Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6099

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
5089464 / MC EXPL 16-5825
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Alliantie vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De Aliantie legt daaraan ten grondslag een veelvoud van tekortkomingen, te weten het niet hebben van hoofdverblijf in het gehuurde, het verrichten van bedrijfsactiviteiten in de berging van het gehuurde, het kweken van hennep, het onderverhuren van het gehuurde, het veroorzaken van overlast en het niet tijdig voldoen van de huur. De kantonrechter wijst de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing van de gestelde tekortkomingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 16 november 2016

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 5089464 / MC EXPL 16-5825 van

de stichting
STICHTING DE ALLIANTIE,
gevestigd te Hilversum,
eiseres, hierna ook te noemen: De Alliantie,
gemachtigde mr. L.F. Birnie,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. N.A. de Kock.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

  • -

    het tussenvonnis van 3 augustus 2016

  • -

    brief van 11 oktober 2016 aan de zijde van De Alliantie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 oktober 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt van De Alliantie de woning gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] per 1 november 1997. De huurprijs bedraagt € 437,46 per maand.

2.2.

[gedaagde] heeft een vriendin, [A] . Zij huurt van De Alliantie een woning gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] .

2.3.

In 2012 ontvangt De Alliantie een anoniem ingevuld enquêteformulier.

Een bewoner van de [straatnaam] meldt middels dit formulier dat [gedaagde] niet in het

gehuurde woont, dat [gedaagde] het gehuurde onderverhuurt en dat er zich in de slaapkamer

aan de achterzijde van het gehuurde een hennepkwekerij bevindt. Naar aanleiding van de melding bezoeken twee medewerkers van De Alliantie het gehuurde op 22 augustus 2012 Zij treffen daar niemand thuis.

2.4.

In 2015 ontvangt De Alliantie een anonieme melding dat [gedaagde] bij zijn vriendin aan het adres [adres] woont. Op 8 april 2015 bezoeken medewerkers van De Alliantie het gehuurde in de avond. Zij treffen niemand thuis. Op 13 mei 2015 in de avond brengt De Alliantie opnieuw een bezoek aan het gehuurde. Er is wederom niemand aanwezig. Op 20 mei 2015 vindt in de middag een huisbezoek plaats, waarbij [gedaagde] opnieuw niet in het gehuurde wordt aangetroffen.

2.5.

Bij brief d.d. 9 juni 2015 wijst De Alliantie [gedaagde] op de verplichting tot het houden van hoofdverblijf in het gehuurde en verzoekt [gedaagde] om de huurovereenkomst op te zeggen. De Alliantie nodigt [gedaagde] uit voor een gesprek op 16 juni 2015 om de huuropzegging te bespreken. De Alliantie biedt [gedaagde] een laatste kans om het gehuurde te behouden onder de volgende voorwaarden:

• [gedaagde] zal het gehuurde betrekken en als hoofdverblijf gaan gebruiken;

• [gedaagde] dient daartoe tenminste vier dagen per week in het gehuurde te verblijven en

overnachten;

• als [gedaagde] voor langere tijd niet in het gehuurde verblijft, meldt [gedaagde] dit tenminste

twee dagen van tevoren schriftelijk aan De Alliantie;

• [gedaagde] geeft het gehuurde niet in gebruik aan derden;

• [gedaagde] stemt op voorhand in met beëindiging van de huurovereenkomst voor het geval

hij zich niet aan de afspraken houdt.

2.6.

Op 10 augustus 2015 treft de politie na een tip in de achtertuin van de woning van [A] vijf hennepplanten aan. [A] geeft aan dat de planten van [gedaagde] zijn. Later die dag treft de politie in de woning van [gedaagde] op het balkon nog eens acht hennepplanten aan. Het proces-verbaal van politie vermeldt onder meer het volgende:

“(..) Later werd ik, verbalisant, weer gebeld door de meldster van [adres] [woonplaats] . Zij vertelde dat ze zag dat er een auto op de oprit van nummer [nummer] stond en dat er planten, vermoedelijk hennep, in de auto werd geladen en dat deze auto vervolgens was weggereden in onbekende richting.

Voornoemde auto hebben wij vervolgens opgepikt ter hoogte van de [straatnaam] te [woonplaats] . De bestuurder verklaarde dat hij door [gedaagde] gevraagd was, wat spullen te vervoeren naar zijn woning aan de [adres] [woonplaats] . Wij zagen dat de er in de voornoemde auto geen planten meer lagen.

Ik ben vervolgens naar het adres [adres] [woonplaats] gegaan, nadat ik telefonisch contact had gelegd met [gedaagde] . Bij de woning aangekomen zag ik dat er een hennepplant voor de voordeur stond. Ik zag dat de voordeur open stond. Ik ben vervolgens de woning binnengelopen en zag hier [gedaagde] . Tevens zag ik dat er 7 hennepplanten op het balkon stonden.

Wij vroegen aan [gedaagde] of er ook een berging aanwezig was Hij gaf ons de sleutel van zijn berging. In deze berging troffen wij meerdere goederen aan welke gebruikt worden voor het professioneel bereiden van goederen, genoemd in de lijst 2 van de Opiumwet.

2.7.

Bewoners rondom de woning van [A] hebben verklaringen afgelegd op verzoek van de Alliantie.

Verklaring de heer [B] ( [adres] ) van 29 april 2016

“Al meer dan 2 jaar heb ik regelmatig mijn beklag gedaan bij de woningbouwvereniging en de politie aangaande de geluidsoverlast, fiets (gestolen) verkoop door de huisgenoot, bij mij voorgesteld als [voornaam van gedaagde] , de verbouw en handel in wiet, zowel [voornaam van gedaagde] als de bewoonster [voornaam van A] , fysieke mishandeling van een buurmeisje, mishandeling van een puppy, het terroriseren van ambachtslieden, bezoekers en bewoners. (...) De bewoonster en haar huisgenoot vormen een economische eenheid, daar hij dagelijks bij haar eet, slaapt en verblijft. De huisgenoot heeft een “eigen” woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] , eveneens een woning van woningbouwvereniging De Alliantie. “.

Verklaring mevrouw [C] ( [adres] ) 6 oktober 2015:

“ [voornaam van gedaagde] heeft vanaf het begin dat [voornaam van A] op de [straatnaam] haar intrek nam, samengewoond met [voornaam van A] . Bewoners van de [straatnaam] kunnen dit beamen. (...) Inmiddels loopt [voornaam van gedaagde] hier nog altijd in de buurt rond en woont hij nog steeds met [voornaam van A] op de [straatnaam] .”.

Verklaring mevrouw [D] ( [adres] ) 9 mei 2016:

“Ik ben woonachtig op [adres] , waar ik zeker 5 dagen per week [voornaam van gedaagde] in de ochtend rond 10.00 uur zie vertrekken bij zijn vriendin [voornaam van A] op nr [nummer] .”

2.8.

Bewoner(s) rondom de woning van [gedaagde] hebben op verzoek van De Alliantie verklaringen afgelegd.

Verklaring mevrouw [E] ( [adres] ) 17 februari 2016:

“ [gedaagde] heeft al lange tijd (een aantal jaren) een vriendin zo heeft hij mij een keer verteld. Hierdoor zie ik dhr. regelmatig maanden lang niet op het ophalen van zijn post na en hij is dan ook snel weer verdwenen.”

2.9.

Bij brieven van 25 augustus 2015, 14 december 2015 en 12 februari 2016 biedt De Alliantie aan [gedaagde] de gelegenheid zelf de huur op te zeggen ter voorkoming van een juridische procedure.

3 Het geschil

3.1.

De Alliantie vordert:

• de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden;

• [gedaagde] te veroordelen het gehuurde, met al hetgeen van [gedaagde] is en ieder die bij [gedaagde] verblijft, te ontruimen en verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van De Alliantie te stellen binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis, met machtiging van De Alliantie om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren;

• [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan De Alliantie van de kosten van de ontruiming conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming, indien [gedaagde] niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming voldoet en De Alliantie de ontruiming zelf bewerkstelligt met inschakeling van een deurwaarder;

• [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan De Alliantie binnen twee weken na het in

deze te wijzen vonnis van een bedrag van € 384,23;

• [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan De Alliantie van een bedrag van € 437,46 per maand tot en met juni 2016 en € 439,74 met ingang van juli 2016 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;

• [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding en de nakosten.

3.2.

De Alliantie vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het

gehuurde. [gedaagde] is ernstig tekortgeschoten in de nakoming van zo ongeveer al zijn

huurdersverplichtingen. Samengevat komen de tekortkomingen op het volgende neer.

- [gedaagde] schiet tekort in de nakoming van artikel 7.1 en 7.3 van de algemene voorwaarden behorende bij de huurovereenkomst, die in feite een tweetal verplichtingen inhouden, namelijk:

a. het daadwerkelijk gebruiken van het gehuurde overeenkomstig de bestemming,

dus het feitelijk gebruiken van het gehuurde als woonruimte;

b. het houden van hoofdverblijf in het gehuurde.

Tijdens het gesprek op 16 juni 2015 hebben [gedaagde] en De Alliantie expliciete afspraken

gemaakt als laatste kans in het bijzijn van de heer [F] . [gedaagde] heeft deze afspraken geschonden. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] het gehuurde weer zou betrekken en daar zijn hoofdverblijf zou gaan houden. [gedaagde] diende daartoe minimaal vier dagen per week in het gehuurde te verblijven en overnachten. Een langere periode van afwezigheid moest [gedaagde] van tevoren schriftelijk aan De Alliantie te melden. Partijen hebben afgesproken dat de huurovereenkomst zou eindigen indien [gedaagde] zich niet aan de laatste kansafspraken zou houden.

- [gedaagde] schiet tekort in de nakoming van de verplichting die volgt uit de artikelen 7.1 en 8

van de algemene voorwaarden, welke verplichting tevens voortvloeit uit artikel 7:214

BW. [gedaagde] gebruikt het gehuurde immers niet conform de bestemming als woonruimte.

In plaats daarvan heeft [gedaagde] het gehuurde de afgelopen jaren aangewend voor

bedrijfsmatige activiteiten. Uit de verklaring van mevrouw [E] volgt dat [gedaagde] vanuit het gehuurde fietsen verhandelt, waarvan de herkomst op zijn minst onduidelijk is. Verder blijkt uit de verklaring dat [gedaagde] het gehuurde aanwendt voor hennepteelt.

- Artikel 7.2 van de algemene voorwaarden luidt: “Huurder zal het gehuurde als een goed

huurder gebruiken.”. Deze verplichting vloeit ook voort uit artikel 7:213 BW. [gedaagde] schiet tekort in de nakoming van deze verplichting door (voorbereidingshandelingen te treffen om) in het gehuurde hennep te telen en aldaar op 10 augustus 2015 acht hennepplanten aanwezig te hebben.

- Artikel 7.5 van de algemene voorwaarden luidt: “Huurder zal ervoor zorgdragen dat aan

omwonenden geen overlast wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten of derden die

zich in het gehuurde bevinden. Huurder zal er tevens voor zorgdragen dat aan

omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt in de gemeenschappelijke

ruimten door huurder, huisgenoten, huisdieren of zijn/ haar bezoekers.”.

Artikel 7.6 van de algemene voorwaarden luidt: “Huurder zal de gemeenschappelijke

ruimten (..) als een goed huurder overeenkomstig hun bestemming gebruiken met

inachtneming van de door verhuurder terzake gegeven aanwijzingen. Huurder zal de

gemeenschappelijke ruimten niet bevuilen en/ of daarin goederen plaatsen welke een

belemmering vormen voor het gebruik daarvan door medebewoners.”. [gedaagde] schiet tekort in de nakoming van deze verplichtingen, die ook voortvloeien uit artikel 7:213 BW. Immers, uit de verklaring van mevrouw [E] blijkt dat omwonenden overlast ondervinden van de wijze waarop [gedaagde] het gehuurde en de gemeenschappelijke ruimten gebruikt. [gedaagde] veroorzaakt geluidsoverlast wanneer hij midden in de nacht fietsen in de berging

zet, fietsbanden oppompt en met de deuren slaat. Daarnaast blokkeert [gedaagde] de

gemeenschappelijke toegang tot de berging door aldaar grote hoeveelheden fietsen te

verzamelen. [gedaagde] bevuilt de ingang van de berging met verbrande hennepplanten.

- [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichting zich van onderhuur/

ingebruikgeving te onthouden. In 2012 meldt immers een omwonende dat het gehuurde

wordt gebruikt als wietpand en dat de woning wordt onderverhuurd.

- [gedaagde] voldoet de maandelijks verschuldigde vergoeding met de regelmaat van

de klok niet bij vooruitbetaling, maar pas veel later en na de nodige aanmaningen. Ook

thans bestaat een achterstand van € 384,23. Partijen hebben een betalingsregeling

getroffen voor het inlopen van deze achterstand. [gedaagde] komt ook de regeling echter niet

na.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. De vermeende tekortkomingen rechtvaardigen niet een ontbinding van de huurovereenkomst. [gedaagde] ontkent dat hij het gehuurde niet als hoofdverblijf gebruikt. [gedaagde] ontkent dat hij het gehuurde gebruikt voor bedrijfsactiviteiten, dat hij overlast bezorgd aan omwonenden, dat hij voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het plaatsen van een hennepkwekerij in het gehuurde, dat hij het gehuurde in onderhuur heeft verstrekt en dat hij zich schuldig maakt aan stelselmatige wanbetaling. [gedaagde] erkent dat in juni 2015 afspraken zijn gemaakt met De Alliantie in het kader van een laatste kans beleid, maar stelt dat hem die laatste kans feitelijk niet is geboden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat uit de door De Alliantie overgelegde stukken blijkt dat sprake is van een problematische huurder. De kantonrechter neemt als uitgangspunt voor de beoordeling of de gestelde tekortkomingen van [gedaagde] in het licht van de tussen partijen gemaakte afspraken op 16 juni 2015 in het kader van een “laatste kans” de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend. De kantonrechter neemt de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

Tekortkoming: niet feitelijk bewonen en houden hoofdverblijf.

4.3.

[gedaagde] is vanaf 1997 huurder van de woning aan de [adres] te [woonplaats] . In 2012 ontvangt De Alliantie middels een anoniem bericht dat het gehuurde zou zijn onderverhuurd. Een huisbezoek op 22 augustus 2012 heeft geen bevestiging daarvan opgeleverd omdat bij dat huisbezoek niemand is aangetroffen. Vervolgens ontvangt De Alliantie in 2015 signalen dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, maar merendeels verblijft bij zijn vriendin [A] op het adres [adres] te [woonplaats] . In de periode van april en mei 2015 vinden een viertal huisbezoeken plaats. [gedaagde] wordt bij die huisbezoeken steeds niet aangetroffen. De Alliantie leidt daaruit af dat [gedaagde] niet langer zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde. Op 16 juni 2015 hebben partijen nadere afspraken gemaakt inhoudende dat:

• [gedaagde] zal het gehuurde betrekken en als hoofdverblijf gaan gebruiken;

• [gedaagde] dient daartoe tenminste vier dagen per week in het gehuurde te verblijven en

overnachten;

• als [gedaagde] voor langere tijd niet in het gehuurde verblijft, meldt [gedaagde] dit tenminste

twee dagen van tevoren schriftelijk aan De Alliantie;

• [gedaagde] geeft het gehuurde niet in gebruik aan derden;

• [gedaagde] stemt op voorhand in met beëindiging van de huurovereenkomst voor het geval

hij zich niet aan de afspraken houdt.

Deze afspraken zijn niet schriftelijk aan [gedaagde] bevestigd, maar ter comparitie van partijen heeft [gedaagde] erkend dat deze afspraken zijn gemaakt. Dit betekent dat de situatie met betrekking tot de vraag of [gedaagde] hoofdverblijf heeft in het gehuurde moet worden getoetst aan de hand van de feiten van na 16 juni 2015. De situatie van voor 16 juni 2015, waaruit valt af te leiden dat er aanwijzingen zijn dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde had maar bij zijn vriendin [A] , is voor de beoordeling of sprake is van een tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt niet langer doorslaggevend. Vastgesteld dient te worden of [gedaagde] na 16 juni 2015 zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft opgegeven. De Alliantie wijst daarvoor naar verschillende verklaringen van omwonenden van de [adres] te [woonplaats] , de e-mail berichten van [A] aan de Alliantie en een verklaring van een omwonende van de [adres] te [woonplaats] . Die verklaringen in onderlinge samenhang beschouwd zijn onvoldoende dragend om aan te nemen dat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan de afspraken van 16 juni 2015. De verklaringen zien onder meer op de situatie van vóór 16 juni 2015 en zijn in algemene bewoordingen gesteld, zodat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf na 16 juni 2015 niet in het gehuurde heeft behouden. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat De Alliantie zelf na 16 juni 2015 verder geen onderzoek heeft gedaan om de verklaringen van omwonenden te verifiëren, terwijl dat wel op de weg van De Alliantie had gelegen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] niet langer zijn hoofdverblijf houdt in het gehuurde. Van schending van de op 16 juni 2015 gemaakte afspraken is de kantonrechter onvoldoende gebleken.

Tekortkoming: gebruik niet conform de bestemming

4.4.

De Alliantie verwijt [gedaagde] dat hij het gehuurde niet conform de bestemming gebruikt omdat hij het gehuurde de afgelopen jaren heeft aangewend voor bedrijfsmatige activiteiten. [gedaagde] zou vanuit het gehuurde zich bezig houden met de handel van fietsen. De Alliantie beroept zich daarbij op een verklaring van de omwonende [E] van 17 februari 2016. De Alliantie heeft op geen enkele wijze aangegeven hoe en op welke wijze zij met de klacht van [E] is omgegaan. Uit de verklaring van [E] leidt de kantonrechter af dat De Alliantie kennelijk op enig moment stickers ter verwijdering heeft aangebracht op fietsen die in de berginggang in de weg stonden en dat deze fietsen uiteindelijk ook zijn verwijderd. [gedaagde] heeft erkend dat hij in het verleden wel fietsen heeft verhandeld, maar dat hij daarmee is gestopt. Het had op de weg van De Alliantie gelegen meer duidelijkheid te verstrekken over de verweten bedrijfsactiviteiten. Immers volstrekt onduidelijk is gebleven wanneer en over welke periode deze bedrijfsactiviteiten zouden hebben plaatsgevonden vanuit het gehuurde en welke acties en of onderzoek De Alliantie ter vaststelling daarvan heeft ondernomen. Niet is gebleken dat [gedaagde] op enig moment daarop door De Alliantie is aangesproken. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de stellingen van De Alliantie onvoldoende zijn onderbouwd.

4.5.

De Alliantie verwijt [gedaagde] dat hij het gehuurde gebruikt voor het kweken van hennep. De Alliantie wijst op een verklaring uit 2012 van een anonieme melder dat in het gehuurde hennep wordt gekweekt. Aan die verklaring gaat de kantonrechter voorbij. De Alliantie heeft op geen enkele wijze de verklaring van de anonieme melder geverifieerd of daartoe onderzoek ingesteld of laten instellen. Verder wijst De Alliantie op het feit dat op 10 augustus 2015 in het gehuurde een achttal hennepplanten zijn aangetroffen en dat tevens een hennepkwekerij in voorbereiding in het gehuurde is aangetroffen. De kantonrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat [gedaagde] in het gehuurde een hennepkwekerij in voorbereiding had. Uit het proces-verbaal van politie valt niet meer af te leiden dan dat in de berging goederen lagen opgeslagen die gebruikt kunnen worden voor het telen van hennep. De opslag van die goederen is niet bij wet verboden. Die opslag rechtvaardigt niet de conclusie dat [gedaagde] doende was met de voorbereiding van een hennepkwekerij in de woning.

4.6.

De kantonrechter volgt De Alliantie ook niet in haar stelling dat [gedaagde] in het gehuurde bedrijfsmatig hennep heeft geteeld. Daarvan is geen sprake. Weliswaar is op 10 augustus 2015 bij de ingang van de woning één hennepplant aangetroffen en op het balkon een zevental hennepplanten aangetroffen, maar deze planten zijn niet geteeld in het gehuurde. De planten zijn afkomstig uit de woning van [A] aan de [adres] , nadat de politie daar op 10 augustus 2015 planten, toebehorende aan [gedaagde] , in beslag had genomen. De Alliantie beroept zich op het feit dat van algemene bekendheid is dat aan het exploiteren van een hennepkwekerij in de woning grote risico’s kleven als stankoverlast, brandgevaar, waterschade, het weigeren van dekking door de verzekeraar en verloedering van de woonomgeving. Daarvan is in het onderhavige evenwel geval geen sprake. De Alliantie volstaat met een standaard en algemene uitvoerige beschrijving van de jurisprudentie en de risico’s zonder ook maar enigszins de feiten van dit specifieke geval in haar stellingen te betrekken. In de gegeven situatie kan naar het oordeel van de kantonrechter het enkel aantreffen van een achttal planten niet leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst.

Tekortkoming: onderhuur

4.7.

De Alliantie verwijt [gedaagde] dat hij de woning heeft onderverhuurd. De Alliantie beroept zich daarbij op een verklaring van een anonieme melder dat de woning wordt onderverhuurd. De Alliantie onderbouwd haar stelling geenszins. Enig onderzoek ter vaststelling van een onderhuursituatie, te weten een huisbezoek op 22 augustus 2012, heeft niets opgeleverd. Van een aangetoonde onderhuursituatie is geen sprake. Ook de nadere afspraken van 16 juni 2015 staan eraan in de weg om thans nog een beroep te doen op een mogelijke onderhuursituatie van voor die tijd.

Tekortkoming: overlast en belemmeren gebruik medebewoners

4.8.

De Alliantie verwijt [gedaagde] dat hij geluidsoverlast veroorzaakt door met de deuren te slaan, in de nacht fietsen te plaatsen in de berging, fietsbanden op te pompen, het blokkeren van de ingang van de berging en bevuiling van de ingang van de berging door het achterlaten van verbrande hennepplanten. Ook hier geldt dat de stellingen van De Alliantie niet deugdelijk worden onderbouwd. Zelfstandig onderzoek naar de vermeende klachten ontbreekt.

Tekortkoming: stelselmatige wanbetaling en huurachterstand

4.9.

[gedaagde] zou met enige regelmaat de huur te laat en pas na aanmaningen voldoen. De achterstand bedraagt volgens De Alliantie € 384,23. De Alliantie toont ook hier de gestelde stelselmatige wanbetaling niet aan. Bovendien heeft [gedaagde] ter comparitie een brief van de deurwaarder overgelegd van 10 oktober 2016 waarin een betalingsregeling is afgesproken. Dat [gedaagde] de betalingsregeling niet zal nakomen is niet onderbouwd. Bovendien geldt als beleid binnen de rechtbank dat een huurachterstand van meer dan drie maanden zelfstandig grond biedt voor ontbinding van de huurovereenkomst. Daarvan is hier geen sprake. De vordering tot betaling van een bedrag van € 384,23 aan achterstallige huur zal worden afgewezen nu [gedaagde] een betalingsregeling heeft getroffen.

Conclusie

4.10.

De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van De Alliantie moeten worden afgewezen. Niet is gebleken dat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken op 16 juni 2015. De onderbouwing van de stellingen van De Alliantie is gelet op bovenstaande overwegingen zodanig gebrekkig dat het nader bewijsaanbod dient te worden gepasseerd.

4.11.

De Alliantie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt De Alliantie tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2016.