Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6580

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
UTR 15/ 4608
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van het recht op bijstand, langdurigheidstoeslag en reserveringstoeslag over de periode 29 oktober 2009 tot en met 30 juni 2012 van in totaal een bedrag van € 46.554,53.

Eisers verzoek om aanhouding van de zaak in afwachting op onderzoekshandelingen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek wordt afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van verweerder voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat eiser in de periode in geding werkzaamheden heeft verricht als rechter in Irak. Eiser heeft hiervan geen melding gemaakt aan verweerder.

Tijdens een strafrechtelijke doorzoeking in eisers woning zijn diverse paspoorten aangetroffen, waaronder een Irakees dienstpaspoort van eiser met de vermelding “judge”.

Uit een analyse van de inbeslaggenomen paspoorten blijkt dat eiser in de periode in geding opvallend veel reisbewegingen in Irak en omliggende landen heeft gemaakt

Gelet daarop moet eiser in staat zijn geweest om daadwerkelijk werkzaamheden in Irak te verrichten. Uit de publicatie in de Official Gazette of Iraq van 2009, edition 4136 , (presidentieel decreet) blijkt dat (naam) op 7 september 2009 tot één van de rechters van het Iraakse Hoge Strafhof is benoemd. Uit onder meer het algemeen ambtsbericht van Irak van januari 2004 blijkt dat de Official Gazette of Iraq de Staatscourant van Irak is. Het gaat dus om een officiële bron. De beroepsgrond dat eiser in de periode waarin hij bijstand ontving niet als rechter heeft gewerkt, slaagt niet.

Eiser heeft de inlichtingenplicht geschonden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/4608

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.A.M. Staal),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: E.J.W. Bruinsma).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiser op bijstand, langdurigheidstoeslag en reserveringstoeslag over de periode van 29 oktober 2009 tot en met 30 juni 2012 ingetrokken en de ten onrechte betaalde bijstand en toeslagen over deze periode van in totaal € 46.554,53 van eiser (en zijn echtgenote) teruggevorderd.

Bij besluit van 23 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was namens verweerder de heer [sociaal rechercheur] , sociaal rechercheur, aanwezig.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser heeft vanaf 5 november 1996 tot 1 juli 2012 een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm ontvangen. Per 1 juli 2012 is de bijstandsuitkering van eiser beëindigd, omdat eiser vanaf dat moment recht heeft op een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet.

Naar aanleiding van een Irakees arrestatiebevel tegen de ex-schoonzoon van eiser, zijnde [A] ( [A] ) is een strafrechtelijk onderzoek onder de naam Durian opgestart. Het onderzoek bestaat uit twee deelonderzoeken. Het eerste deel heeft betrekking op het Irakees arrestatiebevel en het tweede deel heeft betrekking op sociale verzekeringsfraude. De bevindingen van het tweede deelonderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 31 augustus 2014. Daaruit blijkt dat [A] op 28 maart 2011 heeft verklaard dat eiser tussen 2004 en 2009 een bijstandsuitkering in Nederland heeft genoten en tegelijkertijd rechter in Irak is geweest. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat op 26 november 2013 een strafrechtelijke doorzoeking in eisers woning heeft plaatsgevonden, waarbij diverse paspoorten, waaronder een Irakees dienstpaspoort van eiser met de vermelding “judge”, in beslag zijn genomen.Uit het procesdossier blijkt verder dat bij een internetonderzoek een publicatie van de Official Gazette of Iraq uit 2009 is aangetroffen, waarin staat dat “ [eiser] ” is benoemd tot rechter bij het Iraaks Hoge Strafhof.

2. Verweerder heeft op basis van de onderzoeksbevindingen geconcludeerd dat eiser in de periode van 29 oktober 2009 tot en met 30 juni 2012 werkzaamheden heeft verricht als rechter in Irak. Door hiervan geen melding te maken heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) geschonden. Op grond van de beschikbare gegevens valt niet vast te stellen hoeveel inkomsten eiser met zijn werkzaamheden heeft verworven, zodat het recht op bijstand over de periode in geding niet kan worden vastgesteld, aldus verweerder.

3. De rechtbank dient eerst te beslissen op het verzoek om aanhouding van eiser. Eiser heeft bij brief van 16 februari 2016 ten behoeve van de behandeling ter zitting op 17 februari 2016 zonder nadere toelichting aanvullende stukken ingebracht. Deze stukken gaan over de onderzoekshandelingen die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek nog zullen plaatsvinden. Ter zitting heeft eiser verzocht om aanhouding, zodat hij de stukken die uit het strafrechtelijk onderzoek zullen voortkomen in de onderhavige procedure kan inbrengen. Op de vraag welke onderzoeksresultaten eiser wil afwachten, heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij voor de onderhavige procedure het onderzoek door een deskundige naar de betekenis van het woord “judge” in zijn paspoort van belang acht, omdat de vermelding in zijn paspoort volgens eiser niet betekent dat hij als rechter is aangesteld. Verder acht eiser de nog af te leggen verklaring van [A] van belang, omdat [A] de aanleiding is geweest voor het onderzoek naar eiser.

4. De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding af. Uit de door eiser overgelegde beschikkingen van 8 januari 2016 en van 2 februari 2016 volgt dat de rechter-commissaris nog niet heeft beslist op het verzoek van de verdediging tot benoeming van een deskundige op het gebied van Iraakse paspoorten, omdat onduidelijk is of er een deskundige beschikbaar is. De rechtbank acht het in strijd met een goede procesorde om de onderhavige procedure aan te houden in verband met een toekomstige onzekere gebeurtenis, waarbij bovendien onduidelijk is op welke termijn een eventuele deskundige advies uit zou kunnen brengen. De rechtbank overweegt voorts dat eiser in de bestuursrechtelijke procedure de mogelijkheid heeft om getuigen op te roepen. Zoals in de uitnodigingsbrief staat vermeld, moet uiterlijk zeven dagen voor de zitting aan de rechtbank en andere partijen worden meegedeeld of er een getuige wordt opgeroepen. Eiser heeft niet van de mogelijkheid gebruikgemaakt om [A] , van wie eiser thans de verklaring wil afwachten, als getuige op te roepen. In het licht daarvan acht de rechtbank het in strijd met de goede procesorde om de getuigenverklaring van [A] in de strafrechtelijke procedure te willen afwachten en daarvoor pas voor het eerst ter zitting een verzoek in te dienen.

5. Eiser voert in beroep aan dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Eiser stelt dat hij in de periode waarin hij bijstand ontving geen op inkomsten gewaardeerde arbeid in de functie van rechter heeft verricht. De titel ‘judge’ in zijn paspoort betekent volgens eiser niet dat hij in de periode in geding als rechter werkzaam was. Voorts verwijst eiser naar de overgelegde verklaringen van de Hoge Raad van Irak van 22 december 2014 en 24 mei 2015, waarin is vermeld dat hij niet meer als rechter werkzaam is. Over de overige documenten die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, stelt eiser dat deze niet op echtheid kunnen worden geverifieerd, zodat deze geen bewijswaarde hebben.

6. De rechtbank overweegt dat de intrekking en terugvordering van bijstand belastende besluiten voor eiser zijn. Dit brengt mee dat op verweerder een onderzoeksplicht en de bewijslast rust over de vraag of aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2302).

7. De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat eiser in de periode in geding werkzaamheden heeft verricht als rechter in Irak. De rechtbank hecht daarbij met name waarde aan de publicatie in de Official Gazette of Iraq van 2009, edition 4136 , (presidentieel decreet), waaruit blijkt dat “ [eiser] ” op 7 september 2009 tot één van de rechters van het Iraakse Hoge Strafhof is benoemd. Uit onder meer het algemeen ambtsbericht van Irak van januari 2004 blijkt dat de Official Gazette of Iraq de Staatscourant van Irak is. Het gaat dus om een officiële bron. Anders dan eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank in de omstandigheid dat het presidentieel decreet dat zich in het dossier bevindt, een print van internet betreft geen grond voor het oordeel dat hieraan geen bewijswaarde toekomt. Voorts blijkt uit een analyse van de vier inbeslaggenomen paspoorten van eiser, dat eiser in de periode in geding opvallend veel reisbewegingen in Irak en omliggende landen heeft gemaakt (2009: oktober, november en december, 2010: januari, april, mei, augustus, september, oktober, november, 2011: februari, maart, augustus, september, oktober, december en 2012: februari, mei en juni). Gelet op deze reisbewegingen moet eiser in staat zijn geweest om daadwerkelijk werkzaamheden in Irak te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser overgelegde verklaringen van de Hoogste Raad voor de Rechtspraak geen afbreuk doen aan het voorgaande. Weliswaar staat in de verklaring van 24 mei 2015 dat eiser sinds 8 juli 2009 is uitgeschreven en dat hij sinds die datum niet langer werkzaam is binnen de instelling van de Hoogste Raad voor de Rechtspraak, maar dit sluit niet uit dat eiser vanaf 7 september 2009 als rechter werkzaam is geweest bij het Iraakse Hoge Strafhof. Bovendien roept de in de verklaring genoemde datum van uitschrijving vragen op, omdat eiser in bezwaar heeft aangevoerd dat hij sinds 1981 geen rechter meer is en hij ter zitting heeft verklaard dat hij van 1982 tot 1986 in Irak gevangen zat en dat hij in 1986 als rechter is uitgeschreven. De beroepsgrond dat eiser in de periode waarin hij bijstand ontving niet als rechter heeft gewerkt slaagt gelet op het voorgaande niet.

8. Eiser heeft niet aan verweerder gemeld dat hij rechter in Irak was in de periode in geding. Gelet daarop slaagt de beroepsgrond van eiser dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden niet.

9. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond oplevert voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen duidelijkheid heeft verschaft over de omvang van zijn werkzaamheden. Daardoor is onvoldoende inzichtelijk gemaakt en onduidelijk gebleven wat de precieze omvang is geweest van de werkzaamheden en het daarbij behorende inkomen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden beoordeeld of eiser ten tijde in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

10. De rechtbank concludeert dat aan de voorwaarden voor intrekking van het recht op bijstand en terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand in de periode in geding is voldaan.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Falkmann, voorzitter, en mr. S.G.M. Buys en
mr. J.E. Visser, leden, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.