Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6836

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
02-01-2017
Zaaknummer
16/706705-14 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vijf mannen die in maart van dit jaar veroordeeld zijn voor hun betrokkenheid bij hennepteelt moeten in totaal €1,24 miljoen terugbetalen aan de Staat, zo oordeelt de rechtbank Midden-Nederland. De hennepteelt vond plaats in zes kwekerijen in onder andere Hilversum en Veenendaal en liep door tot februari 2015.

De 47-jarige man uit Utrecht die leiding gaf aan de criminele organisatie moet het grootste deel van het bedrag terugbetalen aan de Staat. De rechtbank bepaalt op basis van het dossier dat de man met de strafbare feiten een winst van €1.085.761,37 heeft gemaakt. Daarbij is onder andere gekeken naar het aantal oogsten, de opbrengsten en de kosten van de hennepkwekerijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/706705-14 (ontneming)

vonnis van de rechtbank d.d. 25 oktober 2016

in de ontnemingszaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [1969] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

raadsvrouw mr. M.C. van Megen, advocaat te Amsterdam.

1 De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering ten bedrage van € 3.300,00 die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

  • -

    het strafdossier onder parketnummer 16/706705-14;

  • -

    het veroordelend vonnis van 10 maart 2016 waaruit blijkt dat veroordeelde door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank is veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf ter zake van:

feit 1:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11 derde lid en artikel 11 vijfde lid van de Opiumwet;

feit 2 subsidiair:

medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in

artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

  • -

    het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 21 juli 2015;

  • -

    de conclusie van eis van het openbaar ministerie van 19 april 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord van de raadsman mr. J.M. Keizer van 2 juni 2016;

  • -

    de conclusie van repliek van het openbaar ministerie van 30 juni 2016;

  • -

    de conclusie van dupliek van de raadsman mr. J.M. Keizer van 27 juli 2016;

  • -

    de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting en de overige stukken in het dossier.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016. De officieren van justitie en de raadsvrouw zijn daarbij aanwezig geweest.

De veroordeelde is op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen en is eveneens aanwezig geweest op de terechtzitting van 13 september 2016.

2 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting primair gepersisteerd bij de inhoud van de vordering van 11 augustus 2015 en de inhoud van de conclusies van eis en repliek. De vordering strekt tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 3.300,00. In de berekening van de officier van justitie wordt uitgegaan van een periode van 33 weken waarin [veroordeelde] werkzaamheden heeft verricht voor de criminele organisatie. Hij ontving daarvoor € 20,00 per dag. Dit komt neer op een inkomen van € 100,00 per week gedurende 33 weken, is

€ 3.300,00. Subsidiair heeft de officier van justitie ter zitting gesteld dat het voordeel kan worden bepaald op € 2.760,00.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden bepaald op € 256,66.

De verdediging heeft betwist dat [veroordeelde] gedurende een periode van 33 weken vijf dagen per week heeft gewerkt tegen betaling van € 20,00 per dag. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de verdediging aangevoerd dat uit de (door [veroordeelde] zelf bijgehouden) administratie volgt dat hij in de periode van 29 mei 2014 tot en met 16 juni 2014 tweemaal een bedrag van € 10,00 heeft ontvangen. Dit komt neer op een bedrag van € 20,00 per achttien dagen. Uitgaand van 33 weken (zijnde 231 dagen) en een betaling van € 20,00 per achttien dagen dient het wederrechtelijk verkregen voordeel te worden bepaald op € 256,66.

Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden bepaald op € 260,00. Daartoe is aangevoerd dat [veroordeelde] in juni 2014 negen keer heeft geslapen in de hennepkwekerij Veenendaal I ter bescherming van de oogst en dat hij één dag heeft gewerkt in Veenendaal. Verder is [veroordeelde] op 6, 7 en 11 december 2014 gezien op camerabeelden (de rechtbank begrijpt: camerabeelden die zijn gemaakt bij hennepkwekerij Hilversum II). Dit komt neer op een wederrechtelijk verkregen voordeel van 13 werkdagen à € 20,00 is € 260,00.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Het uitgangspunt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel vormt het onder 1 genoemde vonnis van deze rechtbank van 10 maart 2016.

Uit dit vonnis volgt dat [veroordeelde] (verder: veroordeelde) is veroordeeld voor (kortweg) deelname aan een criminele organisatie in de periode van 1 april 2012 tot en met 17 februari 2015 en medeplichtigheid aan het telen en aanwezig hebben van hennep in de hennepkwekerijen Veenendaal I en Hilversum II in de periode van 1 april 2014 tot en met

3 februari 2015. Deze medeplichtigheid bestond er (in elk geval) in dat veroordeelde meerdere keren heeft geslapen in hennepkwekerijen in Veenendaal in juni 2014 en in Hilversum in december 2014 om de oogst te bewaken.

Werkzaamheden

Veroordeelde heeft op een A4’tje1 onderstaande aantekeningen gemaakt:2

[naam] Do – 29-5 20 euro benzine

Di – 3-6 30 euro: 10 euro beltegoed = 20 euro zakgeld

Woe – 4-6 20 euro auto overschrijven

Do – 5-6 70 euro hondenvoer (was 53, 17 overgehouden)

Za – 7-6 20 euro van [naam] / gevraagd aan [naam] zakgeld

Di – 10-6 10 euro van [naam] daggeld 1700 uur (…)

Ma – 16-6 40 euro eigen geld (20 euro benzine veen)

Woensdag 11-6: 20 euro van [naam] gehad, (daggeld) niet gevraagd: zelf gegeven

[naam] Vrijdag 30-5 30 euro benzine

Maandag 2-6 30 euro benzine

Woensdag 4-6 30 euro benzine

Vrijdag 6-6 70 euro benzine

Dinsdag 10-6 10 euro van [naam] voor benzine (daggeld) (…)

Woensdag 11-6 50 euro van [naam] voor benzine

Maandag 16-6 gewerkt in veen

Geslapen veen van do 29-5 tot vrijdag 6-6 brand

= 9 x geslapen

Woensdag 11-6 van 20:30 uur tot donderdag 12-6-08:00 uur gewerkt in veen

11-6 van 09:00 uur tot 15:00 uur gewerkt in Hil = 6 uur = 11,5 uur.

Deze data betreffen, gelet op de combinatie met de dagen in de week, steeds data in 2014.

[A] heeft verklaard dat [veroordeelde] betalingen ontving voor het (enkele weken voorafgaand aan de oogst) in een kwekerij slapen ter bewaking van de oogst.3

In een afgeluisterd telefoongesprek van 24 februari 2015 heeft veroordeelde in antwoord op de vraag “werk je niet meer ofzo?” gezegd: “Ja tuurlijk niet, het is toch allemaal weg. Ze hebben 8 man gepakt. Huiszoekingen gedaan, boten in beslag, auto’s in beslag, huiszoeking, witwassen, weedplantages in Veenendaal, Hilversum, Bilthoven, m’n zwager zit vast, m’n neef zit vast”.4

Uit deze aantekeningen en het telefoongesprek volgt dat veroordeelde niet alleen in hennepkwekerijen heeft geslapen om de oogst te bewaken, maar ook dat veroordeelde andere werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de criminele organisatie (“gewerkt in veen” en “gewerkt in Hil”). Uit overige informatie in het dossier kan worden afgeleid dat deze werkzaamheden bestonden uit opruimwerkzaamheden5 (veroordeelde was betrokken bij het verwijderen van hout, ventilatiebuizen en ventilatieslangen uit het pand aan de [adres] in [woonplaats] , ten aanzien van welk pand aannemelijk is dat er een hennepkwekerij heeft gezeten)6 en hand- en spandiensten zoals het overschrijven van een auto. Veroordeelde werd, blijkens zijn eigen aantekeningen, voor deze werkzaamheden betaald.

Oogsten Veenendaal I

Op 15 december 2014 is in een bedrijfspand aan de [adres] in [woonplaats] een hennepkwekerij aangetroffen7 met kweekruimten (ruimten A, B, C en D in unit IV) met (in totaal) 1140 hennepplanten van zes weken oud en een kweekruimte (ruimte E in unit IV) met 1048 hennepplanten van vijf weken oud.8

De periode van 29 mei 2014 (de eerste datum die voorkomt in de hierboven weergegeven aantekeningen) tot en met 15 december 2014 omvat 29 weken. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kweekcyclus van hennepplanten een periode van tien weken bedraagt. Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat in hennepkwekerij Veenendaal I twee oogsten hebben plaatsgevonden.

Oogsten Hilversum II

Op 3 februari 2015 is in een bedrijfspand aan de [adres] in [woonplaats]9 een hennepkwekerij aangetroffen met een kweekruimte met 1204 hennepplanten. Deze hennepplanten waren op dat moment acht weken oud.10 Het pand aan de [adres] in [woonplaats] werd sinds 1 juni 2014 gehuurd.11 Voor het opbouwen van een hennepkwekerij wordt rekening gehouden met een opbouwperiode van acht weken.12

De periode van 1 augustus 2014 (de rechtbank begrijpt: het moment waarop na de opbouwperiode kon worden begonnen met de hennepteelt) tot 3 februari 2015 omvat 18 weken.13

Het is een feit van algemene bekendheid dat de kweekcyclus van hennepplanten een periode van tien weken bedraagt.

Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat in hennepkwekerij Hilversum II één (1) oogst heeft plaatsgevonden.14

Totaal aantal oogsten

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er (in totaal) drie keer is geoogst in de periode dat veroordeelde betrokken was bij de hennepkwekerijen Veenendaal I en Hilversum II door in die hennepkwekerijen te slapen en overige werkzaamheden te verrichten.

Uitgangspunten

De rechtbank stelt vast dat de periode waarin veroordeelde (in elk geval) voor de criminele organisatie heeft gewerkt 33 weken omvat, te weten van: 29 mei 2014 (zijnde de eerste datum waarvan door veroordeelde in zijn aantekeningen melding is gemaakt) tot en met 17 februari 2015 (zijnde de einddatum van de bewezenverklaarde periode van feit 1).

Op grond van het voorgaande (in het bijzonder de door veroordeelde bijgehouden administratie) acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde telkens gedurende negen nachten heeft geslapen in een hennepkwekerij waarin oogstrijpe hennepplanten stonden.

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van

27 (negen nachten x drie oogsten) overnachtingen in hennepkwekerijen.

De rechtbank acht het aannemelijk dat veroordeelde hiervoor een bedrag van € 20,00 per overnachting ontving.

De rechtbank schat het bedrag dat veroordeelde heeft verdiend door te overnachten in hennepkwekerijen dan ook op 27 overnachtingen x € 20,00 is € 540,00.

Uit de hiervoor aangehaalde aantekeningen volgt voorts dat veroordeelde € 20,00 heeft ontvangen voor het overschrijven van een auto. Het is daarom aannemelijk dat veroordeelde ook voor de andere werkzaamheden (opruimwerkzaamheden, hand – en spandiensten) werd betaald. De rechtbank schat het bedrag dat veroordeelde heeft verdiend met het verrichten van deze werkzaamheden op € 460,00.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op een bedrag van € 1.000,00.

Betalingsverplichting

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van omstandigheden gebleken die aanleiding zijn om het door veroordeelde te betalen bedrag op de voet van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank aan veroordeelde de verplichting opleggen om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.000,00 aan de Staat te voldoen.

3 De beslissing.

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

€ 1.000,00;

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. J.M. Eelkema en

mr. J.W. Frieling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2016.

De griffier is buiten staat om dit vonnis mee te ondertekenen.

1 Het schriftelijke bescheid, te weten: een kopie van een handgeschreven briefje, pagina 6057, dossier Algemene Bevindingen.

2 De verklaring van [veroordeelde] van 26 februari 2015, pagina 5299.

3 De verklaring van [A] van 8 mei 2015, pagina 5251, persoonsdossier [A] .

4 Proces-verbaal van bevindingen van 25 februari 2015, pagina 6050.

5 Het proces-verbaal van relaas van 9 juli 2015, pagina 1295, zaaksdossier Utrecht.

6 De processen-verbaal van bevindingen van 26, 27 en 28 november 2014 en 3 december 2014, pagina 1339 tot en met 1369, zaaksdossier Utrecht.

7 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 16 februari 2015, pagina 1095, zaaksdossier Veenendaal I.

8 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 16 februari 2015, pagina 1096, zaaksdossier Veenendaal I en het proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2014, pagina 1106, zaaksdossier Veenendaal I.

9 Proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 9 februari 2015, pagina 591, zaaksdossier Hilversum II.

10 Proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 9 februari 2015, pagina 592, zaaksdossier Hilversum II.

11 FIN/RAPP/004, pagina 486.

12 FIN/RAPP/004, pagina 489.

13 FIN/RAPP/004, pagina 489.

14 FIN/RAPP/0004, pagina 489.