Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6223

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
C/16/413424 / FA RK 16-2386
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

partneralimentatie; wijziging van omstandigheden; datum AOW-uitkering; WLA; termijn vastgesteld; verlenging niet mogelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht


locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/413424 / FA RK 16-2386


partneralimentatie

Beschikking van 9 november 2016

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W. Doornink te Hoorn Nh

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

verweerder, hierna te noemen: de man,

advocaat mr. C.R.N. de Boer te Maastricht.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De vrouw heeft op 6 april 2016 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend.

1.2.

De man heeft op 28 juli 2016 een verweerschrift ingediend.

1.3.

Vervolgens heeft de rechtbank kennisgenomen van een F9-formulier van 26 september 2016 van de zijde van de vrouw met daarbij een wijziging van haar verzoek.

1.4.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 3 oktober 2016.

Verschenen zijn:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [1970] tot [1991] . Bij vonnis van de rechtbank Alkmaar van 6 december 1990 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Dit vonnis is op [1991] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Hillegom.

2.2.

Partijen zijn een regeling overeengekomen in een echtscheidingsconvenant van juli 1991. In artikel 2.1. hiervan is opgenomen dat de man met ingang van 17 juli 1991 aan de vrouw een bijdrage betaalt in haar levensonderhoud van ƒ 3.750,- per maand.

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Alkmaar van 22 oktober 1992 is bepaald dat de man over de periode van 1 augustus 1991 tot en met 30 juni 1992 aan de vrouw ten titel van levensonderhoud is verschuldigd een bedrag van ƒ 6.510,10 en met ingang van 1 juli 1992 een bedrag van ƒ 3.888,75 per maand.

2.4.

Bij beschikking van 12 juni 2007 van de rechtbank ’s-Gravenhage is bepaald dat de man met ingang van 13 juli 2006 tegen kwijting aan de vrouw zal uitkeren een bedrag van € 1.308,50 per maand en is daarnaast bepaald dat de alimentatieverplichting van de man eindigt op 24 januari 2017 en dat verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is. Bij beschikking van 20 augustus 2008 van het gerechtshof ’s-Gravenhage is deze beschikking vernietigd, voor zover daarbij de alimentatie voor de vrouw is gewijzigd, en is de beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige bekrachtigd.

2.5.

Partijen hebben begin 2010 een depotovereenkomst gesloten met notaris

mr. [A] te [vestigingsplaats] .

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw zal eindigen per 24 oktober 2017, althans per ingangsdatum van de AOW-uitkering van de vrouw. Daarnaast verzoekt de vrouw de man te veroordelen in de proceskosten.

De vrouw heeft haar verzoek ingetrokken te bepalen dat de man zijn medewerking zal verlenen aan verlenging van de tussen partijen en notaris [A] te [vestigingsplaats] aangegane depotovereenkomst tot 24 oktober 2017, althans tot de ingangsdatum van de AOW-uitkering van de vrouw, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor het geval de man weigerachtig zal zijn deze medewerking te verlenen, zodat dit niet langer aan de rechtbank voorligt.

De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft in de beschikking van 12 juni 2007 uitdrukkelijk het eindigen van de alimentatieverplichting van de man willen koppelen aan de ingangsdatum van de AOW-uitkering van de vrouw. Als gevolg van een wijziging van omstandigheden, namelijk de gewijzigde regelgeving met betrekking tot de AOW, ligt verlenging tot de datum waarop de vrouw daadwerkelijk een AOW-uitkering zal ontvangen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de rede. De vrouw zal zoals het er thans naar uitziet eerst bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en 9 maanden, te weten op 24 oktober 2017 een AOW-uitkering ontvangen.

3.2.

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en concludeert tot afwijzing. Volgens de man staat artikel 1:401 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan toewijzing van het verzoek van de vrouw in de weg, nu de rechtbank

’s-Gravenhage heeft bepaald dat de alimentatieverplichting eindigt op een vaste datum en expliciet heeft bepaald dat verlenging van de termijn niet mogelijk is. Daarnaast is de omstandigheid dat de vrouw later dan voorzien een AOW-uitkering krijgt geen dusdanig ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat dit een verlenging van de termijn rechtvaardigt.

3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen stellen dat de grondslag van het verzoek van de vrouw artikel 1:401 lid 2 BW is. Naar het oordeel van de rechtbank is echter artikel 1:401 lid 2 BW niet van toepassing, nu de man verplicht is een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te betalen op grond van een overeenkomst die dateert van vóór 1 juli 1994, de datum van inwerkingtreding van de Wet Limitering Alimentatie na scheiding (hierna: WLA)(zie ook ECLI:NL:GHAMS:2009: BK3948). Wel van toepassing zijn de overgangsbepalingen van de WLA, meer specifiek artikel II WLA. De tekst van artikel II lid 2 en lid 3 WLA luidt als volgt:

2 Op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, beëindigt de rechter de verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder geval rekening met: a. de leeftijd van degene die tot de uitkering gerechtigd is;

b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

d. de omstandigheid dat de tot de uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de uitkering is gehouden.

De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is. Het bepaalde in de eerste volzin kan niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt binnen drie jaren na inwerkingtreding van deze wet.

3 Een rechterlijke uitspraak betreffende de beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud als bedoeld in het tweede lid kan niet bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken.

3.4.

Bij beschikking van 12 juni 2007 van de rechtbank ’s-Gravenhage is een termijn vastgesteld als bedoeld in artikel II lid 2 WLA, te weten tot 24 januari 2017. Bij de beschikking van 12 juni 2007 van de rechtbank ’s-Gravenhage is bepaald dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is. Ingevolge artikel II lid 3 WLA kan de uitspraak van 12 juni 2007 van de rechtbank ’s-Gravenhage niet worden gewijzigd. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan een verdere beoordeling van het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. de Beij, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. Eisenhardt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.