Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6783

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
C/16/347915 / HA ZA 13-520
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding gerechtvaardigd? Tweede tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/347915 / HA ZA 13-520

Vonnis van 28 december 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CENTRIC NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Gouda,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S. Sanders te Utrecht,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMERSFOORT,

zetelend te Amersfoort,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.R. Quint te Zwolle.

Partijen zullen hierna Centric en Amersfoort genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 mei 2016

  • -

    de akte na tussenvonnis van Centric van 1 juni 2016

  • -

    de akte n.a.v. tussenvonnis van Amersfoort van 1 juni 2016

  • -

    de antwoordakte van Centric van 29 juni 2016 (in reactie op de akte van Amersfoort van 1 juni 2016)

  • -

    de antwoordakte na akte tussenvonnis van Amersfoort van 29 juni 2016 (in reactie op de akte van Centric van 1 juni 2016)

  • -

    de akte uitlating producties van Centric van 27 juli 2016 (in reactie op de antwoordakte van Amersfoort van 29 juni 2016)

  • -

    de akte uitlatingen producties van Amersfoort van 27 juli 2016 (in reactie op de antwoordakte van Centric van 29 juni 2016).

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

1.3.

Omdat over het grootste deel van de door de rechtbank in deze zaak te beoordelen vragen al is beslist in het vonnis van de meervoudige kamer van 4 mei 2016, heeft de meervoudige kamer deze zaak met inachtneming van artikel 15 lid 5 Rv verwezen naar de enkelvoudige kamer, bestaande uit een van de leden van de hiervoor genoemde meervoudige kamer.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

Het hoofdverweer van Amersfoort is dat het doorlopen van de goedkeuringsprocedure zinloos zou zijn omdat de uitkomst ervan op dat moment al vaststond, namelijk dat Amersfoort de oplevering van deze versie niet zou goedkeuren vanwege ernstige tekortkomingen in de software (zie 4.14 van het tussenvonnis van 4 mei 2016; hierna: het eerste tussenvonnis). In dat vonnis is dit verweer opgevat als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is het in beginsel met Amersfoort eens dat als inderdaad vóór het doorlopen van de goedkeuringsprocedure al vaststond dat versie 2.7 niet voldeed aan wat was overeengekomen omdat deze versie ernstige gebreken vertoonde, van Amersfoort onder die omstandigheden redelijkerwijs niet kon worden verwacht mee te werken aan het doorlopen van de goedkeuring. Naar aanleiding daarvan moet de rechtbank beoordelen of versie 2.7 voldeed aan de overeengekomen specificaties en, in het ontkennende geval, of de gebreken ernstig genoeg/blokkerend waren dan wel redengevend zijn om goedkeuring te onthouden (artikel 6.6 van de overeenkomst).

2.2.

In het kader van deze beoordeling is de rechtbank in het eerste tussenvonnis nagegaan of sprake is van tekortkomingen in het door Centric op te leveren documentmanagementsysteem (DMS) en het MidOffice. Met betrekking tot DMS heeft Amersfoort gesteld dat Centric toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door een DMS te leveren dat (1) niet voldoet aan de overeengekomen uitgangspunten, (2) niet alle overeengekomen functionaliteit bevat (de zogenoemde GAPS), (3) gebreken bevat die aan uitrol ervan in de weg staan (de zogenoemde issues) en (4) dat het project door toedoen dan wel nalaten van Centric ernstig is vertraagd. De rechtbank heeft in het eerste tussenvonnis vervolgens geoordeeld dat geen sprake is van een tekortkoming van Centric op het door Amersfoort gestelde uitgangspunt dat een oplossing moest worden aangeboden op basis van reeds bestaande en bewezen technologie (zie 4.21 en 4.22 van het eerste tussenvonnis). Met betrekking tot het door Amersfoort gestelde uitgangspunt, dat Centric gebruik zal maken van open standaarden, waardoor DMS na oplevering eenvoudig kan worden aangepast en uitgebreid door Amersfoort of door derden die Amersfoort zou inschakelen, heeft de rechtbank Amersfoort opgedragen om bij akte te reageren op een verweer van Centric, waarna Centric daarop bij antwoordakte mocht reageren (zie 4.20 en ook 4.24 van het eerste tussenvonnis). Met betrekking tot de hiervoor onder (2) en (3) door Amersfoort gestelde ontbrekende functionaliteit (software) en gebreken in de software heeft de rechtbank in het eerste tussenvonnis met betrekking tot de meeste door Amersfoort gestelde GAPS geoordeeld dat geen sprake is van een tekortkoming. Met betrekking tot GAP 3 heeft de rechtbank Amersfoort opgedragen om een akte te nemen, waarop Centric vervolgens bij antwoordakte mocht reageren (zie 4.36 van het eerste tussenvonnis). Met betrekking tot GAP 22 moest Centric een akte nemen, waarop Amersfoort in een antwoordakte mocht reageren (zie 4.42 van het eerste tussenvonnis). Met betrekking tot de issues 90 en 94 tot en met 104 is Amersfoort opgedragen een akte te nemen waarop Centric in een antwoordakte mocht reageren. Ten aanzien van de hierboven onder (4) door Amersfoort gestelde tekortkoming heeft de rechtbank geoordeeld dat partijen eind 2011, in afwijking van eerdere afspraken, zijn overeengekomen dat op 12 december 2012 een volledig werkend DMS zou worden afgeleverd en dat er voor die datum van verzuim van Centric geen sprake kan zijn (zie 4.57 van het eerste tussenvonnis).

2.3.

Met betrekking tot MidOffice heeft de rechtbank in het eerste tussenvonnis geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat Amersfoort Centric daarvoor decharge heeft verleend (zie 4.58 tot en met 4.61 van het eerste tussenvonnis). Ook wat betreft MidOffice heeft Amersfoort gesteld dat Centric toerekenbaar tekort is geschoten. Volgens Amersfoort is (1) geen koppeling mogelijk op het DMS van een derde (ontbrekende functionaliteit), (2) ontbreekt documentatie die Amersfoort in staat zou moeten stellen om zelf processen toe te voegen of te wijzigen aan het MidOffice en (3) bevat het MidOffice gebreken (issues). Over de onder (1) door Amersfoort gestelde ontbrekende functionaliteit heeft de rechtbank geoordeeld dat Centric niet in verzuim is komen te verkeren en dat, aangezien nog niet is gebleken dat nakoming op dit punt blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de overeenkomst niet op deze grond kan worden ontbonden (zie 4.63 van het eerste tussenvonnis). Over de onder (2) genoemde ontbrekende documentatie heeft de rechtbank geoordeeld dat van een tekortkoming door Centric geen sprake kan zijn (zie 4.64 van het eerste tussenvonnis). Over de meeste van de onder (3) gestelde issues heeft de rechtbank in het eerste tussenvonnis geoordeeld dat geen sprake is van een gebrek. Ten aanzien van de door Amersfoort aangevoerde issues 222 en 223 heeft de rechtbank in het eerste tussenvonnis vermeld dat zij overweegt om een deskundige te benoemen maar dat zij de beslissing daarover pas na de aktewisseling van partijen zal nemen (zie 4.82 in combinatie met 4.78 tot en met 4.80 van het eerste tussenvonnis).

2.4.

Met inachtneming van het voorgaande en de door partijen genomen aktes overweegt de rechtbank als volgt.

GAP 11 en de issues 65, 69, 73, 85 en 90

2.5.

De rechtbank heeft in het eerste tussenvonnis ten aanzien van GAP 11 geoordeeld dat het feit dat Amersfoort de functionaliteit niet heeft getest, niet aan Centric kan worden tegengeworpen. Dat oordeel houdt verband met het betoog van Centric, dat erop neerkomt dat Amersfoort er ten onrechte vanuit gaat dat deze GAP begin december 2012 nog bestond en dat Amersfoort, als zij de acceptatieprocedure zou hebben doorlopen, zou hebben geconstateerd dat deze GAP was opgelost. Volgens Amersfoort had de rechtbank echter tot een ander oordeel moeten komen ten aanzien van haar verplichting om te testen. Amersfoort stelt dat haar niet kan worden verweten dat zij geen GAPS en issues heeft getest waarvan Centric had aangegeven dat deze pas in versie 3 zouden worden opgelost, aangezien partijen het erover eens zijn dat versie 3 in ieder geval niet voor 12 december 2012 beschikbaar zou zijn (en Centric wilde dat Amersfoort voor die versie zou betalen). Dit geldt volgens Amersfoort met name voor het oordeel van de rechtbank over GAP 11, maar geldt ook voor de issues 65, 69, 73, 85 en 90.

2.6.

Voor zover Amersfoort bedoeld heeft de rechtbank te vragen om terug te komen op een of meer eindbeslissingen in het eerste tussenvonnis, die verband houden met het hiervoor beschreven betoog van Amersfoort (de akte van Amersfoort van 1 juni 2016 is wat dit betreft tegenstrijdig), wordt dat verzoek afgewezen. Dit wordt hieronder toegelicht.

2.7.

Met betrekking tot GAP 11 is de kern van het betoog van Amersfoort dat Centric in de GAP-analyse van februari 2012 heeft aangegeven dat deze functionaliteit pas in versie 3.0 zou worden geboden. Bij nader inzien is de vermelding van deze stelling in de op twee na laatste zin van 4.38 van het eerste tussenvonnis niet logisch; logisch zou zijn geweest als deze stelling was opgenomen als tweede zin van 4.38. Van belang is dit echter niet. In reactie op dit standpunt van Amersfoort heeft Centric aangevoerd dat zij deze functionaliteit in het voorjaar van 2012 wel heeft geleverd (zie ook 4.38 van het eerste tussenvonnis). Ter onderbouwing daarvan heeft Centric schermafbeeldingen in het geding gebracht. In reactie daarop heeft Amersfoort gesteld dat zij niet aan de hand van de schermafbeeldingen kan verifiëren of de functionaliteit in het voorjaar van 2012 is geleverd. Amersfoort stelt dus niet dat deze functionaliteit ontbreekt (en dat dus sprake is van een GAP), maar dat zij niet kan vaststellen óf deze functionaliteit ontbreekt. En dat was nou juist iets wat Amersfoort wel had kunnen vaststellen als zij de overeengekomen goedkeuringsprocedure had gevolgd. In het licht hiervan ziet de rechtbank geen reden om terug te komen op haar oordeel over GAP 11.

2.8.

Voor de issues 65, 69,73, 85 en 90 geldt het volgende. Amersfoort heeft de issues 65, 73, 85 en 90 niet besproken in de processtukken maar heeft voor de nadere onderbouwing daarvan verwezen naar productie 53. Met uitzondering van issue 90 heeft de rechtbank hierover in het eerste tussenvonnis (zie 4.44) al geoordeeld dat Amersfoort niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Over issue 90 hebben partijen, in overeenstemming met 4.52 van het eerste tussenvonnis, zich bij akte uitgelaten. De verdere beoordeling daarvan staat verderop in dit vonnis. Over issue 69 heeft de rechtbank geoordeeld in de randnummers 4.45 en 4.46 van het eerste tussenvonnis. Daarbij hoefde de rechtbank niet te oordelen over de stelling van Amersfoort dat Centric had aangegeven dat dit issue pas in versie 3 zou zijn opgelost. De rechtbank ziet dus ook geen aanleiding om terug te komen op enige eindbeslissing met betrekking tot de door Amersfoort genoemde issues.

Met betrekking tot DMS

Open standaarden/ontbrekende functionaliteit (zie eerste tussenvonnis 4.20)

2.9.

Amersfoort betoogt in dit verband het volgende. Er bestaan verschillende varianten van StUF. Relevant voor dit geschil zijn StUF eFormulieren (StUF-EF) en StUF zaken (StUF-ZKN). In 2011 bood Centric nog geen koppelvlak voor de koppeling, via de Conductor, van het WOZ Taxatieverslagenportaal van Data B. Mailservice BV (het taxatieverslagenportaal) naar Centrics eigen belastingapplicatie Key2GH. Daarom heeft Amersfoort zelf een tijdelijke oplossing geïmplementeerd, die eruit bestond dat zij een tweede Microsoft BizTalk server heeft geïnstalleerd (de Conductor draait zelf ook op een BizTalk server) om de koppelingen te regelen tussen het taxatieverslagenportaal en Key2GH. In oktober 2012 lukte het Solviteers niet om succesvol berichten te verzenden van de tweede BizTalk server naar de Conductor. Uit de door Centric aangeleverde documentatie had Solviteers afgeleid dat de Conductor gebruikmaakte van StUF-ZKN versie 3.10. Het versturen van berichten volgens die versie had echter geen effect. Toen Solviteers Centric per e-mail om opheldering vroeg bleek dat de Conductor op dat moment uitsluitend berichten accepteerde die waren opgebouwd volgens versie 2.01 van StUF-ZKN. Voor het opstellen van berichten van die versie had Centric echter geen documentatie aangeleverd, terwijl die documentatie wel nodig was. Op 8 november 2012 heeft Centric de verkeerde documentatie naar Amersfoort gestuurd, namelijk een document dat ziet op de koppeling tussen Key2Vergunningen en de Conductor, terwijl het Amersfoort nu juist ging om de documentatie ten aanzien van de berichtopbouw voor belastingapplicaties (en niet voor vergunningsapplicaties). Solviteers heeft nog getracht door middel van heel vaak proberen berichten naar de Conductor te sturen, maar dit lukte niet en resulteerde in foutmeldingen van de Conductor. Onderdeel van een goede software architectuur is dat daarbinnen is gezorgd voor een wijze van foutafhandeling en melding, waaruit kan worden afgeleid waar de fout zit. Op dit punt schoot de software van Centric tekort. Daarnaast leidde de omstandigheid dat de Conductor met een oudere versie werkte ook tot een belangrijke beperking van het systeem. Met versie 2.01 van StUF-ZKN was (en is) het namelijk niet mogelijk om bestanden mee te sturen met de berichten.

2.10.

Met betrekking tot het verwijt dat de Conductor van Centric werkte met een oudere versie van StUF-ZKN voert Centric, onder verwijzing naar haar productie 62 (overgelegd bij haar antwoordakte van 29 juni 2016), aan dat in versie 2 inderdaad geen bestanden konden worden meegestuurd en dat deze mogelijkheid ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst ook nog niet bestond. Deze functionaliteit maakte dus (als onderdeel van StUF) geen onderdeel uit van de overeenkomst, maar Centric heeft dit ondervangen door daarvoor buiten de StUF-norm om, aanvullende functionaliteit te leveren. Partijen zijn versie 2 van StUF overeengekomen. Met betrekking tot het verwijt van Amersfoort dat het Solviteers niet lukte om succesvol berichten te verzenden van de tweede BizTalk server naar de Conductor voert Centric het volgende aan. Solviteers heeft, zo blijkt uit haar analyse van 30 oktober 2012 (productie 58 Amersfoort), de berichten geanalyseerd met behulp van de handleiding voor StUF-ZKN versie 3 en niet versie 2. Solviteers heeft dus het verkeerde document gebruikt. Kennelijk subsidiair voert Centric in dit verband het volgende aan. Solviteers heeft op laatstgenoemde datum slechts de tussenstand weergegeven van een proces dat nog niet was afgerond. De handleiding voor StUF-ZKN versie 2 was al sinds 2011 beschikbaar en Centric heeft deze op 8 november 2012 per e-mail aan Amersfoort gezonden (producties 64A en 64B). Na 8 november 2012 heeft Amersfoort niet om aanvullende informatie gevraagd of aangegeven dat er nog steeds problemen waren, zodat Centric ervan uit is gegaan dat Amersfoort met de verstrekte informatie uit de voeten kon. De omstandigheid dat de foutmeldingen niet voldoende duidelijk waren, vloeit ook voort uit het feit dat Solviteers de berichten heeft geanalyseerd met de verkeerde handleiding (namelijk die voor StUF-ZKN versie en niet versie 2).

2.11.

Het verwijt van Amersfoort dat sprake is van een tekortkoming doordat de Conductor van Centric werkte met een oudere versie van StUF-ZKN, slaagt niet. In haar akte van 27 juli 2016, waarin Amersfoort is ingegaan op (het betoog van Centric ten aanzien van) productie 62 van Centric, heeft Amersfoort immers niet de stelling van Centric weersproken dat zij met Amersfoort versie 2 van StUF is overeengekomen, zodat deze stelling vaststaat.

2.12.

Met betrekking tot de onjuiste documentatie (versie 3 ten opzichte van versie 2) slaagt het subsidiaire betoog van Centric. Weliswaar lijkt Amersfoort gelijk te hebben met haar stelling dat Centric op 8 november 2012 het verkeerde document naar Amersfoort heeft gestuurd, maar zoals Solviteers zelf (op 30 oktober 2012) heeft aangegeven was het slechts een kwestie van het opsporen van het juiste document. Niet gesteld of gebleken is dat Centric er op of na 8 november 2012 door Amersfoort of Solviteers op is gewezen dat zij nog steeds niet de beschikking had over het juiste document, laat staan dat Amersfoort of Solviteers na die datum om toezending van het juiste document heeft gevraagd. Het voorgaande verklaart ook waarom de foutmeldingen voor Solviteers niet voldoende duidelijk waren, zodat ook het daarmee verband houdende verwijt van Amersfoort niet slaagt.

2.13.

Het aanvankelijke verwijt van Amersfoort, dat Centric niet of nauwelijks gebruik heeft gemaakt van open standaarden, althans niet goed gebruik heeft gemaakt van de open StUF-standaard, is gedurende deze procedure dus verschoven naar het verwijt dat Centric niet de juiste documentatie aan Amersfoort ter beschikking heeft gesteld. Het eerstgenoemde verwijt wordt verworpen omdat Amersfoort dit helemaal niet heeft onderbouwd. Het laatste hier genoemde verwijt is hiervoor verworpen.

GAP 3- zie eerste tussenvonnis 4.36

2.14.

Amersfoort stelt in haar akte dat nu de functionaliteit om bij het scannen door middel van formulieren (geprinte eFormulieren en door de gemeente zelf gemaakte formulieren) automatisch metadata aan documenten toe te voegen ontbrak, althans dat deze functionaliteit door het ontbreken van documentatie door Amersfoort niet effectief gebruikt kon worden, het scangedeelte van de door Centric geleverde software eigenlijk niet meer was dan een inbox waarin gescande documenten konden verschijnen. Uit de akte van Amersfoort blijkt dat zij hiermee haar standpunt herformuleert dat Centric verantwoordelijk was voor het leveren van software (functionaliteit) die het mogelijk maakt dat door burgers ingediende formulieren bij het scannen worden herkend en worden omgezet naar digitale informatie die een formulier voor het systeem oplevert. Centric heeft betoogd dat deze functionaliteit niet is overeengekomen (zie eerste tussenvonnis 4.36, onderste helft). Amersfoort is in het eerste tussenvonnis verzocht te reageren op dit standpunt van Centric.

2.15.

In haar akte heeft Amersfoort haar door Centric betwiste stelling niet nader onderbouwd. In dit verband is ook relevant het in 4.36 van het eerste tussenvonnis (eerste helft) als volgt weergegeven betoog van Centric:

‘Centric heeft aangevoerd dat deze specifieke werkwijze wel door haar DMS wordt ondersteund, maar (nog) niet als zodanig is ingeregeld. De oorzaak daarvan was dat de optisch gelezen gegevens uit de scanstraat onvoldoende betrouwbaar waren om geautomatiseerd verwerken aan te zetten. Het optisch lezen van digitale documenten door de zogenaamde Kofax-software van Amersfoort leverde teveel leesfouten op. Deze software moet de gegevens op het gescande voorblad omzetten naar een XML document met stuurinstructies (metadata) zodat de conductor (de module die in de Centric applicatie informatie verwerkt) van Centric vervolgens in staat is om de gescande documenten zo te routeren dat ze bij de juiste zaak terechtkomen, aldus Centric. Verder stelt Centric dat het inregelen van de scanstraat geen onderdeel vormde van de overeenkomst.’

Amersfoort heeft deze stellingen in haar akte niet weersproken, zodat zij vaststaan. Hieruit volgt dat Amersfoort in staat moest zijn om met behulp van haar eigen Kofax-software de benodigde metadata automatisch naar de conductor van Centric te sturen, en niet met behulp van door Centric te leveren software.

2.16.

Met betrekking tot het in de eerste zin van 2.10 genoemde, subsidiair aangevoerde, verwijt van Amersfoort met betrekking tot de informatieverstrekking voor de Kofax-software, staat in het eerste tussenvonnis het volgende: ‘Verder heeft Amersfoort gesteld dat Centric heeft verzuimd voldoende informatie (bijvoorbeeld testgegevens) aan te leveren om de Kofax-software goed te kunnen ‘inleren’ en goed te kunnen testen. Centric had bijvoorbeeld moeten specificeren hoe de voorbladen/tussenbladen opgemaakt moesten worden om een goede werking te garanderen. Centric heeft niet weersproken dat zij Amersfoort de informatie diende te verstrekken om de Kofax-software zelf te kunnen inleren en testen. Vast staat dat Centric dit niet heeft gedaan en derhalve in die verplichting is tekortgeschoten.’

2.17.

Amersfoort betoogt in haar akte dat in dit verband sprake is van twee zelfstandige verwijten. Ten eerste dat Centric heeft verzuimd de informatie aan te leveren die nodig was om de Kofax-software zo in te regelen dat bij het scannen van formulieren en daarbij behorende documenten automatisch metadata aan de gescande formulieren en documenten kan worden toegevoegd (hierna in navolging van Amersfoort: deelverwijt 1). En ten tweede dat Centric heeft verzuimd de informatie aan te leveren (onder andere opmaak voorbladen en tussenbladen) om de Kofax-software (de scansoftware) goed in te regelen (hierna: deelverwijt 2). Kennelijk omdat de rechtbank in het eerste tussenvonnis al een oordeel heeft uitgesproken over dit deelverwijt 2, heeft Amersfoort in haar akte alleen deelverwijt 1 uitgewerkt.

2.18.

Met betrekking tot (het nieuwe) deelverwijt 1 voert Centric in haar antwoordakte het volgende aan. Bij het optisch lezen moet de Kofax-software worden ingeregeld. De bottleneck was dat dit niet tijdig is gebeurd, terwijl dat de rol en projectverantwoordelijkheid was van Amersfoort. De informatie die Amersfoort daarvoor nodig had was bij Centric beschikbaar maar Amersfoort heeft Centric nooit verzocht haar die informatie te verstrekken, zodat het Centric ook niet bekend was dat die informatie ontbrak. Met betrekking tot deelverwijt 2 verzoekt Centric de rechtbank terug te komen op het oordeel dat Centric in die verplichting is tekortgeschoten. In verband hiermee voert Centric het volgende aan. Zowel in het PSA als in de procesanalyse BPI zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop het postintakeproces dient te worden ingericht. In deze inrichting ontbrak het verwerken van bulk op de nu door Amersfoort voorgestane wijze en om die reden is er ook geen informatie aangeleverd. Er was nog geen verplichting voor Centric om die informatie aan te leveren en Amersfoort heeft er ook nooit om gevraagd.

2.19.

De rechtbank is van oordeel dat beide deelverwijten van Amersfoort niet kunnen slagen en ziet daarom aanleiding terug te komen op haar beslissing dat Centric is tekortgeschoten in de verplichting om Amersfoort informatie te verstrekken om de Kofax-software zelf te kunnen in leren en testen. Ten aanzien van beide deelverwijten kan geen sprake zijn van een gebrek in de zin van de overeenkomst tussen partijen, nu zij niet zien op software die Centric heeft geleverd of had moeten leveren. Ook overigens is geen sprake van een tekortkoming in de zin van artikel 6:74 BW. Vast staat dat het inregelen van de scanstraat geen onderdeel vormde van de overeenkomst. Bovendien stelt Amersfoort niet dat zij Centric om de informatie heeft gevraagd die zij nodig had voor het inregelen van de Kofax-software en evenmin dat en waarom Centric heeft moeten begrijpen dat zij de door Amersfoort gewenste informatie voor het inregelen van de Kofax-software ongevraagd heeft moeten verstrekken.

GAP 22 - zie eerste tussenvonnis 4.42

2.20.

Amersfoort verwijt Centric dat het geleverde DMS geen functionaliteit bevat voor automatische overdracht. In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat partijen deze functionaliteit zijn overeengekomen. Onder verwijzing naar haar productie 14A (Procesanalyse afdeling BPI gemeente Amersfoort; hierna: de procesanalyse) heeft Centric aangevoerd dat Amersfoort (nadien) de werkwijze voor het archief in versie 2.2 heeft goedgekeurd. In verband hiermee heeft de rechtbank Centric opgedragen zich uit te laten over de status van het document en om haar standpunt nader te onderbouwen dat uit dit document volgt dat Amersfoort akkoord was met de werkwijze voor het archief.

2.21.

Centric heeft vervolgens als productie 60 in het geding gebracht een kopie van de handtekeningpagina uit de procesanalyse, met daarop de handtekeningen van vertegenwoordigers van Amersfoort en Centric. Ook voert Centric aan, onder verwijzing naar bladzijde 25 en verder van de procesanalyse, dat de daar beschreven en gekozen werkwijze uitdrukkelijk geen automatische overdracht impliceert van een zaakdossier naar het archief, maar een proces dat zo is ingericht dat de archiefmedewerker van Amersfoort gedurende het archiveringsproces nog handelingen moet verrichten. Amersfoort betoogt vervolgens, onder verwijzing naar haar producties 97 tot en met 99, dat de in de procesanalyse neergelegde afspraken geen beperking of aanpassing inhielden van de leveringsomvang met betrekking tot de in de eindsituatie op te leveren software. De procesanalyse zag volgens Amersfoort op een tijdelijke situatie - de gedeeltelijke uitrol bij BPI - terwijl de door beide partijen beoogde eindsituatie een volledig automatisch proces was. In reactie hierop voert Centric aan dat de procesanalyse volkomen los staat van de proefuitrol die is genoemd in de door Amersfoort aangehaalde producties. De proefuitrol had betrekking op een functioneel beperkte uitrol, namelijk een uitrol met versie 2.2, in welke versie de archiefmodule ontbrak. De procesanalyse ziet daarentegen niet op een functioneel beperkte uitrol, maar op een uitrol die in omvang beperkt is, dat wil zeggen de afdelingen BPI en SZ. De archiefmodule, die onderdeel zou uitmaken van versie 2.3, maakte wel onderdeel uit van de procesanalyse.

2.22.

Het betoog van Centric slaagt niet. Bij het aangaan van de overeenkomst in 2008 zijn partijen de functionaliteit automatische archivering overeengekomen (zie 4.42 van het eerste tussenvonnis van 4 mei 2016). De in de procesanalyse beschreven werkwijze heeft, zoals blijkt uit het kopje 4.6 op bladzijde 25, betrekking op de situatie vanaf release 2.3. Deze beschrijving, die dateert van 1 september 2011, impliceert inderdaad geen automatische overdracht van een zaaksdossier naar het archief, maar in de procesanalyse staat ook (eveneens op bladzijde 25): ‘NB Uiteindelijk zal het archiveren van een dossier een automatisch proces worden (archiveringswizard) na afhandeling van het proces door de procesapplicatie.’ Op 12 december 2012 zou Centric versie 2.7 hebben moeten leveren. In de notitie stuurgroep DMS van 12 september 2011, opgesteld door Amersfoort (productie 97 van Amersfoort) staat dat de archiefmodule op 15 oktober (bedoeld zal zijn: 2011) beschikbaar komt in een nieuwe update van S4D (release 2.3). In het verslag van de bijeenkomst van de stuurgroep DMS van 24 oktober 2011 staat dat Centric heeft aangegeven dat versie 2.3 (met archiefmodule) inmiddels beschikbaar was (productie 98 van Amersfoort). Centric stelt niet dat de inhoud van deze stukken onjuist is. Uit het voorgaande volgt dat Amersfoort ervan mocht uitgaan dat automatische archivering op 12 december 2012 onderdeel zou maken van de software.

2.23.

Centric heeft op 4 december 2012 haar verplichtingen ten aanzien van de implementatie van DMS opgeschort. Ondanks dat Centric in oktober 2011 heeft meegedeeld dat de archiefmodule inmiddels beschikbaar was, volgt uit het standpunt van Centric, dat inhoudt dat zij door middel van de ondertekende procesanalyse met Amersfoort de nadere afspraak heeft gemaakt dat archivering niet automatisch zou plaatsvinden, dat de archiefmodule begin december 2012 geen automatische archivering mogelijk maakte. Dit wordt ook bevestigd door de opmerking van Centric in randnummer 2.21 van haar akte van 27 juli 2016, waar is vermeld dat ook na eind 2011/begin 2012 geen nieuwe afspraken zijn gemaakt over (een definitieve) inrichting van de archiefmodule. Centric heeft niet gesteld dat zij deze functionaliteit op 12 december 2012 had kunnen opleveren en de rechtbank heeft ook geen aanknopingspunt om aan te nemen dat dit voor Centric mogelijk was.

2.24.

De conclusie van het voorgaande is dat al vóór het doorlopen van de goedkeuringsprocedure vaststond dat versie 2.7 op dit onderdeel niet voldeed aan wat is overeengekomen.

2.25.

De rechtbank kan nog niet beoordelen hoe ernstig dit gebrek is. Daarom zal Amersfoort eerst in de gelegenheid worden gesteld zich hierover bij akte uit te laten. Daarbij zal Amersfoort de volgende vragen moeten betrekken:

  • -

    Wat werkt er, in gebruikerstermen, niet doordat GAP 22 bestaat?

  • -

    Welke alternatieve werkwijze zou Amersfoort hebben moeten hanteren en hoeveel extra tijd en geld zou dat ongeveer hebben gekost?

  • -

    Hoeveel tijd en geld zijn (hypothetisch) ongeveer gemoeid met het oplossen van GAP 22?

Centric zal hierop vervolgens in een antwoordakte mogen reageren. De rechtbank is van plan om na de aktewisseling een deskundige te benoemen en sluit niet uit dat zij de deskundige ook wil vragen zich uit te laten over de feitelijke gevolgen van deze GAP (zie 2.39).

Issue 90 – zie eerste tussenvonnis 4.51 en 4.52

2.26.

In versie 2.7 van DMS konden hoofdzaken worden afgesloten als de daaronder vallende deelzaken nog niet waren afgerond. Centric heeft Amersfoort in 2012 meegedeeld dat dit in versie 3.1 zou worden opgelost. Amersfoort betoogt dat zij met Centric is overeengekomen dat Centric de functionaliteit zou leveren die ervoor zorgt dat een hoofdzaak niet kan worden gesloten als er nog deelzaken openstaan. Dit volgt volgens haar uit het antwoord van Centric op vraag 23, voor zover dit luidt: ‘Behalve het document zelf kunnen ook de bij het betreffende document aanwezige metadata getoond worden. Bij de metadata kunnen ook gerelateerde dossiers horen.’ Kennelijk subsidiair neemt Amersfoort het standpunt in dat het een dermate voor de hand liggende functionaliteit is dat een hoofdzaak niet kan worden gesloten als er nog deelzaken openstaan, althans dat in dat geval een waarschuwing wordt gegeven, dat het een gebrek is als de software daar niet in voorziet. Daarom mocht Amersfoort deze functionaliteit ook zonder expliciete passage in de specificaties redelijkerwijs van Centric verwachten.

2.27.

Centric voert hierover onder meer het volgende aan. In de aanbesteding van Amersfoort is niet gesproken over hoofd- en deelzaken, maar is een enkelvoudig zaakmodel beschreven. In verband hiermee verwijst Centric onder meer naar een situatietekening uit de offerteaanvraag van Amersfoort. Hoofd- en deelzaken zijn pas in versie 1.0 van het Referentiemodel Gemeentelijke Basisgegevens Zaken (RGBZ), gepubliceerd in september 2010, beschreven en beschikbaar gekomen voor de markt. Amersfoort onderbouwt niet op grond van welke feiten zij deze functionaliteit dan toch mocht verwachten. Het antwoord van Centric op vraag 23 heeft geen betrekking op Key2Zaken (het beheren van zaken), welke applicatie hier aan de orde is, maar op het onderliggende DMS/RMA (het documentaire deel van S4DM), dat wel de mogelijkheid bood om op documentniveau metadata van gerelateerde dossiers te tonen.

2.28.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. In de door Centric aangehaalde situatietekening uit de offerteaanvraag van Amersfoort is uitgewerkt dat een subject (een natuurlijk persoon of een niet natuurlijk persoon) een ‘zaak’ initieert die betrekking heeft op of betrokken is bij een object, welke zaak een status en een betrokkene heeft. In deze situatietekening is een zaak niet uitgesplitst in hoofd- en deelzaken. Amersfoort heeft niet weersproken dat versie 1.0 van het RGBZ dateert van september 2010 (zoals Centric ook al had aangevoerd in haar conclusie van dupliek in reconventie, randnummer 7.18). In haar akte uitlating producties is Amersfoort ingegaan op enkele schermafdrukken die zijn opgenomen in de akte van Centric. Amersfoort is daarin echter niet ingegaan op de hiervoor genoemde situatietekening, in het kader waarvan Centric (in 5.1 van haar akte) heeft gesteld dat hoofd- en deelzaken pas in versie 1.0 van het RGBZ zijn beschreven en beschikbaar gekomen voor de markt. Doordat Amersfoort daarop niet is ingegaan, terwijl zij daartoe wel de gelegenheid heeft gehad omdat ook deze situatietekening als een productie kan worden beschouwd, staat deze stelling van Centric vast. Uit het voorgaande volgt dat Amersfoort en Centric bij het aangaan van de overeenkomst in 2008 geen onderscheid hebben gemaakt tussen hoofd- en deelzaken. Hieruit kan worden afgeleid dat het door Amersfoort aangehaalde antwoord van Centric op vraag 23 geen betrekking kan hebben op software die ervoor zorgt dat het onmogelijk is om een hoofdzaak te sluiten terwijl een deelzaak nog loopt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat partijen in 2008 niet zijn overeengekomen dat Centric dergelijke software zou leveren.

2.29.

Amersfoort heeft verder niets aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij ná 2008 een aanvullende afspraak met Centric op dit onderdeel heeft gemaakt. Anders dan Amersfoort kennelijk bedoelt te betogen, brengen ook de aanvullende eisen van redelijkheid en billijkheid niet een dergelijke verplichting voor Centric mee. In het door Amersfoort gegeven voorbeeld van een aanvraag voor een omgevingsvergunning is het een werknemer van Amersfoort die, als de omgevingsvergunning bestaat uit de onderdelen bouwvergunning en kapvergunning, deze onderdelen start als deelzaken. Amersfoort stelt dat een zaak pas gereed is als alle processen van alle deelzaken zijn afgerond. Dit is zó logisch, dat de rechtbank niet inziet waarom van de werknemers van Amersfoort niet zou mogen worden verwacht dat zij zich ervan bewust zijn dat een hoofdzaak niet kan worden gesloten als er nog deelzaken lopen en daarnaar handelen. Van de werknemers van Amersfoort die met het systeem van Centric zouden gaan werken mag immers wel enige kennis van de binnen die gemeente lopende procedures (zoals vergunningsaanvragen) en gezond verstand worden verwacht. Bovendien had Amersfoort haar werknemers voor de zekerheid kunnen instrueren om, totdat versie 3.1 beschikbaar zou zijn, geen hoofdzaak te sluiten zonder te controleren of er nog deelzaken liepen.

2.30.

Van een gebrek (of een GAP/ontbrekende functionaliteit) is op dit onderdeel dus geen sprake.

Issues 94 tot en met 104 – zie eerste tussenvonnis 4.56

2.31.

Amersfoort neemt in haar akte het standpunt in dat Centric de door Amersfoort geconstateerde issues rond de conversie, zoals die eind 2011, begin 2012 en in augustus 2012 waren gebleken, onvoldoende voortvarend heeft opgepakt, met als resultaat dat de conversie niet meer tijdig, dat wil zeggen op 12 december 2012, succesvol kon zijn afgerond.

2.32.

Volgens Centric heeft zij de conversie wel voortvarend opgepakt maar lag de vertraging bij Amersfoort. Ook stelt Centric dat de stelling van Amersfoort, dat conversie van alle gegevens voor 12 december 2012 zou hebben moeten plaatsvinden, onjuist is. Volledige conversie zou pas plaatsvinden na 12 december 2012. In verband hiermee verwijst Centric naar de door Amersfoort zelf opgestelde planning van 23 augustus 2012 in de Behandelnotitie Stuurgroep DMS van 23 augustus 2012 (onderdeel van productie 31 Amersfoort; hierna de behandelnotitie van 23 augustus 2012).

2.33.

De rechtbank is van oordeel dat op dit punt geen sprake is van een tekortkoming van Centric. Dit wordt hierna toegelicht.

2.34.

De behandelnotitie van 23 augustus 2012 bevat een planning voor de uitrol binnen SZ van Amersfoort van WGS/S4DM 2.7.1. In die notitie staat dat de conversiedoorlooptijd voor de SZ-documenten onbekend is, maar dat wordt aangenomen dat deze maximaal vier maanden bedraagt. In de bijlage bij deze notitie is vermeld dat het testen van de conversie van Docs Open is gepland voor de maand oktober (bedoeld zal zijn oktober 2012) en dat de conversie van Docs Open gepland staat in de periode van november 2012 tot en met februari 2013.

2.35.

In haar brief van 25 oktober 2012 (productie 38 Amersfoort) heeft Amersfoort Centric gesommeerd om uiterlijk op 12 december 2012 alle bestaande gebreken te hebben opgelost en (kennelijk) een DMS op te leveren conform de op de overeenkomst van toepassing zijnde specificaties. Daarbij heeft Amersfoort erop gewezen dat de problemen die zijn genoemd in de bij die brief genoemde bijlagen moesten zijn opgelost en dat daarna nog een acceptatietest moest plaatsvinden. In verband daarmee heeft zij Centric om een adequate planning gevraagd. In bijlage 1 bij die brief zijn drie blokkerende issues vermeld (met nummers 94, 96 en 104) met betrekking tot de conversietool, versie 2.7. Bij brief van 13 november 2012 (productie 39 Amersfoort) heeft Centric in reactie op de hiervoor genoemde brief van Amersfoort een uit zeven onderdelen bestaande planning genoemd. Onderdeel 3 van die planning hield in dat Amersfoort uiterlijk voor dinsdag 20 november 2012 moest aangeven wat de testresultaten van de conversie op de afdeling SZ waren.

2.36.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat Amersfoort wilde dat Centric voor 12 december 2012 de drie door Amersfoort in bijlage 1 van haar brief van 25 oktober 2012 genoemde gebreken in de conversiesoftware (de conversietool) moest hebben opgelost. Dat de conversie zelf voor 12 december 2012 moest zijn afgerond, blijkt daaruit niet. Dat partijen dit niet zijn overeengekomen blijkt ook uit de hierboven genoemde planning in de behandelnotitie van 23 augustus 2012. Het testen van de conversie is toen gepland in oktober 2012, terwijl de conversie zelf gepland is in een periode die voor een aanzienlijk deel ná 12 december 2012 lag. Eind november 2011 hebben Amersfoort en Centric afgesproken dat Centric op 12 december 2012 een volgens specificaties werkend systeem zou leveren. Als dit zou betekenen dat ook de conversie op laatstgenoemde datum had moeten zijn afgerond, was de planning die op 23 augustus 2012 is gemaakt zinloos.

2.37.

Uit het voorgaande volgt dat de conversie niet op 12 december 2012 moest zijn afgerond. Voor zover de conversietool begin december 2012 dus nog de drie hiervoor genoemde gebreken heeft bevat (Amersfoort stelt dit overigens niet), brengt dat geen tekortkoming van Centric mee die redengevend kan zijn geweest voor Amersfoort om niet mee te werken aan de acceptatieprocedure. Gelet hierop hoeft niet te worden beoordeeld wie verantwoordelijk is voor de vertraging in het conversieproces.

Met betrekking tot MidOffice/issues 222 en 223 - zie eerste tussenvonnis 4.78 tot en met 4.80

2.38.

In aanmerking genomen wat de rechtbank tot nu toe heeft vastgesteld en geoordeeld zal de rechtbank ook de door Amersfoort gestelde issues 222 en 223 door een deskundige laten onderzoeken.

2.39.

Met inachtneming hiervan is de rechtbank van plan een deskundigenbericht te gelasten. Indien de inlichtingen van partijen op de voet van 2.25 over GAP 22 daartoe aanleiding geven zal ook deze GAP 22 in het deskundigenbericht worden betrokken. Ter wille van de proceseconomie zal de rechtbank hieronder reeds de vragen formuleren die zij van plan is aan de deskundige te stellen, inclusief die over GAP 22. Dan kunnen partijen zich in dezelfde aktes daarover ook uitlaten. De vragen die de rechtbank vooralsnog overweegt te stellen luiden als volgt:

Met betrekking tot issue 222 (MidOffice):

1. Heeft Centric de koppeling van de backofficeapplicatie Milieu Vastgoed en Vergunningen (MVV) met het tijdelijke SharePoint opgeleverd?

Met betrekking tot issue 223 (MidOffice):

2) Bestaat voor gebruikers (medewerkers van Amersfoort) functionaliteit om documenten die zijn opgeslagen via het MidOffice extern (voor de burger) beschikbaar te stellen?

3) Indien uw antwoord op vraag 2 ontkennend luidt: Welke functionaliteit biedt de, in randnummer 4.80 van het eerste tussenvonnis beschreven, oplossing van Centric en is deze functionaliteit naar uw oordeel van vergelijkbaar niveau als de functionaliteit die is bedoeld in vraag 2?

Met betrekking tot de issues 222 en 223 (MidOffice) en eventueel GAP 22 (DMS; zie 2.20 tot en met 2.25 van dit vonnis):

4) Afhankelijk van uw antwoorden op de vragen 1 tot en met 3: Wat zouden de feitelijke gevolgen voor Amersfoort zijn geweest van deze issues en deze GAP? Wilt u bij uw beantwoording ook betrekken de wél door Centric geleverde oplossingen en daarbij ingaan op de vraag hoe vaak die oplossingen hadden moeten worden gebruikt en hoe bewerkelijk zij voor Amersfoort zouden zijn geweest?

5) Had Centric alsnog een goed werkende functionaliteit voor automatische overdracht (GAP 22) kunnen leveren en, zo ja, op welke termijn?

6) Heeft u verder nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?

2.40.

Amersfoort zal in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over a) het voornemen van de rechtbank om een deskundige te benoemen, b) de vraag of vragen die zij aan de deskundige gesteld wil zien c) het aantal te benoemen deskundigen en d) welke deskundige(n) zou(den) moeten worden benoemd. Centric zal daarop in een antwoordakte mogen reageren en daarbij dezelfde vragen dienen te beantwoorden.

2.41.

Als een deskundige wordt benoemd zullen partijen zich, met inachtneming van de bevindingen van de deskundige, bij conclusie na deskundigenbericht moeten uitlaten over de ernst van de gebreken, in het licht van de door de rechtbank te beantwoorden vraag of redelijkerwijs niet van Amersfoort kon worden verwacht dat zij meewerkte aan de goedkeuringsprocedure. Daarbij zullen partijen niet alleen moeten betrekken de feitelijke gevolgen die de gebreken voor Amersfoort zouden hebben gehad, maar (in ieder geval) ook ieders rol in het implementatieproces en de relatie tussen de omvang en het effect van de gebreken en omvang van het gehele project (financieel, de hoeveelheid gewerkte uren en de geleverde software).

2.42.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 januari 2017 voor het nemen van een akte door Amersfoort over hetgeen is vermeld onder 2.25 en 2.40, waarna Centric op de rol van 4 weken daarna een antwoordakte kan nemen,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2016.1

1 type: JvdB/4223 coll: RV/4237