Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6263

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
C/16/421264 / FT RK 16/1489
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing dwangakkoord schuldsanering. In geval van een buitenlandse weigerende schuldeiser is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van de EEX-Vo (herschikking). Nederlands recht is van toepassing op grond van Rome-II.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 287a
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2017/112 met annotatie van mr. J.J. Kuipers
INS-Updates.nl 2016-0405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/421264 / FT RK 16/1489

nummer verklaring: -

uitspraakdatum: 24 november 2016

uitspraak op grond van artikel 287a van de Faillissementswet (‘dwangakkoord’)

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoeker] ,

geboren op [1964] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [verzoeker] ,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

PLOCK GMBH,

gevestigd te Wang (Duitsland),

hierna: Plock.

1 De procedure

1.1.

Op 8 augustus 2016 is namens [verzoeker] een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (“Fw”) ingediend teneinde N.V. Univé Schade, M.T.S. Euro Products B.V., Plock en Yuki Works B.V. te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

1.2.

Na indiening van bedoeld verzoek hebben N.V. Univé Schade, M.T.S. Euro Products B.V. en Yuki Works B.V. alsnog ingestemd met het aangeboden akkoord, zodat het verzoek zich thans alleen nog richt tegen Plock.

1.3.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 november 2016. [verzoeker] is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn broer en de schuldhulpverlener. Plock is niet ter zitting verschenen.

1.4.

Op 18 november 2016 heeft de schuldhulpverlener de rechtbank informatie gestuurd over de ABN Amro-lijfrentepolis.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

[verzoeker] heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. In de aangeboden regeling wordt vermeld dat [verzoeker] een totale schuldenlast heeft van € 177.917,80 verdeeld over een preferente schuldeiser met een vordering van € 59.555,00 en 23 concurrente schuldeisers.

2.2.

De regeling houdt - samengevat – in dat alle inkomsten van [verzoeker] boven het vrij te laten bedrag (VTLB) gedurende een looptijd van 36 maanden worden gereserveerd en na een jaarlijkse hercontrole aan de schuldeisers zal worden uitbetaald. Op basis van de afloscapaciteit ten tijde van het aanbod is de prognose dat er 1,41% op de vorderingen van de concurrente schuldeisers kan worden voldaan tegen kwijting van het restant. De preferente schuldeisers krijgen het dubbele percentage.

2.3.

De onder 2.2. bedoelde schuldregeling is door de andere schuldeisers, maar niet door Plock aanvaard.

2.4.

De waarde van de lijfrentepolis is door ABN Amro verrekend met haar vordering op [verzoeker] op grond van het verstrekte flexibel krediet. De restant vordering is door de schuldhulpverlener betrokken in de aangeboden schuldregeling.

3 De verzoeken en het verweer

3.1.

[verzoeker] heeft de rechtbank de primair verzocht Plock te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287 Fw. Daarnaast is de rechtbank, indien afwijzend op het primaire verzoek zou worden beslist, subsidiair verzocht ten aanzien van [verzoeker] de toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 284 Fw uit te spreken.

3.2.

[verzoeker] heeft hiervoor aangevoerd dat de aangeboden minnelijke schuldregeling het maximaal haalbare is. Immers, in een wettelijk schuldsaneringstraject moet er rekening worden gehouden met bijkomende kosten (salaris bewindvoerder en eventueel griffierecht) waardoor de uitkering aan de schuldeisers aanzienlijk lager zal zijn.

3.3.

Plock heeft niet ingestemd met de aangeboden schuldregeling. Uit de correspondentie met de schuldhulpverlener volgt enkel dat zij hun vordering niet willen opgeven.

4 De beoordeling

4.1.

Nu Plock een rechtspersoon is naar buitenlands recht en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Het antwoord van deze vraag volgt niet uit de Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (de “Insolventieverordening”). De Insolventieverordening is blijkens artikel 1 van toepassing op procedures die ertoe leiden dat de een schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen geheel of ten dele verliest. In bijlage A van de Insolventieverordening wordt de schuldsaneringsregeling weliswaar genoemd als regeling waarop de Insolventieverordening van toepassing is, maar het verzoek op grond van 287a Fw valt niet onder de omschrijving van artikel 1. De gedwongen schuldenregeling voorziet er juist in een wettelijke schuldsanering met de in artikel 1 van de Insolventieverordening bedoelde gevolgen, te voorkomen.

4.3.

De beslissing waarom [verzoeker] op grond van artikel 287a Fw vraagt, komt erop neer Plock te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling. Op deze beslissing is artikel 3:300 lid 3 BW van toepassing, waarin is geregeld dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats komt van een vrijwillige instemming door Plock met de schuldregeling. Het betreft daarmee een burgerlijke of handelszaak waarop van toepassing is de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (“EEX-Vo”).

4.4.

Het uitgangspunt van de EEX-Vo is in artikel 4 dat een gedaagde wordt opgeroepen voor de rechter van zijn woonplaats. In dit geval zou dat betekenen dat de rechters van verschillende landen bevoegd zouden zijn ten aanzien van verschillende schuldeisers een oordeel te geven over toepassing van de schuldregeling. Voor dergelijke situaties is in artikel 8 EEX-Vo bepaald dat een schuldeiser ook kan worden opgeroepen voor de rechter van een lidstaat indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

4.5.

De situatie van artikel 8 EEX-Vo doet zich in het onderhavige geval voor. De regeling van artikel 287a Fw is naar zijn aard een regeling waarbij meerdere schuldeisers betrokken zijn, zelfs wanneer maar één van de schuldeisers heeft geweigerd met de regeling in te stemmen. Bij een beoordeling van een verzoek op grond van artikel 287a Fw gaat het immers niet alleen om een weging van de belangen van [verzoeker] tegenover die van de Plock, maar moeten mede de belangen worden betrokken van de schuldeisers die wel met de regeling hebben ingestemd. In zekere zin kunnen deze overige schuldeisers ook als belanghebbenden bij het verzoek worden aangemerkt, hoewel zij niet formeel als partij in de procedure worden betrokken. Een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige beoordeling van al deze belangen, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

4.6.

Ten aanzien van het op de onderhavige vordering toepasselijke recht, wordt het volgende overwogen. Het verzoek heeft geen betrekking op de tussen partijen bestaande overeenkomst op basis waarvan Plock een vordering op [verzoeker] heeft. Het verzoek heeft betrekking op de vraag of Plock gehouden is een nieuwe overeenkomst te sluiten met [verzoeker] , waarin afspraken worden gemaakt over aflossing en kwijtschelding van de vordering, of dat Plock haar recht om de aangeboden overeenkomst te weigeren heeft misbruikt. Op deze niet-contractuele verhouding is van toepassing de Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II-Vo).

4.7.

Op grond van de hoofdregel uit Rome II-Vo geldt dat het recht van toepassing is van het land waar de schade zich voordoet. Uitgangspunt van het onderhavige verzoek is dat schade zou ontstaan doordat Plock weigert om in te stemmen met het akkoord. Deze schade bestaat uit de lagere opbrengst die de gezamenlijke schuldeisers van [verzoeker] verwachten te ontvangen ten opzichte van een wettelijke schuldsanering, onder meer vanwege de extra kosten die met een wettelijke schuldsanering zijn gemoeid. Deze dreigende schade doet zich voor in Nederland, omdat - door de weigering om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling - in dat land de schadelijke gevolgen voor de gezamenlijke schuldeisers zouden optreden: in Nederland zou alsdan een wettelijke schuldsanering moeten worden uitgesproken en daar zou ook de (lagere) uitkering aan de gezamenlijke schuldeisers worden gerealiseerd. Ook indien niet de hoofdregel, maar artikel 12 Rome II-Vo moet worden toegepast, geldt dat Nederlands recht van toepassing is. Immers, de kenmerkende prestatie van een schuldeisersakkoord is het doen van een betaling door [verzoeker] . De schuldeisers van [verzoeker] hebben op grond van het aangeboden akkoord uitsluitend de verplichting om af te zien van de incasso van hun (restant) vorderingen. Op de beoordeling van het verzoek is dus Nederlands recht van toepassing.

4.8.

Het verzoek om Plock te dwingen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling kan slechts worden toegewezen indien geoordeeld kan worden dat Plock de aanvaarding van het aanbod in redelijkheid niet had kunnen weigeren. Het ligt in beginsel op de weg van [verzoeker] die zodanige medewerking in rechte wenst af te dwingen om de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit voortvloeit dat Plock misbruik maakt van de bevoegdheid om niet met de aangeboden regeling in te stemmen. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 287a Fw dienen als toetsingskader voor een dwangakkoord onder meer de volgende omstandigheden in aanmerking te worden genomen:

  • -

    is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;

  • -

    biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar;

  • -

    biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser evenveel of meer zal ontvangen;

  • -

    is aannemelijk dat gedwongen medewerking aan een schuldregeling voor de schuldeiser concurrentieverstorend werkt;

  • -

    bestaat er precedentwerking in soortgelijke gevallen;

  • -

    wat is de zwaarte van het financiële belang dat schuldeiser heeft bij volledige nakoming;

  • -

    hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;

  • -

    staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers;

  • -

    is er eerder een minnelijke of gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen.

4.9.

Bij de beoordeling van de vraag of Plock in redelijkheid tot de weigering van haar instemming kon komen, moeten worden gekeken naar de inhoud van de aangeboden schuldregeling. De rechtbank stelt vast dat Plock een financieel belang heeft van € 1.970,41. Ten opzichte van de totale schuldenlast van € 177.917,80 betekent dit dat Plock 1,11% van de schuldenlast vertegenwoordigt. Gelet op het verzoek 284 Fw met bijlagen en dat wat er ter zitting naar voren is gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding [verzoeker] toelating tot de wettelijke schuldsanering te onthouden. De rechtbank zal daarom de vooruitzichten voor de schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord moeten vergelijken met de vooruitzichten in geval van toelating tot de wettelijke schuldsanering. In de wettelijke schuldsanering zal de afloscapaciteit gelijk zijn aan die in het minnelijke traject. Gelet hierop en op de kosten van de wettelijke schuldsanering – begroot op € 3.085,00 – acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat in een wettelijke schuldsanering de schuldeisers een hogere uitkering zullen ontvangen. Aanvaarding van de aangeboden schuldregeling is dus gunstiger.

4.10.

Nu de vooruitzichten voor Plock als schuldeiser bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat Plock op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat Plock geen belang heeft bij de weigering van de instemming, terwijl [verzoeker] en de andere schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling, zoals nader uiteen zal worden gezet.

4.11.

Plock heeft geen inhoudelijke argumenten aangevoerd op grond waarvan het onderhavige verzoek afgewezen zou moeten worden. Gelet op de bijlagen bij het verzoek en de inhoudelijke behandeling is de rechtbank van oordeel dat sprake is van deugdelijk en voldoende onderbouwd aanbod. [verzoeker] heeft thans inkomen uit arbeid aangevuld tot bijstandsniveau door de Gemeente Amersfoort. Vanwege psychische problemen werkt hij thans 28 uur per week. [verzoeker] werkt aan het vergroten van zijn belastbaarheid. De Gemeente Amersfoort laat regelmatig de belastbaarheid van [verzoeker] beoordelen. Mocht [verzoeker] meer inkomen genereren, moet hij dit – bij een gelijkblijvend VTLB – afdragen aan de schuldeisers. Echter bestaat ook de kans dat de woonlasten van [verzoeker] zullen stijgen. [verzoeker] woont thans anti-kraak en het is niet duidelijk hoe lang hij nog in zijn huidige woning kan blijven wonen. Gelet op het voorgaande wegen de belangen van [verzoeker] op een schuldenvrije toekomst zwaarder dan de belangen van Plock op een hogere betaling dan het aangeboden bedrag. Ook de andere schuldeisers hebben vanwege de gunstigere vooruitzichten van de minnelijke schuldregeling belang bij aanvaarding van het akkoord door de weigeraar. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek ex artikel 287a Fw toewijzen.

4.12.

Aangezien het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen, komt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet meer aan de orde.

5
5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt de Plock in te stemmen met de onder 2.2 bedoelde schuldregeling;

5.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2016.