Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5988

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
C/16/402240 / HA ZA 15-833
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ex-bestuurder vennootschap aansprakelijk op grond van artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW voor schade als gevolg van een levering en betalingen aan een persoon die later door het openbaar ministerie als verdachte is aangemerkt van oplichting van bedrijven. Geen decharge. Eerste ontslagbesluit nietig. Omdat loonvordering bestuurder met terugwerkende kracht is verrekend met schadevordering van vennootschap, heeft ex-bestuurder geen recht op de wettelijke verhoging van artikel 7:625 lid 1 BW en ook niet op wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3926
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civielrecht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/402240 / HA ZA 15-833

Vonnis van 16 november 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. O. Diels te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. van der Pijl te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte wijziging van eis en overlegging producties

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Bij rolbericht van 4 juli 2016 heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de door [eiseres] ingediende conclusie van dupliek in reconventie. Volgens [gedaagde] bevat dit processtuk vrijwel uitsluitend een toelichting op de conventionele vorderingen en daarom verzoekt hij de rechtbank al hetgeen in deze conclusie naar voren is gebracht buiten beschouwing laten, voor zover dit geen betrekking heeft op de reconventionele eis. [eiseres] neemt het standpunt in dat dit verzoek van [gedaagde] moet worden afgewezen.

1.4.

De rechtbank wijst het verzoek van [gedaagde] af. [gedaagde] heeft de rechtbank in zijn conclusie van eis in reconventie (randnummer 65) verzocht ter onderbouwing van zijn eis in reconventie al hetgeen hij in die conclusie in conventie (dus in zijn conclusie van antwoord) naar voren heeft gebracht, als herhaald en ingelast te beschouwen. Dit verzoek heeft hij in iets andere bewoordingen herhaald in zijn conclusie van repliek in reconventie (randnummer 1). Daarmee heeft [gedaagde] zelf het door partijen in conventie gevoerde debat onderdeel gemaakt van het debat in reconventie. Daaruit vloeit voort dat [eiseres] in haar conclusie van dupliek in reconventie heeft mogen reageren op alle stellingen die [gedaagde] heeft ingenomen in zijn conclusie van repliek in reconventie. Daarbij komt nog het volgende. Voor het geval de rechtbank zijn verzoek zou afwijzen heeft [gedaagde] de rechtbank niet verzocht nog een akte te mogen nemen of om bij pleidooi te reageren op de stellingen die [eiseres] bij conclusie van dupliek in reconventie heeft aangevoerd. In plaats daarvan heeft [gedaagde] de rechtbank gevraagd vonnis te wijzen. De keus van [gedaagde] om vonnis te vragen komt voor zijn risico en brengt niet mee dat de rechtbank de conclusie van dupliek in reconventie buiten beschouwing moet laten.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] drijft een onderneming bestaande uit een groothandel in artikelen voor lichaamsverzorging, waaronder shampoo en cosmetica. De enige aandeelhouder van [eiseres] is [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [eiseres] verkoopt hoofdzakelijk producten die zij koopt van [bedrijf 1] en andere groepsvennootschappen. De markt van [eiseres] bestaat hoofdzakelijk uit kapsalons en aan die branche gerelateerde ondernemingen.

2.2.

[gedaagde] is de enige aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). Op 13 juni 2013 is [gedaagde] benoemd als de (enige) bestuurder van [eiseres] , welke functie hij feitelijk tot 17 juni 2015 heeft uitgeoefend. [gedaagde] ging in die periode regelmatig naar het hoofdkantoor van [bedrijf 1] in [vestigingsplaats] , Duitsland. Zijn contactpersoon daar was de heer [A] (hierna: [A] ).

2.3.

Op 9 september 2014 ontving [eiseres] een e-mail van [bedrijf 3] B.V. uit [vestigingsplaats] (hierna: [bedrijf 3] ). De man achter [bedrijf 3] was [B] (hierna: [B] ). In de e-mail van 9 september 2014 heeft [bedrijf 3] geïnformeerd naar de mogelijkheid om shampoo van het merk Alpecin, een van de belangrijkste producten van [eiseres] , te bestellen. Naar aanleiding hiervan heeft op 11 september 2014 een bespreking plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [B] op het kantoor van [bedrijf 3] . Kort hierna heeft [B] namens [bedrijf 3] een grote partij shampoo van het merk Alpecin besteld. De levering van deze shampoo heeft plaatsgevonden op 18 september 2014. De koopsom bedroeg € 120.722,76 inclusief btw. De factuur voor deze levering is gedateerd op 18 september 2014. Op de factuur is een betalingstermijn van 14 dagen vermeld. Deze factuur is onbetaald gelaten.

2.4.

Kort hierna heeft opnieuw een bespreking plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [B] . Namens [bedrijf 3] heeft [B] een tweede bestelling voor Alpecin shampoo geplaatst. De levering hiervan heeft plaatsgevonden op 25 september 2014. De koopsom bedroeg € 133.621,75 inclusief btw. De factuur voor deze levering is gedateerd op 25 september 2014. Ook op deze factuur is een betalingstermijn van 14 dagen vermeld en ook deze factuur is niet voldaan door [bedrijf 3] .

2.5.

Tijdens de in 2.4 genoemde tweede bespreking heeft [B] [gedaagde] gevraagd of hij geïnteresseerd was in de koop van een partij Gillette-scheermesjes en de doorverkoop daarvan in Nederland. Naar aanleiding hiervan heeft [gedaagde] besloten dat [eiseres] de koopprijs van een grote hoeveelheid scheermesjes aan [bedrijf 3] zou voldoen en dat [bedrijf 2] de scheermesjes aan derden zou doorverkopen (hierna: de scheermesjestransactie).

2.6.

Eind september 2014 heeft [B] bij [gedaagde] een bestelling geplaatst voor een derde partij shampoo (van het merk Plantur), met het verzoek de levering hiervan bij voorkeur al op 1 oktober 2014 te laten plaatsvinden.

2.7.

[bedrijf 1] wilde niet dat de aan [bedrijf 3] te leveren shampoo zou worden doorgeleverd aan supermarkt- en drogisterijketens. Omdat het hoofdkantoor in [vestigingsplaats] hierover eerst duidelijkheid wilde krijgen, heeft de derde shampoolevering niet al op 1 oktober 2014 plaatsgevonden. Op 22 oktober 2014 heeft [gedaagde] op het hoofdkantoor van [bedrijf 1] een bespreking gehad met de heer [C] en mevrouw [D] (hierna: [D] ) om de gewenste helderheid hierover te verschaffen. Van deze bespreking heeft [eiseres] een door [D] opgesteld gespreksverslag in het geding gebracht, dat op 23 oktober 2014 per e-mail aan [gedaagde] is gestuurd.

2.8.

Op 31 oktober 2014 heeft [eiseres] de in 2.6 genoemde derde partij shampoo geleverd aan [bedrijf 3] . De koopsom bedroeg € 166.545,56 inclusief btw. De factuur voor deze levering is gedateerd op 31 oktober 2014. Ook op deze factuur is een betalingstermijn van 14 dagen vermeld. Deze factuur is eveneens onbetaald gelaten.

2.9.

[eiseres] heeft in haar administratie aangetroffen een ‘proformafaktuur’ van [bedrijf 3] (hierna: de proformafactuur), gedateerd 10 november 2014, met betrekking tot Gillette-scheermesjes voor een bedrag van € 211.120,80 inclusief btw. Hierop is vermeld:

‘[…] Betaling: vooruitbetaald € 206.120,80’ […].

De scheermesjes zijn niet geleverd.

2.10.

Op of na 20 november 2014 heeft [eiseres] van [B] een afschrift ontvangen van een document waarop is vermeld dat de Spaanse bank [naam bank] aan haar rekeninghouder [B] heeft bevestigd de overboeking aan [eiseres] van

€ 420.890,07 op 20 november 2014.

2.11.

Op of na en 24 november 2014 heeft [eiseres] van [B] een afschrift ontvangen van een faktuur, gedateerd 24 november 2014, van [bedrijf 4] B.V. aan [bedrijf 3] ter zake van de verkoop van Gillette-scheermesjes voor € 445.499,01. Op of na 25 november 2014 heeft [eiseres] van [B] een afschrift ontvangen van een vrachtbrief, gedateerd 25 november 2014, waarop is vermeld dat [bedrijf 5] in opdracht van [bedrijf 6] te [vestigingsplaats] 30 pallets met Gillette-scheermesjes vervoert naar een vestiging van [bedrijf 3] in Nederland.

2.12.

In een e-mail van [A] van 11 december 2014 aan [gedaagde] staat het volgende:

‘[…] Herr [H] hat mir gerade mitgeteilt, dass wir offene Forderungen gegenüber [eiseres] NL in Höhe von 905.651,90€, davon 777.102,19 überfällig haben. Den letzten Zahlungseingang hatten wir Ende September. Nach dem Schuldenerlass Ende letzten Jahres waren noch Forderungen von ca. 60.000 € übrig. Das heisst Sie haben bis heute zusätsliche Verbindlichkeiten von über 800.000 € aufgebaut.

Würden Sie hierzu bitte schnellstmöglich Stellung nehmen. Ist [eiseres] NL wieder in Zahlungsschwierigkeiten? […]”

2.13.

In reactie hierop heeft [gedaagde] , eveneens op 11 december 2014, geantwoord:

“[…] Wir haben keine Zahlungsschwierigkeiten in diese Sinne, nur verzögern wir met [bedrijf 1] . Wir bekommen noch eine grosse Summe von Lieferungen an [bedrijf 3] , in der hohe von €420K und damit bin ich zuständig. Er verzögert uns zu bezahlen. Ich versuch es ohne Anwalt zu klaren und die Forderung zu inkassieren. Bin jetzt soweit, nach mehrere Gespräche/telefonanrufe und so weiter, das er es morgen bezahlen wird und dan können wir das Geld weiterleiten an [bedrijf 1] . Wen das erledigt ist, werde ich die Zusammenarbeit mit [bedrijf 3] beenden. […]’

2.14.

Op 15 januari 2015 heeft op het hoofdkantoor van [bedrijf 1] in [vestigingsplaats] een bijeenkomst plaatsgevonden tussen [gedaagde] en, onder meer, de heer [E] , de hoogste baas van [bedrijf 1] (hierna: [E] ). [gedaagde] heeft tijdens die bijeenkomst nadere uitleg gegeven over de situatie met [bedrijf 3] en hij heeft voor het eerst aan [bedrijf 1] mededelingen gedaan over de scheermesjestransactie, waaronder de betrokkenheid daarbij van [bedrijf 2] .

2.15.

Op 3 februari 2015 is [bedrijf 3] failliet verklaard.

2.16.

Op 7 januari 2015 heeft [gedaagde] van de bankrekening van [eiseres]

€ 28.000 overgemaakt naar een bankrekening van [bedrijf 2] of van zichzelf, met als omschrijving ‘Tijdelijke overheveling [bedrijf 2] ’. In de periode van 25 februari 2015 tot en met 21 mei 2015 heeft [gedaagde] van de bankrekening van [eiseres] tienmaal een bedrag overgemaakt naar bankrekeningen van [bedrijf 3] , [bedrijf 7] B.V., [B] , en nog eenmaal (in dit geval € 2.000) naar een bankrekening van [bedrijf 2] of [gedaagde] zelf. Het totaal van deze overboekingen bedraagt € 207.800, zoals blijkt uit het volgende overzicht:

Bedrag betalingsdatum

€ 28.000 7 januari 2015

€ 24.200 25 februari 2015

€ 2.000 10 maart 2015

€ 36.300 26 maart 2015

€ 15.972 9 april 2015

€ 9.438 10 april 2015

€ 15.488 13 april 2015

€ 4.700 16 april 2015

€ 31.460 23 april 2015

€ 2.150 11 mei 2015

€ 28.300 11 mei 2015

€ 9.000 21 mei 2015

2.17.

In een brief van [E] aan [gedaagde] van 23 februari 2015 staat het volgende:

‘[…] Ihren Angaben nach zufolge konnten Sie noch immer keinen Eingang der offenen Forderungen gegenüber [bedrijf 3] B.V, sowohl der Geldforderungen als auch der Warenforderungen, vermelden. Wir fordern Sie daher auf, unverzüglich alle Massnahmen zu ergreifen, um die offenen Forderungen einzutreiben und einen Forderungsausfall zu verhindern. Insbesondere schliesst dies ein, die Forderungen gerichtlich geltend zu machen.

Neben dieser Aufforderung möchten wir ausserdem darauf hinweisen, dass wir uns – unabhängig vom weiteren Verlauf dieser Angelegenheit – Ihnen gegenüber ausdrücklich insbesondere arbeits- und gesellschaftsrechtliche Konsequenzen vorbehalten. […]’

2.18.

Op 27 februari 2015 heeft [B] de volgende e-mail aan [gedaagde] doorgestuurd:

‘[…] Van: [...]

Verzonden: vrijdag 27 februari 2015 12:14

Aan: [e-mailadres van B/bedrijf 3/bedrijf 7/bedrijf 9]

Onderwerp: betalingen 27 Februari 2015

VERTROUWELIJK

geachte heer [B] , beste [voornaam van B] ,

Op Uw verzoek bevestigen wij het volgende:

U bent met het Openbaar Ministerie overeengekomen dat wij U tot en met 20 mei 2015 begeleiden met betrekking tot de financiele afwikkelingen, inclusief de betalingen, in verband met de Vaststellingsovereenkomst d.d. 4 November 2014.

De volgende betaling is hedenochtend d.d. 27 Februari 2015 uitgevoerd:

[eiseres] BV

bedrag: € 693.310,87

IBAN: […]

De betaling aan [bedrijf 8] BV a € 40.000 wordt maandag 2 Maart 2015 uitgevoerd.

IBAN: […]

Vertrouwende U voldoende te hebben geinformeerd en U wijzende op Uw geheimhoudingsplicht conform artikel 9.1.1 en 9.1.2 van de vaststellingsovereenkomst.

Met vriendelijke groet,

[F]

[...]

Nationale Recherche

[...] ’

2.19.

Op 11 maart 2015 en 17 maart 2015 heeft [B] e-mails doorgestuurd aan [gedaagde] . In deze, tussen [B] en de in de e-mail van 27 februari 2015 genoemde

[F] (hierna: [F] ) gevoerde, correspondentie is gesuggereerd dat [B] onenigheid had met de Nationale Recherche over de (in 2.18 genoemde) tussen [B] en de Staat gesloten vaststellingsovereenkomst en dat de Nationale Recherche de volgende betalingen had gegarandeerd: € 693.310,87 aan [eiseres] , € 40.000 aan [bedrijf 8] B.V. en € 480.000 aan [bedrijf 7] B.V.

2.20.

Op 20 april 2015 heeft [B] een afschrift aan [gedaagde] gestuurd van een document waarop met het logo van De Nederlandse Bank is bevestigd dat van een bankrekening van [bedrijf 9] B.V. bij ING Bank op 20 april 2015 € 693.310,87 naar de bankrekening van [eiseres] is overgemaakt.

2.21.

Op 19 mei 2015 heeft [gedaagde] een e-mail gestuurd naar het in 2.18 vermelde e-mailadres op naam van de Nationale Recherche, ter attentie van [F] . In deze e-mail heeft [gedaagde] erop gewezen dat [eiseres] ondanks meerdere garanties nog steeds geen betaling had ontvangen en heeft hij gevraagd te bevestigen dat het bedrag nu eindelijk naar [eiseres] wordt overgemaakt. In reactie hierop heeft [gedaagde] op 20 mei 2015 een e-mail ontvangen op naam van [F] waarin is meegedeeld dat het leven van [B] in gevaar was, dat [B] zonder toestemming van de Nationale Recherche geen contact mocht onderhouden over deze kwestie, dat de betaling aan [eiseres] al was geschied en op 22 mei 2015 zou worden bijgeboekt, en dat de overige betalingen uiterlijk 3 juni 2015 zouden worden afgewikkeld.

2.22.

Eind mei 2015 heeft [B] een afschrift van een document aan [gedaagde] gestuurd waarop is vermeld dat op 27 mei 2015 van een rekening bij Knab Bank

€ 693.310,87 is overgemaakt naar [eiseres] .

2.23.

Nadat [bedrijf 1] had ontdekt dat [gedaagde] in de periode van 7 januari 2015 tot en met

21 mei 2015 vanaf de bankrekening van [eiseres] in totaal € 207.008 had overgemaakt naar, samengevat, [B] en zichzelf, is [gedaagde] op 17 juni 2015 geschorst.

2.24.

Bij deurwaardersexploot van 19 juni 2015 heeft de advocaat van [eiseres] in een brief aan [gedaagde] (onder meer) bericht:

‘[…] Zodoende is de aandeelhoudster voornemens om op de kortst mogelijke termijn om op grond van de artikel 17 en 10.2 van de statuten van [eiseres] B.V. d.d. 30 mei 1990 buiten vergadering een eenparig aandeelhoudersbesluit te nemen tot ontslag van u als statutair bestuurder van [eiseres] B.V. Daarmee wordt tevens op grond van artikel 7:677 BW de arbeidsovereenkomst onverwijld beëindigd.

2. Als bestuurder heeft u een raadgevende stem alvorens het besluit daadwerkelijk zal worden genomen. Daartoe wordt u hierbij in de gelegenheid gesteld. Uw kunt dat doen door uiterlijk 22 juni 2015 om 10.00 uur aan mijn adres per telefoon, in een persoonlijke bespreking ten mijner kantore, per post, per fax of per e-mail. […]’

2.25.

Op 23 juni 2015 is [gedaagde] , vergezeld van zijn advocaat, bij de advocaat van [eiseres] op kantoor geweest alwaar de aanwezigen met elkaar hebben gesproken. In dit gesprek is door de advocaat van [gedaagde] toegezegd dat hij vóór 1 juli 2015 uitleg, onderbouwing en documenten zou verstrekken.

2.26.

Op 25 juni 2015 heeft [bedrijf 1] besloten tot het ontslag van [gedaagde] als statutair bestuurder van [eiseres] met onmiddellijke ingang. In het aandeelhoudersbesluit van die datum (hierna: ‘het ontslagbesluit’) is opgenomen:

‘[…] Hierbij besluit enig aandeelhoudster van [eiseres] B.V., [bedrijf 1] , vertegenwoordigd door [E] , tot ontslag van de heer [gedaagde] als statutair bestuurder van [eiseres] B.V. met onmiddellijke ingang. (..)

Dit besluit is genomen op grond van de artikel 17 en 10.2 van de statuten van [eiseres] B.V. en staat daarmee gelijk aan een in een algemene vergadering van aandeelhouders genomen besluit. […]’

2.27.

Bij brief van 25 juni 2015 is [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiseres] heeft geleden door zijn gedragingen met betrekking tot de shampooleveringen, de scheermesjestransactie en de door hem in 2015 verrichte betalingen aan [B] en zichzelf, en is hij gesommeerd om binnen drie dagen € 886.836,32 aan [eiseres] te betalen. [gedaagde] heeft hierna niets betaald aan [eiseres] .

2.28.

Op 9 juli 2015 heeft de advocaat van [gedaagde] de vernietigbaarheid van het ontslagbesluit ingeroepen. [gedaagde] heeft zich vervolgens beschikbaar gehouden om op eerste afroep werkzaamheden te verrichten en heeft voorts aanspraak gemaakt op doorbetaling van zijn loon tot het moment dat er sprake is van een rechtsgeldig einde van zijn arbeidsovereenkomst.

2.29.

Op 23 juli 2015 zijn namens [eiseres] diverse conservatoire beslagen gelegd ten laste van [gedaagde] .

2.30.

Bij deurwaardersexploten van 6 augustus 2015 (betekend aan het adres van de advocaat van [gedaagde] ) en 7 augustus 2015 (betekend aan het adres van [gedaagde] ) heeft de advocaat van [eiseres] , namens [eiseres] , aan [gedaagde] onder meer het volgende bericht:

‘[…] Zodoende is de aandeelhoudster voornemens om op de kortst mogelijke termijn om op grond van de artikel 17 en 10.2 van de statuten d.d. 30 mei 1990 van [eiseres] B.V. buiten vergadering een eenparig aandeelhoudersbesluit te nemen tot ontslag van u als statutair bestuurder van [eiseres] B.V. Daarmee wordt tevens, al dan niet op grond van artikel 7:677 BW, de arbeidsovereenkomst (onverwijld) beëindigd. In beide gevallen geldt dat voorwaardelijk, voor het geval het eerste ontslag d.d. 25 juni 2015 nietig blijkt. […]’

2.31.

Bij besluit van 31 augustus 2015 heeft de enig aandeelhouder van [eiseres] besloten tot het ontslag van [gedaagde] als statutair bestuurder van [eiseres] met ingang van 1 oktober 2015, voor het geval het eerste ontslag van 25 juni 2015 nietig blijkt. [gedaagde] heeft in dit besluit berust.

2.32.

In haar conclusie van dupliek in reconventie heeft [eiseres] opgenomen een kopie van een ongedateerd Duitstalig stuk waarin is vermeld dat de twee bestuurders van de aandeelhouder, [E] en de heer [G] (hierna: [G] ) op een in 2015 gehouden aandeelhoudersvergadering namens [bedrijf 1] aan de bestuurder van [eiseres] decharge hebben verleend over het door de bestuurder in 2014 gevoerde beleid. Dit stuk is niet ondertekend door [E] en [G] . Wel staat daarop de handtekening van [gedaagde] .

2.33.

In een schriftelijke verklaring van [gedaagde] over de gang van zaken met [B] staat het volgende:

‘[…] Het is inmiddels december en zaken beginnen te wrikken, zeker met de feestdagen op komst. Altijd een moeilijke periode als het gaat om leveren of binnenkrijgen van geld. Terwijl de gedachte was dat alles voor het einde van het jaar zou zijn afgerond, betaling op de bank en Gillette in het magazijn en doorgeleverd en verkocht. Begin januari komt alles in orde wordt gesteld door de heer [B] . Veel vertraging omdat o.a. mensen betrokken vanuit [bedrijf 6] door de heer [B] van een kleine enveloppe moeten worden voorzien, zegt hij om de goederen vrij te krijgen zodat ze worden afgestuurd.

[…]

Eind februari, de 24ste, heb ik een afspraak met dhr [B] in [vestigingsplaats] en daar word ik in vertrouwen genomen en start het gesprek met de opmerking dat hij niet de persoon is die ik denk dat hij is! Er komt een vuistdik contract op tafel met het ministerie van Justitie, in casu Mr [...] een hoofdofficier. Hij is een beschermde kroongetuige van de Nederlandse overheid en heeft een vooraanstaande rol gespeeld bij het terugbezorgen van een soort snuifdoosjes aan de familie [familienaam] . Hij verleent diensten i.s.m. de CIE waar hij een vergoeding van ruim € 8 miljoen voor krijgt en zijn “blazoen” wordt verschoond. Ik val nog niet van mijn stoel maar krijg de gelegenheid alles te bekijken en het is/lijkt echt. Documenten met logo etc. etc. Het contract kent ook een eindtermijn waar alle gelden vrijkomen, namelijk 20 mei. Dit zou dus sowieso een betaalmogelijkheid bieden, maar er staat een deelbetaling opgelijnd ter waarde van zo’n € 3 miljoen die met goedvinden van betrokken autoriteiten kans heeft om [eiseres] eerder te betalen. Dit bedrag wordt in Spanje op zijn rekening gezet en zie aan mij getoonde bankafschriften dat dit eind januari is gebeurd.

[…]

Eind februari/begin maart moet [B] onder begeleiding naar Spanje om getuigenverklaring af te leggen bij de Spaanse justitie, moeten documenten worden geregeld voor zijn situatie in Nederland ten aanzien van zijn contractuele verplichtingen en wordt hij in de gelegenheid gesteld om de Spaanse bankrekening tot zijn beschikking te krijgen. Direct is een bedrag van € 45.000 nodig om een Spaanse bankdirecteur te paaien met als doel de rekening met het gememoreerde geld vrij te krijgen. Ik ga niet direct mee in het verhaal, zegt dat ik het niet heb en onder curatele sta wat betreft de bankrekening van [eiseres] . Hij leent zogezegd € 10.000 van een van zijn runners (zo heet de mensen van de CIE die hem begeleiden) en bij andere mensen nog hier en daar wat, maar van [eiseres] is € 20.000 exclusief btw gewenst om te zorgen dat de rekening wordt vrijgegeven. […]’

2.34.

[eiseres] heeft vanaf 1 juni 2015 het salaris van [gedaagde] niet betaald.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert, na eerst haar eis te hebben vermeerderd en later te hebben verminderd samengevat - veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van:

  • -

    € 579.553,56 als schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van de levering althans de betalingen, althans vanaf 28 juni 2015, althans de dag van de dagvaarding althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum

  • -

    € 2.810,04 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente

  • -

    € 3.988,34 als vergoeding voor de beslagkosten

  • -

    een vergoeding voor de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Aan haar vorderingen legt [eiseres] ten grondslag dat [gedaagde] zich in de uitoefening van zijn werkzaamheden als bestuurder en werknemer van [eiseres] onbehoorlijk, roekeloos en onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] heeft gedragen. De belangrijkste verwijtbare handelingen van [gedaagde] betreffen volgens [eiseres] :

  1. dat [gedaagde] op 31 oktober 2014 producten van [eiseres] ter waarde van € 166.545,56 heeft geleverd aan een nieuwe klant ( [bedrijf 3] ), zonder dat [bedrijf 3] de eerste twee leveringen ter waarde van € 120.722,76 respectievelijk € 133.621,75 had betaald, en zonder dat [gedaagde] namens [eiseres] voor de betaling van de derde levering enige zekerheid van [bedrijf 3] heeft bedongen

  2. dat [gedaagde] via zijn eigen vennootschap maar voor rekening van [eiseres] voor in totaal € 206.000 Gillette-scheermesjes (een voor [eiseres] bedrijfsvreemd product) van [bedrijf 3] heeft gekocht (en daarvoor heeft betaald), die nooit zijn geleverd, terwijl nog een vordering op [bedrijf 3] openstond van in totaal € 420.890,07 ter zake van de drie shampooleveringen

  3. dat [gedaagde] in de periode van januari tot en met mei 2015 ten laste van [eiseres] heimelijk betalingen heeft gedaan aan [B] en zichzelf, ter hoogte van in totaal € 207.008, zonder deugdelijke grondslag.

Het in 3.1 genoemde bedrag van € 579.553,56 is de optelsom van € 166.545,56 (zie a),

€ 206.000 (zie b) en € 207.008 (zie c).

3.3.

[eiseres] betoogt dat [gedaagde] van deze gedragingen een ernstig verwijt valt te maken. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] zijn taak als bestuurder van [eiseres] onbehoorlijk vervuld in de zin van artikel 2:9 BW en is hij aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg daarvan lijdt. Ook is [gedaagde] aansprakelijk op grond van artikel 7:677 lid 3 BW, omdat hij door opzet of schuld aan [eiseres] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] onverwijld op te zeggen en [eiseres] van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Daarnaast is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade van [eiseres] op grond van artikel 7:661 BW omdat [gedaagde] de schade bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met [eiseres] aan [eiseres] heeft toegebracht en de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Ten slotte is [gedaagde] volgens [eiseres] aansprakelijk voor de schade van [eiseres] op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Voor zover [eiseres] loon aan [gedaagde] verschuldigd is beroept zij zich op verrekening van die schuld met haar vordering tot schadevergoeding op [gedaagde] .

3.4.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, althans tot ontzegging daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Kort samengevat komt het verweer van [gedaagde] erop neer dat hij het slachtoffer is van een meesteroplichter ( [B] ), dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat hij niet opzettelijk, roekeloos, of onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] heeft gehandeld. Met betrekking tot de hem verweten gedragingen die in 2014 hebben plaatsgevonden stelt [gedaagde] zich ook op het standpunt dat hij voor de daaruit voortvloeiende schade niet door [eiseres] aansprakelijk kan worden gehouden omdat hem daarvoor decharge is verleend.

3.5.

Met betrekking tot de derde shampoolevering op 31 oktober 2014 betoogt [gedaagde] verder het volgende. Binnen de organisatie van [eiseres] bestaan er met betrekking tot de omgang met nieuwe klanten geen standaardregels. Hij heeft geen instructies gekregen over het doen van onderzoek naar de betrouwbaarheid van eventuele afnemers en leveranciers. Zijn bezoek aan het kantoor van [bedrijf 3] op 11 september 2014 gaf de indruk dat er een succesvolle handelsonderneming werd gedreven. Er was een regulier ingericht kantoor, een kleine showroom met een bespreekruimte en een grote opslag. De mededelingen van [B] over de onderneming van [bedrijf 3] wekten geen wantrouwen bij [gedaagde] . Integendeel, [gedaagde] en [B] bleken allebei voor verschillende werkgevers te hebben gewerkt in de drogisterijbranche en zij bleken dezelfde personen te kennen. Tijdens zijn bezoek aan [bedrijf 1] in Duitsland op 22 oktober 2014 heeft [gedaagde] duidelijkheid gegeven over de klanten van [bedrijf 3] en haar afzetgebied. Naar aanleiding hiervan heeft [bedrijf 1] geen aanvullende eisen gesteld met betrekking tot leveranties aan [bedrijf 3] , zoals het bedingen van voorschotten.

3.6.

Over de scheermesjestransactie voert [gedaagde] het volgende aan. De scheermesjestransactie betrof partijhandel, dat wil zeggen dat levering en doorlevering binnen een week plaatsvindt en is afgehandeld. [eiseres] trad in feite op als financier en kon een aantrekkelijke extra winst realiseren; zij zou een vergoeding krijgen van 10-15 % van de verkoopprijs. De handel in partijen van producten op aanpalende productmarkten was voor [eiseres] niet ongebruikelijk en [gedaagde] heeft nooit enige instructie ontvangen op welke markten [eiseres] wel of niet mocht opereren. Op het moment dat [gedaagde] namens [eiseres] de koopovereenkomst met [bedrijf 3] sloot en ook daarna had [gedaagde] er het volste vertrouwen in dat [bedrijf 3] de transacties conform de afspraken zou afhandelen. In verband hiermee voert [gedaagde] aan dat hij de factuur van de leverancier aan [bedrijf 3] van 24 november 2014 en de vrachtbrief van 25 november 2014 (zie 2.11) heeft gezien. [B] heeft samples van Gillette naar [eiseres] gestuurd. Vanuit het Europese magazijn van [bedrijf 6] is gebeld naar de vestiging van het bedrijf waaraan de scheermesjes door [eiseres] zouden worden geleverd, om de geplande leverdatum aan te kondigen. En in deze periode had [gedaagde] ook regelmatig normaal contact met [B] .

3.7.

Met betrekking tot de betalingen in 2015 betoogt [gedaagde] het volgende. In december 2014 was de afgesproken betalingstermijn voor de shampooleveranties verstreken en was ook de geplande leveringsdatum voor de scheermesjes, eind november 2014, voorbijgegaan zonder dat was geleverd. Vanaf begin december 2014 heeft [gedaagde] de druk op [B] / [bedrijf 3] opgevoerd, maar [gedaagde] is steeds aan het lijntje gehouden met smoezen en excuses. Op 15 januari 2015 heeft [gedaagde] op het hoofdkantoor in Duitsland uitleg gegeven over de situatie. Hij heeft toen meegedeeld dat de facturen voor de shampoo nog steeds niet waren betaald. Ook heeft hij toen voor het eerst [bedrijf 1] op de hoogte gebracht van de scheermesjestransactie. [gedaagde] heeft toen een uitbrander gekregen van de hoogste baas van [bedrijf 1] , [E] , en heeft de instructie gekregen dat het geregeld moest worden, wat wilde zeggen dat al hetgeen aan [eiseres] toebehoorde moest terugkomen dan wel alsnog moest worden betaald. Tijdens een bespreking tussen [gedaagde] en [B] eind februari 2015 heeft [B] meegedeeld dat hij zich enorm schuldig voelde, dat hij open kaart wilde spelen en dat hij het alsnog met [eiseres] wilde oplossen. [gedaagde] zag dit als een kans om voor [eiseres] alsnog terug te krijgen wat haar toekwam. [B] heeft [gedaagde] tijdens die bespreking een dik contract getoond op briefpapier van het ministerie van Veiligheid en Justitie, waaruit [gedaagde] heeft afgeleid dat [B] een beschermde kroongetuige was. Volgens [B] werd hij door justitie ingezet om dure kunstobjecten te bezorgen bij de rechtmatige eigenaar. In het contract was als einddatum 20 mei 2015 vermeld, waarna [B] ruim € 8 miljoen zou ontvangen als vergoeding voor bewezen diensten. Kort hierna heeft [B] aan [gedaagde] de e-mail doorgestuurd van 27 februari 2015, die volgens [B] afkomstig was van de [...] van de Nationale Recherche (zie 2.18). [gedaagde] ‘trapte erin’. Hij heeft zich door [B] laten overtuigen dat [eiseres] aanvullende betalingen moest verrichten om te bewerkstelligen dat de openstaande rekeningen van [eiseres] alsnog zouden worden betaald en dat het bedrag dat [eiseres] voor de scheermesjes had betaald zou worden terugbetaald. Daarbij voelde [gedaagde] de druk van [bedrijf 1] om al het mogelijke in het werk te stellen om het geld terug te krijgen. Het vertrouwen in de goede afloop is hij blijven houden door e-mails tussen [B] en [F] van de Nationale Recherche in maart 2015 over deze kwestie (zie 2.19), de betalingsbevestiging van 20 april 2015 op briefpapier van de Nederlandse Bank (zie 2.20), e-mails tussen [gedaagde] en [F] in mei 2015 (zie 2.21) en de betalingsbevestiging van de Knab Bank van 27 mei 2015 (zie 2.22). Achteraf heeft [gedaagde] vastgesteld dat [B] alle hiervoor genoemde stukken moet hebben vervalst, maar hij heeft de betalingen van in totaal € 207.008 te goeder trouw verricht. In de zomer van 2015 is [B] aangehouden op verdenking van grootschalige oplichting. Diverse bedrijven zijn door hem opgelicht.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.9.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    het ontslagbesluit van 25 juni 2015 vernietigt

  • -

    [eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van zijn salaris (inclusief vakantietoeslag) van

€ 8.750 bruto ‘c.a.’ per maand over de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 september 2015, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW van 50% en te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag dat het salaris verschuldigd was tot de dag waarop het wordt voldaan

  • -

    alle door [eiseres] ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen opheft

  • -

    [eiseres] veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.10.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [gedaagde] dat hij voor het ontslagbesluit niet (althans niet voldoende) zijn raadgevende stem heeft kunnen geven en ook niet (althans onvoldoende) is gehoord. In de oproep bij deurwaardersexploot van 19 juni 2015 staat dat [gedaagde] tot uiterlijk 22 juni 2015 zijn raadgevende stem over het ontslagbesluit kon geven. Van deze gelegenheid is volgens [gedaagde] sowieso geen gebruik gemaakt. Op 23 juni 2015 was er wel een bespreking met de advocaat van [eiseres] , maar volgens [gedaagde] is er tijdens deze bespreking uitsluitend gesproken over een minnelijke oplossing en is geen moment gesproken over het (destijds: voorgenomen) ontslagbesluit. Vandaar dat er tijdens voornoemde bespreking is afgesproken dat [gedaagde] vóór 1 juli 2015 met een uitgebreide schriftelijke toelichting zou komen. Nu de raadgevende stem van [gedaagde] niet is afgewacht, is het ontslagbesluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 BW en maakt [gedaagde] aanspraak op zijn loon.

3.11.

[eiseres] voert verweer en concludeert tot afwijzing (niet-ontvankelijkverklaring daaronder begrepen) van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten. [eiseres] betoogt dat het ontslagbesluit niet vernietigbaar is omdat [gedaagde] is gehoord en in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen. [gedaagde] is daartoe op 19 juni 2015 opgeroepen (zie 2.24). Naar aanleiding van deze oproep heeft op 23 juni 2015 een gesprek plaatsgevonden tussen de advocaat van [eiseres] enerzijds en [gedaagde] met zijn advocaat anderzijds. Tijdens de bespreking op 23 juni 2015 is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten, ook al was dat deel van de bespreking op 23 juni 2015 kort. Aangezien de advocaat van [gedaagde] nog maar kort betrokken was bij de kwestie, werd door hem aangekondigd dat vóór 1 juli 2015 een nadere toelichting zou volgen.

3.12.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Beroep op decharge over 2014

4.1.

Gelet op de omstandigheid dat een decharge tot gevolg kan hebben dat een bestuurder van een vennootschap niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade van die vennootschap die een gevolg is van zijn handelen, zal de rechtbank eerst het beroep van [gedaagde] op decharge bespreken.

4.2.

[gedaagde] betoogt dat hem decharge is verleend voor het door hem gevoerde beleid over 2014, op een moment dat [eiseres] bekend was met de onbetaalde leveringen van shampoo en de wel betaalde maar niet geleverde partij scheermesjes. Volgens [gedaagde] heeft hij daarop betrekking hebbende stukken ondertekend. Teneinde hem in staat te stellen dit te bewijzen heeft hij in zijn conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] op de voet van artikel 843a Wetboek van rechtsvordering (Rv) de stukken moet afgeven die betrekking hebben op de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarcijfers over 2014 zijn vastgesteld en goedgekeurd, alsmede alle andere stukken die betrekking hebben op de vaststelling van de betreffende jaarcijfers. In zijn hiervoor genoemde conclusie heeft [gedaagde] ook aangevoerd dat [eiseres] deze stukken bij haar conclusie van dupliek in reconventie in het geding kan brengen, waarna hij in de gelegenheid zou moeten worden gesteld om zich daarover nog bij akte uit te laten.

4.3.

[eiseres] heeft vervolgens in haar conclusie van dupliek in reconventie (nogmaals) betoogd dat er geen decharge heeft plaatsgevonden. Volgens [eiseres] heeft de aandeelhoudersvergadering geen besluit tot decharge genomen. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiseres] verwezen naar het in 2.32 genoemde document. [eiseres] stelt dat dit document door [gedaagde] of in zijn opdracht is opgesteld en dat de desbetreffende aandeelhoudersvergadering niet heeft plaatsgevonden, wat ook blijkt uit het ontbreken in het document van een datum en van de handtekeningen van de twee in het stuk genoemde bestuurders die bevoegd zijn [bedrijf 1] als aandeelhouder te vertegenwoordigen. Daarnaast neemt [eiseres] het standpunt in dat aan [gedaagde] ook geen decharge is verleend door de vaststelling van de jaarrekening 2014.

4.4.

Hierover overweegt de rechtbank het volgende.

4.5.

In het rolbericht waarin [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt tegen de conclusie van dupliek in reconventie van [eiseres] (zie 1.3), heeft [gedaagde] de rechtbank ook verzocht om vonnis te wijzen. Voor het geval de rechtbank zijn bezwaar zou afwijzen, heeft [gedaagde] dus niet verzocht om een akte te mogen nemen waarin hij zou kunnen reageren op het zojuist genoemde document, ondanks dat hij [eiseres] in zijn laatste processtuk heeft uitgenodigd het stuk in het geding te brengen en hij daarin zelf de mogelijkheid heeft genoemd van een door hem te nemen akte. Evenmin heeft [gedaagde] pleidooi gevraagd. Hieruit leidt de rechtbank af dat [gedaagde] de juistheid van de stellingen van [eiseres] met betrekking tot het ontbreken van decharge niet meer weerspreekt. Het betoog van [eiseres] dat geen decharge is verleend is ook overigens aannemelijk, in de eerste plaats vanwege het ontbreken op het document van de handtekeningen namens de aandeelhouder en van de datum waarop de aandeelhoudersvergadering zou hebben plaatsgevonden. Bovendien heeft [bedrijf 1] zich, onder verwijzing naar de drie onbetaalde leveranties aan [bedrijf 3] en de niet ontvangen maar wel betaalde scheermesjes, bij brief van 23 februari 2015 haar rechten ten opzichte van [gedaagde] voorbehouden (zie 2.17). Gelet op deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat [bedrijf 1] geen aandeelhoudersbesluit heeft genomen tot het verlenen van decharge aan [gedaagde] voor het door hem over 2014 gevoerde beleid.

4.6.

Met betrekking tot het standpunt van [eiseres] dat aan [gedaagde] ook geen decharge is verleend door middel van de vaststelling van de jaarrekening 2014, overweegt de rechtbank nog het volgende. Terecht wijst [eiseres] op de hoofdregel, dat vaststelling van de jaarrekening door de algemene vergadering van aandeelhouders niet strekt tot kwijting aan een bestuurder (artikel 2:210 lid 3 BW). Daarnaast voert [eiseres] terecht aan dat de uitzondering op deze hoofdregel, dat indien alle aandeelhouders tevens bestuurder van de vennootschap zijn, ondertekening van de jaarrekening door alle bestuurders en commissarissen tevens geldt als vaststelling van de jaarrekening en dat deze vaststelling ook strekt tot kwijting aan de bestuurders en commissarissen, zich hier niet voordoet. De enige aandeelhouder van [eiseres] ( [bedrijf 1] ) is immers niet tevens bestuurder van [eiseres] . Aan [gedaagde] is dus ook geen decharge verleend door middel van de vaststelling van de jaarrekening 2014.

4.7.

[gedaagde] heeft geen vordering op grond van artikel 843a Rv ingesteld. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank echter ook geen reden om [eiseres] op de voet van artikel 22 Rv te gelasten om, voor zover dit nog niet is gebeurd, de door [gedaagde] in zijn conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie genoemde stukken in het geding te brengen.

onbehoorlijk bestuur (artikel 2:9 BW) en onrechtmatige daad (6:162 BW)

Toetsingskader

4.8.

[eiseres] verwijt [gedaagde] onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:9 BW. Ook verwijt [eiseres] [gedaagde] onrechtmatig ten opzichte van haar te hebben gehandeld. Aan haar standpunt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld legt [eiseres] dezelfde gestelde tekortkomingen in de taakvervulling ten grondslag als die zij ten grondslag legt aan de vordering op grond van artikel 2:9 BW. Op een vordering die is gegrond op artikel 6:162 BW is de maatstaf van ernstig verwijt, die geldt voor artikel 2:9 BW, ook van toepassing (Hoge Raad 2 maart 2007, NJ 2007, 240). Gelet hierop zal de rechtbank hierna het handelen van [gedaagde] eerst beoordelen aan de hand van artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW.

4.9.

Bij de beantwoording van de vraag of een bestuurder een ernstig verwijt treft moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken, waaronder de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen en het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult (Hoge Raad 10 januari 1997, NJ 1997, 360).

De derde shampoolevering

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] die een gevolg is van zijn handelen ten aanzien van de derde shampoolevering, op grond van de volgende omstandigheden.

4.11.

[bedrijf 3] was voor [eiseres] een onbekende, nieuwe klant. [eiseres] had dus geen enkele ervaring met het betalingsgedrag van [bedrijf 3] . Daarnaast was de financiële omvang van de bestellingen van [bedrijf 3] voor [eiseres] hoogst ongebruikelijk. Gemiddeld namen klanten slechts voor enkele duizenden euro’s per jaar producten af van [eiseres] . De bestellingen van [bedrijf 3] vertegenwoordigden daarentegen een waarde van ruim € 420.000 en de omzet van [eiseres] over 2014 zou als gevolg van de drie shampooleveranties toenemen met 20%, wat een aanzienlijke stijging is. [bedrijf 3] zou dus in korte tijd verreweg de grootste klant worden die [eiseres] ooit had gehad. Gelet op de mogelijk grote negatieve financiële gevolgen voor [eiseres] in het geval dat [bedrijf 3] niet zou betalen en geen verhaal zou blijken te bieden, was voorzichtigheid geboden. Die vereiste voorzichtigheid heeft [gedaagde] echter niet in acht genomen. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] enig onderzoek heeft verricht naar de solvabiliteit en liquiditeit van [bedrijf 3] . [gedaagde] heeft geen enkel zekerheidsrecht van [bedrijf 3] bedongen. Ook heeft [gedaagde] niet gewacht met het doen van een volgende shampoolevering totdat de eerste shampoolevering of eventueel de eerste twee shampooleveringen door [bedrijf 3] was respectievelijk waren betaald. In de gegeven omstandigheden lag het voor de hand dat [gedaagde] de voor [eiseres] gebruikelijke betalingstermijn van 14 dagen in acht zou hebben genomen. [gedaagde] is echter sterk van die normale betalingstermijn afgeweken. Volgens [gedaagde] werd van die standaardtermijn wel eens vaker afgeweken door een betalingstermijn van 30 dagen te hanteren. Ook die termijn heeft [gedaagde] echter niet gehanteerd. In plaats van dat hij voor elke levering afzonderlijk een betalingstermijn van 30 dagen heeft gehanteerd, stelt [gedaagde] dat hij met [bedrijf 3] heeft afgesproken dat zij de drie shampooleveringen in één keer zou betalen. Uit zijn betoog en de feitelijke gang van zaken leidt de rechtbank af dat hij met [bedrijf 3] is overeengekomen dat die betaling plaats zou vinden ná de derde levering. Als [gedaagde] in verband met de eerste twee shampooleveringen de, al voor [eiseres] afwijkende, betalingstermijn van 30 dagen zou hebben gehanteerd, had [eiseres] in ieder geval nog de mogelijkheid gehad om de derde shampoolevering op te schorten.

4.12.

Op grond van de in 4.11 genoemde omstandigheden is de conclusie gerechtvaardigd dat [gedaagde] namens [eiseres] een onaanvaardbaar groot financieel risico heeft genomen door (in ieder geval) de derde partij shampoo aan [bedrijf 3] te laten leveren. Dit risico heeft zich ook gerealiseerd. Ook als [gedaagde] bij zijn bezoek aan het kantoor van [bedrijf 3] op 11 september 2014 de indruk heeft gekregen dat er een succesvolle handelsonderneming werd gedreven en de mededelingen van [B] over de onderneming van [bedrijf 3] op dat moment geen enkel wantrouwen bij hem hebben gewekt, valt hem van de derde shampoolevering een ernstig verwijt te maken, zodat hij met betrekking tot die levering zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:9 BW. De mogelijkheid dat [eiseres] als gevolg van deze levering schade zou kunnen lijden was voor [gedaagde] voorzienbaar. Daarom is tevens de conclusie gerechtvaardigd dat [gedaagde] in dit verband ook onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiseres] .

4.13.

De overige door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden (zie 3.5) kunnen hem ook niet baten. Voor zover [gedaagde] wil betogen dat hij van [bedrijf 1] een vrijbrief heeft gekregen om de derde shampoolevering uit te voeren zonder eerst betaling van de eerste twee leveranties af te wachten of zekerheid te bedingen, faalt dit. [gedaagde] was immers de enige bestuurder van [eiseres] en niet is gesteld of gebleken dat de aandeelhouder het beleid van [eiseres] feitelijk mede heeft bepaald. [gedaagde] was binnen de grenzen van de wet en de statuten als bestuurder autonoom en moest zich bij de vervulling van zijn taak richten naar het belang van [eiseres] en de met haar verbonden onderneming. Dat belang heeft hij in ernstige mate verwaarloosd. Bovendien was er voor [bedrijf 1] geen aanleiding om [gedaagde] te instrueren of te adviseren over de betalings- en leveringsvoorwaarden met betrekking tot de derde levering. Bij conclusie van dupliek in reconventie stelt [eiseres] dat [gedaagde] [bedrijf 1] pas op 15 januari 2015 ervan op de hoogte heeft gebracht dat [bedrijf 3] niet betaalde. [gedaagde] heeft op dit processtuk niet meer gereageerd, maar heeft in zijn conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie níet gesteld dat [bedrijf 1] op 22 oktober 2014, de datum waarop [gedaagde] op het hoofdkantoor van [bedrijf 1] uitleg heeft gegeven over het afzetgebied van [bedrijf 3] , ervan op de hoogte was dat [bedrijf 3] de eerste twee shampooleveringen niet had betaald. Ook heeft hij niet gesteld dat [bedrijf 1] er op laatstgenoemde datum van op de hoogte was dat [gedaagde] na de tweede levering met [bedrijf 3] is overeengekomen dat alle drie de leveringen in één keer zouden worden betaald. Dat [bedrijf 1] hiervan vóór of op 31 oktober 2014, de datum van de derde shampoolevering, wel op de hoogte is geweest blijkt ook nergens uit. Integendeel. De e-mail van 23 oktober 2014 van [D] , welke e-mail een verslag bevat van het gesprek dat [gedaagde] op 22 oktober 2014 heeft gevoerd met [D] en [C] (zie 2.7), bevat geen enkele aanwijzing dat de hier aan de orde zijnde omstandigheden toen door [gedaagde] zijn besproken. Op grond van de inhoud van het e-mailverkeer tussen [gedaagde] en [A] op 11 december 2014 is wel aannemelijk dat [gedaagde] [bedrijf 1] pas op díe dag voor het eerst ervan op de hoogte heeft gesteld dat [bedrijf 3] de drie shampooleveringen niet had betaald (zie 2.12 en 2.13).

De scheermesjestransactie

4.14.

[gedaagde] is ook aansprakelijk voor de schade die [eiseres] heeft geleden als gevolg van de scheermesjestransactie. Dit word hierna toegelicht.

4.15.

[gedaagde] heeft begin oktober 2014 besloten de scheermesjestransactie aan te gaan. Met betrekking tot deze transactie staat in de schriftelijke verklaring van [gedaagde] (waaruit in 2.33 andere onderdelen zijn geciteerd) dat in de daaropvolgende maanden, waarmee kennelijk is bedoeld de maanden na begin oktober 2014, in totaal € 206.000 aan [bedrijf 3] is betaald en dat dit in deelbetalingen heeft plaatsgevonden, omdat de order in omvang toenam gedurende de tijd. Gelet hierop en op de vermelding op de proformafactuur (zie 2.9), die is gedateerd op 10 november 2014, van een vooruitbetaling van € 206.120,80, gaat de rechtbank ervan uit dat [eiseres] voor de scheermesjes op 10 november 2014 in totaal

€ 206.120,80 aan [bedrijf 3] heeft betaald.

4.16.

Ook voor de beoordeling van de scheermesjestransactie is van belang dat [bedrijf 3] voor [eiseres] een onbekende, nieuwe klant was. [eiseres] had geen enkele ervaring met het leveringsgedrag van [bedrijf 3] en ook met betrekking tot deze transactie is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] daaraan voorafgaand enig onderzoek heeft verricht naar de solvabiliteit en liquiditeit van [bedrijf 3] . Verder weegt ook hier in het nadeel van [gedaagde] dat deze transactie voor [eiseres] hoogst ongebruikelijk was, in dit geval vanwege a) het feit dat [eiseres] geen enkele ervaring had met de handel in scheermesjes, b) de financiële omvang ervan

(€ 206.000) en c) het gebruik van zijn eigen vennootschap [bedrijf 2] . Met betrekking tot deze laatste omstandigheid is het zeer opmerkelijk dat [gedaagde] het financiële risico bij [eiseres] heeft gelegd door [eiseres] de koopsom te laten betalen, terwijl hijzelf het grootste deel van de winst wilde opstrijken via [bedrijf 2] . Bovendien heeft [gedaagde] nagelaten [eiseres] de scheermesjes te laten betalen door middel van verrekening met haar vordering op [bedrijf 3] ter zake van de shampooleveranties, hoewel verrekening zeer voor de hand lag. Verder ziet de rechtbank - mede gegeven de hiervoor vermelde omstandigheden - geen rechtvaardiging voor de beleidsbeslissing van [gedaagde] om aan de nieuwe klant [bedrijf 3] een verlengde betalingstermijn te gunnen (na levering), terwijl [eiseres] op haar beurt de door haar af te nemen scheermesjes vooruit diende te betalen.

4.17.

De omstandigheden dat [gedaagde] nooit van [eiseres] / [bedrijf 1] enige instructie heeft ontvangen op welke markten [eiseres] wel of niet mocht opereren en dat [gedaagde] tot aan het moment van de laatste deelbetaling nog normaal contact met [B] had, leveren geen rechtvaardiging op voor deze transactie. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat [gedaagde] zich in zijn vertrouwen gesterkt heeft gevoeld door de ontvangst van de aan [bedrijf 3] gerichte factuur en de vrachtbrief (zie 2.11), nog afgezien van het feit dat [gedaagde] deze documenten pas heeft ontvangen nadat hij de laatste deelbetaling voor de scheermesjes had verricht.

4.18.

Samengevat heeft [gedaagde] ook met betrekking tot de scheermesjes [eiseres] opgezadeld met een onaanvaardbaar groot financieel risico. Ook in dit verband kan [gedaagde] een ernstig verwijt worden gemaakt, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat hij zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld (in de zin van artikel 2:9 BW). De mogelijkheid dat [eiseres] ook als gevolg van transactie schade zou kunnen lijden was voor [gedaagde] voorzienbaar. Daarom is tevens de conclusie gerechtvaardigd dat [gedaagde] in dit verband ook onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiseres] .

Betalingen januari tot en met mei 2015

4.19.

Met betrekking tot de betalingen die [gedaagde] in de periode van januari tot en met mei 2015 heeft gedaan aan [B] (al dan niet via [bedrijf 3] en [bedrijf 7] ) en zichzelf (eenmaal via [bedrijf 2] ) is de kern van het betoog van [gedaagde] dat a) hij zich door [B] heeft laten overtuigen dat [eiseres] aanvullende betalingen moest doen om het geld dat [eiseres] kwijt was (door de niet betaalde shampooleveringen en het niet leveren van de scheermesjes) terug te krijgen, b) zijn overtuiging dat het daarna goed zou komen gerechtvaardigd was vanwege diverse vertrouwenwekkende handelingen van [B] en c) daarbij van belang is dat [bedrijf 1] druk op hem heeft uitgeoefend om alles in het werk te stellen het geld terug te krijgen. Dit betoog slaagt niet.

4.20.

Volgens [gedaagde] heeft hij zich door [B] laten overtuigen tijdens een bespreking op 24 februari 2015. De eerste betaling, van € 28.000, dateert echter al van

7 januari 2015. Waarom hij die betaling toen al heeft gedaan, heeft [gedaagde] niet toegelicht. Dat [eiseres] verplicht was dit bedrag te betalen is niet gesteld of gebleken. Dat met deze betaling enig belang van [eiseres] was gediend evenmin.

4.21.

Met betrekking tot de betalingen in de periode van januari tot en met mei 2015 zijn verder de volgende feiten en omstandigheden van belang:

  1. Sinds begin december 2014 had [eiseres] een geldvordering op [bedrijf 3] van € 421.898,07 en een vordering tot levering van scheermesjes ter waarde van ruim € 206.000. Het totale financiële belang van deze transacties voor [eiseres] bedraagt € 627.898,07.

  2. Ondanks dat [B] [gedaagde] eind november 2014 een bevestiging had getoond van een betaling door de Spaanse bank [naam bank] aan [eiseres] van € 420.890,07 (zie 2.10), heeft [eiseres] deze betaling niet ontvangen.

  3. In december 2014 heeft [B] aan [gedaagde] onder meer meegedeeld dat [B] diverse personen van [bedrijf 6] smeergeld moest betalen om de scheermesjes geleverd te krijgen (zie 2.33: “kleine enveloppe” ).

  4. Op 24 februari 2015 heeft [B] aan [gedaagde] meegedeeld dat [bedrijf 3] op 3 februari 2015 failliet is verklaard

  5. Ook op 24 februari 2015 heeft [B] aan [gedaagde] meegedeeld dat (zie 2.33):

- hij een beschermde kroongetuige van de Nederlandse overheid is die een vooraanstaande rol heeft gespeeld bij het terugbezorgen van een soort snuifdoosjes aan de familie [familienaam]

- hij diensten verleent aan het ministerie van Veiligheid en Justitie in samenwerking met de CIE, in ruil waarvoor hij een vergoeding van ruim € 8 miljoen zal krijgen en zijn blazoen zal worden geschoond

- er binnenkort en deelbetaling van € 3 miljoen aankomt maar dat [B] , om dat geld vrij te krijgen, € 45.000 aan smeergeld moet betalen aan een Spaanse bankdirecteur

4.22.

Onder deze omstandigheden is het moeilijk voorstelbaar dat [gedaagde] eind februari 2015 nog enig vertrouwen in [B] kan hebben gehad. Ook is zeer lastig te begrijpen dat [gedaagde] ervan overtuigd is geraakt dat hij met het doen van grote betalingen aan [B] , afkomstig van [eiseres] , geld terug zou krijgen. Elke toezegging die [B] tot dat moment had gedaan was hij niet nagekomen. [B] heeft [gedaagde] bovendien uitdrukkelijk uitgenodigd tot het betalen van smeergeld, wat [gedaagde] er ook toe had moeten brengen om af te zien van het doen van enige betaling. Daarnaast lag het erg voor de hand dat [gedaagde] het ‘fantastische’ verhaal van [B] besprak met [bedrijf 1] , met name zijn contactpersoon [A] , voordat hij tot enige betaling aan [B] overging, maar dat heeft hij nagelaten. Onder deze omstandigheden is de conclusie gerechtvaardigd dat [gedaagde] de hier aan de orde zijnde betalingen heeft verricht zonder het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.

4.23.

Gelet op het voorgaande treft [gedaagde] van de door hem in 2015 verrichte betalingen aan [B] en zichzelf van de bankrekening van [eiseres] een ernstig verwijt en heeft hij ook wat dit betreft zijn taak onbehoorlijk vervuld (in de zin van artikel 2:9 BW). De mogelijkheid dat [eiseres] ook als gevolg van deze betalingen schade zou kunnen lijden was voor [gedaagde] voorzienbaar. Daarom is tevens de conclusie gerechtvaardigd dat [gedaagde] in dit verband onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiseres] . De omstandigheid dat [bedrijf 1] ( [E] ) hem heeft opgedragen om alles in het werk te stellen een vergoeding te krijgen voor de geleverde shampoo en het geld dat is betaald voor de scheermesjes terug te krijgen, pleit [gedaagde] niet vrij. [gedaagde] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat [bedrijf 1] met deze opmerking heeft bedoeld dat het [gedaagde] vrijstond zich te gedragen zoals hij heeft gedaan of dat [bedrijf 1] er rekening mee heeft moeten houden dat hij deze betalingen zou verrichten.

Beroep op eigen schuld

4.24.

[gedaagde] neemt het standpunt in dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] , en dat een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van [eiseres] moet blijven. In verband hiermee voert [gedaagde] aan dat [eiseres] heeft verzuimd bij aanvang van zijn dienstverband duidelijke regels te stellen met betrekking tot zijn bevoegdheden en taken en herhaaldelijk heeft verzuimd om in te grijpen toen er problemen ontstonden die [gedaagde] met [eiseres] deelde. Na de bespreking op 15 januari 2015 op het hoofdkantoor van [bedrijf 1] is [gedaagde] aan zijn lot overgelaten doordat er bijvoorbeeld niemand van [eiseres] of [bedrijf 1] is benoemd om mee te denken bij het zetten van verdere stappen. Dit verweer van [gedaagde] faalt. [gedaagde] was de enige bestuurder van [eiseres] en mocht in staat worden geacht dit probleem adequaat aan te pakken, ook zonder dat er voor deze situatie richtlijnen voorhanden waren, eventueel door het vragen van hulp. Bovendien heeft [bedrijf 1] ( [A] ) [gedaagde] geholpen door hem op 12 februari 2015 te adviseren incassokantoor [naam incassokantoor] in te schakelen.

Tussenconclusie

4.25.

Met inachtneming van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat [gedaagde] de schade van [eiseres] moet vergoeden. Daarom zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van € 579.553,56. Wat betreft de wettelijke rente vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding daarvan vanaf de datum van de derde shampoolevering respectievelijk de datum van de betalingen ter zake van de scheermesjes en de data van de betalingen in 2015. Omdat het handelen van [gedaagde] (mede) moet worden beschouwd als een onrechtmatige daad is hij met de op hem rustende verbintenis tot het vergoeden van de schade van [eiseres] in verzuim geraakt op het moment van het plegen van de hierboven vastgestelde onrechtmatige gedragingen. Dit brengt mee dat [gedaagde] ten aanzien van de derde shampoolevering zal worden veroordeeld tot het vergoeden van de wettelijke rente vanaf de datum van levering (vanaf 31 oktober 2014 over € 166.545,56). Met betrekking tot de betaling van € 206.000 ter zake van de scheermesjes is niet duidelijk op welke data de deelbetalingen hebben plaatsgevonden. Aangezien de rechtbank er vanuit gaat dat het gevorderde bedrag van € 206.000 in ieder geval uiterlijk 10 november 2014 is betaald (zie 4.15) zal de wettelijke rente over dit bedrag worden toegewezen met ingang van laatstgenoemde datum. De wettelijke rente over de betalingen die in 2015 hebben plaatsgevonden zal worden toegewezen met ingang van de respectievelijke betalingsdata (zie 2.16).

in conventie en in reconventie

Vernietiging ontslagbesluit

4.26.

Als niet betwist staat vast dat [eiseres] het loon van [gedaagde] vanaf 1 juni 2015 niet heeft betaald. Ten aanzien van dit loon en het loon dat zij mogelijk aan [gedaagde] verschuldigd is over de periode van 25 juni 2015 tot en met 30 september 2015 beroept [eiseres] zich in conventie op verrekening. Daarom zal de rechtbank nu de stellingen van partijen met betrekking tot de vernietigbaarheid van het ontslagbesluit van 25 juni 2015 bespreken.

4.27.

Wanneer het ontslag van een statutair bestuurder geagendeerd is, heeft een statutair bestuurder in overeenstemming met artikel 2:8 BW een recht om te worden gehoord over zijn voorgenomen ontslag. Voorts heeft een statutair bestuurder een raadgevende stem in de algemene vergadering van aandeelhouders op grond van artikel 2:227 lid 7 BW, hetgeen een regel van dwingend recht is (HR 10 maart 1995, NJ 1995/595 [naam] / [bedrijf X] ). Deze regel geldt óók bij besluitvorming buiten vergadering op grond van artikel 2:238 lid 2 BW (zie ook HR 22 december 2009, JOR 2010/40 [bedrijf Y] ). De ratio van de raadgevende stem is dat statutair bestuurders door het geven van hun visie, de aandeelhouders adequaat informeren over de gevolgen van de geagendeerde besluiten, zodat deze in staat zijn daarmee rekening te houden bij het uitbrengen van hun stem. Bij niet-naleving van voornoemde voorschriften is het betreffende besluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 BW.

4.28.

Tussen partijen staat vast dat de op 19 juni 2015 gegeven initiële termijn (22 juni 2015) voor het horen en het geven van de raadgevende stem van [gedaagde] ongebruikt is gelaten. Partijen hebben namelijk op verzoek van de advocaat van [gedaagde] één dag later (23 juni 2015) een bespreking belegd. Deze bespreking vond niet plaats in de aanwezigheid van de aandeelhouder van [eiseres] , maar werd slechts door de advocaat van [eiseres] , [gedaagde] en de advocaat van [gedaagde] bijgewoond. [eiseres] heeft in dit kader gesteld dat [gedaagde] vóór 1 juli 2015 nog een nadere schriftelijke toelichting aan [eiseres] zou verstrekken omdat de advocaat van [gedaagde] nog maar kort bij de kwestie betrokken was en zijn cliënt nog niet (juridisch) kon adviseren. Tegen deze achtergrond is het standpunt van [eiseres] dat [gedaagde] hiermee in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten, gebruik te maken van zijn hoorrecht en zijn advies uit te brengen ten aanzien van het (destijds: voorgenomen) ontslagbesluit niet houdbaar. Nog daargelaten dat de initiële termijn niet voldoet aan de vereisten van artikel 2:225 BW, leidt de rechtbank uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden af dat niet aannemelijk is dat [gedaagde] tijdens de bespreking van 23 juni 2015 in staat is geweest om op deugdelijke wijze zijn visie c.q. raadgevende stem c.q. advies te geven over het ontslagbesluit. Zoals onder 4.27 reeds is overwogen, is de ratio van de raadgevende stem dat [gedaagde] in de gelegenheid werd gesteld de aandeelhouder adequaat te informeren over de gevolgen van het geagendeerde besluit, waarbij hij tevens op grond van artikel 2:8 BW de gelegenheid heeft om aandacht te vragen voor de privé-gevolgen van het ontslagbesluit. Gezien het feit dat [eiseres] wist dat [gedaagde] op 23 juni 2015 onvoldoende rechtsbijstand genoot én dat was toegezegd dat een nadere schriftelijke toelichting van [gedaagde] op korte termijn zou volgen, valt niet in te zien dat [eiseres] voornoemde toelichting niet kon afwachten vóórdat haar aandeelhoudster (in dat geval: volledig geïnformeerd) zou overgaan tot het nemen van het ontslagbesluit. Gezien het voorgaande is niet aannemelijk dat [gedaagde] in staat is geweest de aandeelhouder van [eiseres] adequaat te infomeren en zijn raadgevende stem te geven, waardoor de rechtbank de eis in reconventie tot vernietiging van het ontslagbesluit van 25 juni 2015 zal toewijzen.

Loon, beroep op verrekening, wettelijke verhoging en wettelijke rente

4.29.

Zoals gezegd heeft [gedaagde] geen loon ontvangen over de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 september 2015. Tussen partijen staat ook als onweersproken vast dat [gedaagde] zich beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van werkzaamheden. Dit betekent dat [gedaagde] over de genoemde periode recht heeft op zijn loon ter hoogte van € 8.750 bruto per maand.

4.30.

Verrekening werkt terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan (artikel 6:129 lid 1 BW). Aangezien [eiseres] al voor juni 2015 een opeisbare vordering op [gedaagde] heeft gekregen tot vergoeding van haar schade, is de bevoegdheid tot verrekening van die vordering met haar loonschuld ontstaan op de momenten waarop de loonvorderingen van [gedaagde] opeisbaar zijn geworden. Dat betekent dat het loon van [gedaagde] over juni tot en met september 2015 steeds door middel van verrekening geacht moet worden te zijn betaald, onmiddellijk aan het einde van de desbetreffende maanden. Dit brengt mee dat [gedaagde] geen aanspraak kan maken op de wettelijke verhoging van artikel 7:625 lid 1 BW (welke betaling betrekking heeft op te laat betaald loon) en hij ook geen recht heeft op wettelijke rente ter zake van te laat betaald loon.

4.31.

Als gevolg van de verrekening is niet alleen het loon van [gedaagde] betaald, maar heeft [gedaagde] verspreid over vier maanden vier betalingen gedaan die in mindering strekken op de vorderingen van [eiseres] , in totaal ter hoogte van € 35.000 (4 x € 8.750). De artikelen 6:43 en 44 BW zijn van toepassing, zodat bij de verrekening moeten worden betrokken de buitengerechtelijke incassokosten (zie hierna), de beslagkosten (zie ook hierna), de wettelijke rente en de hoofdsommen. [eiseres] heeft nagelaten te motiveren op welke wijze de verrekening moet plaatsvinden, terwijl dat wel op haar weg lag. Daarom zal bij de in conventie toe te wijzen vorderingen worden bepaald dat daarbij het bepaalde in de artikelen 6:43 en 6:44 BW in acht moet worden genomen.

In conventie voorts:

Buitengerechtelijke incassokosten

4.32.

[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van € 2.810,04 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na

1 juli 2012 is ingetreden. De rechtbank stelt ook vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. Bij gebrek aan een nader aanknopingspunt zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag van de dagvaarding

(27 augustus 2015).

Overige grondslagen

4.33.

Niet gesteld of gebleken is dat [eiseres] op grond van de andere door haar aangevoerde grondslagen voor haar vorderingen recht heeft op hogere bedragen dan de bedragen waartoe [gedaagde] op grond van artikel 2:9 BW/artikel 6:162 BW zal worden veroordeeld. Daarom zullen die grondslagen bij gebrek aan belang verder niet worden besproken.

Beslagkosten en proceskosten

4.34.

[eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 3.988,34 voor verschotten (inclusief € 1.226 griffierecht) en € 2.000 voor salaris advocaat (1 rekest x € 2.000); in totaal dus € 5.988,34.

4.35.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 77,84

- griffierecht 2.638,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 6.715,84

In reconventie voorts:

4.36.

Over de loonvordering van [gedaagde] is al in conventie geoordeeld in het kader van het beroep van [eiseres] op verrekening (zie 4.30 en 4.31). Daarom zullen de daarmee samenhangende vorderingen tot betaling in reconventie worden afgewezen.

4.37.

Nu de rechtbank in conventie heeft geoordeeld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] zal de vordering van [gedaagde] tot opheffing van de conservatoire beslagen worden afgewezen.

Proceskosten in reconventie

4.38.

[eiseres] zal als de deels in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op

€ 1.788 als vergoeding voor het advocatensalaris (2 punten x tarief € 894,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 579.553,56

(vijfhonderdnegenenzeventigduizendvijfhonderddrieënvijftig euro en zesenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over:

  • -

    € 166.545,56 met ingang van 31 oktober 2014

  • -

    € 206.000 met ingang van 10 november 2014

  • -

    € 28.000 met ingang van 7 januari 2015

  • -

    € 24.200 met ingang van 25 februari 2015

  • -

    € 2.000 met ingang van 10 maart 2015

  • -

    € 36.300 met ingang van 26 maart 2015

  • -

    € 15.972 met ingang van 9 april 2015

  • -

    € 9.438 met ingang van 10 april 2015

  • -

    € 15.488 met ingang van 13 april 2015

  • -

    € 4.700 met ingang van 16 april 2015

  • -

    € 31.460 met ingang van 23 april 2015

  • -

    € 2.150 met ingang van 11 mei 2015

  • -

    € 28.300 met ingang van 11 mei 2015

  • -

    € 9.000 met ingang van 21 mei 2015,

telkens tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 2.810,04 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover met ingang van 27 augustus 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 5.988,34,

5.4.

bepaalt (a) dat [gedaagde] een vordering op [eiseres] heeft van € 35.000,00 (bruto), (b) dat dit bedrag verrekend moet worden met de bij de in 5.1 tot en met 5.3 uitgesproken veroordelingen, en (c) dat bij die verrekening in acht moet worden genomen het bepaalde in de artikelen 6:43 en 6:44 BW (zie 4.35) en ook hetgeen over het moment van verrekening is overwogen onder 4.34. van dit vonnis,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 6.715,84,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.9.

vernietigt het ontslagbesluit van 25 juni 2015,

5.10.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.788,00,

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2016.1

1 type: JvdB/4223