Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6886

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6058
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na onrechtmatig ASP

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/6058

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2016 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Zevenboom),

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: drs. M.M. van Dongen).

Procesverloop

Verzoeker heeft bij brief van 19 augustus 2015 verweerder verzocht om vergoeding van schade.

Verzoeker heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek aangehouden en verzoeker in de gelegenheid gesteld een nadere onderbouwing te geven van de gestelde schade. Verzoeker heeft stukken overgelegd. Verweerder heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft vervolgens partijen toestemming gevraagd om uitspraak te doen zonder nader onderzoek ter zitting. Nadat partijen de gevraagde toestemming hebben verleend, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het verzoek om schadevergoeding heeft betrekking op gestelde schade veroorzaakt door het besluit van verweerder van 1 juli 2013. Bij dit besluit heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker, categorie B, ongeldig verklaard en hem een alcoholslotprogramma (asp) opgelegd. Het bezwaar dat verzoeker tegen dit besluit heeft gemaakt is op 4 november 2013 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld. Verweerder heeft het besluit van 1 juli 2013 herroepen als gevolg van een wijziging in de rechtspraak. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:622). Het asp, waar verzoeker aan heeft deelgenomen, is beëindigd en verzoeker is er door verweerder op gewezen dat hij in aanmerking kan komen voor een vergoeding van de door hem gemaakte kosten.

2. Verzoeker heeft zijn beroep bij de rechtbank ingetrokken met een verzoek om vergoeding van de proceskosten. Deze rechtbank heeft verweerder bij uitspraak van 29 juni 2015 (UTR 13/6524) veroordeeld in de proceskosten ter hoogte van € 980,- en bepaald dat het griffierecht moest worden vergoed. Verzoeker heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.

3. Verweerder heeft naar aanleiding van de brief van verzoeker van 19 augustus 2015 aan verweerder een deel van de door verzoeker geleden schade vergoed. Verzoeker stelt echter meer schade te hebben geleden en heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de volgende schadeposten:
- € 835,- advocatenkosten voor de bezwaar/beroepsprocedure tegen het opleggen van het asp;

- € 863,- advocatenkosten voor de verzoekschriftprocedure;
- € 1.667,48 verletkosten;
- € 799,02 reiskosten;
- € 1.500,- immateriële schade.

4. Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Dat het opleggen van een asp aan verzoeker onrechtmatig is geweest, staat tussen partijen niet ter discussie. De rechtbank zal beoordelen of verzoeker recht heeft op vergoeding van de door hem gestelde geleden schade. Bij de beoordeling van het schadeverzoek zoekt de rechtbank aansluiting bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht.

5. Verzoeker heeft gesteld dat hij weliswaar bij uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2015 een forfaitair bedrag aan proceskosten heeft ontvangen, maar dat hij aanspraak kan maken op de werkelijke kosten die hij aan zijn advocaat heeft betaald. Het besluit tot het opleggen van een asp heeft onevenredige gevolgen voor hem gehad. Het is een ‘criminal charge’ geweest en artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 is onverbindend verklaard. Ook de politiek heeft ingezien dat een asp als maatregel niet kan, zo stelt verzoeker. Dit inzicht is niet plotseling ontstaan, maar deze gedachte is gegroeid. In die fase van bewustwording is aan verzoeker toch een asp opgelegd en hij heeft daar grote nadelige gevolgen van ondervonden. Dit maakt zijn situatie bijzonder. Het verschil tussen de werkelijke kosten en het door de rechtbank in de eerdere procedure al toegekende bedrag aan proceskosten is € 835,- en dat bedrag wil verzoeker nu van verweerder terugbetaald zien.

6. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een exclusieve regeling is, met een limitatief en forfaitair karakter. Er bestaat geen ruimte om in een verzoekschriftprocedure een aanvullende vergoeding voor proceskosten te verkrijgen buiten het Bpb om. Verzoeker had zijn aanspraak op een hogere proceskostenvergoeding bovendien in hoger beroep in de eerder procedure aan de orde moeten te stellen.

7.
De rechtbank stelt vast dat verweerder bij uitspraak van deze rechtbank van 29 juni 2015 is veroordeeld in de proceskosten van verzoeker ter hoogte van € 980,-. Dit bedrag is forfaitair vastgesteld aan de hand van het Bpb. Zoals ook blijkt uit artikel 8:75 van de Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd om een proceskostenvergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in een bestuursrechtelijke procedure uit te spreken. Volgens rechtspraak kunnen de proceskosten niet worden gevorderd in een verzoekschriftprocedure. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3518).

8. Verzoeker kon – anders dan verweerder aanneemt - geen hoger beroep instellen tegen de uitspraak van de rechtbank over de hoogte van de proceskosten, maar hij kon daarvan wel in verzet gaan, zo blijkt uit de rechtsmiddelenclausule onder die uitspraak. Dit heeft verzoeker niet gedaan en hij heeft de aanvullende proceskosten pas in deze verzoekschriftprocedure naar voren gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de door verzoeker nu gekozen route, waarbij hij opnieuw de proceskosten voor een afgeronde bestuursrechtelijke procedure vordert, nadrukkelijk niet past in het stelsel dat de wetgever heeft gekozen voor vergoeding van de proceskosten van een bestuursrechtelijke procedure. Verzoeker had zijn aanspraak op vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten in de vorige procedure naar voren moeten brengen, hetzij bij zijn initiële verzoek, hetzij in verzet tegen de uitspraak. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van deze kosten dan ook af.

9.
Verzoeker heeft vervolgens ook advocatenkosten gemaakt voor deze verzoekschriftprocedure. Hij heeft zich bij het opstellen van de brief aan verweerder door zijn gemachtigde laten bijstaan. Verzoeker heeft de gemaakte advocatenkosten met facturen onderbouwd. Hij is een bedrag van € 363,- schuldig aan de gemachtigde voor het opstellen van de brief aan verweerder met daarin een specificatie van de door hem geleden schade. Voor de juridische bijstand in de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank heeft verzoeker een factuur overgelegd van € 500,-.

10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Weliswaar heeft verweerder naar aanleiding van de brief van de gemachtigde een deel van de gestelde schade vergoed, maar verzoeker hoefde geen gebruik te maken van een gemachtigde om deze schade vergoed te zien. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat veel mensen in dezelfde situatie als verzoeker zich niet laten bijstaan door een advocaat. Verweerder ziet evenmin aanleiding voor vergoeding van het bedrag van € 500,- aan advocatenkosten voor de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank.

11. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt voor het bepalen van (de hoogte van) de eventueel toe te kennen schadevergoeding wegens verleende deskundige en gerechtelijke bijstand is dat deze kosten op grond van de “dubbele redelijkheidstoets” gerechtvaardigd zijn gemaakt. De dubbele redelijkheidstoets houdt in dat de kosten met het oog op de vaststelling van de aan verzoeker te vergoeden schadevergoeding in redelijkheid zijn gemaakt en verder dat de omvang van die kosten binnen redelijke grenzen is gebleven.
Verzoeker heeft bij het opstellen van de brief aan verweerder een advocaat als deskundige op het gebied van schadevergoeding ingeschakeld. Het staat verzoeker vrij om in zo’n geval een advocaat als deskundige op het gebied van schadevergoeding in te schakelen. Dat anderen zich in het contact met verweerder niet laten bijstaan door een advocaat, maakt niet dat het onredelijk is dat verzoeker dit wel heeft gedaan. Verzoeker heeft in redelijkheid een advocaat kunnen inschakelen. Bovendien heeft deze advocaat ook succes gehad en heeft verzoeker een deel van de gestelde schade inmiddels vergoed heeft gekregen. De omvang van de kosten voor het opstellen van de brief aan verweerder is naar het oordeel van de rechtbank ook binnen de perken gebleven. De rechtbank ziet aanleiding voor een vergoeding van de gemaakt kosten ter hoogte van € 363,-. Over de gemaakte advocatenkosten van € 500,- voor de hier aan de orde zijnde verzoekschriftenprocedure, zal de rechtbank zich – zoals gebruikelijk in bestuursrechtelijke uitspraken - aan het slot van deze uitspraak uitlaten, omdat de vergoeding van deze kosten ook afhankelijk is van de uitkomst van deze procedure.

12. Verzoeker heeft om vergoeding van verletkosten verzocht, omdat hij vrije dagen heeft moeten opnemen voor het uitlezen van het alcoholslot en voor het volgen van een verplichte motivatiecursus. Verzoeker heeft een arbeidsovereenkomst met de gemeente Amsterdam voor 36 uur per week. De werktijden zijn van maandag tot en met vrijdag van 8.30 uur tot 17 uur. De kostprijs van een uurloon bedraagt € 20,09. Verzoeker maakt aanspraak op in totaal 83 uren verlof maal € 20,09 is € 1.667,48 aan geleden schade.

13. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker de verletkosten niet op objectieve en verifieerbare wijze heeft aangetoond met verlofbriefjes en dergelijke. In het verweerschrift heeft verweerder daaraan toegevoegd dat verzoeker in de periode waarin hij deelnam aan het asp ook ziek is geweest en er opname in een kliniek heeft plaatsgevonden. Ook valt één van de cursusdagen en één uitleesmoment in de zomer en is goed denkbaar dat verzoeker geen extra verlof heeft hoeven opnemen vanwege de zomervakantie. De motivatiecursus vergde overigens ook geen hele verlofdag, maar vond op een middag plaats. Verzoeker heeft een arbeidsovereenkomst uit 2006 overgelegd, maar het is niet gezegd dat hij in het jaar 2013/2014 nog voor dezelfde omvang in dienst was bij zijn werkgever. Verzoeker heeft de schade al met al onvoldoende onderbouwd.

14. De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet met documenten heeft onderbouwd dat hij 83 uren verlof heeft moeten opnemen bij zijn werkgever en daardoor dus schade heeft geleden. Verzoeker heeft gesteld dat hij geen urenbriefjes of ander bewijs kan overleggen vanwege een gewijzigd verlofsysteem op zijn werk. Hij heeft de verlofuren achterhaald aan de hand van zijn agenda. Dit is echter naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende specificatie van de opgenomen uren. Verzoeker heeft verder ook niet weersproken dat hij tijdens de duur van het asp enige tijd ziek is geweest en niet heeft gewerkt. Dat verzoeker ook in die ziekteperiode verlofuren heeft moeten opnemen, is niet onderbouwd. . Verzoeker heeft feitelijk niet meer gezegd dan dat het evident is dat hij vrije uren heeft moeten opnemen. Dit ligt voor de hand, maar het is aan verzoeker om de precieze omvang daarvan aannemelijk te maken en de geleden schade zo te specificeren dat verweerder dit kan vergoeden. Omdat hij dat heeft nagelaten, wijst de rechtbank het gevraagde bedrag aan verletkosten af.

15. Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van de reiskosten. Hij heeft deze kosten berekend op € 0,46 per kilometer en maakt aanspraak op een totaalbedrag aan te vergoeden reiskosten van € 799,02. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding van € 0,19 per kilometer gangbaar is en heeft daarbij verwezen naar de reiskosten die een werkgever volgens de regels van de Belastingdienst belastingvrij mag toekennen voor woon-werkverkeer en dienstreizen. Verweerder heeft bij dat bedrag aangesloten en heeft de reiskosten begroot op € 242,82.

16.
Naar aanleiding van de zitting heeft verzoeker nadere informatie overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn auto duurder in gebruik is en een vergoeding van € 0,19 per kilometer te laag is. Hij maakt aanspraak op € 0,46 per kilometer. Verweerder heeft bij brief van 7 april 2016 meegedeeld dat hij in de gegeven onderbouwing aanleiding ziet om de gevraagde reiskostenvergoeding van € 799,02 alsnog te vergoeden. Aan verzoeker zal het verschil tussen het al toegekende bedrag van € 242,82 en € 799,02 worden uitgekeerd door verweerder.

17. De rechtbank stelt vast dat verweerder tegemoet is gekomen aan het verzoek zoals dat aan de rechtbank is voorgelegd. Zowel in de brief aan verweerder, als in het schadevergoedingsverzoek aan de rechtbank als ter zitting heeft verzoeker gesteld dat hij aanspraak maakt op € 0,46 per kilometer. Nu verweerder alsnog € 0,46 per kilometer vergoedt is dit geen onderdeel meer van het verzoek aan de rechtbank. Pas in de aanvulling na de zitting stelt verzoeker dat hij recht heeft op € 0,48 per kilometer. Voor zover geen sprake is van een verschrijving, oordeelt de rechtbank dat uitgangspunt is dat wat verzoeker zelf heeft gesteld. Dit was tot nu toe € 0,46 per kilometer. De rechtbank ziet geen aanleiding om verzoeker € 0,02 per gemaakte kilometer extra toe te kennen.

18. Verzoeker heeft tot slot verzocht om € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding. Hij heeft toegelicht dat hij in de periode dat er een alcoholslot in zijn auto was ingebouwd, voor zijn werk mensen heeft moeten vervoeren en dat deze mensen ermee werden geconfronteerd dat verzoeker tot een alcoholslot was veroordeeld. Dit werkte stigmatiserend voor verzoeker en zijn goede naam is er door aangetast. Ter zitting heeft verzoeker hieraan toegevoegd dat hij zich schaamde voor het alcoholslot.

19. Voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt, volgens vaste jurisprudentie, zie onder meer de uitspraak van de ABRvS van 13 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR1393) aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover nu van belang, heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Het is aan degene die schadevergoeding vraagt om te stellen en aannemelijk te maken dat hij immateriële schade heeft geleden doordat hij door het onrechtmatig handelen of nalaten van verweerder als aansprakelijke partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

20. Verzoeker heeft de aard en de ernst van de door hem gestelde immateriële schade niet geobjectiveerd. Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat het onplezierig is geweest voor verzoeker om andere mensen te moeten vervoeren in een auto met een alcoholslot, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn eer of goede naam dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Dat verzoeker zich schaamde voor het alcoholslot is ook onvoldoende om aan te nemen dat aan de bijzondere eisen van artikel 6:106, eerst lid, aanhef en onder b, van het BW is voldaan. Niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een als aantasting van de persoon aan te merken geestelijk leed. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade moet dan ook worden afgewezen.

21. De rechtbank wijst het schadevergoedingsverzoek toe en kent verzoeker ten laste van verweerder een schadevergoeding toe van € 363,- (advocatenkosten). Voor zover het verzoek betrekking heeft op de advocatenkosten in de voorgaande periode, de verletkosten, de reiskosten boven € 0,46 per kilometer en de immateriële schadevergoeding wijst de rechtbank het af.

22. Omdat de rechtbank het verzoek toewijst, bepaalt zij dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Verzoeker heeft verzocht om € 500,- proceskosten voor deze verzoekschriftprocedure. Dit zijn echter proceskosten die verdisconteerd zijn in het aan hem hiervoor toegekende forfaitaire bedrag van € 992,-.

24. Bij de toekenning van de proceskosten heeft de rechtbank, zoals gezegd, het Bpb toegepast. Daarbij heeft zij echter niet nog een halve punt proceskosten toegekend voor de aanvullende reactie die verzoeker na de zitting nog heeft ingebracht. De reden hiervoor is dat het gaat om het aanleveren van aanvullende bewijsstukken over de geleden schade die verzoeker al eerder ter onderbouwing van zijn verzoekschrift had kunnen indienen. Het is niet redelijk als verweerder de kosten moet dragen voor het feit dat verzoeker zelf niet eerder met deze onderbouwing is gekomen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoeker van € 363,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2015 (vervaldatum factuur Zevenboom)

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.