Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6733

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 707
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking urgentieverklaring. Het primaire besluit is onbevoegd genomen vanwege ontbreken geldig mandaatbesluit. De beslissing op bezwaar is genomen door de afdelingsmanager Ruimtelijke Ontwikkeling en Mobiliteit namens het college van burgemeester en wethouders. Dat deze afdelingsmanager bevoegd was om beslissingen op bezwaar te nemen namens het college van B&W is niet inzichtelijk gemaakt.

Omdat de beslissing op bezwaar niet bevoegd is genomen, kan die ook niet gelden als een rechtsgeldige bekrachtiging van het primaire besluit door het juiste orgaan.

De beslissing op bezwaar wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen.

De rechtbank heeft opgemerkt dat deze uitspraak er niet aan in de weg staat dat het bevoegde gezag zelf (het college van burgemeester en wethouders) of een correct gemandateerde ambtenaar alsnog de urgentieverklaring met terugwerkende kracht intrekt. Pas dan zal bij een eventuele beroepsprocedure de inhoudelijke juistheid daarvan worden beoordeeld. Naar de huidige stand van zaken maken de mandaatsperikelen de onduidelijkheden te groot om over te gaan tot een inhoudelijk oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/707

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. T.P. Boer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigden: mr. J.H.S. Biervliet en K. Bahora).

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft Het Vierde Huis namens verweerder de urgentieverklaring van eiseres ingetrokken.

Bij besluit van 25 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft de afdelingsmanager Ruimtelijke Ontwikkeling en Mobiliteit namens verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen de bevoegdheid tot het nemen van de besluiten te onderbouwen.

Bij brief van 25 april 2016 heeft verweerder een toelichting gegeven.

Bij brief van 9 mei 2016 heeft eiseres hierop gereageerd.

Bij brief van 13 mei 2016 heeft verweerder een besluit tot verlening van ondermandaat verstuurd.

Bij brief van 18 augustus 2016 heeft eiseres hierop gereageerd.

Met toestemming van beide partijen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten zonder dat een nadere zitting plaatsvindt en de uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 13 mei 2015 een urgentieverklaring gekregen op grond van de ernst van haar woonsituatie. In het besluit tot toekenning van de urgentieverklaring is vermeld dat een toegekende urgentieverklaring wordt ingetrokken indien de woningzoekende een aanbod van een naar het oordeel van het college passende woning heeft geweigerd. Eiseres heeft gereageerd op een woning aan de [adres] te [woonplaats] die uiteindelijk te duur voor haar bleek te zijn vanwege de verplichte afname van een parkeerplaats inclusief een daarvoor te betalen huurprijs. Zij heeft die woning geweigerd. Dit heeft geleid tot intrekking van de urgentieverklaring. Eiseres heeft vervolgens verzocht om herstel van de urgentie en op advies van de urgentiecommissie heeft verweerder besloten de urgentieverklaring te herstellen. Eiseres heeft vervolgens gereageerd op de woning [adres] te [woonplaats] . Na de bezichtiging van de woning heeft eiseres gemeld dat ze de woning uitgewoond vond, de kamers te klein en dat zij had gehoord dat er hangjongeren in de buurt zijn. De woningcorporatie meldde de woning nog te zullen opknappen, maar eiseres heeft deze woning toch geweigerd. Hierop is de besluitvorming gevolgd als weergegeven onder het Procesverloop.

2. In het primaire besluit heeft de bestuurder van Het Vierde Huis – beslissend namens verweerder – de urgentie ingetrokken met ingang van 6 augustus 2015. Bij het bestreden besluit heeft de afdelingsmanager Ruimtelijke Ontwikkeling en Mobiliteit namens verweerder deze intrekking gehandhaafd.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat Het Vierde Huis bij de intrekking van de urgentieverklaring in het primaire besluit niet beschikte over een geldig mandaat. Dat besluit is dus onbevoegd genomen. Ook het bestreden besluit is volgens eiseres onbevoegd genomen nu niet gebleken is van een geldig mandaat van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere aan de afdelingsmanager Ruimtelijke Ontwikkeling en Mobiliteit.

Verweerder heeft zich ten aanzien van het primaire besluit op het standpunt gesteld dat op de hoorzitting ten onrechte het Mandaatbesluit is meegenomen dat ziet op de Huisvestingsverordening 2012. De situatie van eiseres valt echter onder de Huisvestigingsverordening 2015 waarvoor verweerder voor de uitvoering van de urgentieverlening geen mandaat heeft verleend aan Het Vierde Huis. Dit is inmiddels hersteld met het Ondermandaatbesluit Huisvestingsverordening Almere 2015 Het Vierde Huis dat op 1 februari 2016 in het Gemeenteblad is gepubliceerd. Met betrekking tot het bestreden besluit stelt verweerder zich uiteindelijk op het standpunt dat het bevoegdheidsgebrek is hersteld door een op 9 mei 2016 genomen ondermandaatbesluit.

4. De rechtbank overweegt dat gebleken is dat er ten tijde van het primaire besluit geen mandaatbesluit was genomen behorend bij de Huisvestingsverordening 2015. Het primaire besluit is dus onbevoegd genomen door Het Vierde Huis. Dit gebrek kan verweerder met het bestreden besluit herstellen.

5. Ter zitting bij de rechtbank is verweerder voorgehouden dat met betrekking tot het bestreden besluit de mandatering van verweerder (via eventuele ondermandaten) aan de afdelingsmanager Ruimtelijke Ontwikkeling en Mobiliteit niet inzichtelijk is. Verweerder heeft hier toen geen opheldering over kunnen verschaffen. Bij brief van 25 april 2016 heeft verweerder vervolgens meegedeeld dat voor de Huisvestingsverordening 2015 de directeur van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling, die volgens verweerder gemandateerd is voor dit soort besluiten, geen ondermandaat heeft verleend aan de afdelingsmanager van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Mobiliteit tot het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiseres. Verder heeft verweerder bij brief van 13 mei 2016 een besluit van 9 mei 2016 aan de rechtbank overgelegd waarbij de directeur van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 ondermandaat verleent aan de afdelingsmanager Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit tot het beslissen op bezwaarschriften als bedoeld onder nummer A17 van de Mandateringslijst Diensten, voor zover de bezwaarschriften betrekking hebben op de uitvoering – al dan niet door externe partijen – van de Huisvestingswet en de daarop gebaseerde regelgeving, waaronder begrepen de vigerende Huisvestingsverordening.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is met de door verweerder ter zitting en na afloop daarvan overgelegde stukken de mandatering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere richting de directeur van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling nog altijd niet inzichtelijk gemaakt. De mandatering van het college van burgemeester en wethouders van Almere aan de gemeentesecretaris van Almere is met het mandateringsbesluit van 30 december 2015 inzichtelijk gemaakt. Op de bij dit besluit gevoegde mandateringslijst gemeentesecretaris is vervolgens onder het kopje Overige bevoegdheden onder 8. bepaald dat de gemeentesecretaris bevoegd is om ten aanzien van het uitvoeren van de Huisvestingswet en de daarop gebaseerde regelgeving ondermandaat te verlenen. Uit dit besluit lijkt echter te volgen dat dit ondermandaat is verleend aan de directeur van de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek. Dat en hoe vervolgens deze directeur mandaat heeft verleend aan de directeur van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling, is niet inzichtelijk gemaakt en niet aangetoond. Daarnaast merkt de rechtbank op dat in het besluit van 9 mei 2016 niet is vermeld dat ondermandaat wordt verleend aan de (in het bestreden besluit genoemde) afdelingsmanager Ruimtelijke Ontwikkeling en Mobiliteit, maar aan de afdelingsmanager Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit (cursiveringen door de rechtbank).

7. Dit betekent dat het beroep van eiseres gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank komt dus niet toe aan de vraag of verweerder met terugwerkende kracht mandaat heeft kunnen verlenen om een bevoegdheidsgebrek te herstellen.
In het bestreden besluit is ter heling van het hiervoor onder 4 vermelde bevoegdheidsgebrek overwogen dat het primaire besluit wordt bevestigd. Nu echter aan het bestreden besluit eveneens een bevoegdheidsgebrek kleeft, kan dit besluit niet als rechtsgeldige bekrachtiging van het primaire besluit worden gezien. Het aan het primaire besluit klevende bevoegdheidsgebrek is dus niet in bezwaar hersteld. De rechtbank ziet daarin aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen.

8. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat deze uitspraak er niet aan in de weg staat dat het bevoegde gezag zelf (het college van burgemeester en wethouders) of een correct gemandateerde ambtenaar alsnog de urgentieverklaring met terugwerkende kracht intrekt. Pas dan zal bij een eventuele beroepsprocedure de inhoudelijke juistheid daarvan worden beoordeeld. Naar de huidige stand van zaken maken de mandaatsperikelen de onduidelijkheden te groot om over te gaan tot een inhoudelijk oordeel.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep vast op € 1.984,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.984,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.L. de Gier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.