Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6467

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
5075938
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde is een coöperatie die een flatgebouw exploiteert, waarbij het lidmaatschap recht geeft op het gebruik van een flatwoning. Eiser wil als lid zijn flat verhuren. Het bestuur staat dit eerst niet toe. Is dat onrechtmatig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/280
NJF 2017/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 5075938 AC EXPL 16-2100 KdM/1151

Vonnis van 30 november 2016

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. D.J. van den Bosch,

tegen:

de coöperatie

[gedaagde] U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen de coöperatie,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.M.A. Vermin.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 20 juni 2016 en uit de comparitie van partijen van 1 november 2016, waarvan aantekening is gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De coöperatie is eigenaar van een flatgebouw in Baarn met zesentwintig flatwoningen. De coöperatie heeft zesentwintig leden en het lidmaatschap geeft recht op het uitsluitend gebruik van één van de flatwoningen, die in de statuten worden aangeduid als ‘privégedeelten’.

2.2.

De coöperatie heeft bij een bank (hierna: de bank) een hypothecaire lening afgesloten met het flatgebouw als onderpand (de zogenoemde parapluhypotheek). Leden van de coöperatie kunnen onder bepaalde voorwaarden bij de coöperatie de prijs van het lidmaatschap financieren, waarbij de coöperatie gebruik maakt van de gelden van de parapluhypotheek.

2.3.

In de statuten van de coöperatie staat onder meer het volgende.

definities
Artikel 1
In deze statuten en het reglement wordt verstaan onder:

[…]

“gebruiker”: degene, die - anders dan als lid - krachtens een overeenkomst met een lid het recht heeft op het uitsluitend gebruik van een privé-gedeelte, op het mede-gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten en het genot van de door de coöperatie te verlenen diensten als omschreven in het reglement;

[…]

het in gebruik geven van onder meer een privé-gedeelte aan een gebruiker

Artikel 28

  1. Een lid kan het privé-gedeelte op het uitsluitend gebruik waarvan hij krachtens zijn lidmaatschap gerechtigd is en het mede-gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten aan een gebruiker in gebruik geven […], mits van permanente gehele of gedeeltelijke exploitatie geen sprake is en overigens met inachtneming van het daaromtrent in deze statuten bepaalde.

  2. Indien een lid van de in het vorige lid van dit artikel gegeven bevoegdheid gebruik wenst te maken is dat lid verplicht de personalia van de desbetreffende gegadigde alsmede alle inlichtingen waarover het bestuur dient te beschikken om te beoordelen of die gegadigde in aanmerking komt als gebruiker schriftelijk aan het bestuur te verstrekken.

  3. Het bestuur is verplicht binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van de personalia en de inlichtingen als bedoeld in het vorige lid van dit artikel aan het desbetreffende lid mededeling te doen of de bedoelde gegadigde als gebruiker in aanmerking komt.

Het bestuur zal een gegadigde slechts als gebruiker mogen weigeren indien het op redelijke wijze aannemelijk kan maken, dat er ernstige vrees bestaat dat bedoelde gegadigde de bepalingen van deze statuten en het reglement en de besluiten van de algemene vergadering zal overtreden en/of veronachtzamen.

4. Ingeval van afwijzing door het bestuur van een gegadigde als gebruiker staat aan het desbetreffende lid beroep open op de algemene vergadering.

5. Met betrekking tot de instelling en de behandeling van het in het vorige lid bedoelde beroep is het bepaalde in lid 3 van artikel 26 van deze statuten van overeenkomstige toepassing.

6. Een gebruiker zal de hem als gebruiker toekomende rechten eerst kunnen uitoefenen na ondertekening van een in tweevoud opgemaakte en gedagtekende verklaring, dat hij deze statuten en het reglement en de besluiten van de algemene vergadering, een en ander voorzover die tevens op een gebruiker betrekking hebben, zal naleven. […]

2.4.

[eiser] is lid van de coöperatie. Hij woont zelf niet (meer) in de aan zijn lidmaatschap verbonden flatwoning.

2.5.

Op 23 oktober 2013 heeft [eiser] telefonisch contact gehad met de toenmalige voorzitter van het bestuur van de coöperatie, waarbij is besproken dat hij zijn flatwoning tijdelijk wilde gaan verhuren.

2.6.

Op 24 oktober 2013 stuurde de voorzitter [eiser] de volgende e-mail:
Naar aanleiding van ons telefoongesprek nog even deze schriftelijke bevestiging.

Gisteren is jouw verzoek tot verhuur besproken in het bestuur.

De conclusie is dat volgens de statuten dit niet kan.

Namelijk: .....gehele of gedeeltelijke exploitatie geen sprake..... artikel 28 punt 1.

Lees dit zelf nog even na.

2.7.

Partijen hebben vervolgens herhaaldelijk contact gehad over de wijze waarop de regeling in de statuten over het in gebruik geven van een flatwoning moet worden geïnterpreteerd. Het bestuur van de coöperatie heeft advies gevraagd aan een notaris en aan de Vereniging Eigen Huis.

2.8.

In januari 2014 heeft de bank aan de coöperatie laten weten dat zij toestemming zal verlenen voor het verhuren van de flatwoning van [eiser] , zodra de personalia van de huurder en het huurcontract worden overgelegd.

2.9.

In de notulen van de algemene vergadering van de coöperatie van 19 maart 2014 staat het volgende:
6. Verzoek m.b.t. tijdelijke verhuur

De voorzitter geeft het woord aan de hr. [A] .

[…]

Het bestuur heeft de statuten incl. het verzoek bij een aantal juristen laten toetsen en het blijkt dat onze staturen op dit punt verre van toereikend zijn.

Het bestuur doet geen voorstel de statuten aan te passen; er wordt wel gekeken naar de mogelijkheid de risico’s voor de cooperatie zo veel mogelijk te beperken. Dat is mogelijk door aan te sluiten bij de Leegstandswet.

[…]

De geraadpleegde juristen […] zeggen alle dat het met onze statuten niet mogelijk is tijdelijke verhuur te verbieden. […] Daarom is het beter te kiezen voor een beperkte mogelijkheid binnen de kaders die de Leegstandswet biedt, om vervolgens financiële risico’s uit te sluiten voor de cooperatie en neer te leggen bij de verhuurder en huurder. […]

Het voorgaande is de reden geweest (mede op advies van de eerder genoemde juristen) om met een voorstel te komen e.e.a. te regelen, gebruikmakend expliciet van de Leegstandswet, als aanvulling op de statuten.

[…]

De voorzitter rondt dit onderwerp af met de vraag wie bezwaar heeft tegen het mogelijk maken van tijdelijke verhuur binnen het kader van de Leegstandswet. Tegen tijdelijke verhuur zijn 5 leden. Hr. [A] : het bestuur komt met een voorstel voor een reglement om het risico maximaal te beperken. In de volgende vergadering (in mei) zal dit aan de leden worden voorgelegd.

[…]

2.10.

Op 4 mei 2014 heeft de voorzitter van de coöperatie het volgende aan [eiser] ge‑e‑maild:

Inmiddels is het format betreffende tijdelijke verhuur ( op een paar kleine puntjes na ) klaar. Het format betreft het besluit om onder bepaalde voorwaarden tijdelijk te kunnen verhuren. Hierin toetsen we uiteraard niet of tijdelijke verhuur wel of niet mag, tenslotte heeft de vergadering daar de vorige keer al een besluit over genomen. Maar wel willen we de regels waaronder toetsen bij de leden. […]

Als je al een huurder op het oog hebt, dan zouden we daar graag de personalia en contactgegevens van willen ontvangen. Alsmede een concept voor de huurovereenkomst afkomstig van de Vereniging Eigen Huis.

2.11.

In mei 2014 is er geen algemene vergadering gehouden. In de notulen van de algemene vergadering van de coöperatie van 24 juni 2014 staat het volgende:

10. Reacties van bewoners op documenten m.b.t. tijdelijke verhuur

Iedereen heeft 2 documenten toegestuurd gekregen:

- Regeling tijdelijke verhuur.

- Overeenkomst tijdelijke bewoning.

Het bestuur heeft geen enkele reactie ontvangen. Deze documenten zijn bedoeld om de risico’s voor de Cooperatie te beperken en zijn niet specifiek opgesteld voor de hr. [eiser] . Deze documenten gelden voor een ieder die wil gaan verhuren in het kader van de Leegstandswet.

[…]

Gezien de stemming op de vorige vergadering en het ontbreken van reacties wordt het onderwerp nu afgesloten.

2.12.

In de door de coöperatie opgestelde – en in de algemene vergadering van 24 juni 2014 besproken – ‘Regeling tijdelijke verhuur in het kader van de leegstandswet’ staan voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat een lid een flatwoning verhuurt. Deze voorwaarden zijn onder meer de volgende:

- Tijdelijke verhuur is alleen toegestaan indien er een vergunning wordt afgegeven in het kader van de leegstandswet.

- […]

- - Ingeval van verhuur in het kader van de leegstandswet betaalt het lid éénmalig een vergoeding ( administratiekosten en extra tijdsinvestering) aan de coöperatie. Deze vergoeding bedraagt voor 2014 €250,00.

2.13.

Op 18 september 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn aan de coöperatie een vergunning verleend tot de tijdelijke verhuur van de flatwoning van [eiser] van 1 oktober 2014 tot 1 oktober 2019, op grond van de Leegstandwet.

2.14.

Op 27 september 2014 heeft [eiser] de personalia van de beoogde huurder van zijn flatwoning aan het bestuur van de coöperatie verstrekt, samen met een huurovereenkomst.

2.15.

Op 9 oktober 2014 heeft het bestuur van de coöperatie laten weten akkoord te gaan met de beoogde verhuur.

2.16.

Met ingang van 17 oktober 2014 is de flatwoning van [eiser] verhuurd voor € 975 per maand, na tussenkomst van een verhuurmakelaar. De verhuurmakelaar heeft bij [eiser] € 1.039,63 aan bemiddelingskosten in rekening gebracht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert van de coöperatie betaling van € 13.274,31, vermeerderd met rente en met wettelijke incassokosten. Dit bedrag bestaat uit gederfde huurinkomsten over de periode van oktober 2013 tot 17 oktober 2014 en uit de bemiddelingskosten van de verhuurmakelaar. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de coöperatie onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, door hem ten onrechte (aanvankelijk) toestemming te onthouden om zijn flatwoning te verhuren. Hierdoor heeft hij de woning uiteindelijk pas veel later kunnen verhuren dan hij had beoogd, aldus [eiser] . Hij heeft aangevoerd dat hij zijn flatwoning per oktober 2013 had kunnen verhuren, maar dat dit niet is doorgegaan door het handelen van (het bestuur van) de coöperatie. De beoogde huurders hebben zich volgens [eiser] in februari 2014 teruggetrokken omdat het allemaal veel te lang duurde.

3.2.

De coöperatie heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het staat vast dat er al vanaf oktober 2013 tussen partijen is gesproken over de mogelijke verhuur van de flatwoning van [eiser] en ook dat die flatwoning uiteindelijk pas in oktober 2014 is verhuurd. Waar het in deze zaak om gaat is bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor de gestelde gevolgen van dit tijdsverloop. De kantonrechter zal eerst ingaan op de vraag of de verhuur van flatwoningen van leden van de coöperatie is toegestaan en zo ja, onder welke voorwaarden. Uitgangspunt daarbij is wat in de statuten van de coöperatie is bepaald. Daaruit volgt namelijk de verhouding tussen de coöperatie en haar individuele leden: in de statuten staat wat leden op grond van hun lidmaatschap wel of niet mogen.

4.2.

In artikel 28, eerste lid, van de statuten wordt gesproken over het in gebruik geven aan een gebruiker van privégedeelten en van het medegebruik van gemeenschappelijke gedeelten. Uit de definitiebepalingen in de statuten volgt dat aan dit gebruik een overeenkomst tussen het lid en de gebruiker ten grondslag dient te liggen. Het valt niet in te zien waarom dit niet een huurovereenkomst kan zijn en namens de coöperatie is ook niet nader toegelicht waaruit kan worden afgeleid dat verhuur niet is toegestaan. De bepalingen in de statuten geven dan ook een brede gebruiksmogelijkheid, waar verhuur ook binnen past.

4.3.

Leden van de coöperatie mogen verhuren, maar daaraan zijn wel bepaalde eisen gesteld. De eerste voorwaarde is te vinden in artikel 28, eerste lid, van de statuten. Daar staat dat het in gebruik geven (en dus verhuur) is toegestaan, mits van permanente gehele of gedeeltelijke exploitatie geen sprake is. Met partijen is de kantonrechter van oordeel dat het er bij deze bepaling om gaat dat de verhuur van een flatwoning een tijdelijk karakter moet hebben: van een permanente verhuursituatie mag op grond van de statuten geen sprake zijn. Daarnaast moet een lid, als hij (tijdelijk) wil gaan verhuren, op grond van artikel 28, derde lid, van de statuten toestemming krijgen van het bestuur van de coöperatie. Die toestemming kan niet zomaar worden geweigerd: dat mag het bestuur alleen doen als er, kort gezegd, ernstige bezwaren zijn tegen de persoon van de beoogde huurder. Uit het tweede lid van artikel 28 volgt dat het lid dat wil gaan verhuren op zijn beurt de personalia van de beoogde huurder aan het bestuur moet verstrekken, zodat het bestuur de te verrichten toets ook daadwerkelijk kan uitvoeren.

4.4.

Er zijn dus twee voorwaarden voor de verhuur van een flatwoning binnen de coöperatie: de verhuur moet tijdelijk zijn en het bestuur moet toestemming geven over de persoon van de beoogde huurder. Het lijkt er in deze zaak op dat zowel [eiser] als de coöperatie deze beide voorwaarden en de rol die het bestuur daarbij speelt door elkaar halen. De voorwaarde van tijdelijkheid is in de statuten niet gekoppeld aan het geven van toestemming door het bestuur. Op grond van de statuten hoefde [eiser] dus niet aan het bestuur te vragen hoe in het algemeen tegen de verhuurmogelijkheden werd aangekeken. Juridisch gezien had [eiser] gewoon mogen gaan verhuren aan een tijdelijke huurder, als die huurder als persoon akkoord was bevonden. Dit voert [eiser] in deze procedure dan ook terecht aan. Als [eiser] was gaan verhuren en het bestuur vervolgens meende dat van een tijdelijke situatie geen sprake was, dan had het bestuur dat in het uiterste geval namens de coöperatie aan de rechter voor kunnen leggen. Zo ver is het niet gekomen, omdat partijen in een vroeg stadium hebben gezocht naar hoe de eis van tijdelijkheid vorm zou moeten krijgen: bijvoorbeeld via verhuur in het kader van de Leegstandwet.

4.5.

De vraag is dan of de omstandigheid dat het bestuur aanvankelijk een standpunt heeft ingenomen dat later niet juist bleek, maakt dat sprake is van onrechtmatig handelen door de coöperatie. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval. Het bestuur heeft [eiser] niet bewust verkeerd ingelicht en omdat [eiser] voor de voorwaarde van tijdelijkheid niet afhankelijk was van de coöperatie, heeft het bestuur ook geen inbreuk gemaakt op een recht van [eiser] . Van een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt is ook geen sprake. Dit zijn de limitatief in de wet genoemde handelingen waar een onrechtmatige daad uit kan bestaan en die doen zich dus geen van allen voor. Er is wel een verschil van mening tussen partijen geweest over de interpretatie van de statuten van de coöperatie, waarbij partijen uitgebreid standpunten ingenomen en gedurende langere tijd hebben uitgewisseld. Maar dat is niet onrechtmatig.

4.6.

Dat de problematiek van de tijdelijke verhuur meerdere malen op een algemene vergadering van de coöperatie is besproken en dat uiteindelijk een reglement is opgesteld met uitgangspunten en/of voorwaarden die voortaan gelden bij verhuur, is voor deze zaak verder niet van belang. Er kan op een algemene vergadering van alles worden besproken, maar als dat niet leidt tot een besluit om de statuten te wijzigen heeft dat verder juridisch gezien geen gevolgen. Het is bovendien de vraag of de verhuurmogelijkheid die de statuten biedt beperkt kan worden bij een reglement dat voorschrijft dat specifiek van de Leegstandwet gebruik gemaakt moet worden en dat het verhurende lid een vergoeding verschuldigd is aan de coöperatie. Daar zal nu verder niet op worden ingegaan, omdat [eiser] ook voordat dit reglement werd vastgesteld zelf al via de Leegstandwet wilde verhuren en omdat de coöperatie de betreffende vergoeding aan [eiser] heeft kwijtgescholden.

4.7.

[eiser] mocht op tijdelijke basis verhuren, op welke wijze dan ook. [eiser] heeft er zelf voor gekozen om de vraag over de interpretatie van tijdelijkheid bij het bestuur van de coöperatie neer te leggen en hij heeft zich vervolgens steeds afwachtend opgesteld toen het bestuur uitgebreid de tijd nam om zijn standpunt te bepalen. Als [eiser] de tijdelijkheid van de verhuur op wat voor (andere) wijze dan ook had gewaarborgd, had hij zonder tussenkomst van het bestuur op dit punt direct tot verhuur kunnen overgaan. Dat hij daar niet voor heeft gekozen is vanwege de relatie tussen partijen begrijpelijk, maar komt gelet op het voorgaande wel voor zijn rekening.

4.8.

[eiser] heeft nog aangevoerd dat hij afhankelijk was van het bestuur, omdat de coöperatie volgens hem degene was die de vergunning om op grond van de Leegstandwet te mogen verhuren moest aanvragen. Dit wordt niet gevolgd. In de eerste plaats is niet gebleken dat de Leegstandwet de enige manier is voor tijdelijke verhuur: partijen zijn het er slechts over eens dat verhuur op deze wijze een geschikte manier is. Daarnaast staat in de Leegstandwet wel dat een eigenaar de vergunning moet aanvragen, maar op grond van artikel 1, aanhef en onder c van die wet wordt onder eigenaar ook verstaan “degene die bevoegd is tot het in gebruik geven van een woning of een gebouw”. Uit het voorgaande blijkt dat [eiser] die bevoegdheid had, zodat hij als eigenaar in de zin van de Leegstandwet kan worden aangemerkt en de vergunning dus zelf mocht aanvragen. Dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn een en ander mogelijk anders interpreteert doet hier niet aan af. Dit betekent dat de procedures uit de Leegstandwet niet maken dat de coöperatie kan worden aangerekend dat er vertraging is opgetreden in de door [eiser] gewenste verhuur van zijn flatwoning.

4.9.

Op de comparitie is verder gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de noodzakelijke toestemming van de bank geen belemmerende rol heeft gespeeld bij de verhuur van de flatwoning van [eiser] . Uit de stukken blijkt ook dat die toestemming al in januari 2014 enkel nog afhankelijk was van het doorgeven van de personalia en een huurovereenkomst, terwijl de aanvankelijk beoogde huurders zich volgens [eiser] toen nog niet hadden teruggetrokken.

4.10.

Wat dan nog over blijft is de toestemming die het bestuur van de coöperatie heeft moeten verlenen ten aanzien van de persoon van de door [eiser] naar voren geschoven huurder. [eiser] voert aan dat hij de namen van de beoogde huurders al in het telefoongesprek van 23 oktober 2013 aan de toenmalige voorzitter van het bestuur van de coöperatie heeft doorgegeven, terwijl dat door de coöperatie wordt betwist. Wat er toen precies is besproken kan echter in het midden blijven. Het staat immers vast dat [eiser] de benodigde inlichtingen en personalia toen niet schriftelijk aan het bestuur heeft verstrekt, terwijl de eis van het doen van een schriftelijk verzoek onomstotelijk uit de statuten volgt. Ook hier geldt daarom dat moet worden vastgesteld dat [eiser] er zelf voor heeft gekozen om op een informele manier met het bestuur van de coöperatie contact te zoeken, en dat dat tot gevolg heeft dat hij nu niet alsnog het bestuur kan verwijten dat er toestemming is onthouden. [eiser] had direct in oktober bij het bestuur een formeel besluit kunnen uitlokken over de geschiktheid van de beoogde huurders en hij had de in de statuten beschreven beroepsprocedure op de algemene vergadering kunnen volgen, als dat besluit voor hem negatief zou hebben uitgepakt. Dit heeft hij allemaal niet gedaan. Dat de beoogde huurders zich vervolgens een tijd later hebben teruggetrokken is, ervan uitgaande dat dit inderdaad zo is, vervelend, maar dat maakt het voorgaande niet anders. Uiteindelijk is pas eind september 2014 om toestemming ten aanzien van nieuwe beoogde huurders gevraagd en die toestemming heeft het bestuur toen ook snel gegeven.

4.11.

Naar aanleiding van de stellingen van [eiser] wordt nog het volgende overwogen. Zelfs als er vanuit zou worden gegaan dat hij in het telefoongesprek van 23 oktober 2013 de personalia van de toen beoogde huurders kenbaar heeft gemaakt, en zelfs als eraan voorbij zou worden gegaan dat [eiser] aan het bestuur geen schriftelijk verzoek heeft gedaan, kan dit niet leiden tot toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. Het zou kunnen dat in dat geval geoordeeld wordt dat het bestuur van de coöperatie bij de beoordeling van de aangedragen huurders een verkeerde toets heeft aangelegd, door met name ook te kijken naar het hiervoor uitgebreid beschreven vereiste van tijdelijkheid, terwijl de toets van het bestuur zich alleen tot de persoon van de huurder mag uitstrekken. Dat de schade die [eiser] stelt te hebben geleden het gevolg is van dat handelen volgt echter niet uit wat over en weer is aangevoerd. Ook hier geldt immers dat [eiser] bij het uitblijven van een beslissing van het bestuur over de toestemming al na veertien dagen aan de bel kunnen trekken, bijvoorbeeld door in beroep te gaan op de algemene vergadering van de coöperatie, of door zich al op dat moment tot de kantonrechter te wenden. Dat heeft hij niet gedaan, terwijl uit het voorgaande blijkt dat de aanvraag om een vergunning op grond van de Leegstandwet en de toestemming van de bank evenmin een beperking kunnen hebben opgeleverd. Dat maakt dat de opgetreden vertraging bij deze veronderstelde gang van zaken niet het gevolg is van het in deze veronderstelling aangenomen onrechtmatige handelen van de coöperatie. Het causaal verband tussen het eventuele onrechtmatig handelen en de gestelde schade ontbreekt dan.

4.12.

Samenvattend is de kantonrechter van oordeel dat uit wat er tussen oktober 2013 en oktober 2014 is gebeurd niet volgt dat (het bestuur van) de coöperatie onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . Het bestuur heeft aanvankelijk wel een standpunt ingenomen over verhuur dat niet houdbaar bleek, maar [eiser] heeft er zelf voor gekozen om dat standpunt en de houding van het bestuur leidend te laten zijn, terwijl die rol op grond van de statuten niet aan het bestuur is toegekend. Dat sprake is van een onrechtmatige onthouding van toestemming ten aanzien van de persoon van een beoogde huurder is evenmin gebleken, omdat [eiser] de daartoe voorgeschreven procedure niet heeft gevolgd. De vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de coöperatie worden begroot op € 600,00, geheel bestaande uit het salaris van haar gemachtigde (2 punten x tarief € 300,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de coöperatie, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. de Meulder, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 november 2016.