een (raam)overeenkomst van opdracht met elkaar gesloten, inhoudende dat [eiseres] (als opdrachtgever) in het kader van haar dienstverlening gebruik kan maken van de inzet van [gedaagde] (als opdrachtnemer) (hierna: de overeenkomst).

2.3.

In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 1 – Aanvang en duur

1.1

Deze overeenkomst geldt voor 1 jaar. De overeenkomst kan stilzwijgend worden verlengd met de duur van een jaar, tenzij de overeenkomst tussentijds wordt beëindigd zoals nader geregeld in de overeenkomst. Uiterlijk twee maanden voorafgaand aan de beoogde einddatum treden partijen in overleg om te spreken over een mogelijke verlenging van de looptijd.

1.2

Een partij is gerechtigd om zonder ingebrekestelling en zonder tussenkomst van de rechter deze raamovereenkomst onmiddellijk geheel of gedeeltelijk te ontbinden, indien:

de wederpartij één of meer bepalingen van deze raamovereenkomst van opdracht niet of niet-tijdig nakomt na daartoe te zijn gesommeerd;

conservatoir of executoriaal beslag wordt gelegd op roerende en/of onroerende zaken van de wederpartij;

door de wederpartij surséance van betaling wordt aangevraagd, of;

voor de wederpartij faillissement wordt aangevraagd respectievelijk de wedepartij in staat van faillissement geraakt.

(…)

Artikel 3 – Uitvoering

3.6

Opdrachtgever doet per opdracht een schriftelijke opdrachtspecificatie aan Opdrachtnemer toekomen, welke in ieder geval bevat: - de naam van de cliënt van Opdrachtgever; - contactpersoon bij die cliënt; - werkzaamheden; - duur van de werkzaamheden; - vergoeding; - benodigde specificaties facturatie. Indien Opdrachtnemer de opdracht aanvaardt zijn op de opdracht de voorwaarden van deze raamovereenkomst van toepassing, behoudens andersluidende voorwaarden in de opdrachtspecificatie.

Artikel 5 – Relatiebeding

5.1

Het is Opdrachtnemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Opdrachtgever tijdens en gedurende twee (2) jaren na het einde van deze raamovereenkomst voor of bij cliënt(en) van Opdrachtgever, de klant(en) van cliënt(en) van Opdrachtgever en/of één of meer daaraan gelieerde ondernemingen waarvoor hij in het kader van de raamovereenkomst opdrachten heeft vervuld, direct of indirect werkzaam te zijn, op welke wijze dan ook, hetzij tegen betaling, hetzij om niet, dan wel medewerkers of andere personen van (een) onderneming(en) waarin Opdrachtnemer rechtstreeks of indirect zeggenschap en/of een financieel belang heeft direct of indirect werkzaam te laten zijn voor deze (rechts)personen.

5.2

Opdrachtnemer verbindt zich gedurende de looptijd van deze raamovereenkomst, alsmede gedurende twee (2) jaren na beëindiging daarvan, geen medewerkers van Opdrachtgever, en/of van cliënten van Opdrachtgever en/of van de klanten van cliënten van Opdrachtgever waarvoor hij in het kader van de raamovereenkomst opdrachten heeft vervuld, in dienst te nemen, of anderszins in welke vorm dan ook te werk te stellen of te bewegen hun dienstverband te beëindigen, hetzij tegen betaling, hetzij om niet, ten behoeve van werkzaamheden direct of indirect voor Opdrachtnemer.

5.3

Het is Opdrachtnemer verboden van een ander dan Opdrachtgever beloningen, provisies en dergelijke voortvloeiende of samenhangende met de opdracht te bedingen en/of te aanvaarden, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van Opdrachtgever.

5.4

Indien de Opdrachtnemer het in de vorige leden bepaalde overtreedt en/of niet nakomt, verbeurt hij aan Opdrachtgever een direct opeisbare boete ten belope van
€ 50.000,-- (zegge: vijftigduizend Euro) voor iedere overtreding, alsmede een bedrag van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend Euro) voor iedere dag – ongeacht of hierop gebruikelijk wordt gewerkt of niet – dat de overtreding/niet nakoming voortduurt. De boete zal verschuldigd zijn door het enkele feit van overtreding of niet-nakoming, maar laat onverminderd het recht van de opdrachtgever nakoming van deze overeenkomst te verlangen en laat onverminderd het recht van Opdrachtgever tot het vorderen van volledige schadevergoeding, met inbegrip van de gevolgschade, waaronder vergoeding van de door derden bij Opdrachtgever ingediende schadeclaims.

Artikel 6 – Vergoeding, facturering en betaling

6.1 (…)


De opdrachtgever ontvangt een vaste fee vergoeding van 30% per gewerkt contactuur exclusief BTW.
(…)

2.4.

In het kader van deze overeenkomst verrichte [gedaagde] werkzaamheden bij een

relatie van [eiseres] , te weten [praktijk voor GGZ] (hierna ook: [praktijk voor GGZ] ).

2.5.

In een e-mail van 10 mei 2015 heeft [gedaagde] onder meer het volgende

geschreven aan [eiseres] :

Ik heb dan ook besloten mijn werkzaamheden voor [praktijk voor GGZ] per 1 juni elders voort te zetten.

2.6.

[A] van [praktijk voor GGZ] heeft in een brief van 27 augustus 2015 het

volgende verklaard:

Ondergetekende verklaart dat de samenwerking met [eiseres] per 1 juni 2015 beëindigd is met dien verstande dat de lopende behandelingen conform de gemaakte afspraken afgerond worden en de betaling na verrekening door de zorgverzekeraar zal plaats vinden.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiseres] vordert – na vermeerdering van eis bij conclusie van antwoord in reconventie –dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (I) voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] artikel 5.1, 5.2 en/of 5.3 van de overeenkomst heeft overtreden, (II) [gedaagde] wordt veroordeeld om € 25.000,00 aan haar te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot de voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] het relatiebeding (artikel 5 van de overeenkomst) heeft geschonden, door na opzegging van de overeenkomst per 1 juni 2015 zijn werkzaamheden bij [praktijk voor GGZ] voort te zetten. [praktijk voor GGZ] is volgens [eiseres] een “daaraan gelieerde onderneming waarvoor hij in het kader van de raamovereenkomst opdrachten heeft vervuld” als bedoeld in artikel 5.1. [eiseres] maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten nu [gedaagde] in verzuim is geraakt, respectievelijk [eiseres] de vordering uit handen heeft moeten geven.

3.3.

[eiseres] stelt dat zij gelet op de overtreding door [gedaagde] van het relatiebeding op grond van artikel 5.4 van de overeenkomst een vordering op hem heeft van € 93.811,90. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 50.000,00 (het bedrag ineens) -/- € 3.753,75 (het bedrag dat [eiseres] nog aan [gedaagde] moest betalen) + € 45.000,00 (€ 5.000,00 x 90 dagen) + € 1.328,19 (de rente tot aan de dagvaarding) + € 1.237,46 (de buitengerechtelijke incassokosten). [eiseres] heeft haar vordering echter beperkt tot een bedrag van € 25.0000,00, de competentiegrens van de kantonrechter, en doet afstand van het meerdere.

3.4.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Ten eerste betoogt hij dat hij wat betreft de werkzaamheden voor [praktijk voor GGZ] nooit een schriftelijke opdrachtspecificatie van [eiseres] heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.6 van de overeenkomst. Zodoende zijn de bepalingen uit de overeenkomst, waaronder het relatiebeding niet van toepassing. Reeds gelet hierop kan van een schending van het relatiebeding geen sprake zijn. Ten tweede betoogt [gedaagde] dat [eiseres] niet heeft onderbouwd waaruit haar schade bestaat. [gedaagde] betaalde een fee van 30% aan [eiseres] voor het gebruik van de spreekkamer van [eiseres] en voor lichte administratieve ondersteuning door [eiseres] . [eiseres] kon echter kosteloos gebruik maken van de spreekkamers en de administratieve ondersteuning werd door een vrijwilliger van [eiseres] verricht. Voor zover haar schade bestaat uit het mislopen van de fee van 30% betoogt [gedaagde] dat dit niet aan hem is toe te rekenen, omdat dit een gevolg is van het besluit van [praktijk voor GGZ] om de samenwerking met [eiseres] te verbreken. Ten derde betoogt [gedaagde] dat [praktijk voor GGZ] de samenwerking met [eiseres] per 1 juni 2015 heeft beëindigd. Van schending van het relatiebeding kan na die datum dus geen sprake zijn. In het relatiebeding wordt immers niet voorgeschreven dat geen werkzaamheden voor voormalige cliënten mogen worden uitgevoerd.

In reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] wordt veroordeeld om € 4.566,16 aan hem te betalen (bestaande uit € 3.753,75 aan hoofdsom, € 216,96 aan rente tot en met 1 maart 2016 en € 595,45 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.753,75 vanaf 2 maart 2016 tot de voldoening en met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de nakosten wat betreft het salaris van de gemachtigde.

3.6.

[gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in het kader van de overeenkomst werkzaamheden heeft verricht en dat [eiseres] de in dat kader door hem verstuurde facturen ten onrechte nog niet heeft betaald.

3.7.

[eiseres] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij erkent dat zij het door [gedaagde] gevorderde bedrag aan hem moet betalen, maar zij betoogt dat zij deze vordering heeft verrekend met de conventionele vordering.

4 De beoordeling


In conventie

4.1.

De kantonrechter begrijpt de vordering van [eiseres] aldus dat haar vordering ter hoogte van € 25.000,00 bestaat uit een hoofdsom van € 22.434,35, wettelijke handelsrente ter hoogte van € 1.328,19 en buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.237,46.

Schriftelijke opdrachtspecificatie

4.2.

[gedaagde] stelt dat het relatiebeding niet van toepassing is, omdat hij nooit een schriftelijke opdrachtspecificatie van [eiseres] heeft ontvangen. Volgens [eiseres] zijn hier de geleideformulieren voor, maar dit betwist [gedaagde] . Dit kan naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven. Ook als de in 3.6 van de overeenkomst genoemde opdrachtspecificatie ontbreekt betekent dit niet dat de bepalingen uit de overeenkomst, waaronder het relatiebeding, in dit geval niet van toepassing zijn. Immers, tussen partijen staat vast dat [gedaagde] in het kader van de overeenkomst werkzaamheden heeft verricht bij [praktijk voor GGZ] . Niet gesteld of gebleken is dat bij één van partijen onduidelijkheid bestaat over de punten die gelet op artikel 3.6 in de opdrachtspecificatie zouden moeten worden opgenomen. [gedaagde] heeft de opdracht bij [praktijk voor GGZ] aanvaardt in de zin van dit artikel, zodat de voorwaarden van de overeenkomst in dit geval van toepassing zijn.

Schade

4.3.

Ook het betoog van [gedaagde] dat [eiseres] haar schade niet heeft onderbouwd en dat hij reeds om die reden geen boete is verschuldigd slaagt niet. In artikel 5.4 is immers bepaald dat “de boete verschuldigd zal zijn door het enkele feit van overtreding of niet-nakoming”. Hieruit volgt dat door de enkele overtreding van het relatiebeding [gedaagde] een boete moet betalen en dat het hiervoor niet noodzakelijk is dat [eiseres] haar schade onderbouwt.

De kantonrechter begrijpt het betoog van [gedaagde] dat de eventuele schade van [eiseres] als gevolg van het mislopen van de fee van 30% niet aan hem is toe te rekenen aldus, dat hij betoogt dat hij het relatiebeding niet heeft overtreden en dus geen boete is verschuldigd. Op dit betoog wordt hierna onder het kopje ‘relatiebeding’ ingegaan.

Relatiebeding

4.4.

De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst per 1 juli 2015 is beëindigd, zoals [gedaagde] heeft betoogd. Weliswaar heeft [gedaagde] bij e-mail van 10 mei 2015 aan [eiseres] laten weten dat hij zijn werkzaamheden bij [praktijk voor GGZ] per 1 juni 2015 elders voortzet
– op grond waarvan [eiseres] zich op het standpunt stelt dat de overeenkomst is beëindigd per 1 juni 2015 – maar de overeenkomst bood [gedaagde] niet de mogelijkheid om de overeenkomst tussentijds te beëindigen. Van een situatie als bedoeld in artikel 1.2 van de overeenkomst was in dit geval immers geen sprake. Bovendien heeft [gedaagde] begin juni 2015 nog werkzaamheden verricht in het kader van de overeenkomst, zo blijkt uit de in het kader van de reconventionele vordering overgelegde facturen (productie 6 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie). Gelet op artikel 1.1 van de overeenkomst is deze aangegaan voor de duur van een jaar. Partijen hebben de overeenkomst niet stilzwijgend of expliciet verlengd, zodat de overeenkomst per 1 juli 2015 is beëindigd.

4.5.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] ook na het eindigen van de overeenkomst werkzaamheden heeft verricht voor [praktijk voor GGZ] . De vraag die moet worden beantwoord is of [gedaagde] hiermee het relatiebeding zoals opgenomen in artikel 5.1 van de overeenkomst heeft overtreden.

4.6.

De kantonrechter is van oordeel dat [praktijk voor GGZ] is aan te merken als een “cliënt van [eiseres] ”, een “klant van een cliënt van [eiseres] ” dan wel een “daaraan gelieerde onderneming” als bedoeld in artikel 5.1 van de overeenkomst. Weliswaar staat vast dat de samenwerking tussen [eiseres] en [praktijk voor GGZ] per 1 juni 2015 is geëindigd en heeft artikel 5.1 het niet over “voormalige cliënten”, “voormalige klanten van cliënten” of “voormalige daaraan gelieerde ondernemingen”, maar volgens vaste jurisprudentie dienen overeenkomsten niet slechts te worden uitgelegd op basis van de letterlijke tekst, maar staat de bedoeling van partijen centraal (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635, Haviltex). In het algemeen is het de bedoeling van een relatiebeding in een verhouding tussen drie partijen als hier, dat de opdrachtgever wil voorkomen dat een (voormalig) opdrachtnemer bij een relatie van hem aan de slag gaat. Hij heeft er in de regel financieel belang bij dat zijn relatie voor hem behouden blijft. Niet is gebleken dat partijen in dit geval een andere bedoeling hadden met het relatiebeding.

4.7.

Indien een relatiebeding na beëindiging van de samenwerking met een relatie van het ene op het andere moment geen werking meer zou hebben, zou dit beding een groot deel van zijn inhoud en betekenis verliezen. Op die manier kan een opdrachtgever (te) eenvoudig buiten spel worden gezet, simpelweg door de samenwerking te beëindigen en vervolgens zonder zijn tussenkomst te handelen. Tijdsverloop speelt in dit verband een rol. Na de beëindiging van de samenwerking tussen [eiseres] en [praktijk voor GGZ] is er een moment dat [praktijk voor GGZ] niet meer onder de begripsomschrijving van artikel 5.1 valt en [gedaagde] bij [praktijk voor GGZ] aan de slag kan zonder hierbij het relatiebeding te schenden. In dit geval is [gedaagde] echter doorlopend werkzaam geweest bij [praktijk voor GGZ] : tot 1 juli 2015 via [eiseres] en direct aansluitend rechtstreeks voor [praktijk voor GGZ] . Dat de samenwerking tussen [eiseres] en [praktijk voor GGZ] een maand daarvoor, namelijk per 1 juni 2015, beëindigd was maakt niet dat [praktijk voor GGZ] niet meer onder de begripsomschrijving van het relatiebeding valt. Het tijdsverloop van een maand is hiervoor te kort. Zodoende heeft [gedaagde] het relatiebeding geschonden en is hij aan [eiseres] een contractuele boete verschuldigd. De uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 april 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:2869) waarnaar [gedaagde] verwijst en waarin is geoordeeld dat het relatiebeding niet van toepassing is op voormalige klanten, maakt dit niet anders. Een relevant verschil met deze zaak is immers dat er in de zaak van de rechtbank Gelderland veel meer tijd zat tussen het moment waarop de samenwerking tussen de opdrachtgever en de klant is beëindigd (oktober 2010) en het moment waarop de opdrachtnemer werkzaamheden voor de betreffende (voormalige) klant heeft verricht (tussen februari 2012 en april 2013).

Matiging boete

4.8.

De kantonrechter begrijpt het betoog van [gedaagde] op de comparitie dat de gevorderde boete erg hoog is aldus, dat [gedaagde] een beroep doet op matiging van de contractuele boete. De kantonrechter stelt voorop dat matiging van een contractuele boete op grond van artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk is indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit houdt in dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt (zie het arrest van de Hoge Raad van 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

4.9.

De kantonrechter betrekt bij de beoordeling van het beroep op matiging de volgende omstandigheden:

(1) Onduidelijk is hoe hoog de werkelijke schade van [eiseres] is, maar aannemelijk wordt geacht dat deze schade lager ligt dan de gevorderde boete. Uit de facturen die [gedaagde] heeft overgelegd over de maanden april en mei 2015 (productie 6 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie) blijkt dat [eiseres] in die maanden voor de werkzaamheden van [gedaagde] conform artikel 6.1 van de overeenkomst een vergoeding ontving van respectievelijk € 858,00 en € 668,25. Niet gebleken is dat [eiseres] in de periode daaraan voorafgaand een structureel hogere vergoeding ontving voor de werkzaamheden van [gedaagde] . Gelet op de hoogte van deze maandbedragen in combinatie met de omstandigheid dat er na de beëindiging van de samenwerking tussen [eiseres] en [praktijk voor GGZ] een moment komt dat [gedaagde] het relatiebeding niet langer schendt door rechtstreeks werkzaamheden voor [praktijk voor GGZ] te verrichten, wordt aannemelijk geacht dat de schade lager ligt dan de gevorderde boete. Daarbij wordt opgemerkt dat [eiseres] geen inzicht heeft gegeven in eventuele andere schadeposten.

(2) Op grond van de overeenkomst kan in dit geval naast de contractuele boete ook schade worden gevorderd. De contractuele boete komt dus bovenop de wettelijke schadevergoeding. Gelet op deze cumulatie zal een boete in dat geval eerder onaanvaardbaar zijn – en dus voor matiging in aanmerking komen – dan indien de contractuele boete in de plaats treedt van het recht op schadevergoeding.

(3) De gevorderde boete is in verhouding tot de facturen van [gedaagde] hoog en financieel een (te) zware last.

(4) [gedaagde] heeft in een vroeg stadium advies gevraagd aan een jurist of [praktijk voor GGZ] onder de begripsomschrijving van het relatiebeding valt. Volgens [gedaagde] heeft deze jurist tegen hem gezegd dat dit niet het geval is, omdat de samenwerking tussen [eiseres] en [praktijk voor GGZ] per 1 juni 2016 is beëindigd. [gedaagde] is op de uitlatingen van deze jurist afgegaan en heeft zijn werkzaamheden bij [praktijk voor GGZ] te goeder trouw voortgezet, in de veronderstelling dat hij hiermee het relatiebeding niet overtrad.

(5) Partijen hebben een standaardtekst voor hun overeenkomst gebruikt. Zij hebben niet met elkaar onderhandeld over het relatiebeding en de daaraan verbonden boete.

(6) [gedaagde] is een zzp’er die hoogstwaarschijnlijk minder kennis en inzicht heeft in de juridische gevolgen van voorwaarden die in een overeenkomst worden opgenomen over een relatiebeding dan [eiseres] , die vaker vergelijkbare overeenkomsten sluit.

(7) [eiseres] heeft getracht een schikking te treffen met [gedaagde] . Gebleken is dat [eiseres]
zowel in het voortraject als ten tijde van de comparitie bereid was om de boete te matigen.

4.10.

De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde boete gezien de hiervoor genoemde omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. De hoogte van de boete zal dan ook worden gematigd. Gezien het voorgaande acht de kantonrechter het redelijk om de bedongen boete in de gegeven omstandigheden te matigen tot € 10.000,00.

Verklaring voor recht

4.11.

De kantonrechter zal de gevorderde verklaring voor recht wegens gebrek aan belang afwijzen. De kantonrechter heeft immers reeds een oordeel gegeven over de schending van het relatiebeding en de daaraan verbonden boete.

Wettelijke handelsrente

4.12.

De kantonrechter zal de wettelijke handelsrente toewijzen over een bedrag van € 10.000,00 vanaf 1 juli 2015 tot de voldoening.


Buitengerechtelijke incassokosten

4.13.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief ter hoogte van € 875,00.

Proceskosten

4.14.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 80,77

- griffierecht € 471,00

- salaris gemachtigde € 600,00 (2 punten x tarief € 300,00)

Totaal € 1.151,77

4.15.

Nu een gedeelte van de vordering wordt afgewezen, dient het griffierecht voor zover dit een bedrag van € 471,00 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van eisende partij te blijven.

Nakosten

4.16.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna te melden wijze worden toegewezen.
In reconventie
Hoofdsom

4.17.

Omdat [eiseres] de vordering van [gedaagde] heeft erkend zal de kantonrechter deze vordering toewijzen. Deze vordering kan worden verrekend met de toegewezen hoofdsom in conventie. Per saldo dient [gedaagde] dus een bedrag van (€ 10.000,00 minus € 3.753,75 is) € 6.246,25 aan [eiseres] te betalen.

Wettelijke handelsrente

4.18.

De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke handelsrente als niet weersproken toewijzen.
Buitengerechtelijke incassokosten

4.19.

[gedaagde] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Van redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW is echter niet gebleken. Immers, [eiseres] heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat haar vordering op [gedaagde] hoger is dan de vordering van [gedaagde] op haar en dat zij deze vorderingen met elkaar mocht verrekenen. [eiseres] heeft de vordering van [gedaagde] ook direct bij het uitbrengen van de dagvaarding op haar eigen vordering in mindering gebracht. De door [gedaagde] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen dus worden afgewezen.

Proceskosten

4.20.

Zoals hiervoor onder 4.19 is overwogen, heeft [eiseres] zich terecht op het standpunt gesteld dat haar vordering op [gedaagde] hoger is dan de vordering van [gedaagde] op haar en dat zij deze vorderingen met elkaar mocht verrekenen. Daarnaast heeft [eiseres] de vordering van [gedaagde] ook direct bij het uitbrengen van de dagvaarding op haar eigen vordering in mindering gebracht. Gelet hierop zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 200,00). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen.

5
5. De beslissing

De kantonrechter:
In conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 10.875,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 10.000,00 vanaf 1 juli 2015 tot de voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.151,77, waarin begrepen € 600,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening, te vermeerderen met, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5. wijst het meer of anders gevorderde af;

In reconventie

5.6.

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.970,71, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.753,75 vanaf 2 maart 2016 tot de voldoening;

5.7.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot € 400,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.