Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6839

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
16/705326-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feit 1: de rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het dossier, niet vast is komen te staan dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de aangetroffen hennepplantages.

Feit 2: De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging ten aanzien van dit feit. Het verrichten van bepaalde handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt (artikel 11a Opiumwet) was op moment van het begaan van het feit nog niet strafbaar, omdat de wet die dit verbiedt nog niet in werking was getreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705326-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 21 december 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1973] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en diens raadsvrouw mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Utrecht naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 1 april 2014 tot en met 3 juni 2014 in Houten, al dan niet samen met anderen, een grote hoeveelheid hennepplanten in een woning en in een kas heeft geteeld.

Feit 2: in de periode van 26 september 2014 tot en met 4 oktober 2014 in Culemborg, al dan niet samen met anderen, goederen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat deze bedoeld waren om strafbare feiten mee te plegen, namelijk het opzetten van een hennepkwekerij.

3 VOORVRAGEN

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, ten aanzien van feit 2 op de tenlastelegging, aangevoerd dat dit feit ten tijde van het begaan daarvan nog niet strafbaar was. Onder verwijzing naar artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, heeft de raadsvrouw verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vervolging ten aanzien van feit 2.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd op het moment van het plegen daarvan niet strafbaar was. Het feit an sich kan wel wettig en overtuigend bewezen worden. Omdat het feit ten tijde van het plegen daarvan niet strafbaar was, dient dit tot gevolg te hebben dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de officier van justitie.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd, zijn grondslag vindt in artikel 11a van de Opiumwet. In dit artikel is -kort gezegd- het verrichten van bepaalde handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt strafbaar gesteld. Deze wet is op 1 maart 2015 in werking getreden. De pleegperiode van het aan verdachte ten laste gelegde feit loopt van 26 september 2014 tot en met 4 oktober 2014. Op dat moment was artikel 11a van de Opiumwet nog niet van kracht. Op het vermeende moment van begaan van het feit, was dit feit dus nog niet strafbaar. Zodoende bestaat er geen wettelijke grondslag om verdachte te vervolgen voor het aan hem onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging ten aanzien van dit feit.

Verder stelt de rechtbank vast dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van het onder feit 1 ten laste gelegde, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het aan verdachte ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft de raadsvrouw -onder meer- het volgende aangevoerd:

Geen van de verdachten die in de hennepkwekerijen aan de [adres] in [woonplaats] zijn aangetroffen hebben iets verklaard dat wijst op enige betrokkenheid van verdachte bij deze hennepkwekerijen. De eigenaar van [adres] (medeverdachte [medeverdachte 1] ) wijst tijdens zijn nadere verhoor bij de politie naar verdachte. Deze verklaring is echter door de politie gevoed. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zelf ook aangegeven dat hij het verhoor van de politie als onprettig heeft ervaren. Hij voelde zich in een richting geduwd. Dat verdachte de persoon (de heer [A] ) kende die de kas aan de [adres] huurde is geen geheim. De heer [A] stond immers bij verdachte op de camping.

Verdachte ontkent enige betrokkenheid. Over het geld dat op zijn bankrekening staat heeft verdachte een verklaring afgelegd. Op dit punt heeft de politie opgemerkt dat de bankrekeningen van verdachte geen grote tegoeden vertonen. Het financieel onderzoek levert geen aanknopingspunten op voor de verdenking dat verdachte zich bezig zou houden met de handel in hennep.

Ook heeft verdachte een verklaring afgelegd over zijn aanwezigheid op de [adres] begin 2014. Hij hielp bij het opknappen van de woning die verhuurd zou worden aan medeverdachte [medeverdachte 2] en hij had daar kersenbomen staan. Het is derhalve ook niet vreemd dat zijn telefoon contact heeft gemaakt met een zendmast in de buurt van de [straat] in [woonplaats] . Ook verklaart dit waarom het zwarte busje van verdachte bij het adres is gezien. In dit verband is tevens relevant dat getuige [getuige] in de pleegperiode werkzaamheden verrichtte op het perceel aan de [adres] . Getuige [getuige] rijdt ook in een zwart bus.

Concluderend komt de raadsvrouw tot het oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is en verdachte vrij dient te worden gesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het dossier, niet vast is komen te staan dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de aangetroffen hennepplantages op het adres [adres] in [woonplaats] . Nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zal de rechtbank verdachte van het aan hem ten laste gelegde vrijspreken.

5 BESLISSING

De rechtbank:

Voorvragen

- Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging ten aanzien van feit 2.

Vrijspraak

- Spreekt verdachte vrij van het aan hem onder feit 1 ten laste gelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.P.M. Schwillens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 december 2016.

Mr. J.P.M. Schwillens is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2014 tot en met 03 juni 2014 te

[woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld

en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad (in een kas behorende bij een pand aan de [adres] ) een

hoeveelheid van (in totaal) 15.456 hennepplanten en/of (in een woning aan de

[adres] ), een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 108 hennepplanten,

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 september 2014 tot en met 04 oktober

2014 te [woonplaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(in/bij een pand aan de [adres] )

stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens,te weten:

- 31, althans één of meer, armaturen en/of

- 36, althans één of meer, assimilatielampen en/of

- 1 schakelbord en/of

- 1 tijdschakelaar en/of

- 26, althans één of meer, transformatoren en/of

- 10, althans één of meer, afzuigslangen en/of koppelstukken en/of

- 1 koolstoffilter en/of

- 1 slakkenhuis en/of

- 1 opticilmates en/of

- 1 water-, beluchting- en dompelpomp en/of

- ( een) verbroken verzegeling(en) van de meterkast en/of

- met folie afgeplakte ramen van het pand,

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel

11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk telen en/of

bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel

3a,

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of

telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of

vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet,

heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of te koop aangeboden en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd

en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had

te vermoeden dat dat/die stof(fen) en/of voorwerp(en) en/of gegeven(s) bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

art 11a lid 1 Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

art 2 ahf/ond C Opiumwet