Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:669

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
C/16/403535 / KG RK 15-1015
Formele relaties
Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2016:1514
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking. prejudiciële vraag, artikel 38 WTBZ, bij verzoekschrift of dagvaarding ? Karakter bevelschrift eigen bijdrage na 1-1-2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/403535 / KG RK 15-1015

Tussenbeschikking van de president van 10 februari 2016

in de zaak van

[verzoeker] , h.o.d.n. @ [naam],

kantoorhoudende aan het [adres] ,

te [vestigingsplaats] ,

verzoeker,

tegen

[verweerster] ,

wonende aan de [adres] ,

te [woonplaats] ,

verweerster.

1. De p rocedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 17 augustus 2015,

  • het vonnis van 16 september 2015, waarin is bevolen de zaak voort te zetten volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure,

  • het verweerschrift,

  • de mondelinge behandeling.

2. De over wegingen

2.1. Het gaat in deze zaak om een procedure op grond van artikel 38 lid 4 Wet op de Rechtsbijstand, welke strekt tot vaststelling van het bedrag dat rechtzoekende, verweerster, verschuldigd is aan verzoeker.

2.2. Artikel 38, vierde lid Wet op de rechtsbijstand luidt thans als volgt:

“Indien de rechtzoekende weigerachtig blijft de door hem aan de rechtsbijstandverlener verschuldigde bijdrage en vergoeding voor de kosten te voldoen, wordt het bedrag nader vastgesteld door de president van de rechtbank waarin de rechtsbijstandverlener is gevestigd.”

2.3. Deze regeling geldt op grond van artikel 66, tweede lid Wet op de Rechtsbijstand voor toevoegingen, die na 1 januari 2015 zijn afgegeven.

2.4. Voor toevoegingen afgegeven voor die datum werd na een verzoek door de president van de rechtbank een bevelschrift afgegeven overeenkomstig de inmiddels vervallen regeling van de artikelen 34 tot en met 40 van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (vergelijk ook artikel IV Wet positie en toezicht advocatuur).

2.5. In de onderhavige procedure heeft verzoeker een procedure bij dagvaarding ingeleid, teneinde een titel te krijgen tegen verweerder ter executie van de vordering strekkende tot betaling van de na 1 januari 2015 opgelegde eigen bijdrage en de voorgeschoten griffierechten tot een bedrag van in hoofdsom € 273,00.

2.6. De kantonrechter heeft deze zaak op de voet van 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de zaak verwezen naar de verzoekschriftenprocedure en daarna heeft de president een mondelinge behandeling gehouden.

2.7. De wetgever heeft bij de wijziging van de Wet Tarieven Burgerlijke Zaken geen kenbare aandacht besteed aan de omstandigheid dat de speciale rechtsgang voor rechtsbijstandverleners in zogenoemde toevoegingsprocedures is komen te vervallen.

2.8. De president ziet zich thans voor de vraag gesteld of artikel 38, vierde lid Wet op de rechtsbijstand zo moet worden uitgelegd dat rechtsbijstandsverleners zich nog steeds met het verzoek tot het afgeven van een bevelschrift (in wezen een beschikking uitgegeven in executoriale vorm) tot de president kunnen wenden en dat die procedure daarna conform de derde titel, eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet worden afgedaan.

2.9. In den lande bestaat hier verschil van mening over.

Sommige rechtbanken sturen dergelijke verzoeken terug met de toelichting dat er thans geen procedure meer voor bestaat, andere rechtbanken verklaren verzoekers niet ontvankelijk.

2.10. Het gaat om grote aantallen zaken.

Voor de rechtbank midden Nederland, locatie Utrecht tussen de tien en twintig zaken per maand.

Tegelijkertijd gaat het om relatief kleine bedragen.

Daarom zal deze vraag Uw raad niet snel via de “gewone” weg worden voorgelegd, terwijl er wel een grote behoefte is aan rechtseenheid op dit punt.

2.11. Daarbij acht de president het wenselijk om Uw Raad er op te wijzen dat niemand gebaat is om deze zaken via de relatief zeer dure en meer omslachtige weg van de dagvaardingsprocedure af te doen.

Noch de Sociale advocatuur noch degene die geprocedeerd hebben met een toevoeging zitten te wachten op een dergelijke kostenverhogende factor bij het afdoen van hun geschil.

2.12. De president verstout zich Uw Raad in herinnering te brengen dat Uw Raad de rechtspraktijk eerder te hulp is geschoten in uw arrest van 19 december 2014 , NJ 2015, 231 ECLI:HR:2014:3677, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er enige rek zit in het in beginsel gesloten systeem van artikel 261 Rv, bij voorbeeld omdat de procedure van artikel 38, vierde lid Wet op de Rechtsbijstand zou kunnen worden geschaard onder de zaken waarin de president weliswaar op verzoek maar toch ambtshalve een beschikking geeft.

2.13. Kort samengevat legt de president aan de Hoge Raad de volgende vraag voor:

Moet artikel 38, vierde lid van de Wet op de Rechtsbijstand zo worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daarvan bij verzoek tot de president van de rechtbank kan wenden en de president deze zaak kan afdoen in de vorm van een voor executie vatbare beschikking.

2.14. Tijdens de mondelinge behandeling van 9 februari 2016 hebben partijen uitdrukkelijk ingestemd met deze gang van zaken, nadat zij de door de president opgestelde conceptbeschikking hebben gelezen.

3. Be slissing

De president:

3.1. stelt de Hoge Raad de volgende rechtsvragen, ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing:

Moet artikel 38, vierde lid van de Wet op de Rechtsbijstand zo worden uitgelegd dat de rechtsbijstandverlener zich op grond daar van zich bij verzoek tot de president van de rechtbank kan wenden en de president deze zaak kan afdoen in de vorm van een voor executie vatbaar verzoekschrift.

3.2. houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek, plaatsvervangend president, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016.