Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:647

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
16/659545-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man wordt verdacht van twee verkrachtingen in 2012 en 2013 in Cadzand en Houten. Daarnaast wordt de man verdacht van een aanranding in 2012 in Houten.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft gepleegd en spreekt hem daarom vrij.

De rechtbank dient ten aanzien van de ten laste gelegde verkrachtingen te beoordelen of de bewezen handelingen kunnen worden aangemerkt als verkrachting. Daarvoor is vereist dat het seksueel binnendringen onder dwang is gebeurd.

De rechtbank oordeelt dat de verklaringen van de aangeefsters van verkrachting, onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring van de voor verkrachting noodzakelijke dwang te kunnen komen.

De verdacht wordt door de rechtbank ook vrijgesproken voor aanranding. De rechtbank oordeelt dat de handelingen in de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, geen ontuchtige handelingen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659545-14 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 9 februari 2016.

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 januari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn advocaat, mr. G.L.D. Thomas, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 in de periode van 1 september 2013 tot en met 31 oktober 2013 te Houten en/of Weesp [slachtoffer 1] heeft verkracht door een vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen;

Feit 2 in september 2012 te Houten [slachtoffer 2] heeft aangerand;

Feit 3 in de periode van 1 mei 2012 tot en met 30 september 2012 te Cadzand [slachtoffer 3] heeft verkracht door een vinger en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] te brengen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1, 2 en 3, tenlastegelegde feiten, zodat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft ten aanzien van alle drie de feiten aangevoerd dat (primair) het bestanddeel dwang niet bewezen kan worden en (subsidiair) de aangiftes niet, dan wel onvoldoende worden ondersteund door enig ander bewijsmiddel.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak feit 1 (verkrachting [slachtoffer 1] )

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal hem dan ook vrijspreken. Dit oordeel berust op het volgende.

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van verkrachting door verdachte, een vriend van haar van de reddingsbrigade. Zij heeft verklaard dat zij in de tenlastegelegde periode tegen haar wil seksueel contact met verdachte heeft gehad dat onder andere heeft bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Verdachte kneep haar (daarbij) onverhoeds in haar borsten, sprak haar dwingend toe, was ruw en trok aan haar tepel als zij niet luisterde, wat pijn deed. [slachtoffer 1] heeft verdachte meerdere malen aangegeven dat zij niet te ver wilde gaan, dat hij haar pijn deed en dat zij bepaalde seksuele handelingen niet wilde. Verdachte zei dan dat [slachtoffer 1] zich niet aan moest stellen of beval haar door te gaan door te zeggen “ [slachtoffer 1] nu!”.

Verdachte heeft steeds ontkend dat er seksueel contact tussen hem en [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden. Er was weliswaar sprake van seksueel getint whatsapp-verkeer, maar daar waar wordt gesproken over dwang of pijn verwijst dit volgens verdachte naar oefeningen die zij voor de reddingsbrigade deden en niet naar seksueel contact. Verdachte bood [slachtoffer 1] een luisterend oor voor haar moeilijke thuissituatie. [slachtoffer 1] wilde echter meer en bleef contact met verdachte zoeken. Verdachte was op dat moment echter al in contact gekomen met zijn huidige vriendin en wilde niets (seksueels) meer van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft het verhaal over de verkrachting verzonnen toen haar duidelijk werd dat verdachte geen relatie met haar wilde, aldus verdachte.

De verklaringen van [slachtoffer 1] zijn consistent en vinden steun in de whatsapp-gesprekken. De rechtbank overweegt op grond van de verklaringen van [slachtoffer 1] in onderling verband en samenhang bezien met de inhoud van de whatsapp-berichten, dat er (meermalen) seksueel contact tussen verdachte en [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook niet geloofwaardig en zal de verklaringen van [slachtoffer 1] als uitgangspunt nemen. Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] en de inhoud van de whatsapp-berichten, acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is geweest van seksueel binnendringen en dat verdachte [slachtoffer 1] daarbij pijn heeft gedaan.

De rechtbank dient te beoordelen of de bewezen handelingen kunnen worden aangemerkt als verkrachting. Daarvoor is vereist dat het seksueel binnendringen onder dwang is gebeurd.
Voor een bewezenverklaring van ‘dwang’ is vereist dat verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat aangeefster het seksueel binnendringen van haar lichaam tegen haar wil heeft ondergaan en dat die dwang heeft plaatsgevonden door middel van (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] naast het bovenstaande het volgende heeft verklaard. Verdachte was een goede vriend van haar, een luisterend oor bij wie zij alles kwijt kon. Zij heeft verklaard dat zij op sommige momenten aangaf dat zij iets niet wilde doen, maar op andere momenten weinig durfde te doen en niet durfde te zeggen dat verdachte moest stoppen. Zij liet verdachte dan begaan omdat zij bang was dat hij boos op haar zou worden en dat zij hem als vriend zou verliezen. Zij had het gevoel dat zij in ruil voor zijn hulp iets terug moest doen. Voorts is uit de stukken gebleken dat [slachtoffer 1] ondanks de vervelende seksuele ervaringen met verdachte contact is blijven zoeken en nieuwe afspraken met hem heeft gemaakt, waarbij zij alleen met hem was en waarbij wederom seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. [slachtoffer 1] heeft daarover verklaard dat zij liever het risico nam dat het weer gebeurde dan dat zij verdachte als vriend zou kwijtraken. Tot slot blijkt uit de stukken dat [slachtoffer 1] op bepaalde momenten wel degelijk in staat was om zich aan bepaalde seksuele handelingen te onttrekken.


De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat op grond van het dossier niet geoordeeld kan worden dat er sprake is geweest van een zodanige dwang dat [slachtoffer 1] daartegen geen weerstand heeft kunnen bieden.

Nu naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer 1] is gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen, kan de ten laste gelegde verkrachting niet wettig en overtuigend worden bewezen.
De rechtbank zal verdachte van de ten laste gelegde verkrachting vrijspreken.

4.3.2

Vrijspraak feit 2 (aanranding [slachtoffer 2] )

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal hem dan ook vrijspreken. Dit oordeel berust op het volgende

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte, tijdens een uitje met collega’s van de reddingsbrigade, ijsblokjes in haar decolleté heeft gegooid en deze heeft vastgehouden zodat ze zouden smelten. Verdachte heeft daarbij de borsten van [slachtoffer 2] aangeraakt. [slachtoffer 2] vond het niet prettig wat verdachte deed. Toen zij een ijsblokje uit haar decolleté wilde halen en probeerde weg te komen pakte hij haar polsen vast. [slachtoffer 2] wilde dat verdachte stopte en heeft dat ook tegen hem gezegd. Zij lachte daarbij. Hierdoor kon de indruk worden gewekt dat het wel grappig was. [slachtoffer 2] denkt dat hij haar daardoor niet serieus nam. Verdachte bleef ook lachen en ging door. Toen [slachtoffer 2] het zat was, heeft zij verdachte gebeten. Verdachte hield toen direct op.

Verdachte heeft verklaard dat er op een gegeven moment werd “geklooid” met ijsblokjes. Hij heeft ijsblokjes in het decolleté van [slachtoffer 2] gegooid en één daarvan dieper in haar decolleté gedrukt en daar ook vastgehouden. Het is mogelijk dat hij daarbij per ongeluk de borst van [slachtoffer 2] heeft aangeraakt; hij heeft dit niet opzettelijk of bewust gedaan. [slachtoffer 2] reageerde “spelerig”. Zij riep geen stop, want dan was er wel door een van de anderen ingegrepen.

De rechtbank dient te beoordelen of de ten laste gelegde handeling heeft plaatsgevonden en zo ja, of de bewezen handeling kan worden aangemerkt als ontuchtige handeling. Bij ontuchtig handelen in de zin van de ten laste gelegde wetsbepaling dient het in beginsel te gaan om handelingen van seksuele aard, die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval, onder meer van de aard van de handeling, de betrokken lichaamsdelen, de context waarbinnen de handeling plaatsvindt en de verhouding tussen de betrokkenen. De intentie of beleving bij verdachte of slachtoffer kan daarbij van belang zijn.

De rechtbank overweegt dat het betasten van de borsten een ontuchtig karakter kan hebben.

Het betasten van de borsten van [slachtoffer 2] gebeurde in een kennelijke “spelsituatie”, waarbij verdachte mogelijk te lang en te ver is doorgegaan. Daarmee is echter niet zonder meer gegeven dat het handelingen betroffen van seksuele aard, in strijd met de sociaal-ethische norm.

Verdachte heeft ontkend de borst van [slachtoffer 2] bewust te hebben aangeraakt. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] komt naar voren dat zij de situatie niet prettig vond, maar niet dat zij het betasten als ontuchtig heeft ervaren. Bovendien heeft [slachtoffer 2] daarvan geen aangifte willen doen.

De rechtbank is van oordeel dat de handelingen in de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden geen ontuchtige handelingen zijn als bedoeld in artikel 246 Sr.

De rechtbank zal verdachte van de ten laste gelegde aanranding vrijspreken.

4.3.3

Vrijspraak feit 3 (verkrachting [slachtoffer 3] )

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal hem dan ook vrijspreken. Dit oordeel berust op het volgende.

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van verkrachting door verdachte, een vriend van haar van de reddingsbrigade. Zij heeft verklaard dat zij toen zij als strandwacht in Cadzand waren, door hem is gedwongen seksuele handelingen te ondergaan, onder andere toen zij een nacht bij hem in de tent sliep. De handelingen hebben mede bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. [slachtoffer 3] lag de betreffende avond met verdachte in de tent te praten en te zoenen. Toen verdachte haar betastte, merkte [slachtoffer 3] dat zij het niet prettig vond en dat verdachte haar pijn deed. [slachtoffer 3] heeft toen tegen verdachte gezegd dat zij niet wist of ze het wel fijn vond en heeft verder besloten het maar te laten gebeuren. Zij wilde geen scene trappen, omdat zij bang was voor de reactie van haar collega’s. De seks was pijnlijk. [slachtoffer 3] heeft voorzichtig geprobeerd onder verdachte uit te komen, wat niet lukte. Toen besloot zij het maar te laten gebeuren. De volgende dag had [slachtoffer 3] bloed in haar pyjamabroek en blauwe plekken op haar bovenbenen en -armen. Zij is uit de tent weggegaan en heeft verdachte later met haar gevoelens geconfronteerd. Verdachte zei tegen haar dat hij het anders had ervaren. Vervolgens hebben ze een paar dagen later nog een nacht samen geslapen en weer seksueel contact gehad.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij uit zichzelf niet naar de politie zou zijn gegaan en dat zij meer met zichzelf in de knoop zit dan met verdachte. Zij verklaart dat zij het heeft laten gebeuren om verdachte tevreden te houden. Bovendien weet zij niet zeker of de blauwe plekken wel door verdachte zijn veroorzaakt.

Verdachte heeft verklaard in de betreffende periode meerdere malen seksueel contact met aangeefster te hebben gehad, onder meer bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Verdachte heeft echter verklaard dat de seksuele handelingen met instemming van aangeefster hebben plaatsgevonden en dat er geen sprake is geweest van dwang. Verder heeft hij ter terechtzitting verklaard dat er een avond is geweest waarop [slachtoffer 3] heeft aangegeven dat de seks te ruw was en te zeer deed, waarop hij met de seksuele handelingen is gestopt. Vervolgens hebben verdachte en [slachtoffer 3] later die week nogmaals seksueel contact gehad.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat niet ter discussie staat dat er in de tenlastegelegde periode te Cadzand seksueel contact tussen [slachtoffer 3] en verdachte heeft plaatsgevonden, waarbij sprake is geweest van seksueel binnendringen.

De rechtbank dient voorts te beoordelen of de bewezen handelingen kunnen worden aangemerkt als verkrachting. Daarvoor is vereist dat het seksueel binnendringen onder dwang is gebeurd.
Voor een bewezenverklaring van ‘dwang’ is vereist dat verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat aangeefster het seksueel binnendringen van haar lichaam tegen haar wil heeft ondergaan en dat die dwang heeft plaatsgevonden door middel van (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster op het punt dat zij door verdachte werd gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring van de voor verkrachting noodzakelijke dwang te kunnen komen.

Zij overweegt daartoe als volgt.

Getuige [getuige] , die de seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster niet heeft gezien, heeft ten opzichte van de aangifte niets aanvullends verklaard wat erop zou duiden dat aangeefster tegen haar wil seksuele handelingen heeft ondergaan. [getuige] heeft weliswaar verklaard dat ze had gezien dat er bloed op de pyjama van aangeefster zat, maar dat levert naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs voor dwang op, omdat het bloedverlies ook kan passen bij (ruw) vrijwillig seksueel contact. Ten aanzien van het letsel op de benen en armen merkt de rechtbank op dat [slachtoffer 3] daarover zelf later bij de politie heeft verklaard dat zij niet zeker weet of dit door verdachte is veroorzaakt.
Verder bevinden zich in het dossier geen andere stukken die kunnen wijzen op dwang zoals door aangeefster omschreven.

Nu naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen, kan de ten laste gelegde verkrachting niet wettig en overtuigend worden bewezen.

De rechtbank zal verdachte van de ten laste gelegde verkrachting vrijspreken.

4.5

Conclusie

De rechtbank zal verdachte van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten vrijspreken.

5 De benadeelde partij

5.5.1 Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, is [slachtoffer 1] in de vordering niet-ontvankelijk.

5.5.2. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, is [slachtoffer 3] in de vordering niet-ontvankelijk.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

Benadeelde partij

Verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Verklaart [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. de Stigter, voorzitter,

mrs. A.P. Schotman en S.B. Smit-Colenbrander, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Westerhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2016.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september

2013 tot en met 31 oktober 2013 te Houten en/of Weesp, althans in Nederland,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld

en/of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van

handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, (telkens)

meermalen, althans éénmaal,

- (in) de (blote) borsten van die [slachtoffer 1] geknepen en/of gebeten en/of aangeraakt

en/of

- zijn hand in de broek van die [slachtoffer 1] gedaan en/of vervolgens de billen en/of

vagina aangeraakt en/of

- (over de kleding en onder de kleding) de schaamstreek van die [slachtoffer 1]

aangeraakt en/of gestreeld en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of geduwd en/of bewogen en/of

- (een) vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of geduwd en/of

bewogen en/of

- die [slachtoffer 1] zijn penis laten vasthouden en/of betasten en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 1] richting/naar zijn ontblote penis geduwd en/of

gehouden,

bestaande dat geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door

bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin

dat hij, verdachte, meermalen, althans éénmaal,

terwijl die [slachtoffer 1] meermalen tegen verdachte heeft gezegd het niet te willen

en/of dat hij moest stoppen en/of dat zij niet te ver wilde gaan,

- (onverhoeds) (in) de (blote) borsten van die [slachtoffer 1] heeft geknepen en/of

gebeten en/of aangeraakt en/of

- (onverhoeds) zijn hand in de broek van die [slachtoffer 1] heeft gedaan en/of

vervolgens de billen en/of vagina heeft aangeraakt en/of betast en/of

- (onverhoeds) de schaamstreek van die [slachtoffer 1] heeft aangeraakt en/of gestreeld

en/of

- (onverhoeds) zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en/of geduwd

en/of bewogen en/of

- (onverhoeds) (een) vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en/of

geduwd en/of bewogen en/of

- (onverhoeds) het hoofd van die [slachtoffer 1] richting/naar zijn ontblote penis heeft

geduwd en/of gehouden en/of

- bovenop die [slachtoffer 1] is gaan zitten terwijl zij op bed lag en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd/gezegd: ' [slachtoffer 1] nu!'en/of "Als je

hulp wilt dan moet je ook wat voor mij doen" en/of "Je hebt het verdiend",

althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- de (onder)kleding van die [slachtoffer 1] heeft uitgetrokken en/of

- een vertrouwensband met die [slachtoffer 1] heeft opgebouwd en wist dat die [slachtoffer 1]

behoefte had aan de gesprekken en/of contact met hem en bang was om dit te

verliezen;

art 242 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de maand september 2012 te Houten, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid

en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2]

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen, bestaande uit het aanraken/betasten van de borsten van die

[slachtoffer 2] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid uit het

plotseling/onverhoeds gooien/stoppen en vervolgens weghalen van ijsblokjes

in/uit het shirt van die [slachtoffer 2] waarbij hij, verdachte, de borsten van die

[slachtoffer 2] heeft aangeraakt/betast;

art 246 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2012 tot en met 30 september 2012 te

Cadzand, gemeente Sluis, althans in Nederland, door geweld en / of een andere

feitelijkheid en / of door bedreiging met geweld en / of een andere

feitelijkheid [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen

die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen

van het lichaam, immers heeft hij, verdachte

- die [slachtoffer 3] (hard) in haar borsten geknepen en/of

- de onderbroek van die [slachtoffer 3] uitgetrokken en/of

- de benen van die [slachtoffer 3] (hardhandig) vastgepakt en/of uit elkaar getrokken

en/of

- zijn vinger(s) en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht

en/of met zijn vinger(s) en/of zijn penis heen en weer gaande bewegingen

gemaakt in de vagina van die [slachtoffer 3] ,

bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte

- op die [slachtoffer 3] is gaan liggen en/of

- de pols(en) van die [slachtoffer 3] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- bovengenoemde seksuele handelingen op ruwe wijze verrichtte en/of

- hiermee doorging ondanks het feit dat die [slachtoffer 3] (verbaal en non-verbaal)

te kennen gaf dat zij dit niet wilde en/of dat ze het niet fijn vond wat hij

deed;

art 242 Wetboek van Strafrecht