Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6546

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1397
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1255, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek om openbaarmaking van beeldmateriaal en documenten die betrekking hebben op de bijdrage van de Nederlandse krijgsmacht in de strijd tegen ISIS is door verweerder terecht geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en sub b en artikel 10, tweede lid, aanhef en sub a van de Wob.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/1397

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 december 2016 in de zaak tussen

RTL Nieuws, te Hilversum, eiseres

(gemachtigden: R. Strijker en mr. R.J.E. Vleugels)

en

Minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 6 februari 2015 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gevraagd om openbaarmaking van beeldmateriaal en kopieën van (delen van) documenten die betrekking hebben op de bijdrage van de Nederlandse krijgsmacht in de strijd tegen ISIS in Irak, zoals is omschreven in de Artikel 100 brief van verweerder van

24 september 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Bij besluit van 19 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd de gevraagde documenten en het beeldmateriaal openbaar te maken.

Bij besluit van 27 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [A] en [B] .

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om op het Ministerie van Defensie achter gesloten deuren kennis te nemen van de documenten en het beeldmateriaal. Dit heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2016.

Nadat partijen de rechtbank toestemming hebben verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft in het Wob-verzoek gevraagd om openbaarmaking van formele documenten over de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS in Irak, waaronder documenten inzake gevechtshandelingen, documenten over (burger)slachtoffers en beelddocumenten. Eiseres heeft in dit verband bijvoorbeeld verzocht om openbaarmaking van de Rules of Engagement (RoE), de Operationele Aanwijzingen (OA), de After Action Reports (AAR), de mission reports (misreps) en de Interne Memoranda (IM’s). Het verzoek van eiseres heeft betrekking op de periode van 24 september 2014 tot aan het bestreden besluit.

2. Verweerder heeft in het primaire besluit het verzoek om openbaarmaking van de door eiseres gevraagde documenten en beeldmateriaal afgewezen, met uitzondering van twee eerder door de Commandant der Strijdkrachten (CdS) tijdens een persbriefing vertoonde beelden. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering en verbetering van de toepasselijke wettelijke bepalingen. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het advies van de Commissie bezwaarschriften van 18 december 2015. Verweerder heeft openbaarmaking van de verzochte stukken en het beeldmateriaal geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob, omdat bij openbaarmaking de veiligheid van de Staat in het geding is, en op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob, omdat openbaarmaking de betrekkingen van Nederland met andere Staten in gevaar brengt.

3. Verweerder heeft ten aanzien van alle door eiseres verzochte stukken gevraagd om vertrouwelijke kennisname daarvan met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft toestemming gegeven voor vertrouwelijke kennisname door de rechtbank.

4. Ter zitting heeft eiseres het verzoek om openbaarmaking van documenten beperkt tot de IM’s, voor zover deze betrekking hebben op de dagen dat er door de Nederlandse krijgsmacht wapens zijn ingezet, beeldmateriaal en documenten over (burger)slachtoffers.

5. Wettelijk kader

5.1

Op grond van artikel 3 van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

5.2

Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover dit de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden.

5.3

Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft - voor zover hier van belang - het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

(…)

6. Politiek besluit

6.1

Eiseres heeft ten eerste aangevoerd dat het bestreden besluit niet een juridisch maar een politiek besluit is. Volgens eiseres hanteert verweerder bij elkaar geschraapte juridische argumenten om verzoekers in Wob-procedures op afstand te houden. Argumenten die strijdig zijn met de Wob en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres heeft in haar beroepschrift enkele voorbeelden genoemd ter onderbouwing van haar standpunt. Eiseres heeft in dit verband verder nog gewezen op het noodzakelijkheidsvereiste en de rol van de pers als ‘social watchdog’.

6.2

Verweerder heeft toegelicht dat de gevraagde documenten beoordeeld zijn aan de hand van het toetsingskader van de Wob en dat artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob zich tegen openbaarmaking verzetten. Van een politiek besluit is volgens verweerder dan ook geen sprake.

6.3

De rechtbank overweegt dat verweerder de openbaarmaking van de door eiseres gevraagde documenten in het bestreden besluit heeft afgewezen op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob en op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Verweerder heeft beoordeeld of openbaarmaking van de gevraagde documenten de veiligheid van de Staat in gevaar kan brengen en of openbaarmaking van de gevraagde documenten een belang is dat opweegt tegen het belang van betrekkingen van Nederland met andere staten. Dat geen sprake zou zijn van een juridische toets volgt de rechtbank dan ook niet. Verder volgt de rechtbank de stelling van eiseres dat verweerder haar via juridisering van Wob-procedures op afstand zet evenmin. Eiseres noemt in deze context het noodzakelijkheidscriterium van artikel 10 van het EVRM, maar uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), bijvoorbeeld de uitspraak van 14 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1708), vloeit voort dat artikel 10 van het EVRM niet vereist dat alle informatie wordt verstrekt of openbaar wordt gemaakt en dat artikel biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Met artikel 10 van de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. Verder is voldaan aan het vereiste dat de inbreuk op dat recht noodzakelijk is in het belang van het beschermen van de rechten van anderen. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder door de gevraagde documenten niet te verstrekken of openbaar te maken, in strijd met voormelde verdragsbepaling heeft gehandeld.

6.4

Volgens eiseres werd voorafgaand aan het primaire besluit de indruk gewekt dat verweerder overeenkomstig een eerder verzoek over Uruzgan zou beslissen. Dat dit later van hogerhand is teruggedraaid, duidt er volgens eiseres op dat sprake is van een politiek besluit. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op e-mails van 18 en 20 april 2015 tussen eiseres en de Wob-coördinator van verweerder. Verweerder heeft dit standpunt bestreden met een beroep op vaste jurisprudentie van de ABRvS, waaruit voortvloeit dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slaagt als er sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging gedaan door een daartoe bevoegd persoon. Daarvan is volgens verweerder geen sprake.

6.5

De rechtbank overweegt dat uit de genoemde e-mails blijkt dat de Wob-coördinator eiseres - samengevat weergeven - heeft meegedeeld dat de laatste hand aan de IM’s wordt gelegd, dat die documenten in een eerder door eiseres ingediend Wob-verzoek al eens openbaar zijn gemaakt en dat de lijn van toen nu ook gevolgd wordt. Maar in diezelfde e-mails is eiseres ook meegedeeld dat het Wob-verzoek van eiseres een onderwerp betreft dat het hart van Defensie raakt en waar menig afdeling en directie graag bij betrokken wordt. Daarnaast is eiseres meegedeeld dat er al eerder door verweerder geoordeeld is dat er niet meer beeldmateriaal vrijgegeven kan worden dan de tijdens een persbriefing door de CdS getoonde beelden. Verder is eiseres meegedeeld dat het verzoek van eiseres ziet op een lopende operatie en dat dat maakt dat men binnen de krijgsmacht goed wil bezien of vrijgegeven informatie niet het personeel in gevaar kan brengen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de inhoud van de e-mails dus niet van een concrete ondubbelzinnige toezegging door een daartoe bevoegd persoon. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3006), blijkt dat dit wel is vereist voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Uit de e-mails blijkt dat er sprake is van gevoelige informatie, die niet zonder meer openbaar gemaakt kan worden door verweerder. Van het terugkomen op een toezegging is geen sprake. Dit betekent dat het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

6.6

Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat verweerder eerder, naar aanleiding van een Wob-verzoek inzake Uruzgan, wel IM’s openbaar heeft gemaakt die betrekking hadden op die missie in Uruzgan en dat daarin melding is gemaakt van wapensystemen en dat dat algemeen bekende informatie is, zodat er geen reden is om de IM’s in deze zaak op die grond niet te openbaren.

Voor zover eiseres heeft bedoeld hiermee een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel volgt de rechtbank dit niet. Daarbij is van belang dat er geen rechten ontleend kunnen worden aan eerdere Wob-besluiten, tenzij het gelijke gevallen betreft. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat de missie in Uruzgan van een andere orde was dan de missie in Irak. Zo betrof de missie in Uruzgan een stabilisatiemissie gericht op wederopbouw, terwijl de missie in Irak een interventiemissie is, gericht op het terugdringen en actief bestrijden van een zeer gewelddadige vijand die met regelmaat geweld toepast in de landen van de coalitie en daar daadwerkelijk militairen en het thuisfront bedreigt. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van gelijke gevallen en (dus) van schending van het gelijkheidsbeginsel.

7. De IM’s

7.1

Verweerder heeft toegelicht dat de IM’s gedetailleerde operationele informatie bevatten of gegevens waaruit operationele informatie kan worden afgeleid die betrekking heeft op de in coalitieverband uitgevoerde missie in de strijd tegen ISIS. Die missie bestaat -kort gezegd- uit het beschikbaar stellen van F-16’s voor luchtaanvallen op Iraaks grondgebied.

7.2

De rechtbank heeft de IM’s ingezien en geconstateerd dat daarin per IM beknopt maar gedetailleerd (onder meer) de volgende informatie is neergelegd: datum van de aanval, gedetailleerde doellocatie, soort wapeninzet, hoeveelheid ingezette wapens, aantal en soort vlucht, tijdstip van de aanval en afloop van de missie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de IM’s daarmee inzicht geven in operationele activiteiten van Nederland en zijn F-16 vliegers en mogelijk ook van de coalitiepartners. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de informatie uit de IM’s herleid kan worden tot specifieke doelen en dat hieruit kan worden afgeleid welke doelen door Nederland, of de coalitiepartners, zijn aangevallen. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat openbaarmaking van deze documenten risico’s en gevaar kunnen opleveren voor de Nederlandse militairen en de Nederlandse samenleving. Verweerder heeft hierbij het gewelddadige karakter van de vijand van belang kunnen achten, die met regelmaat geweld toepast in de landen van de coalitie en militairen en het thuisfront bedreigt, zoals bijvoorbeeld ook is gebleken uit verschillende recente aanslagen in de landen om ons heen. In de IM’s wordt bovendien melding gemaakt van vijandelijke slachtoffers ten gevolge van handelingen van Nederlandse vliegers en verweerder heeft toegelicht dat het verstrekken van deze gegevens Nederland nadrukkelijk en afzonderlijk van de coalitie in verband brengt met gesneuvelde vijandelijke strijders. Dergelijke berichten kunnen de aandacht van de tegenstander specifiek op Nederlandse doelen richten. Daarnaast heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat door openbaarmaking van de IM’s de gewenste en overeengekomen eenheid in de coalitie doorbroken zou kunnen worden, hetgeen tot stroevere contacten met de coalitiepartners zou kunnen leiden. Ook dit standpunt komt de rechtbank niet onredelijk voor. Daarbij wordt opgemerkt dat het voor de toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob niet noodzakelijk is dat men een verslechtering van de goede betrekkingen als zodanig met andere landen of met internationale organisaties voorziet, maar dat het voldoende is dat men, als gevolg van het verschaffen van informatie ingevolge de wet, voorziet dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen, met als gevolg bijvoorbeeld dat het onderhouden van diplomatieke betrekkingen, of het voeren van bilateraal overleg met landen of internationale organisaties moeilijker zou gaan dan voorheen, of dat men in die landen of internationale organisaties minder geneigd zou zijn tot het verstrekken van bepaalde gegevens dan voorheen (Memorie van toelichting, Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 34). Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat hiervan sprake is en terecht opgemerkt dat hij in dit verband ook een grote mate van beoordelingsvrijheid heeft. Verweerder heeft verder terecht overwogen dat nu de strijd tegen ISIS in Irak wordt uitgevoerd in coalitieverband en de staten die deel uitmaken van de coalitie ook met F-16’s vliegen, de hiervoor genoemde risico’s ook voor die bondgenoten gelden. Verweerder heeft zich daarom naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat openbaarmaking van de IM’s de betrekkingen met de coalitiepartners stroever zal kunnen doen verlopen en dat deze belangen zwaarder wegen dan het belang van openbaarheid. De rechtbank overweegt in dit verband verder nog, onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 9 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU3735), dat als de IM’s zo worden afgebalkt dat de hiervoor genoemde belangen worden gewaarborgd, de IM’s - gelet op de beknopte weergave van de operationele activiteiten - geen informatie meer bevatten en openbaarmaking daarvan daarom zinledig is.

7.3

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij openbaarmaking van de IM’s de veiligheid van de Staat in het geding kan komen, zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob en dat het voorts kan leiden tot een stroever contact met de coalitiepartners, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd deze documenten openbaar te maken.

8. Beeldmateriaal

8.1

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder dusdanig verschillend omgaat met actieve en passieve openbaarmaking van beelddocumenten dat dit strijdig is met de Wob en de Awb. Als voorbeeld noemt eiseres de CdS die tijdens twee persbriefings actief informatie in de vorm van beeldmateriaal openbaar heeft gemaakt, terwijl openbaarmaking van ditzelfde materiaal aan eiseres is geweigerd. Eiseres heeft verder betoogd dat de beelden openbaar gemaakt kunnen worden als zij worden ontdaan van plaats en datum. Uit de actieve openbaarmakingen door de CdS blijkt dat dit technisch mogelijk is en dat er in dat geval ook geen tactische, strategische of andere operationele bezwaren (meer) zijn.

8.2

Verweerder heeft toegelicht dat de CdS tijdens persbriefings geen van de door eiseres gevraagde brondocumenten openbaar heeft gemaakt. Verder heeft verweerder gesteld dat het op de persbriefings getoonde beeldmateriaal dusdanig bewerkt is dat het neerkomt op het vervaardigen van nieuwe documenten. Daarnaast betekent het feit dat de CdS er in een enkel geval voor heeft gekozen om informatie gedetailleerder openbaar te maken, volgens verweerder niet dat dit vervolgens altijd mogelijk is. Uit een reeks van openbaarmakingen kan immers (operationele) informatie worden afgeleid die de veiligheid van de Staat of de betrekkingen met andere staten zou kunnen schaden.

8.3

De rechtbank heeft de desbetreffende beelden bekeken en heeft daarbij een toelichting gekregen van een deskundige van de Koninklijke Luchtmacht. Uit de beelden blijkt dat deze inzicht geven in, onder meer, de wijze van opereren, tactieken, capaciteiten van systemen en geweldsinstructies. Ook uit heel korte fragmenten kan deze informatie worden afgeleid, omdat de Head-Up-Display (HUD) inzicht geeft in (bijvoorbeeld) de hoogte, koers, snelheid en hoek waaronder aangevlogen wordt en ook gedetailleerde informatie geeft over de mogelijkheden van het gebruikte wapensysteem. Zelfs wanneer alle geluidsmateriaal zou worden weggelaten en het beeldmateriaal zou kunnen worden afgebalkt of in omvang worden beperkt, blijft het mogelijk om inzicht te krijgen in de wijze van opereren en de gehanteerde tactieken en geweldsinstructies. Verweerder heeft in dit verband terecht opgemerkt dat als de beelden naar aanleiding van het verzoek van eiseres openbaar gemaakt worden, ze door een ieder kunnen worden bestudeerd, waardoor derden operationele informatie kunnen verkrijgen. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat de geweigerde beelden en geluidsfragmenten bij openbaarmaking de veiligheid van de Staat kunnen schaden. Verweerder heeft aan de weigering ook ten grondslag kunnen leggen dat het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten, de coalitiepartners, geschaad kan worden, omdat het uit de beelden mogelijk ook inzicht kan worden verkregen in de wijze van opereren van de coalitie.

8.4

Dat, zoals eiseres heeft gesteld, vergelijkbaar beeldmateriaal van operationele situaties, opgenomen vanuit F-16’s door verweerder op persbriefings openbaar is gemaakt, maakt niet dat verweerder handelt in strijd met de Wob of de Awb. De persbriefing zijn immers, zoals verweerder heeft toegelicht, het resultaat van een zorgvuldige voorbereiding, waarbij de CdS zich beperkt heeft tot twee geprepareerde opnames die gemaakt zijn vanuit een F-16 die boven Irak vloog. De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat de door de CdS getoonde beelden zodanig geprepareerd zijn dat gesproken kan worden van het vervaardigen van een nieuw document. Uit de uitspraak van de ABRvS van 19 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY6779) volgt dat dit, zonder nadere wettelijke basis, niet van een bestuursorgaan gevergd kan worden in het kader van een Wob-verzoek. Verweerder heeft er, om hem moverende redenen, voor gekozen om bepaalde informatie openbaar te maken tijdens de genoemde persbriefings, maar dit betekent niet dat verweerder nu - ten behoeve van het verzoek van eiseres -gehouden zou zijn om meer documenten of beeldmateriaal te vervaardigen.

9. Burger(slachtoffers)

9.1

Eiseres betwist dat er geen eigenstandige registratie van gevallen strijders of burgerslachtoffers zou zijn. Volgens eiseres blijkt dit uit de beantwoording van de Kamervragen door het Ministerie van Buitenlandse Zaken op 8 februari 2016, met kenmerk DVB/CV-02277/16, vraag 205, en uit een persbericht van het Openbaar Ministerie (OM) van het Arrondissementsparket Oost-Nederland te Arnhem van 2 september 2015.

9.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld geen eigenstandige registratie bij te houden van gevallen vijandelijke strijders omdat de strijd tegen ISIS in Irak door de coalitie gevoerd wordt en gevallen strijders dus het gevolg zijn van het optreden van de coalitie.

Verweerder heeft zich ten aanzien van burgerslachtoffers op het standpunt gesteld dat burgerslachtoffers een claim kunnen indienen bij CENTCOM (United States Central Command) en dat Defensie een eigen procedure meldingen burgerslachtoffers kent.

9.3

De rechtbank leest in de hiervoor genoemde beantwoording van de Kamervragen, noch in het persbericht van het OM, dat Nederland een zelfstandige registratie bijhoudt van gevallen vijandelijke strijders. Voor zover uit de IM’s informatie afgeleid zou kunnen worden over gevallen vijandige strijders, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 7.2. Bovendien is de vermelding van gevallen vijandige strijders in de IM’s niet gelijk te stellen aan een registratie van gevallen vijandelijke strijders. De rechtbank acht verder de toelichting van verweerder op het ontbreken van een zelfstandige registratie van gevallen strijders en burgerslachtoffers niet onbegrijpelijk en ziet in wat eiseres in dit verband heeft opgemerkt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de verklaring van verweerder. De beroepsgrond faalt.

10. Openbaarmaking door andere landen

10.1

Eiseres heeft aangevoerd dat de meeste coalitiepartners veel meer openbaar maken dan Nederland. Verder zijn derde-landen en de coalitie vooraf niet geraadpleegd over de voorgenomen weigering. Volgens eiseres heeft verweerder dit nagelaten omdat valt te verwachten dat een groot aantal derde landen en coalitiepartners geen of weinig bezwaar heeft tegen de gevraagde openbaarmaking, zodat het er alle schijn van heeft dat verweerder die andere landen niet geconsulteerd heeft uit vrees dat zij de toepasselijkheid van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob zouden doen verdampen.

10.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, net als de andere coalitiepartners, een eigen afweging mag maken op grond van de Wob en dat er ten aanzien van een eventuele openbaarmaking van stukken geen aanleiding bestaat om andere landen daarover een zienswijze te vragen.

10.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder een eigen afweging mag maken, gelet op de aan de orde zijnde belangen, om te bepalen of gevoelige informatie wordt geopenbaard. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat het voorzienbaar is dat de relatie met de coalitie stroever zal kunnen verlopen als de IM’s en beeldmateriaal openbaar worden gemaakt, bijvoorbeeld omdat Nederland bij openbaarmaking van de IM’s en het beeldmateriaal inzicht geeft in operationele informatie die geldt voor de gehele coalitie. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid het belang van de betrekkingen van Nederland met de coalitiepartners met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob zwaarder kunnen laten wegen dan het belang bij openbaarmaking en heeft ook geen aanleiding hoeven zien om hierover een zienswijze aan de andere landen te vragen. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat andere landen mogelijk een andere afweging maken die is gebaseerd op hun eigen nationale feiten en omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de geografische ligging, de lokale veiligheidssituatie en de actuele betrokkenheid bij de missie.

Overig

11. Verder heeft eiseres nog aangevoerd dat verweerder niet per document(groep) heeft gemotiveerd, onder afweging van alle belangen, waarom openbaarmaking wordt geweigerd.

De rechtbank constateert dat verweerder ten aanzien van de nog in geding zijnde IM’s en het beeldmateriaal in het primaire en het bestreden besluit heeft toegelicht waarom niet tot openbaarmaking kon worden overgegaan. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 april 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM2629), moet in beginsel per document of onderdeel daarvan worden gemotiveerd waarom aan de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten doorslaggevend gewicht toekomt. Daarvan kan worden afgezien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Van dat laatste is in dit geval sprake. De afzonderlijke IM’s zijn grotendeels gelijk wat betreft opmaak en inhoud en ook het getoonde beeldmateriaal is nagenoeg steeds van hetzelfde soort. Indien verweerder per document of beeld apart zou moeten motiveren waarom artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, danwel artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking hiervan zou dat leiden tot eindeloze herhalingen en dit dient geen redelijk doel. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd om de gevraagde documenten openbaar te maken. Verweerder heeft hierbij op de juiste wijze toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en sub b, en artikel 10, tweede lid, aanhef en sub a, van de Wob en zijn besluit ook voldoende gemotiveerd. Wat eiseres verder heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep is daarom ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, voorzitter, mr. R.J. Praamstra en mr. V.E. van der Does, leden, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.