Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6741

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
16/707585-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt acht mannen tot een werkstraf van 120 uur voor openlijk geweld en het medeplegen van bedreiging bij de noodopvang voor vluchtelingen in Woerden. Zeven andere verdachten worden veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur voor samenscholing en hebben daarmee bijgedragen aan de grimmige sfeer. De drie overgebleven verdachten zijn vrijgesproken van openlijk geweld en bedreiging.

Relsituatie

Op 9 oktober 2015 is er ‘s avonds bij de noodopvang voor vluchtelingen in Woerden een relsituatie ontstaan die veel angst heeft opgeroepen bij de vluchtelingen, beveiligers en vrijwilligers. Er zijn dranghekken omgegooid en er is met eieren en zeer zwaar vuurwerk richting de beveiligers gegooid. In totaal werden er 18 mannen verdacht van openlijke geweldpleging en bedreiging.

Openlijk geweld en bedreiging

Als er vanuit een groep geweld is gepleegd, betekent dit op zichzelf niet dat iedereen die tot die groep behoort ook strafrechtelijk kan worden veroordeeld voor openlijk geweld. De rechtbank concludeert dat van acht verdachten vastgesteld kan worden dat zij een wezenlijke bijdrage aan het geweld hebben geleverd. Deze acht verdachten worden dan ook veroordeeld voor bedreiging en krijgen een werkstraf opgelegd van 120 uur.

Samenscholing

Voor tien verdachten geldt dat er onvoldoende bewijs is dat zij openlijk geweld hebben gepleegd, of gedreigd hebben met openlijk geweld. De rechtbank oordeelt dat zeven van deze tien verdachten wel hebben bijgedragen aan de grimmige sfeer en veroordeelt deze verdachten wegens samenscholing tot een werkstraf van 40 uur.

Schadevergoeding

De acht mannen die veroordeeld zijn voor openlijk geweld en bedreiging moeten samen een schadevergoeding betalen van €2.578,00 aan een beveiliger. Vlakbij de man ontplofte zwaar vuurwerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/707585-15

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 11 februari 2016.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 en 28 januari 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. A.R. Jaarsma, advocaat te Vinkeveen.

Tijdens de zitting van 28 januari 2016, waarbij alleen het onderzoek is gesloten, is niemand verschenen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: op 9 oktober 2015 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd.

Feit 1 subsidiair: op 9 oktober de APV van de gemeente Woerden heeft overtreden.

Feit 2: al dan niet samen met anderen op 9 oktober 2015 beveiligers en/of vluchtelingen heeft bedreigd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de rechtbank exact moet uitzoeken wie welke handelingen heeft begaan om uiteindelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Ten aanzien van verdachte heeft de raadsman -in het kort- het volgende aangevoerd:

Verdachte heeft bekend dat hij een dranghek heeft omgeduwd. Dit kan eventueel voldoende zijn om tot een bewezenverklaring te komen, aldus de raadsman

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Het bewijs

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het aan hem onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

[A] was op 9 oktober 2015 omstreeks 22.30 uur werkzaam als beveiliger bij de [naam locatie] , gelegen aan de [adres] te Woerden. In de sporthal verbleven tijdelijk vluchtelingen. Hij zat samen met zijn collega [B] (de rechtbank begrijpt: [B] ) in zijn voertuig. Hij zag dat een groep mensen de parkeerplaats op kwam lopen. Het waren 20 tot 25 personen. De personen waren in het donker gekleed en hadden hun gezicht beschermd met hoodies. Hij kon van niemand het gezicht zien. De voorste persoon moedigde de groep aan. Vervolgens gooide een aantal personen uit deze groep eieren in de richting van zijn voertuig. Hij zag dat uit de groep met vuurwerk werd gegooid. Hij hoorde een knal op het dak van zijn voertuig. Hij zag dat de groep langs de sporthal in de richting van de ingang liepen. Hij zag dat het hek dat daar stond ter afscherming opzij werd gegooid.2 [A] stapte uit en kreeg vervolgens vuurwerk naar zich toegegooid.3 Zijn broek had brandgaatjes.4

[B] heeft verklaard dat zij op 9 oktober 2015 omstreeks 22.30 uur als beveiliger werkzaam was bij [naam locatie] , gelegen aan de [adres] te Woerden. Ze was hier werkzaam voor de beveiliging van de daar opgevangen vluchtelingen. Zij was samen met collega [A] en zaten in zijn voertuig die geparkeerd stond op de parkeerplaats tegenover de fietsenstalling voor de sporthal. Zij hoorden dat er dranghekken omgegooid werden. Vervolgens zagen zij dat er een groep van ongeveer 20 personen aan kwam lopen. Zij gooiden de dranghekken om die je als eerste aan de linkerkant tegenkomt na het passeren van het bruggetje over de sloot vanaf de [adres] . Ze zag dat ze donkere kleding droegen. Ze zag ook dat ze capuchons en sjaaltjes voor hun mond droegen.

Zij hebben de hekken rechts van hun omgegooid. De groep benaderde hun vanaf de passagierskant waar zij zat. Ze zag en hoorde dat zij eieren en vuurwerk naar hun toe gooiden. Ze hoorde ongeveer drie à vier hele harde knallen. Ze zag dat de eieren tegen de voorruit kwamen.5 Ze zag dat de groep eieren en vuurwerk bleef gooien op de auto waarin ze zaten. Ze waren luidruchtig. Ze zag dat er drie mannen vooruit liepen in de richting van de ingang van de sporthal. Ze hoorde sirenes van de politie en zag dat de groep aanvallers verdwenen was. Op de parkeerplaats zag ze een stuk vuurwerk op de grond liggen waarop de tekst “Cobra 6” stond.6

De heer [C] heeft namens de gemeente Woerden aangifte gedaan.7 Op 9 oktober hebben personen vuurwerk en eieren naar [naam locatie] gegooid terwijl er 148 vluchtelingen en vrijwilligers in de sporthal aanwezig waren.8

Op 10 oktober 2015 omstreeks 00.25 uur is forensisch onderzoek verricht naar sporen op de openbare weg te [adres] in Woerden.9 Aan de voorzijde van het perceel, nabij de parkeerplaats, werd een vlinderbom, type Cobra 6, merk Elio di Blasio, aangetroffen. Een tweede vlinderbom, eveneens type Cobra 6, merk Elio di Blasio, werd aangetroffen ter hoogte van de ingang in het vaste hekwerk rondom het plein aan de voorzijde.

Langs een groenstrook, rechts van de inrit, lag een doos eieren. Dit betrof een voordeelpak van 20 eieren. Er ontbraken drie eieren uit dit pak.10

Het vuurwerk dat afkomstig is uit het onderzoek in de gemeente Woerden naar aanleiding van de onregelmatigheden bij het gebouw waarin tijdelijk vluchtelingen waren ondergebracht, is bij Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk niet aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Het onderzochte vuurwerk voldeed aan de omschrijving van professioneel vuurwerk.11 Het onderzochte vuurwerk betreft bangers (knalvuurwerk) (bijvoorbeeld vlinders).12 Op de verpakking staat Cobra 6.13

Verdachte heeft verklaard dat hij er op 9 oktober 2015 was om verhaal te halen. Hij kwam van café [café] .14 In de app was besproken om daar af te spreken.15 Alles werd in [café] besproken.16 Er was besproken dat er een aanval plaats zou vinden, om op het gebouw af te rennen. Verdachte had gehoord dat er mensen waren die vuurwerk wilden gooien naar het AZC. Verdachte heeft drie of vier nitraatbommen gezien.17 Vanuit [café] vertrokken ze met een paar auto’s. Als groep liepen ze vanuit de wijk.18

Verdachte stond op het bruggetje bij het asielzoekerscentrum. Er werd met vuurwerk gegooid. Ze stonden daar met ongeveer 30 man. Op een gegeven moment gingen ze rennen. Verdachte kwam ongeveer ter hoogte van de beveiligingsauto te staan. Hij zag dat de beveiligingsauto geraakt werd door eieren. Verdachte bleef voor het gebouw staan. Hij had zijn capuchon opgedaan, over zijn hoofd.19 Ter hoogte van de beveiligingsauto heeft verdachte een hek een zet gegeven.20

4.3.2

Aanvullende bewijsoverweging

Openlijk geweld

Bij de noodopvang voor vluchtelingen is sprake geweest van een relsituatie. Een kenmerk daarvan is dat het handelen van de individuele personen die zich in die groep bevinden in mindere of meerdere mate onderdeel hebben uitgemaakt van het gewelddadige handelen van de hele groep. Het is dan veelal niet goed vast te stellen wie nu precies wat heeft gedaan.

Als er vanuit een groep geweld is gepleegd, betekent dit op zichzelf niet dat iedereen die tot die groep behoort ook strafrechtelijk kan worden veroordeeld voor openlijk geweld als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. De wetgever heeft er indertijd, bij het opnemen van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht in de wet en het wijzigen daarvan, voor gekozen dat veroordeling alleen mogelijk is als van een verdachte kan worden vastgesteld dat hij een voldoende wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Alleen maar aanwezig zijn in een groep is daarvoor niet voldoende.

Van geweld in groepsverband is overigens al snel sprake. Het besmeuren van een pand met eieren of tomaten of het met verf bespuiten van een muur of een trein levert bijvoorbeeld al openlijk geweld op, zo volgt uit eerdere arresten van de Hoge Raad.

Het is mede tegen deze achtergrond dat de rechtbank vaststelt dat op 9 oktober 2015 openlijk geweld is gepleegd door een groep personen gericht tegen de noodopvang van vluchtelingen in Woerden en de beveiligers die daarbij aanwezig waren. Er zijn immers vanuit de groep dranghekken omgegooid, er is met zeer zwaar (illegaal) vuurwerk en eieren gegooid in de richting van de beveiligers en de sporthal waarin zich vluchtelingen en vrijwilligers bevonden en vanuit de groep is geroepen en gejoeld.

In dit geval kan van verdachte worden vastgesteld dat hij aanwezig was bij de groep die op 9 oktober 2015 te Woerden geweld pleegde nabij de noodopvang voor vluchtelingen. Dit verklaart verdachte immers zelf, zowel ter terechtzitting als bij de politie.

De vraag is vervolgens of de bijdrage die verdachte aan dit openlijk geweld heeft geleverd voldoende wezenlijk is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de bijdrage van een individu op zichzelf niet gewelddadig hoeft te zijn.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte voorafgaand aan het incident bij de noodopvang in café [café] was waar besproken werd om het asielzoekerscentrum aan te vallen en waar verdachte nitraatbommen zag. Vervolgens is verdachte in een groep naar de noodopvang gegaan. Hij had zijn capuchon op gedaan. Bij de noodopvang werd met vuurwerk gegooid. Er gingen mensen rennen, verdachte ook. Hij kwam in de buurt van de beveiligingsauto te staan. Ter hoogte van de beveiligingsauto gaf verdachte een duw tegen het hek. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte, terwijl de beveiligers meermalen met illegaal vuurwerk werden bekogeld, met anderen in een voorwaartse beweging richting de in-uitgang van de noodopvang is gegaan. Deze omstandigheid maakte de situatie voor de beveiligers zeer bedreigend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de groep die openlijk geweld heeft gepleegd.

Bedreiging met openlijke geweldpleging

De verdachte zal worden veroordeeld voor het onder feit 2 tenlastegelegde medeplegen van bedreiging.

Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

In de dagvaarding is omschreven op welke wijze de bedreigingen hebben plaatsgevonden. Er zou sprake zijn geweest van dreigende gedragingen van de verdachte en/of zijn mededaders en van verbale uitingen. Het verwijt is dat deze gedragingen een strafbare bedreiging opleveren met openlijk geweld tegen personen en/of goederen.

De gedragingen omvatten het omgooien van dranghekken, het gooien van vuurwerk en/of het gooien van eieren en/of flessen in de richting van de beveiligingsmedewerkers. De verbale uitingen omvatten het roepen en joelen naar de vluchtelingen in de sporthal.

De gedragingen zijn voor de beveiligingsmedewerkers bedreigend geweest. Uit het dossier blijkt dat deze aangevers zich ook bedreigd hebben gevoeld. De eieren en het vuurwerk werden in de richting van de beveiligingsmedewerkers gegooid, hetgeen een bedreigende handeling oplevert, waardoor daadwerkelijk bij deze beveiligingsmedewerkers een vrees voor het (verder) plegen van openlijk geweld is ontstaan. Deze vrees was ook objectief gezien gerechtvaardigd, gezien de omvang van de groep, het geroep, de grimmige sfeer en het feit dat in ieder geval een deel van de groep zich richting de ingang van de sporthal bewoog, terwijl er vanuit deze groep met voorwerpen werd gegooid.

Uit het dossier blijkt onvoldoende concreet of de in de dagvaarding genoemde teksten als “oprotten” en/of “niet welkom” daadwerkelijk letterlijk zijn geuit en vervolgens of de vluchtelingen deze uitingen hebben gehoord. De rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij voor dit onderdeel van de tenlastelegging. Er wordt derhalve niet meer toegekomen aan de beantwoording van de vraag of deze teksten in de context waar ze zouden zijn geuit, als bedreigend kunnen worden gekwalificeerd.

De verdachte is onder feit 1 primair veroordeeld voor openlijke geweldpleging. Uit de bewijsmiddelen hiervan blijkt reeds dat de intenties om te relschoppen en ter plaatse met de groep sensatie te zoeken bij de verdachte aanwezig waren. Bij de sporthal hebben verdachte en/of zijn mededaders de bedreigende handelingen gepleegd. Gelet op de intenties en hetgeen vervolgens gebeurd is, kan worden vastgesteld dat er bij de bedreigingen sprake is geweest van een bewuste of nauwe samenwerking van de verdachte met de medeverdachten.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

primair:

op 9 oktober 2015 te Woerden, op of aan de openbare weg, te weten op of aan de [adres] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen (aldaar geplaatste dranghekwerken en een auto) en personen (te weten [A]

en [B] , zijnde beveiligingsmedewerkers) welk geweld bestond uit

- het omgooien van dranghekken en

- het gooien van illegale vuurwerkbommen en/of eieren in de richting van en/of op/tegen voornoemde beveiligingsmedewerkers en/of [naam locatie] waarin 148 vluchtelingen en meerdere vrijwilligers aanwezig waren en/of een auto en

- het luidkeels roepen en/of joelen naar/in de richting van de vluchtelingen in de [naam locatie] ;

2.

op 9 oktober 2015 te Woerden, tezamen en in vereniging met anderen, [A] en [B] , zijnde beveiligingsmedewerkers heeft bedreigd met openlijke geweldpleging tegen personen en/of goederen, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend
- dranghekken omgegooid en
- illegale vuurwerkbommen en eieren in de richting van voornoemde beveiligingsmedewerkers gegooid en
- luidkeels in de richting van de vluchtelingen in de [naam locatie] geroepen en/of gejoeld.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1 primair: Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Feit 2: Medeplegen van bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1 primair en feit 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren, alsmede een werkstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd het geschorste bevel voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen bij onherroepelijk worden van het vonnis.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte spijt heeft betuigd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, door in de avond, terwijl het donker was, in een grote groep naar de tijdelijke opvang voor vluchtelingen in Woerden te gaan om daar, kort gezegd, te gaan rellen. Deze rel heeft geleid tot ernstig letsel- en wellicht zelfs levensgevaar voor ten minste een van de aanwezige beveiligers (naar wie zeer zwaar vuurwerk werd gegooid) en gevoelens van angst bij zowel deze beveiligers als de vluchtelingen. Uit de slachtofferverklaring van één van de beveiligers blijkt hoe groot deze angst is geweest en welke impact de gebeurtenissen, zowel lichamelijk als geestelijk, op hem hebben gehad. Voorts is gebleken dat er bij sommige vluchtelingen zoveel angst was ontstaan dat zij direct wilden vertrekken uit de tijdelijke opvang. De verdachte heeft door zijn handelwijze op geen enkele manier rekening gehouden met de belevingswereld en achtergrond van de vluchtelingen en hun negatieve ervaringen met (oorlogs)geweld. Voorts heeft hij evenmin rekening gehouden met de beveiligers die hun taak zo goed mogelijk wilden uitoefenen en vervolgens in een persoonlijke aanval werden betrokken. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Het dreigend omgooien van dranghekken en gooien van vuurwerk en andere voorwerpen hebben bijgedragen aan de grimmige sfeer ter plaatse, en maakten ook onderdeel uit van het openlijk geweld, waarvoor verdachte wordt veroordeeld. Om die reden zal ondanks de bewezenverklaring van feit 2 geen extra straf worden opgelegd ten opzichte van de straf die voor feit 1 wordt bepaald.

De rechtbank ziet geen aanleiding om bij het bepalen van de strafsoort en strafmaat ten voordele van verdachte rekening te houden met de media-aandacht die deze zaak teweeg heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het algemeen aanvaardbaar dat strafzaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich mee kunnen brengen. Dat over deze strafzaak door de media is gepubliceerd, is een gevolg van de maatschappelijke en politieke context waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van onevenredige media-aandacht ten opzichte van de persoonlijke situatie van deze specifieke verdachte, enkel is er duidelijke mediabelangstelling geweest voor het feitencomplex als zodanig, zodat de rechtbank hiermee geen rekening zal houden bij de strafmaat.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 16 december 2015, waaruit volgt dat verdachte eenmaal een transactie heeft gehad wegens belediging van een ambtenaar in functie.

Verdachte heeft geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die moeten leiden tot matiging van de bij dit soort delicten gebruikelijk op te leggen straf. Dit betreft een forse werkstraf, maar minder omvangrijk dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uur passend en geboden.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij genaamd [A] , ter grootte van € 3.170,72 volledig toe te wijzen, inclusief wettelijke rente berekend vanaf 9 oktober 2015 tot aan de dag der algehele vergoeding, waarbij verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor het te betalen bedrag. Voorts heeft de officier van justitie verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [A] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend ten bedrage van in totaal € 3.170,72, vermeerderd met rente en de kosten van tenuitvoerlegging, welke vordering wat betreft de hoofdsommen als volgt is opgebouwd:

Eigen risico voor schade aan de auto, die door de geweldpleging is ontstaan

€ 150,00

Terugval no-claimkorting autoverzekering over 3 jaren

€ 1.120,72

Gederfde inkomsten

€ 900,00

Immateriële schade

€ 1.000,00

Totaal

€ 3.170,72

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Eigen risico. De rechtbank acht voldoende aannemelijk, op grond van de aangifte van [A] , de foto’s van de auto na het incident en de rekening van de garage, dat door de openlijke geweldpleging waaraan verdachte heeft deelgenomen, de door [A] gestelde schade aan zijn auto is ontstaan. Daarvoor is verdachte aansprakelijk, ongeacht of hijzelf handelingen heeft verricht die deze schade direct hebben veroorzaakt (zoals het gooien van vuurwerk, etc.). Zijn aansprakelijkheid berust op artikel 6:166 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. [A] heeft zijn schade geclaimd bij zijn verzekering, die deze ook heeft uitgekeerd, met uitzondering van het eigen risico van € 150,00. Dat eigen risico heeft [A] zelf moeten betalen, en dat is dus schade voor hem, die vergoed moet worden door de verdachte.

Terugval no-claimkorting. [A] heeft zijn schade ter zake van terugval no-claimkorting onderbouwd met een e-mail van zijn verzekeringsmaatschappij, die de terugval specificeert op het door [A] gestelde bedrag, over een periode van 3 jaren. Deze onderbouwing is voldoende. Omdat het gaat om (extra) verzekeringspremie die pas in de toekomst hoeft te worden betaald, dient deze post echter contant te worden gemaakt tegen de aanvangsdatum van de wettelijke rente. Uitgaande van een percentage van 2% voor contant maken, begroot de rechtbank deze post schattenderwijs op € 1.080,00.

Gederfde inkomsten. [A] werkt als ZZP-er. Hij stelt door het incident drie dagen niet te hebben kunnen werken: twee dagen omdat hij zijn auto niet beschikbaar had (wegens reparatie) en één dag omdat hij vrij moest nemen voor een intake voor agressietherapie, die naar zijn stelling verband houdt met (zijn reactie op) het incident. [A] rekent hiervoor 3 dagen à 12 uur à € 25,00 (ex btw). De rechtbank acht het causaal verband, het aantal dagen en het tarief voldoende onderbouwd. De 12 uur per dag acht de rechtbank niet zonder meer voor de hand liggend en deze werkuren per dag zijn ook niet concreet onderbouwd. De rechtbank zal daarom uitgaan van een gebruikelijke werkdag van 8 uur per dag. Voor het meerdere zou nadere onderbouwing nodig zijn, en dat zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. In zoverre zal [A] daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering wat betreft dat deel dat niet kan worden toegewezen. Verder betreffen de opgegeven gederfde inkomsten kennelijk een brutobedrag, dat, voor zover het in aanmerking wordt genomen, voor de schadeberekening netto dient te worden gemaakt. De rechtbank zal dat doen tegen het IB-tarief schijven 2 en 3, 2015: 42%. Aldus begroot de rechtbank deze post op 3 dagen x 8 uur x tarief € 25 x 58% (bruto-netto) = € 348,00. De rest van dit deel van de vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade. Uit de bewijsmiddelen uit het dossier blijkt dat [A] eerst in zijn auto, en later ook toen hij was uitgestapt, door een groep van 20 tot 25 man, in welke groep verdachte zich bevond, is bekogeld met eieren en zeer zwaar vuurwerk. Hij heeft daarbij voor zijn leven, of althans zeer zwaar letsel, moeten vrezen. Dat het uiteindelijk opgelopen letsel niet zwaar was is zonder meer een geluk, maar doet aan de schok niet af. De rechtbank acht ook aannemelijk dat [A] , zoals hij beschrijft, door het gebeuren psychisch een forse klap heeft opgelopen. Tegen de achtergrond van dit een en ander acht de rechtbank de gevorderde immateriële schade van
€ 1.000,00 toewijsbaar.

Rente en kosten. De wettelijke rente (artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek) zal worden toegewezen vanaf 9 oktober 2015. De rechtbank zal verdachte ook veroordelen in de (nog te maken) kosten van tenuitvoerlegging.

Hoofdelijkheid. [A] vordert het geheel van zijn schade van verdachte, maar ook geheel van diens medeverdachten. De rechtbank leidt hieruit af dat [A] deze schade hoofdelijk vordert. Aldus zal deze ook – voor verdachte – hoofdelijk worden toegewezen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c, 36f, 47, 57, 285 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 primair: Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Feit 2: Medeplegen van bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen.

- Verklaart het bewezene strafbaar.

- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Benadeelde partij

- Veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij [A] te betalen een bedrag van € 2.578,00 (tweeduizend vijfhonderdachtenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2015 tot de dag van volledige betaling, en de kosten van tenuitvoerlegging, deze laatste tot op heden begroot op nihil.

- Verklaart de benadeelde partij [A] voor het meerdere niet ontvankelijk in zijn vordering; in zoverre kan de benadeelde partij [A] zijn vordering aanhangig maken bij de burgerlijke rechter.

- Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [A] voornoemd aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.578,00 (tweeduizend vijfhonderdachtenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2015 tot de dag van volledige betaling, bij gebreke van betaling en verhaal aan te vullen met hechtenis van 35 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting dus niet op.

- Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of zijn medeverdachten en/of -daders aan een van de genoemde (dienovereenkomstige) betalingsverplichtingen jegens [A] en/of de Staat voldoen, daarmee voor verdachte de andere vervallen.

Voorlopige hechtenis

- Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2016.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

primair:

hij op of omstreeks 9 oktober 2015 te Woerden, althans in het arrondissement

Midden-Nederland met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten

op of aan de [adres] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of op

een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen goederen ((een) aldaar geplaatst(e) (drang)hekwerk(en) en/of

een sporthal en/of een auto) en/of personen (te weten [A]

en/of [B] , zijnde beveiligingsmedewerkers) welk geweld bestond uit

- het omgooien van (een) dranghek(ken) en/of

- het gooien van (illegale) vuurwerk(bommen) en/of eieren en/of flessen en/of

dranghekken in de richting van en/of op/tegen voornoemde

beveiligingsmedewerkers en/of [naam locatie] (waarin 148 vluchtelingen

en meerdere vrijwilligers aanwezig waren) en/of een auto en/of

- het luidkeels roepen en/of joelen naar/in de richting van de vluchtelingen

in de [naam locatie] ;

subsidiair:

hij op of omstreeks 09 oktober 2015 te Woerden met anderen, althans een

ander, heeft deelgenomen aan een samenscholing, en/of onnodig heeft

opgedrongen en/of door uitdagend gedrag aanleiding heeft gegeven tot

ongeregelheden, immers maakte hij, verdachte, deel uit van een groep van

ongeveer 25 personen, althans een aantal personen, welke personen:

- verzamelden nabij [naam locatie] en/of

- ( vervolgens) met bivakmutsen en/of capuchons en/of donkere kleding op hun

hoofd in de richting van [naam locatie] renden/liepen en/of

- vervolgens (een) dranghek(ken) hebben omgegooid en/of

- ( illegale) vuurwerk(bommen) en/of eieren en/of flessen en/of dranghekken in

de richting van en/of op/tegen voornoemde beveiligingsmedewerkers hebben

gegooid en/of

- luidkeels naar/in de richting van de vluchtelingen in de [naam locatie]

geroepen en/of gejoeld, onder meer teksten als "oprotten" en/of

"niet welkom" en/of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking

waardoor een dreigende situatie ontstond;

Art. 2.1 Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Woerden 2011

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 9 oktober 2015 te Woerden, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, [A] en/of [B] , zijnde beveiligingsmedewerkers

en/of 148, althans een grote groep asielzoekers/vluchtelingen heeft bedreigd

met openlijke geweldpleging tegen personen en/of goederen, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- ( een) dranghek(ken) omgegooid en/of

- ( illegale) vuurwerk(bommen) en/of eieren en/of flessen en/of dranghekken in

de richting van en/of op/tegen voornoemde beveiligingsmedewerkers gegooid en/of

- luidkeels naar/in de richting van de vluchtelingen in de [naam locatie]

geroepen en/of gejoeld, onder meer teksten als "oprotten" en/of

"niet welkom" en/of woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van aangifte van [A] , doorgenummerde pagina 841.

3 Proces-verbaal van aangifte van [A] , doorgenummerde pagina 842.

4 Proces-verbaal van bevindingen van [E] , p. 843.

5 Proces-verbaal van aangifte van [B] , doorgenummerde pagina 850.

6 Proces-verbaal van aangifte van [B] , doorgenummerde pagina 851.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [C] , p. 860.

8 Het proces-verbaal van aangifte van [C] , p. 861.

9 Proces-verbaal sporenonderzoek, doorgenummerde pagina 919.

10 Proces-verbaal sporenonderzoek, doorgenummerde pagina 920.

11 Proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen vuurwerk, doorgenummerde pagina 945.

12 Proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen vuurwerk, doorgenummerde pagina 944.

13 Proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen vuurwerk, doorgenummerde pagina 942.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 270.

15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 273.

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 270.

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 271.

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 274.

19 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 272.

20 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 275.