Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6916

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
5424709 UE VERZ 16-481 LH/1040
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over het recht op transitievergoeding, als bedoeld in artikel 7:673 BW. Toepassing van de artikelen 2 en 4 van het Besluit overgangsrecht transitievergoeding. Overgang van onderneming. Vraag naar de doorwerking van een sociaal plan dat niet als CAO is aangemeld. Incorporatie? Derdenbeding? Analogische toepassing van artikel 14a Wet CAO? Artikel 3 lid 3 van de Richtlijn 2001/23/EG. Parlementaire geschiedenis WWZ. Artikel 6:248 lid 2 BW. Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding. De kantonrechter kent - onverminderde - transitievergoeding toe.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 663
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671a
Burgerlijk Wetboek Boek 7 673
Besluit overgangsrecht transitievergoeding
Besluit overgangsrecht transitievergoeding 2
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 14a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/4037
JAR 2017/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5424709 UE VERZ 16-481 LH/1040

Beschikking van 21 december 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. C.M.J. Moerkens,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Grafiservices B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Grafiservices,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. S.K. Lang.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend, onder meer strekkende tot verkrijging van een transitievergoeding in de zin van artikel 7:673 Burgerlijk Wetboek (BW). Dit verzoekschrift is ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 7 oktober 2016.

1.2.

Grafiservices heeft een verweerschrift ingediend, strekkende tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

1.3.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 29 november 2016, tegelijk met de mondelinge behandeling van de door een viertal andere gewezen werknemers van Grafiservices ingediende verzoeken. Partijen hebben ter zitting de standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van de door hun gemachtigden overgelegde pleitnotities. Aan de pleitnota van mr. Lang was enige rechtspraak gehecht, waarop Grafiservices zich heeft beroepen. [verzoeker] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Partijen hebben geantwoord op door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.4.

Daarna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [1978] , is op 1 september 1997 als expeditiemedewerker in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) Roto Smeets Grafiservices B.V., welke vennootschap onderdeel is van Roto Smeets Group B.V. De arbeidsovereenkomst heeft te gelden als voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan. Omstreeks 2015 waren bij Roto Smeets Group B.V. ongeveer 1.500 personeelsleden in dienst.

2.2.

In december 2012 heeft Roto Smeets Group B.V. met de betrokken vakbonden (FNV Kiem en CNV Media) en met haar centrale ondernemingsraad het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ afgesloten. Dit plan (hierna ook het sociaal plan te noemen) is voor onbepaalde tijd met ingang van 1 november 2012 aangegaan en strekt ertoe om ‘de sociale en financiële gevolgen (te) regelen voor alle werknemers met een arbeidscontract voor onbepaalde tijd met een bedrijf dat onderdeel is van de Roto Smeets Group van wie door welke omstandigheid dan ook de arbeidsplaats komt te vervallen.’ Als uitgangspunt is in het sociaal plan geformuleerd dat ernaar gestreefd zal worden de betrokken werknemers binnen Roto Smeets Group B.V. te herplaatsten in een functie die zoveel mogelijk aansluit bij hun capaciteiten, opleiding, kennis en ervaring. Daartoe is een begeleidingscommissie ingesteld die tot taak heeft geschillen bij de uitvoering van het plan te behandelen en daarover bindende uitspraken te doen. Een op de situatie van de betreffende werknemer toegesneden begeleiding bij het vinden van ander werk geschiedt door het mobiliteitscentrum C3, waarvan de kosten, inclusief de eventuele opleidings- en verhuiskosten, door Roto Smeets Group B.V. worden voldaan. Het sociaal plan voorziet voorts in een ontslagvergoeding bij beëindiging van het dienstverband, (bij een salaris tot € 4.284,--) bestaande uit een periodieke maandelijkse uitkering van 15% van het bruto maandsalaris. De uitkering wordt maandelijks betaald op vertoon van een specificatie van de sociale verzekeringsuitkering over de betreffende maand. De duur van de uitkering is afhankelijk van de leeftijd van de werknemer en de lengte van het dienstverband. De totale uitkering is gemaximeerd op het bedrag van de ontslagvergoeding volgens de toenmalige neutrale kantonrechtersformule.

Het sociaal plan is niet, overeenkomstig artikel 4 Wet op de loonvorming, als CAO bij de minister van SZW aangemeld.

2.3.

Op 28 juni 2015 heeft een activa/passivatransactie plaatsgevonden tussen enerzijds Roto Smeets Grafiservices B.V. en anderzijds Grafiservices, verweerster in dit geding, een op 10 februari 2015 opgerichte vennootschap die geen onderdeel uitmaakt van de Roto Smeets-groep. Ingevolge artikel 7:663 BW zijn door deze overgang van onderneming de 45 werknemers van Roto Smeets Grafiservices B.V. in dienst gekomen bij Grafiservices. Het laatstgenoten loon van [verzoeker] bedroeg € 2.479,46 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag).

2.4.

Op de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Grafiservices is de CAO Grafimedia (hierna ook de CAO te noemen) van toepassing. Anders dan in de periode vóór 1 april 2012, toen de CAO nog de zogenoemde ‘Reorganisatie-, Fusie- en Liquidatieregeling’ (RFR) kende waarin onder meer bij reorganisatieontslag was voorzien in een uitkeringsregeling die in hoofdlijnen overeenkwam met die in bovengenoemd ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ van december 2012, kent de CAO vanaf 1 april 2012 nog slechts een ‘Van Werk Naar Werk-regeling’, op grond waarvan de werkgever in geval van reorganisatieontslag gehouden is bij te dragen aan de kosten van outplacement van de werknemer. Het recht om in aanmerking te komen voor de bijdrage aan de outplacementkosten dient binnen drie maanden na het einde van het dienstverband te worden geëffectueerd, zo bepaalt de CAO. Met ingang van 1 november 2015 is (voor de periode tot en met 31 maart 2018) een nieuwe CAO Grafimedia afgesloten, waarvan de bepalingen inmiddels met ingang van 8 september 2016 algemeen verbindend zijn verklaard. Ook deze nieuwe CAO kent, net als de voorgaande, slechts de genoemde ‘Van werk naar werk-regeling’ en geeft geen recht op een ontslagvergoeding.

2.5.

Bij brief van 30 maart 2016 heeft FNV Kiem het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ van december 2012 aan Roto Smeets Group B.V. opgezegd tegen 1 juli 2016.

2.6.

Op 25 april 2016 heeft Grafiservices het UWV verzocht om toestemming om de arbeidsovereenkomst met elf van haar (toen nog 38) werknemers, onder wie [verzoeker] , te beëindigen wegens bedrijfseconomische omstandigheden, bestaande in verslechterde bedrijfsresultaten en prijsuitval ten gevolge van de economische recessie. Op 26 april 2016 heeft het UWV aan Grafiservices meegedeeld dat de aanvraag was ontvangen, dat deze niet compleet was en daarom nog niet in behandeling kon worden genomen. Op 3 mei 2016 heeft Grafiservices de volgens het UWV nog ontbrekende gegevens aangeleverd. Toen heeft het UWV ook de betrokken werknemers ingelicht en in de gelegenheid gesteld verweer te voeren. Nadat vervolgens de betrokken werknemers verweer hadden gevoerd, heeft het UWV op 27 mei 2016 aan Grafiservices de gevraagde toestemming verleend. Het UWV overwoog daartoe dat Grafiservices redelijkerwijs heeft kunnen besluiten om de arbeidsplaats van (onder meer) [verzoeker] te laten vervallen en dat aannemelijk is geworden dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn. Op 30 mei 2016 heeft Grafiservices de arbeidsovereenkomst aan [verzoeker] opgezegd tegen 30 september 2016.

2.7.

Intussen had Grafiservices op 26 april 2016 een personeelsbijeenkomst gehouden, waarin het personeel over de voorgenomen reorganisatie en personeelsinkrimping was geïnformeerd. Diezelfde dag heeft de heer [A] , algemeen directeur van Grafiservices, in een gesprek met [verzoeker] en de heer [B] over hun recht op transitievergoeding gesproken. Ook in één van de bijlagen bij de UWV-aanvraag van 25 april 2016 heeft Grafiservices melding gemaakt van de met de transitievergoedingen gemoeide (reorganisatie)kosten. Nadat het UWV de gevraagde toestemming had verleend, heeft [A] in de opzeggingsbrief van 30 mei 2016 aan [verzoeker] onder meer geschreven: ‘Met betrekking tot de uitkering van de transitievergoeding wensen wij nog nadere afspraken te maken omdat wij met je van gedachten willen wisselen over het eventueel te volgen C3 traject.’ Vervolgens heeft [A] bij brief van 15 juni 2016, onder verwijzing naar deze eerdere uitlating, aan Knnops meegedeeld: ‘Voortschrijdend inzicht heeft ons geleerd dat de gekozen route met een transitievergoeding niet de juiste weg is. Aangezien er sprake is van overgang van onderneming in de zin van Boek 7, titel 10, afdeling 8 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle arbeidsvoorwaarden overgenomen en zullen rechten en verplichtingen moeten worden gerespecteerd tot maximaal 1 jaar na de overname. Aangezien de ontslagaanvragen ruim binnen deze gestelde periode zijn gehonoreerd door het UWV zien wij ons gehouden om het ‘Werkgelegenheidsplan RSG’ op u van toepassing te verklaren. Concreet houdt dit voor u in dat GrafiServices B.V. uw sociale uitkering zal aanvullen conform het gestelde in dit werkgelegenheidsplan. (-) Daarnaast heeft u recht op een traject bij C3; de kosten zullen door GrafiServices B.V. worden gedragen. (-) Mocht naderhand uit dat traject blijken dat er een opleidingsbehoefte ontstaat dan is er per medewerker een budget van Euro 2.500,-- beschikbaar om dit in te vullen. Wij zijn van mening dat deze regeling meer recht doet aan de ontstane situatie.’ In de bijlage bij deze brief is het maximum van de volgens bedoeld sociaal plan aan [verzoeker] toekomende aanvullingen op een sociale uitkering berekend op € 8.040,--.

2.8.

Bij brief van 15 juli 2016 heeft de gemachtigde van [verzoeker] jegens Grafiservices aanspraak gemaakt op de wettelijke transitievergoeding. Deze bedraagt € 20.970,-- bruto. [verzoeker] stelde zich daarbij op het standpunt dat het Besluit overgangsrecht transitievergoeding van 23 april 2015 (hierna het Besluit overgangsrecht te noemen) ingevolge artikel 4 niet meer van toepassing is, nu de UWV-aanvraag dateert van 3 mei 2016.

2.9.

Bij brief van 26 juli 2016 heeft de gemachtigde van Grafiservices deze aanspraak betwist, omdat de UWV-aanvraag op 25 april 2016, derhalve vóór de in artikel 4 van het Besluit overgangsrecht genoemde datum van 1 mei 2016, is ingediend. Grafiservices stelde zich op het standpunt dat de arbeidsvoorwaarden, die ten tijde van de overgang van onderneming van Roto Smeets Grafiservices B.V. naar Grafiservices golden, daaronder het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’, door die overgang naar Grafiservices zijn overgegaan en dat zij vanwege deze collectieve afspraak aan [verzoeker] geen transitievergoeding verschuldigd is.

2.10.

[verzoeker] heeft geen gebruik gemaakt van begeleiding door het mobiliteitscentrum C3. Ook heeft Grafiservices voor hem geen opleidingsbudget ter beschikking gesteld. Hij heeft met ingang van 1 november 2016 ander werk gevonden.

3 Het verzoek en het daartegen gevoerde verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt om veroordeling van Grafiservices tot betaling aan hem van een transitievergoeding van € 20.970,-- bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verschuldigdheid van de transitievergoeding tot de voldoening ervan. Voorts verzoekt [verzoeker] dat voor recht wordt verklaard dat op de transitievergoeding geen kosten in mindering mogen worden gebracht. Ten slotte vordert [verzoeker] dat Grafiservices wordt veroordeeld tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten met rente, een en ander met veroordeling van Grafiservices in de proceskosten met rente.

3.2.

[verzoeker] legt allereerst aan zijn verzoek ten grondslag dat Grafiservices op 26 april 2016 en bij brief van 30 mei 2016 aan hem heeft toegezegd de wettelijke transitievergoeding te zullen voldoen, welke toezegging zij gestand moet doen.

Voorts meent [verzoeker] dat Grafiservices geen beroep op artikel 2 van het Besluit overgangsrecht toekomt, nu deze overgangsbepaling met ingang van 1 juli 2016 is vervallen en niet op grond van artikel 4 van het besluit van toepassing is gebleven omdat de UWV-aanvraag pas op 3 mei 2016 compleet was en in behandeling kon worden genomen, en daarom geacht moet worden niet vóór 1 mei 2016 te zijn ingediend. Voor het geval dit anders zou zijn, meent [verzoeker] dat het beroep van Grafiservices op artikel 4 juncto artikel 2 van het Besluit overgangsrecht, mede gezien het grote verschil tussen (de maximale waarde van) de in het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ getroffen voorzieningen en (de hoogte van) de transitievergoeding, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Ook als artikel 2 van het Besluit overgangsrecht tussen partijen zou gelden, staat het sociaal plan volgens [verzoeker] niet aan zijn recht op transitievergoeding in de weg. Dit sociaal plan is bij de overgang van de onderneming van Roto Smeets Grafiservices B.V. naar Grafiservices in juni 2015 niet mee overgegaan. Omdat [verzoeker] sindsdien niet meer in dienst is van ‘een bedrijf dat onderdeel is van de Roto Smeets Group’ valt hij niet meer onder de werkingssfeer van het sociaal plan.

Aan alle vereisten die artikel 7:673 e.v. BW stelt aan het recht op een transitievergoeding is overigens voldaan, zo stelt [verzoeker] .

3.3.

Grafiservices betwist de vordering en meent dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen. Van een concrete toezegging om aan [verzoeker] een transitievergoeding te voldoen is geen sprake geweest. Weliswaar heeft Grafiservices enige tijd in verwarring verkeerd over de vraag of zij aan [verzoeker] een transitievergoeding verschuldigd was, maar bij brief van 15 juni 2016 heeft zij hem hierover correct geïnformeerd.

Nu de UWV-aanvraag op 25 april 2016 (dus vóór 1 mei 2016) is ingediend, is artikel 2 van het Besluit overgangsrecht van toepassing gebleven. Op grond daarvan is Grafiservices aan [verzoeker] geen transitievergoeding verschuldigd. In plaats daarvan kan hij aanspraak maken op de voorzieningen van het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ van december 2012. Dit sociaal plan is geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomsten die Roto Smeets Grafiservices B.V. met haar werknemers heeft gesloten (verwezen wordt naar artikel 12 van de arbeidsovereenkomst van 6 oktober 2010, gesloten tussen Roto Smeets Grafiservices B.V. en de heer [C] ) en behoort daarom tot de arbeidsvoorwaarden die bij de overgang van onderneming in juni 2015 ingevolge artikel 7:663 BW van rechtswege zijn overgegaan. Ook het bepaalde in artikel 6:253 BW leidt tot dit resultaat. Het sociaal plan is ten behoeve van de werknemers aangegaan en heeft daarom het karakter van een derdenbeding. Omdat de werknemers er een beroep op kunnen doen, zijn het arbeidsvoorwaarden die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien en bij de overgang van onderneming mee over zijn gegaan. Het - niet als CAO aangemelde - sociaal plan vertoont voorts zodanige gelijkenis met een CAO dat het bepaalde in artikel 14a Wet CAO daarop van toepassing is. Ook langs die weg is het sociaal plan dan ook in juni 2015 op de arbeidsovereenkomst tussen Grafiservices en [verzoeker] overgegaan. Het sociaal plan is ten slotte een ‘collectieve overeenkomst’ die Grafiservices op grond van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn 2001/23/EG jegens [verzoeker] dient te handhaven. Uit dit alles volgt dat [verzoeker] geen beroep kan doen op de oorspronkelijke, tot de onderdelen van de Roto Smeets-groep beperkte, werkingssfeer van het sociaal plan. Door de overgang van onderneming is die werkingssfeer niet langer gekoppeld aan de Roto Smeets-groep, maar aan die van de onderneming van Grafiservices. Overigens heeft Grafiservices zich ervoor ingespannen om het door de reorganisatie getroffen personeel te detacheren aan, en in contact te brengen met de bedrijven bij wie zij sinds de reorganisatie haar productie inkoopt, alsook met andere zakelijke relaties, daaronder Roto Smeets Group B.V.

3.4.

Grafiservices verweert zich ook tegen de verzochte verklaring voor recht. Indien zou worden beslist dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding, dan geldt op grond van artikel 2 van het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding dat transitie- en inzetbaarheidskosten in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding, ook zonder dat de werknemer daarmee vooraf schriftelijk heeft ingestemd. De praktijk in de grafimedia-branche is dat, indien recht bestaat op een transitievergoeding, daarop de kosten van het C3-begeleidingstraject in mindering komen. Deze kosten bedragen, afhankelijk van de behoefte van de werknemer aan begeleiding, € 1.500,-- á € 3.500,-- netto.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek is tijdig, binnen drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst van partijen, ingediend.

4.2.

Het geschil van partijen hangt samen met die welke vier gewezen collega’s van [verzoeker] tegen Grafiservices aanhangig hebben gemaakt. De vijf verzoeken zijn op 29 november 2016 gelijktijdig en gezamenlijk mondeling behandeld. Uit hetgeen partijen en hun gemachtigden ter zitting over en weer hebben verklaard, volgt dat hun stellingen geacht moeten worden gelijkelijk in alle vijf zaken naar voren te zijn gebracht, behoudens waar het gaat om specifieke, individuele aangelegenheden. Dit laatste geldt voornamelijk voor het in de zaak van de heer [C] gestelde, nu de feiten en de verdedigde standpunten in die zaak op onderdelen afwijken van die in de andere vier zaken, daaronder die van [verzoeker] .

4.3.

Het beroep dat [verzoeker] heeft gedaan op het bestaan van een toezegging door de algemeen directeur van Grafiservices, die inhoudt dat hij recht heeft op de wettelijke transitievergoeding, faalt. Uit de brief van [A] van 30 mei 2016 kan een dergelijke toezegging niet worden afgeleid, omdat daarin slechts de wens van Grafiservices tot uitdrukking is gebracht om met [verzoeker] ‘(m)et betrekking tot de uitkering van de transitievergoeding (-) nadere afspraken’ te maken. Die afspraken zijn niet tot stand gekomen, omdat Grafiservices zich bij brief van 15 juni 2016 op het standpunt heeft gesteld dat [verzoeker] op grond van het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ van december 2012 recht heeft op een aanvulling op zijn sociale uitkering, op begeleiding door C3 en mogelijk op een opleidingsbudget. [verzoeker] en zijn collega [B] hebben ter zitting gesteld dat [A] op 26 april 2016 mondeling een recht op transitievergoeding heeft toegezegd, maar die uitlating heeft Grafiservices betwist. Volgens haar heeft [A] alleen gezegd dat als er recht bestaat op een transitievergoeding, daarop de kosten van het C3-traject in mindering komen. Omdat bewijslevering op dit punt, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet tot een andere uitkomst van dit geding kan leiden, zal die achterwege blijven.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan de vereisten die de wet in de artikelen 7:673 e.v. BW aan de verschuldigdheid van de transitievergoeding stelt. Zo is onder meer voldaan aan het vereiste dat de arbeidsovereenkomst van partijen ten minste 24 maanden heeft geduurd, nu daarbij de tijd dat [verzoeker] bij Roto Smeets Grafiservices B.V. in dienst is geweest mede in aanmerking moet worden genomen. Dat partijen niettemin twisten over de aanspraak van [verzoeker] op een transitievergoeding hangt samen met het overgangsrecht dat bij de invoering van de Wet werk en zekerheid (WWZ) van kracht is geworden. In artikel XXII lid 7 van het Overgangsrecht WWZ is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van het bepaalde in (onder meer) artikel 7:673 BW, indien de werknemer wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een vergoeding of voorziening, op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en de werknemer of verenigingen van werknemers vóór 1 juli 2015 gemaakte afspraken. De wetgever wenste aldus dubbele betalingen, zowel van de transitievergoeding als van hetgeen waarop de werknemer op grond van lopende afspraken recht heeft, te voorkómen. Met ingang van 1 juli 2015 is het Besluit overgangsrecht transitievergoeding in werking getreden. In dit geding gaat het in het bijzonder om artikel 2 lid 1 van dit besluit, dat - voor zover hier van belang - inhoudt dat de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is aan de werknemer die op grond van tussen de werkgever en verenigingen van werknemers vóór 1 juli 2015 gemaakte afspraken recht heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in artikel XXII lid 7 van het Overgangsrecht WWZ. Dit artikel 2 van het Besluit overgangsrecht is met ingang van 1 juli 2016 vervallen, maar blijft op grond van artikel 4 van het besluit van toepassing, indien de arbeidsovereenkomst eindigt na 30 juni 2016 en ‘het verzoek om toestemming, bedoeld in artikel 671a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (-) is gedaan voor 1 mei 2016.’ De arbeidsovereenkomst van partijen is op 30 september 2016 geëindigd, maar in geschil is of de UWV-aanvraag is gedaan vóór 1 mei 2016. Grafiservices meent van wel, [verzoeker] vindt van niet.

4.5.

De kantonrechter overweegt dat het bepaalde in artikel 4 van het Besluit overgangsrecht in die zin strikt moet worden uitgelegd dat onder het moment waarop het verzoek aan het UWV om toestemming in de zin van artikel 7:671a lid 1 BW is gedaan, moet worden verstaan het moment waarop ‘(d)e werkgever die voornemens is de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 669, lid 3, onderdeel a of b, (-) hiervoor schriftelijk toestemming (verzoekt) aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen’, zoals artikel 7:671a lid 1 BW bepaalt. Een andere eis dan dat het verzoek aan het UWV schriftelijk wordt gedaan, stelt de wet niet. Gelet op het uitzonderingskarakter dat het besluit - als overgangsrecht - heeft, is er geen ruimte voor de door [verzoeker] verdedigde extensieve interpretatie, inhoudende dat de datum waarop het volledige verzoek om toestemming door het UWV is ontvangen (3 mei 2016) als indieningsdatum moet worden aangemerkt. Gezien de strekking van artikel 4 van het Besluit overgangsrecht ziet de kantonrechter geen reden om de regel, vervat in artikel 7:672 lid 5 BW, dat de opzegtermijn wordt verkort met de UWV-proceduretijd, die eerst aanvangt op de datum waarop het volledige verzoek aan het UWV is ontvangen, hier analogisch toe te passen. De ratio van die regel is om alleen die proceduretijd op de opzegtermijn in mindering te brengen die gemoeid is met de effectieve behandeling van de zaak door het UWV. Artikel 4 van het Besluit overgangsrecht heeft blijkens de Nota van toelichting een andere strekking, namelijk om te voorkómen dat bij ontslag van meerdere werknemers bij dezelfde werkgever de ene werknemer wél, en de andere werknemer geen recht heeft op de wettelijke transitievergoeding. Die ratio dwingt in dit geval niet tot de door [verzoeker] verdedigde uitleg, omdat Grafiservices voor de gehele groep van (elf) werknemers van wie de arbeidsplaats verviel tegelijkertijd, vóór 1 mei 2016, een ontslagvergunning heeft gevraagd.

4.6.

De kantonrechter volgt daarom Grafiservices, waar zij op grond van de tekst van artikel 4 van het Besluit overgangsrecht meent dat artikel 2 van het besluit ook op en na 1 juli 2016 tussen partijen van toepassing is gebleven. Hiermee rijst de vraag of zich tussen partijen de situatie voordoet, waarop het bepaalde in artikel 2 van het Besluit overgangsrecht betrekking heeft en die aan het recht van [verzoeker] op een transitievergoeding in de weg staat. In dit kader heeft Grafiservices zich er allereerst op beroepen dat het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ van december 2012 is geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomsten die Roto Smeets Grafiservices B.V. indertijd met haar werknemers heeft gesloten. Grafiservices heeft evenwel geen arbeidsovereenkomst tussen Roto Smeets Grafiservices B.V. en [verzoeker] overgelegd. Zij heeft volstaan met verwijzing naar artikel 12 van de met de heer [C] , een gewezen collega van [verzoeker] , in oktober 2010 tot stand gekomen arbeidsovereenkomst. De heer [D] , een andere ex-collega, heeft ter zitting, mede namens [verzoeker] , betwist dat een dergelijk beding ook in andere arbeidsovereenkomsten was opgenomen. Dit laatste kan in het midden blijven, omdat - ook indien van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] met Roto Smeets Grafiservices B.V. een beding als dat van genoemd artikel 12 deel heeft uitgemaakt - dit Grafiservices niet kan baten. Bedoeld artikel 12 is in de arbeidsovereenkomst van [C] aangeduid als ‘Wijzigingsbeding’ en behelst de bevoegdheid van Roto Smeets Grafiservices B.V. om de in de arbeidsovereenkomst, in het Handboek Arbeidsvoorwaarden Roto Smeets Group B.V. en in eventuele andere geschriften of afspraken voorkomende arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen (zoals bedoeld in het op 4 maart 1998 in werking getreden artikel 7:613 BW). Dat artikel 12 bepaalt voorts: ‘Voor zover redelijkerwijs kan worden verlangd zal werkgever voorafgaand overleg plegen met werknemer. Werkgever zal voor gebruikmaking van dit beding het belang moeten aangeven waarvoor het individuele belang dient te wijken. Zulks is onder meer aan de orde - en de wijziging geschiedt derhalve automatisch - indien deze wijziging voortvloeit uit de op deze overeenkomst van toepassing zijnde CAO-afspraken of uit enig in overleg met vakbondsorganisaties vastgesteld Sociaal Plan, alsmede indien er sprake is van een wijziging van de arbeidsvoorwaardenregeling(en) al dan niet in concernverband vastgesteld na overleg met de ondernemingsraad, conform de Wet op de Ondernemingsraden.’ [verzoeker] heeft een dergelijk beding, zo al overeengekomen, redelijkerwijs niet anders hoeven te begrijpen dan als een eenzijdig wijzigingsbeding, en niet als een incorporatiebeding. Een dergelijke incorporatie is vervat in artikel 1 van de genoemde arbeidsovereenkomst, maar die strekt zich niet uit tot een sociaal plan. Nu niet is gesteld of gebleken dat het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ van december 2012 wijziging bracht in arbeidsvoorwaarden die tevoren reeds deel uitmaakten van de arbeidsovereenkomst met Roto Smeets Grafiservices B.V., faalt het beroep van Grafiservices op een dergelijk beding. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat de CAO Grafimedia vanaf 1 april 2012 geen recht meer gaf op een ontslagvergoeding, zodat uit het sociaal plan van december 2012 geen wijziging in de arbeidsvoorwaarden voortvloeide die de toenmalige werkgever, tegen het individuele werknemersbelang in, met gebruikmaking van de voorbehouden wijzigingsbevoegdheid eenzijdig had door te voeren. Het sociaal plan van december 2012 kan dan ook, anders dan Grafiservices meent, niet geacht worden door incorporatie deel te zijn gaan uitmaken van de rechten en verplichtingen die ten tijde van de overgang van onderneming in juni 2015 voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst tussen Roto Smeets Grafiservices B.V. en [verzoeker] . In zoverre faalt het beroep op artikel 7:663 BW.

4.7.

Ook met toepassing van het bepaalde in artikel 6:253 en 6:254 BW is het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ van december 2012 geen onderdeel van de arbeidsovereenkomst tussen Roto Smeets Grafiservices B.V. en [verzoeker] gaan uitmaken die in juni 2015 van rechtswege op Grafiservices is overgegaan. Niet gesteld of gebleken is immers dat [verzoeker] door aanvaarding, dit is door een verklaring gericht tot een van de partijen bij het sociaal plan, zelf - als derde - partij bij dat sociaal plan is geworden. Ook het beroep op artikel 7:663 BW in verbinding met artikel 6:253 BW kan Grafiservices dus niet baten.

4.8.

Grafiservices heeft zich voorts beroepen op - de analogische toepassing van - artikel 14a Wet CAO. Ook dit beroep wordt verworpen. In dit geding staat vast dat het sociaal plan van december 2012 niet als een CAO is aangemeld en om die reden het karakter van een collectieve arbeidsovereenkomst ontbeert. Daarom is het sociaal plan niet op grond van de doorwerking als bedoeld in de artikelen 9, 12 en 13 Wet CAO onderdeel gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Roto Smeets Grafiservices B.V., ook al waren de vakbond van [verzoeker] en zijn toenmalige werkgever daarbij partij. Door de overgang van onderneming in juni 2015 zijn de bepalingen van het sociaal plan daarom evenmin overgegaan, nu deze niet zijn aan te merken als rechten en verplichtingen die ten tijde van die overgang voortvloeiden uit CAO-bepalingen. Artikel 14a Wet CAO is daarom niet rechtstreeks van toepassing. Voor een analogische toepassing van deze wetsbepaling is geen plaats, omdat dit niet past in het stelsel van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming. De wetgever heeft de doorwerking van in collectief overleg gemaakte afspraken uitdrukkelijk alleen geregeld waar het om CAO’s gaat. Van een CAO is geen sprake, als aanmelding in de zin van artikel 4 Wet op de loonvorming achterwege is gebleven. Voor een sociaal plan dat niet als CAO kwalificeert, is een dergelijke automatische en dwingende doorwerking niet geregeld. Overigens zou analogische toepassing van artikel 14a Wet CAO Grafiservices niet helpen, omdat het tweede lid van dat artikel dan zou hebben meegebracht dat aan de werking van het sociaal plan op 1 november 2015, toen de nieuwe CAO Grafimedia ging gelden, een einde was gekomen.

4.9.

In artikel 3 lid 3 van de Richtlijn 2001/23/EG is bepaald dat na een overgang de verkrijger de in een ‘collectieve overeenkomst’ vastgelegde arbeidsvoorwaarden in dezelfde mate als de vervreemder moet handhaven, zulks ‘tot op het tijdstip waarop de collectieve overeenkomst wordt beëindigd of afloopt, of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast.’ Bij de implementatie van de richtlijn heeft de Nederlandse wetgever het begrip ‘collectieve overeenkomst’ uitgelegd als ‘collectieve arbeidsovereenkomst’ en een speciale regeling ter implementatie van de richtlijn voor sociale plannen die geen CAO zijn achterwege gelaten. Die was ook niet nodig, óók niet als ervan wordt uitgegaan dat onder een ‘collectieve overeenkomst’ in de zin van artikel 3 lid 3 van de richtlijn ook collectieve overeenkomsten die geen CAO zijn moeten worden begrepen. Voor die collectieve overeenkomsten geldt dat de daarin opgenomen rechten en verplichtingen bij een overgang van onderneming ingevolge artikel 7:663 BW mee overgaan, indien de collectieve overeenkomst voorafgaand aan het moment van overgang onderdeel van de individuele arbeidsovereenkomst zijn gaan uitmaken. Dit laatste is, zoals hierboven is overwogen, hier niet het geval.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ van december 2012 voorafgaand aan de overgang van onderneming in juni 2015 niet ingevolge incorporatie, als derdenbeding, op grond van artikel 14a Wet CAO of artikel 3 lid 3 van de EG-Richtlijn deel is gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomst tussen Roto Smeets Grafiservices B.V. en [verzoeker] en - daarom - ook niet ingevolge artikel 7:663 BW van rechtswege mee is overgegaan. Aldus resteert de vraag of artikel 2 van het Besluit overgangsrecht meebrengt dat onder de daar bedoelde collectieve afspraken mede zijn te begrijpen sociale plannen die - zoals hier - niet als een CAO kwalificeren. Voor zover Grafiservices heeft bedoeld dit te betogen, wijst de kantonrechter erop dat de Nota van toelichting bij dat besluit (op pagina 5, onderaan) hierover vermeldt: ‘De transitievergoeding is niet verschuldigd wanneer de werknemer per 1 juli 2015 rechten kan ontlenen aan de hier bedoelde lopende collectieve afspraken. Dat is bij cao-afspraken zowel het geval voor gebonden als voor ongebonden werknemers. Wanneer een sociaal plan is overeengekomen dat geen cao is kunnen alle werknemers die met ontslag worden bedreigd daar aanspraak op maken. Het is kortom niet van belang of een werknemer aan een sociaal plan gebonden is, maar of hij hier rechten aan kan ontlenen.’ Deze passage kan Grafiservices niet baten, omdat de besluitgever daarbij kennelijk het oog heeft gehad op de positie van ongebonden werknemers, dus niet- of anders georganiseerden. Daarvan is in dit geding geen sprake, omdat [verzoeker] lid is van FNV Kiem. De vraag moet ook, meer in het algemeen, ontkennend worden beantwoord, omdat artikel 2 van het Besluit overgangsrecht anders niet zou stroken met artikel XXII lid 7 van het Overgangsrecht WWZ, een regel van hogere orde die de grenzen bepaalt die de besluitgever heeft te respecteren. Dit artikel XXII lid 7 ziet - overigens net als (die toelichting op) artikel 2 lid 1 van het Besluit overgangsrecht - op de situatie dat de werknemer op grond van een (collectieve) afspraak ‘recht heeft op een vergoeding of voorziening.’ Zo’n recht bestaat alleen in het geval het sociaal plan, dat geen CAO is, langs een van de hierboven besproken wegen onderdeel van de individuele arbeidsovereenkomst is gaan uitmaken. Daarvan is, zoals overwogen, in dit geval geen sprake.

4.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat Grafiservices aan [verzoeker] de wettelijke transitievergoeding verschuldigd is. De kantonrechter acht deze uitkomst ook alleszins redelijk en billijk. Sterker: het zou in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid - in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW - onaanvaardbaar zijn dat [verzoeker] vanwege het in december 2012 afgesloten ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ geen aanspraak op een transitievergoeding zou kunnen maken. Hierbij wordt allereerst in aanmerking genomen dat dit sociaal plan geacht moet worden een onderling samenhangend geheel van collectieve afspraken te zijn, waarbij de vakbonden hebben ingestemd met een beperkte ontslagvergoeding in de vorm van een aanvulling op sociale uitkeringen mede omdat de werkgever daartegenover een herplaatsingsverplichting op zich nam die zich tot de omvangrijke Roto Smeets-groep uitstrekte. Na de overgang van onderneming in juni 2015 resteerde nog maar zeer weinig van deze herplaatsingsplicht, die zich toen nog slechts uitstrekte tot de in omvang aanzienlijk beperktere onderneming van Grafiservices. Daaraan kan niet afdoen dat Grafiservices zich ervoor heeft willen inspannen om de af te vloeien werknemers, onder wie [verzoeker] , elders - bij zakelijke relaties - aan het werk te helpen. Ter zitting heeft Grafiservices erkend dat de mogelijkheden daartoe zeer gering waren en dat zij afhankelijk was van de bereidheid van die derden. Het is daarom in bovengenoemde zin onaanvaardbaar dat Grafiservices [verzoeker] aan de - voor hem, vergeleken met het bepaalde in artikel 7:673 e.v. BW, ongunstige - vergoedingsregeling in het sociaal plan wil houden, terwijl zij daartegenover zelf geen inhoud meer kan geven aan de ruime herplaatsingsverplichting die Roto Smeets Group B.V. indertijd op zich heeft genomen.

De kantonrechter neemt tevens in aanmerking dat Grafiservices de voor ontslag voorgedragen werknemers geruime tijd, tot 15 juni 2016, in het ongewisse heeft gelaten over de voor hen in het kader van de reorganisatie getroffen voorzieningen. Ook in de bijlagen bij de UWV-aanvraag is nog melding gemaakt van transitievergoedingen en ontbrak een verwijzing naar de in het ‘Werkgelegenheidsplan Roto Smeets Group’ opgenomen herplaatsingsverplichting. Hierdoor heeft het UWV de kwestie van herplaatsing slechts summierlijk beoordeeld.

Het verweer van Grafiservices stuit dan ook mede af op het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW.

4.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aan [verzoeker] verschuldigde transitievergoeding ingevolge artikel 7:673 BW € 20.970,-- bruto bedraagt. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen. De wettelijke rente hierover is ingevolge artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf 1 november 2016. De vordering tot verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie wordt toegewezen, zoals hierna omschreven.

4.13.

[verzoeker] heeft voorts verzocht om voor recht te verklaren dat op de transitievergoeding geen kosten in mindering mogen worden gebracht. Anders dan Grafiservices meent, staat het bepaalde in artikel 2 van het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding daaraan niet in de weg. Nu [verzoeker] geen gebruik heeft gemaakt van het C3-traject is geen sprake van kosten die Grafiservices heeft ‘gemaakt ten behoeve van de werknemer aan wie de transitievergoeding verschuldigd is.’ Vast staat dat het bij bedoeld traject gaat om een op de individuele behoefte van de betrokken (gewezen) werknemer toegesneden begeleiding en dat de hoogte van de door Grafiservices aan het mobiliteitscentrum verschuldigde vergoeding van de omvang van de begeleiding afhangt. Omdat de CAO Grafimedia de ontslagen werknemer nog gedurende drie maanden na het einde van het dienstverband de gelegenheid biedt om voor het C3-traject in aanmerking te komen, en tussen partijen niet in geschil is dat de gemaakte kosten voor dat traject op een transitievergoeding in mindering komen, wordt de verklaring voor recht gegeven onder de voorwaarde dat [verzoeker] niet alsnog voor begeleiding opteert.

4.14.

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen. Vaststaat dat namens [verzoeker] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, alsook dat die werkzaamheden redelijk waren. Gelet op de samenhang met de andere vier, tegelijk met deze zaak behandelde zaken wordt de vergoeding toegewezen tot € 250,--. De wettelijke rente hierover is niet toewijsbaar, omdat niet is gesteld of gebleken dat [verzoeker] deze kosten al aan zijn gemachtigde heeft betaald.

4.15.

Grafiservices wordt, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Mede gezien de samenhang met de genoemde andere vier zaken, worden deze proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , tot deze beschikking, begroot op € 871,--, bestaande uit € 471,-- aan vastrecht en € 400,-- aan salaris gemachtigde. De wettelijke rente hierover wordt toegewezen, zoals hierna omschreven.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Grafiservices om aan [verzoeker] tegen bewijs van kwijting te betalen een transitievergoeding van € 20.970,-- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2016 tot de voldoening, onder verstrekking aan [verzoeker] van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

5.2.

verklaart voor recht dat op deze transitievergoeding geen kosten in mindering mogen worden gebracht, indien [verzoeker] geen gebruik maakt van begeleiding door een mobiliteitscentrum waarvan de kosten voor rekening van Grafiservices komen;

5.3.

veroordeelt Grafiservices om aan [verzoeker] tegen bewijs van kwijting te betalen € 250,-- aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

5.4.

veroordeelt Grafiservices tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , tot deze beschikking begroot op € 871,--, waarin begrepen € 400,-- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking, bij gebreke waarvan het bedrag van proceskosten wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de voldoening;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte of gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.