Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6542

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
C/16/426923 / KG ZA 16-873
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De provincie Utrecht mag de onderhandeling met het Utrechts Landschap over de verkoop van park Vliegbasis Soesterberg starten. Dat heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland bepaald. Twee particulieren spanden een kort geding aan omdat zij vinden dat de onderhandeling niet exclusief met het Utrechts Landschap mag plaatsvinden, maar dat deze locatie openbaar aangeboden moet worden.

In 2011 is de provincie een overeenkomst met het Utrechts Landschap aangegaan waarin over de overdracht van de eigendom aan het Utrechts Landschap wordt gesproken. Ook bij de vaststelling van latere bestemmingsplannen is er van uitgegaan dat het Utrechts Landschap eigenaar zou worden.

In 2014 is het beleid van de provincie veranderd. De rechter stelt vast dat het uitgangspunt in de eigen regels van de provincie nu is, dat bij doorverkoop van grond een openbare verkoop of aanbesteding plaatsvindt. Uitzonderingen zijn echter mogelijk en in dit geval mocht de provincie een uitzondering maken, oordeelt de rechter. Dit omdat er al heel lang sprake is van een intentie en toegezegde overdracht van het park aan het Utrechts Landschap. Omdat het gaat om oude afspraken moest de provincie op grond van haar beleid wel eerst advies vragen. Dat heeft zij gedaan en de voorgenomen onderhandelingen zijn daarmee in overeenstemming.

De rechter woog ook mee dat in dit kort geding niet duidelijk is geworden welke schade de eisers zouden leiden als de provincie de verkoop aan het Utrechts Landschap doorzet en wat hun belang is bij een verbod op de onderhandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/426923 / KG ZA 16-873

Vonnis in kort geding van 7 december 2016

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. E.M. van Zelm,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

gedaagde,

advocaten mrs. J.H.C. Muller en A.D.L. Knook

in welke zaak is tussengekomen

de stichting

STICHTING HET UTRECHTS LANDSCHAP,

gevestigd te De Bilt,

tussenkomende partij,

advocaten mrs. P.H.L.M. Kuypers en E.W.J. de Groot.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , de Provincie en HUL genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de brief met producties 5 tot en met 10 van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van 16 november 2016;

  • -

    de incidentele conclusie houdende een vordering tot tussenkomst, althans voeging, van HUL van 18 november 2016;

- de brief met producties 11 en 12 van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van 18 november 2016;

- de brief met producties 1 tot en met 6 van de Provincie van 21 november 2016;

- de brief met productie 1 tot en met 19 van HUL van 21 november 2016;

- de brief met productie 13 tevens houdende een akte van eisvermeerdering van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van 21 november 2016;

- de brief met een index van de producties en (nogmaals) producties 9, 13, 15 en 16 van HUL van 21 november 2016;

- de conclusie van antwoord van HUL van 21 november 2016;

- de ondertekende akte van eisvermeerdering van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van 22 november 2016;

- de brief met productie 20 van HUL van 21 november 2016;

  • -

    de mondelinge behandeling van 22 november 2016, waarvan aantekeningen zijn gehouden door de griffier;

  • -

    de pleitnota van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ;

- de pleitnota van Provincie;

- de pleitnota van HUL.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Provincie is eigenaar van het Park Vliegbasis Soesterberg (verder te noemen: het Park).

2.2.

Op 1 januari 2011 is de Provincie een overeenkomst aangegaan met HUL waarbij HUL de verplichting op zich heeft genomen het natuurbeheer en toezicht van het Park voor de duur van maximaal 4 jaar uit te voeren.

In de considerans van deze overeenkomst staat onder meer:

“Gedeputeerde Staten hebben in 2009 besloten om het eigendom van het natuurdeel van Vliegbasis Soesterberg in eigendom aan Het Utrechts Landschap over te dragen op het moment dat het bestemmingsplan onherroepelijk is.”

2.3.

Op 21 juni 2012 wordt het bestemmingsplan van de gemeente Soest vastgesteld en op 28 juni 2012 het bestemmingsplan van de gemeente Zeist. In paragraaf 1 van hoofdstuk 1 van beide bestemmingsplannen is bepaald:

“De gemeenten Soest en Zeist en de provincie Utrecht gaan gezamenlijk de vliegbasis opnieuw inrichten, in samenspraak met het Utrechts Landschap als toekomstig eigenaar en beheerder.”

2.4.

Op 21 januari 2014 heeft de Provincie de Nota Uitvoering van Grondstrategie (verder te noemen: de Nota) vastgesteld. Hierin staat, voor zover voor dit geschil van belang, het volgende opgenomen:

8. Doorverkoop, inrichting en beheer van natuurgronden

Grondverwerving is de eerste stap naar de ontwikkeling van nieuwe natuur. Daarna is het belangrijk dat de grond op een goede manier worden ingericht en beheerd. Daar waar er voor 2010 voornamelijk sprake was van “doorlevering” aan de terrein beherende organisatie Staatsbosbeheer, Vereniging Natuurmonumenten en Het Utrechts Landschap, volgens een vastgestelde invloedsferenkaart, is het beleid nu om een gelijk speelveld voor organisaties en particulieren te bieden. Daarom wordt hier gesproken over doorverkoop van natuurgronden. Bij doorverkoop zijn afspraken over inrichting en beheer nodig om het doelbereik te borgen. Net als bij de verkoop van ruilgronden zijn marktconformiteit, transparantie en gelijkberechtiging uitgangspunt.

8.1

Doorverkoop van gronden binnen EHS en RodS

(…)

De invulling van de openbaarheid kan op verschillende manieren gebeuren, bij voorbeeld door belangstellingsregistratie (website, advertentie) of door openbare inschrijving. Van belang is dat een ieder kennis kan nemen van verkoop van gronden of aanbesteding.

(…)

Openbare verkoop of aanbesteding is de hoofdregel. Alleen bij uitzondering zullen wij onderhandse verkoop als instrument inzetten. Dit doen wij alleen als er openbaar, transparant, marktconform en op basis van een vooraf bekend gemaakt programma van eisen en een belangstellingsregistratie heeft plaatsgevonden.

(…)

Lopende afspraken

In een aantal gebieden zijn al vergaande afspraken gemaakt over doorlevering, ruil of verkoop van gronden. In een aantal gevallen is sprake van juridisch harde afspraken, waarbij de notariële akte nog niet verleend is. Voor deze lopende zaken geldt:

 Afspraken over levering van gronden die voortkomen uit projecten die een wettelijke procedure hebben doorlopen, zoals landinrichtingsprojecten, reconstructieplannen en kavelruilen, zullen worden geëffectueerd.

 Alle andere lopende afspraken worden behandeld volgens bovengenoemd beleid. Waar nodig zal compensatie voor al gemaakte aantoonbare kosten (bijvoorbeeld voor inrichting en beheer) worden opgenomen. Gedeputeerde Staten zullen hierover besluiten. Hierop is bezwaar en beroep mogelijk.

(…)”

Wij zullen bij lopende afspraken advies vragen aan de Kopgroep van het Akkoord van Utrecht. In deze Kopgroep zijn Natuur en Milieu Utrecht, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, het Utrechts Landschap, Utrechts Particulier Grondbezit en LTO Noord vertegenwoordigd.”

2.5.

Bij brief van 25 november 2014 deelt het Utrechts Particulier Grondbezit (verder te noemen: UPG) aan de Provincie mee:

“De Vliegbasis Soesterberg stond op de lijst van voorgenomen transacties die in de Kopgroep zijn besproken. De vliegbasis valt op door haar omvang en prijs en door alles wat er in het verleden al over is gezegd. En natuurlijk is er ook sprake van bij HUL gewekte verwachtingen.”

2.6.

Bij e-mailbericht van 21 december 2014 aan de ambtelijk secretaris van de Kopgroep heeft het UPG het volgende meegedeeld:

“Als de provincie Soesterberg niet openbaar wil verkopen en op voorhand wil gunnen aan HUL, is er gezien de IPO-afspraken maar één uitweg. Die is, dat er in het verleden juridisch verplichtende afspraken zijn gemaakt. Een besluit van de provincie om Soesterberg niet openbaar aan te besteden, kan volgens gedep. [A] juridisch hard worden gemaakt, aangevuld met de bestuurlijke afspraken. Het UPG vertrouwt er op dat dit waargemaakt wordt, en aldus naar buiten wordt gecommuniceerd. Dan kan het UPG er mee leven.”

2.7.

Op 6 januari 2015 heeft de Provincie het volgende besluit genomen:

“In de kopgroep Akkoord van Utrecht van 18 december 2014 is besloten het natuurdeel Vliegbasis Soesterberg te beschouwen als onderdeel van de categorie lopende gevallen met juridisch en bestuurlijk harde afspraken over beoogd eigendom. Concreet betekent dit dat de percelen die behoren bij het natuurdeel van de vliegbasis die in eigendom zijn bij de provincie Utrecht, te koop worden aangeboden aan het Utrechts landschap (HUL) als zijnde beoogd eigenaar. HUL wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld om via de normale verkoopprocedure, een marktconform bod uit te brengen en de verkoop af te ronden.”

Dit besluit is openbaar gemaakt.

2.8.

In een persbericht van 10 oktober 2016 heeft de Provincie aangekondigd dat zij voornemens is de onderhandelingen met HUL te starten over verkoop van het Park aan HUL (verder te noemen: het voornemen). In het persbericht staat ook vermeld dat een ieder die hiertegen bezwaar wil maken dit binnen 30 kalenderdagen, dus uiterlijk 10 november 2016, dient te doen.

2.9.

Bij brief van 3 november 2016 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de Provincie meegedeeld dat zij bezwaar maken tegen het voornemen van de Provincie.

2.10.

Bij brief van 8 november 2016 heeft de Provincie aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] meegedeeld dat zij blijft bij haar voornemen en dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] daartegen op kunnen komen door binnen de gestelde 30 kalenderdagen een kort geding te starten.

2.11.

Op 10 november 2016 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de rechtbank om een datum verzocht voor een mondelinge behandeling in deze zaak en een datum voor een mondelinge behandeling verkregen. Deze datum hebben zij, vooruitlopend op de uit te brengen dagvaarding, op 10 november 2016 ook meegedeeld aan de Provincie.

3 Het geschil

in het incident

3.1.

HUL vordert haar toe te laten in de procedure primair als tussenkomende partij en subsidiair als voegende partij aan de zijde van de Provincie, met veroordeling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de kosten in het incident.

in de hoofdzaak

3.2.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen, na vermeerdering van eis, samengevat - de Provincie te verbieden om de onderhandelingen te starten met HUL over de verkoop van het Park aan HUL, lopende onderhandelingen gestaakt te houden en het Park openbaar aan te bieden overeenkomstig het in de Nota opgenomen beleid, een en ander op straffe van een dwangsom.

Daarnaast vorderen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de Provincie te gebieden afschriften van alle overeenkomsten, gesloten tussen de Provincie en HUL, en taxatierapporten ten aanzien van het Park aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] af te geven, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Provincie in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.3.

Ter onderbouwing van hun vordering stellen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat de Provincie door met HUL in onderhandeling te treden over de verkoop van het Park en geen openbare uitnodiging uit te laten gaan aan particuliere partijen om hun belangstelling voor aankoop van het Park kenbaar te maken, in strijd met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (verder te noemen: het Verdrag) en daarmee onrechtmatig jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] handelt. Bovendien handelt de Provincie in strijd met haar eigen beleid, zoals vastgelegd in de Nota, door het Park niet op een transparante en openbare wijze ter verkoop aan te bieden, aldus [eiser sub 1] en [eiser sub 2] .

3.4.

De Provincie voert verweer.

3.5.

HUL vordert, na tussenkomst, de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen, de Provincie te verbieden met andere partijen te onderhandelen over de verkoop van het Park dan met HUL en [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te gebieden de verkoop van het Park aan HUL te gehengen en gedogen op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6.

Ter onderbouwing van haar vordering betwist HUL ten eerste dat uit de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] genoemde Europese regelgeving of het eigen beleid van de Provincie volgt dat De Provincie beperkt is haar contractsvrijheid en verplicht is om het Park op een openbare wijze te verkopen. Daarbij beroept zij zich jegens de Provincie op de toezeggingen die de Provincie heeft gedaan omtrent de overdracht van het Park aan HUL.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in het incident

4.1.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting de vordering tot tussenkomst van HUL toegewezen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en de Provincie hebben geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek van HUL om tussen te mogen komen in deze zaak. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat HUL moet worden toegelaten om in deze procedure tussen te komen, omdat zij eigen vorderingen wil instellen en met die vorderingen voldoende belang heeft zich te mengen in de hoofdzaak in verband met mogelijke nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden.

4.2.

De proceskosten in het incident worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de hoofdzaak

ten aanzien van de vordering van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]

Bevoegdheid

4.3.

Ten aanzien van de bevoegdheid van de civiele rechter in deze procedure overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Nu de Provincie een haar toekomende civiele bevoegdheid uitvoert, namelijk het verkopen van onroerend goed, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij als civiele rechter bevoegd is van de zaak kennis te nemen. Dat de Provincie het Park slechts heeft kunnen aankopen omdat zij een bestuursorgaan is, zoals door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is aangevoerd, is geen omstandigheid die maakt dat de Provincie in dit geval een publiekrechtelijke rechtshandeling verricht, waartegen een bestuursrechtelijke rechtsgang open zou staan.

Ontvankelijkheid

4.4.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ontvankelijk zijn in hun vordering. Niet aannemelijk is geworden dat de door de Provincie voorgeschreven termijn voor het maken bezwaar tegen haar voornemen op enige wettelijke ontvankelijkheidstermijn berust. Aan het belang van de Provincie om binnen een redelijke termijn te weten of zij door kan gaan met de door haar gewenste onderhandelingen met HUL is bovendien in dit geval tegemoet gekomen, omdat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in ieder geval binnen de door de Provincie gehanteerde termijn van 30 dagen aan de Provincie kenbaar hebben gemaakt tegen het voornemen van de Provincie bezwaar te hebben.

Het Verdrag

4.5.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben ten eerste gesteld dat het voornemen van de Provincie in strijd is met het Verdrag. Zij hebben daarbij aangevoerd dat de Provincie door het Park niet op openbare wijze te verkopen, ontoelaatbaar onderscheid maakt tussen Terrein Beherende Organisaties (TBO’s), zoals HUL, enerzijds en particuliere partijen, zoals [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , anderzijds. Volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] kwalificeert HUL als “onderneming” in de zin van artikel 107 van het Verdrag, omdat zij tal van economische activiteiten verricht. Door exclusief voor HUL te kiezen om mee te gaan onderhandelen over verkoop van het Park, verleent de Provincie staatssteun aan HUL, aldus [eiser sub 1] en [eiser sub 2] .

4.6.

De Provincie heeft betwist dat haar voornemen in strijd is met de Europese regels omtrent staatssteun. Zij heeft hierbij aangevoerd dat HUL ten eerste geen onderneming is in de zin van artikel 107 lid 1 van het Verdrag. Volgens de Provincie verricht HUL geen, althans onvoldoende, economische activiteiten. Ten tweede is geen sprake van een voordeel dat door de Provincie aan HUL wordt verleend, omdat het Park voor een marktconforme prijs aan HUL zal worden verkocht. Ten derde, zou er al sprake zijn van een dergelijk voordeel voor HUL, dan leidt dat voordeel niet tot een (mogelijke) verstoring van de Europese markt.

4.7.

Artikel 107, lid 1 van het Verdrag bepaalt dat sprake is van staatssteun indien door middel van een overdracht van overheidsmiddelen een voordeel wordt verleend aan ondernemingen. Binnen het beperkte kader van deze kort gedingprocedure is voor de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat sprake is van de in artikel 107 van het Verdrag verboden staatssteun. Zoals de Provincie terecht heeft betoogd, verricht HUL slechts in zeer beperkte mate activiteiten die kunnen worden aangemerkt als economische activiteiten. Doorslaggevend is echter dat niet gebleken is dat de Provincie een voordeel aan HUL gunt omdat het Park zal worden verkocht voor een marktconforme prijs. Dat een markconforme prijs tot stand zal komen, is geborgd doordat die prijs zal worden vastgesteld aan de hand van twee onafhankelijke taxaties. In het verlengde hiervan is ook een (mogelijke) verstoring van de Europese markt, als gevolg van het voornemen van de Provincie, door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Beleid

4.8.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben ook betoogd dat het voornemen van de Provincie in strijd is met haar eigen beleid. Zij hebben hierbij gewezen op paragraaf 8 van de Nota (zie hiervoor onder 2.4). Volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geldt in de gevallen dat juridisch harde afspraken zijn gemaakt het uitgangspunt dat de betreffende gronden openbaar worden verkocht.

4.9.

De Provincie heeft hiertegen aangevoerd dat al sinds 2007 de intentie bestond de eigendom van het Park over te dragen aan HUL. Zij heeft dit ook diverse malen bevestigd aan HUL, bijvoorbeeld in een brief van gedeputeerde staten aan HUL van 17 november 2009 en in de (considerans van) de beheerovereenkomst. Verder blijkt die intentie uit de bestemmingsplannen van de gemeenten Soest en Zeist. Volgens de Provincie is zij gehouden om met HUL in onderhandeling te treden over de verkoop van het Park op grond van de toezeggingen die zij in dit kader aan HUL heeft gedaan. Het nieuwe beleid, zoals opgenomen in de Nota, schrijft weliswaar voor dat verkoop van gronden volgens “de nieuwe spelregels” plaatsvindt, maar in dit geval is de Provincie daar gerechtvaardigd vanaf geweken. De Provincie heeft daarbij, zoals voorgeschreven in de Nota, het advies van de Kopgroep ingewonnen. Zoals blijkt uit de mededelingen vanuit (de leden van) de Kopgroep (zie onder2.5 en 2.6), kon de Kopgroep zich vinden in het voornemen van de Provincie.

4.10.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Zoals de Provincie ter zitting heeft erkend, is, waar het de verkoop van het Park betreft, sprake van een situatie die valt onder de in de Nota opgenomen situatie onder paragraaf 8.1, onder het kopje “Lopende afspraken”, tweede gedachtestreepje. Overeenkomstig hetgeen is opgenomen onder dit tweede gedachtestreepje, geldt dus het daarboven genoemde beleid, dat uitgaat van openbare verkoop. Daarnaast geldt hetgeen in de alinea daaronder staat vermeld, namelijk dat omtrent lopende afspraken advies zal worden gevraagd aan de Kopgroep. Met [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is de voorzieningenrechter eens dat uit de Nota volgt dat in beginsel in het onderhavige geval, waarin sprake is van juridische harde afspraken over verkoop tussen HUL en de Provincie, desondanks een openbare verkoopprocedure gevolgd zou moeten worden. Daarentegen is de voorzieningenrechter met de Provincie eens dat afwijking van dit beleid onder omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn. Dit wordt bevestigd doordat onderdeel van de Nota is dat bij lopende afspraken het advies van de Kopgroep wordt ingewonnen. Dit advies zou geen toegevoegde waarde hebben als in alle gevallen van lopende afspraken, zonder uitzondering, (alsnog) een openbare wijze van verkoop gevolgd zou moeten worden. Over de rechtvaardiging overweegt de voorzieningenrechter dat, zoals de Provincie heeft toegelicht, al heel lang sprake is van een intentie en toegezegde overdracht van het Park aan HUL. Daarbij heeft de Provincie volgens het nieuwe beleid, het advies van de Kopgroep ingewonnen, welk advies positief is uitgevallen ten aanzien van het voornemen van de Provincie.

4.11.

Voor zover er echter al vanuit zou moeten worden gegaan dat de Provincie door exclusief met HUL te onderhandelen over de verkoop van het Park aan HUL, niet overeenkomstig haar eigen beleid handelt, dan geldt dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet hebben voldaan aan de op hen rustende stelplicht. Met name hebben zij nagelaten te stellen en toe te lichten waarom het voornemen van de Provincie jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] onrechtmatig zou zijn, dat zij als gevolg van dit handelen schade ondervinden en wat die schade dan zou zijn.

Voor toewijzing van een gevorderde voorziening in kort geding is vereist dat in hoge mate aannemelijk is dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Op grond van het voorgaande is van die hoge mate van aannemelijkheid geen sprake. De vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] om de Provincie te gebieden de onderhandelingen met HUL te staken en het Park op openbare wijze ter verkoop aan te bieden worden daarom afgewezen.

Afgifte stukken

4.12.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben gevorderd de Provincie te veroordelen tot afgifte van stukken die verband houden met de (te starten) verkooponderhandelingen met HUL. De voorzieningenrechter zal dit onderdeel van de vordering afwijzen, wegens een gebrek aan belang. Gebleken is dat ten aanzien van dezelfde stukken een verzoek van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) in behandeling is, zodat op dit moment geen aanleiding bestaat tot het treffen van een voorziening op dit punt.

4.13.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Provincie worden begroot op € 1.435,00 (€ 619,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris advocaat).

Ten aanzien van de vordering van HUL

4.14.

HUL heeft op grond van de vergaande toezeggingen van de Provincie in het verleden, die hiervoor zijn besproken, gesteld dat de Provincie gehouden is exclusief met HUL in onderhandeling te treden over de voorwaarden waaronder het Park aan HUL zal worden verkocht. De Provincie heeft in deze procedure erkend dat zij zich op gelijke wijze gebonden acht jegens HUL om met haar te gaan onderhandelen over de verkoop van het Park. Tegen die achtergrond valt niet in te zien wat het belang van HUL is bij toewijzing van de gevorderde voorziening voor zover die zich richt tegen de Provincie. In zoverre zal de vordering van HUL daarom worden afgewezen.

4.15.

De vordering van HUL jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] om de exclusieve onderhandelingen en de verkoopovereenkomst tussen HUL en de Provincie te gedogen, wordt wel toegewezen. Niet alleen heeft HUL onder verwijzing naar de diverse toezeggingen die zijn gedaan door de Provincie in hoge mate aannemelijk gemaakt dat de Provincie tot die exclusieve onderhandelingen gehouden is, maar HUL heeft daarbij, gelet op het bezwaar van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , ook voldoende belang. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan deze (passieve) verplichting van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een dwangsom te verbinden. De enkele omstandigheid dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die de Provincie heeft geboden om op te komen tegen haar voornemen, is daarvoor onvoldoende.

4.16.

HUL heeft gevorderd [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten te veroordelen. Nu HUL op grond van haar primaire vordering als tussenkomende partij is toegelaten en zij een eigen vordering heeft ingesteld, die zich voor het belangrijkste deel richt tegen de Provincie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ten aanzien van die vordering niet als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij kunnen worden aangemerkt. Nu HUL en de Provincie in de toekomst aan elkaar verbonden blijven, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident

5.1.

laat HUL toe als tussenkomende partij in de hoofdzaak;

5.2.

compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

ten aanzien van de vordering van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]

5.3.

wijst de vorderingen af;

5.4.

veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de Provincie begroot op € 1.435,00 (waaronder € 816,00 aan salaris advocaat);

ten aanzien van de vordering van HUL

5.5.

gebiedt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te gehengen en gedogen dat de Provincie (het ertoe leidt dat zij) met HUL een koopovereenkomst sluit ten aanzien van het Park;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.8.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2016.1

1 type: MT (4253) coll: