Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5981

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-11-2016
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
UTR 15/ 3305
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een openbare scholengemeenschap voor voorgezet onderwijs die in stand wordt gehouden door een gemeente is een instelling als bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder d. van de Wnt.

De rector van voormelde scholengemeenschap die blijkens het managementstatuut als bedoeld in artikel 32c., eerste lid, eerste zin, van de Wet voortgezet onderwijs is belast met de dagelijkse leiding van de scholengemeenschap, is een topfunctionaris als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder b., van de Wnt.

Het voormelde betekent dat partijen geen hogere uitkering wegens beëindiging van het dienstverband van de rector mogen overeenkomen dan het in de Wnt gemaximeerde totaalbedrag van € 75.000,-.

Nu partijen een ontslagvergoeding van € 90.000,- zijn overeengekomen, heeft verweerder een bedrag van € 15.000,- onverschuldigd aan eiser betaald. Verweerder was dan ook bevoegd om dit bedrag terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2016/545
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/3305

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.Th.A. Kampschreur),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, verweerder

(gemachtigde: mr. A.G. Kerkhof).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2014 (primair besluit) heeft verweerder een bedrag van € 15.000,- van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 19 mei 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is op 21 september 2015 aangevangen. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

In het aanvullende beroepschrift van 16 oktober 2015 heeft eiser de eerst ter zitting van 21 september 2015 aangevoerde beroepsgrond nader toegelicht. In het aanvullend verweerschrift van 25 november 2015 heeft verweerder hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is op 6 juni 2016 hervat en vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

In 2006 is eiser tot rector van de openbare scholengemeenschap [naam openbare scholengemeentschap] voor voorgezet onderwijs te [vestigingsplaats] (school) benoemd, alwaar hij sinds 1 augustus 2001 werkzaam was.

1.2.

Op 12 juni 2006 heeft verweerder een managementstatuut als bedoeld in artikel 32c van de Wet voortgezet onderwijs (WVO) vastgesteld.

1.3.

Op 1 januari 2013 is de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Wnt) in werking getreden.

1.4.

Op 29 augustus 2013 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Daarin is onder meer vastgesteld dat met inachtneming van de voor de gemeente Veenendaal geldende opzegtermijn en de BAPO-uren die eiser nog kan opnemen de aanstelling van eiser per 1 februari 2014 als beëindigd wordt beschouwd en dat de redenen van deze beëindiging zijn gelegen in redenen van gewichtige aard als bedoeld in artikel 9.b.3., twaalfde lid, van de COA VO 2011-2012. Voorts is vastgesteld dat aan eiser een ontslagvergoeding van € 90.000,- bruto is toegekend ten titel van te derven inkomsten en te derven pensioenopbouw.

1.5.

Bij besluit van 27 augustus 2013, verzonden op 30 augustus 2013, is aan eiser met ingang van 1 februari 2014 eervol ontslag verleend.

1.6.

Nadat een controlerend accountant als bedoeld in de Wnt verweerder op een mogelijke overtreding van artikel 2.10 van de Wnt heeft gewezen, met als mogelijk gevolg dat de minister die het aangaat gebruik zal maken van zijn handhavende bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 5.3 tot en met 5.6 van de Wnt, heeft verweerder bij het primaire besluit een bedrag van (€ 90.000,- bruto minus € 75.000, bruto =) € 15.000,- bruto als onverschuldigd aan eiser betaald van eiser teruggevorderd.

2. De rechtbank stelt, gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, vast dat in het verweerschrift van 4 september 2015 staat dat het dienstverband met eiser is voorgezet tot 1 april 2014 als compensatie voor het terug te vorderen bedrag. Niet in geschil is dat verweerder over de maanden februari en maart 2014 salaris aan eiser heeft doorbetaald. Ter zitting van de rechtbank van 6 juni 2016 heeft eiser verklaard dat hij in de maanden februari en maart 2016 zogenaamde BAPO-uren heeft ingezet. Ter zitting van de rechtbank van 6 juni 2016 heeft verweerder verklaard dat aan eiser feitelijk per 1 april 2014 eervol ontslag is verleend maar dat ten tijde van de zitting bij de rechtbank van 6 juni 2016 verweerder (nog) geen besluit had genomen waarbij de datum met ingang waarvan aan eiser eervol ontslag is verleend van 1 februari 2014 in 1 april 2014 is gewijzigd.

3. Artikel 1.1, aanhef en onder b., onderdeel 5, van de Wnt luidt:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder topfunctionaris:
de leden van de hoogste uitvoerende en toezichthoudende organen van een rechtspersoon of instelling [onderstreping door de rechtbank] als bedoeld in artikel 1.3, artikel 1.4 of artikel 1.5, alsmede de hoogste ondergeschikte of de leden van de groep hoogste ondergeschikten aan dat orgaan en degene of degenen belast met de dagelijkse leiding van de gehele rechtspersoon of de gehele instelling [onderstreping door de rechtbank].

Artikel 32c., eerste lid, eerste zin, van de WVO luidt:

Het bevoegd gezag stelt na overleg met de rector, de directeur, de conrector en de adjunct-directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 32a met de centrale directie, een managementstatuut vast.

In het managementstatuut is ten minste een regeling opgenomen betreffende de bevoegdheden van de rector, de directeur, de conrector en de adjunct-directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 32a van de bevoegdheden van de centrale directie, met betrekking tot de toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging.

In het door verweerder vastgestelde managementstatuut van 12 juni 2006 (managementstatuut) staat onder meer het volgende:
Artikel 1 Begripsbepaling

Rector: functionaris als bedoeld in artikel 32, tweede lid van de Wvo, die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag de leiding heeft over het [naam openbare scholengemeentschap] [onderstreping door de rechtbank]. De rector voert de gemandateerde bestuurstaken en bevoegdheden uit, is belast met [onderstreping door de rechtbank] de voorbereiding en uitvoering van het beleid van het [naam openbare scholengemeentschap] en met de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken [onderstreping door de rechtbank].

(...)

Artikel 5 Taken en bevoegdheden van de rector

  1. De rector voert de gemandateerde bestuurstaken en bevoegdheden uit, is belast met de voorbereiding en uitvoering van het beleid van het [naam openbare scholengemeentschap] en heeft de leiding over de dagelijkse gang van zaken [onderstreping door de rechtbank].

  2. De rector is belast met de bewaking van de grondslag en de doelstellingen van het [naam openbare scholengemeentschap] .

  3. De rector is voorzitter van het managementteam, waarbij bij besluiten gestreefd wordt naar consensus. Bij het ontbreken van consensus beslist de voorzitter.

  4. De rector regelt de correspondentie met betrekking tot de schoolzaken en is tekeningsbevoegd in die zaken en aangelegenheden, waarin in de vaststelling en de uitvoering aan de rector is gemandateerd. Dit is tevens van toepassing op de uitvoering van een bestuursbesluit.”

Artikel 1.1, aanhef en onder i, van de Wnt luidt:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband: de som van uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband en beloningen betaalbaar op termijn die betrekking hebben op de beëindiging van het dienstverband, met uitzondering van uitkeringen die voortvloeien uit een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst of een wettelijk voorschrift.

Artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder d., van de Wnt luidt:

De paragrafen 2 en 4 zijn van toepassing op: de in bijlage 1 van deze wet opgenomen rechtspersonen of instellingen [onderstreping door de rechtbank].

In bijlage 1 bij artikel 1.3, eerste lid, van de Wnt staat, voor zover van belang, het volgende:
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(…)

7. De rechtspersonen die scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs [onderstreping door de rechtbank] in stand houden, alsmede de openbare scholen [onderstreping door de rechtbank], bedoeld in dat artikel [onderstreping door de rechtbank], die anders dan door een privaatrechtelijke of openbare rechtspersoon in stand worden gehouden, behoudens de privaatrechtelijke rechtspersoon die tevens is toegelaten op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen.

Artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) luidt, voor zover van belang, als volgt:

Deze wet verstaat onder een:
(…)

«school»: een school voor voortgezet onderwijs, tenzij het tegendeel blijkt;

«openbare school»:

a. een school in stand gehouden door een gemeente [onderstreping door de rechtbank], dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid;

Artikel 1.6 van de Wnt luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)

2. Voor zover partijen een hogere uitkering wegens beëindiging van het dienstverband overeenkomen dan bij of krachtens deze wet is toegestaan, bedraagt de uitkering van rechtswege het bedrag dat ten hoogste is toegestaan. Betalingen die dat bedrag overschrijden, zijn onverschuldigd betaald, tenzij de betaling voortvloeit uit een rechterlijke uitspraak.

(…)

4. Ieder beding tussen partijen houdende kwijtschelding van een onverschuldigde betaling of een schenking die met de onverschuldigde betaling wordt verrekend, is nietig.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wnt luidt:

Partijen komen geen uitkeringen overeen wegens beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, tot ten hoogste € 75 000. In geval van een dienstverband met een kleinere omvang dan het bij de verantwoordelijke gebruikelijk voltijdse dienstverband bedragen de uitkeringen ten hoogste € 75 000, vermenigvuldigd met het aantal uren waarop het dienstverband betrekking heeft en gedeeld door het aantal uren van een voltijds dienstverband.

Artikel 3.7, eerste lid, van de Wnt luidt:

Partijen komen geen uitkeringen overeen wegens beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn

over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, tot ten hoogste € 75 000. In

geval van een dienstverband met een kleinere omvang dan het bij de verantwoordelijke gebruikelijk voltijdse dienstverband bedragen de uitkeringen ten hoogste € 75 000, vermenigvuldigd met het aantal uren waarop het

dienstverband betrekking heeft en gedeeld door het aantal uren van een voltijds dienstverband.

Artikel 5.1, eerste lid, van de Wnt luidt:

Met het toezicht op de naleving van deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister wie het aangaat

aangewezen personen.

De toezicht op de naleving van de WNT bij onderwijsinstellingen wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de minister van minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW).

4. De rechtbank stelt, gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, vast dat bij de rechtbank slechts ter beoordeling voorligt het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit. De rechtbank dient dan ook slechts te beoordelen of verweerder terecht het bedrag van € 15.000,- bruto van eiser heeft teruggevorderd. Gezien het verhandelde ter zitting van 21 september 2015 is dit ook niet in geschil. Om die reden gaat de rechtbank voorbij aan hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd over eisers stelling dat de onder 1.4. vermelde vaststellingsovereenkomst wegens (rechts)dwaling heroverweging behoeft.

5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat er geen grond is voor de terugvordering van het bedrag van € 15.000,-, nu de betaling hiervan niet als onverschuldigd als bedoeld in de Wnt kan worden aangemerkt. Immers, de Wnt is niet op de rechtsbetrekking van partijen van toepassing omdat:

  • -

    primair: de school niet als een instelling als bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder d. van de Wnt kan worden aangemerkt; en

  • -

    subsidiair: eiser niet als een topfunctionaris als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder b., van de Wnt kan worden aangemerkt.

6. De rechtbank is, anders dan eiser heeft betoogd, van oordeel dat de school is aan te merken als een instelling als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder d., van de Wnt, nu i) vaststaat dat de school een openbare school voor voortgezet onderwijs is als bedoeld in artikel 1 van de WVO en ii) door verweerder in het aanvullend verweerschrift van 25 november 2015 is gesteld en eiser niet heeft weersproken dat de school in stand wordt gehouden door de gemeente Veenendaal , zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon.

Eisers stelling dat uit de Wnt in samenhang bezien met de Memorie van Toelichting bij de Wnt niet duidelijk wordt welke scholen/instellingen wel of niet onder de Wnt vallen, onderschrijft de rechtbank niet. Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Wnt, in het bijzonder de passages in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, vergaderjaar 2010–2011, 32 600, nr. 3) waarnaar eiser in het aanvullend beroepschrift 16 oktober 2015 heeft verwezen, is juist om onduidelijkheid weg te nemen in bijlage 1 bij artikel 1.3, eerste lid, van de Wnt opgenomen welke rechtspersonen en instellingen onder de Wnt vallen. Eisers verwijzing ter zitting van 6 juni 2016 naar een ter zitting overgelegd artikel “De wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT): in werking van L.G. Verburg, gepubliceerd in het tijdschrift Arbeidsrechtelijke Annotaties, 2013 (12) 1, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Gelet op het vorenstaande faalt de eerst ter zitting van 21 september 2015 aangevoerde beroepsgrond dat de school niet als een instelling als bedoeld in artikel 1.3 van de Wnt is aan te merken.

7. De rechtbank is, anders dan eiser heeft betoogd, van oordeel dat eiser in zijn functie van rector van de school was aan te merken als topfunctionaris als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder b., onderdeel 5, van de Wnt, nu blijkens het managementstatuut eiser als de rector van de school degene was die was belast met de dagelijkse leiding van de gehele school. Dat gezien de bevoegdheidsverdeling tussen verweerder en eiser als rector van de school (als blijkt uit het managementstatuut) verweerder ter zake van verschillende onderwerpen beslissingsbevoegd is en niet eiser als de rector van de school en dat eiser als de rector van de school over bepaalde zaken rechtstreeks verantwoording diende af te leggen aan verweerder, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu die omstandigheden onverlet laten dat eiser als de rector van de school blijkens vorenbedoeld managementstatuut belast was met de dagelijkse leiding van de gehele school. Daarmee voldeed eiser in zijn functie van rector van de school aan de definitie van topfunctionaris als neergelegd in artikel 1.1, aanhef en onder b., onderdeel 5, van de Wnt.
Eisers verwijzing naar de Beleidsregels WNT 2016, het onder 6. vermelde artikel van L.G. Verburg alsook het ter zitting van 6 juni 2016 overgelegde artikel “De WNT aangepast” van H. Uhlenbroek, gepubliceerd in het maandblad ArbeidsRecht, nr. 2014/46, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Dat uit de jaarverslagen van andere schoolorganisaties in het voorgezet onderwijs niet blijkt dat het bevoegd gezag van die schoolorganisatie de schoolleiders van die schoolorganisaties als topfunctionaris als bedoeld in de Wnt heeft aangemerkt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Immers, ook deze omstandigheid laat onverlet dat blijkens het managementstatuut eiser als rector van de school degene was die was belast met de dagelijkse leiding van de gehele school.

8. De beroepsgrond dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar relevante feiten ter beantwoording van de vraag of eiser in zijn functie van rector van de school als topfunctionaris in de zin van de Wnt kon worden aangemerkt, faalt. Immers, verweerder heeft bij zijn besluitvorming wel onderzoek gedaan naar de relevante feiten. Verweerder heeft onderzocht of eiser in zijn functie van rector van de school was belast met de dagelijkse leiding van de gehele school als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder b., onderdeel 5, van de Wnt. In dat kader heeft verweerder onder meer kennisgenomen van het managementstatuut, waarin is vastgesteld dat eiser is belast met de dagelijkse leiding van de school. Van strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook geen sprake. Dat verweerder niet een zogenaamde zachte handhavingsfase in het kader van de Wnt heeft geïnitieerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

9. De rechtbank is, mede gezien de via internet te raadplegen Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs (COA VO) zoals die luidde ten tijde in geding, van oordeel dat het overeengekomen bedrag van € 90.000,- ten titel van te derven inkomsten en te derven pensioenopbouw niet valt onder de in artikel 1.1, aanhef en onder i, van de Wnt genoemde uitzondering, nu deze uitkeringen niet voortvloeien uit een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst of een wettelijk voorschrift. Dit betekent dat het bedrag van € 90.000,- integraal in aanmerking moet worden genomen bij het in de Wnt gemaximeerde totaalbedrag van € 75.000,-.

10. Nu het bedrag van € 90.000,- het bedrag van € 75.000,- als vermeld in artikel 2.10 van de Wnt overschrijdt, heeft verweerder een bedrag van € 15.000,- onverschuldigd aan eiser betaald. Gelet hierop is verweerder bevoegd om het onverschuldigd betaalde van eiser terug te vorderen.

11. De beroepsgrond dat het besluit in strijd is met artikel 3:4 van de Awb is genomen, omdat verweerder niet alle bij het bestreden besluit betrokken belangen heeft meegewogen en gelet op de te maken belangenafweging niet tot het bestreden besluit had kunnen komen, faalt. Immers, op grond van de Wnt en de op grond van deze wet vastgestelde (beleids)regels heeft verweerder niet de ruimte om van de terugvordering van het onverschuldigd betaalde af te zien. Er is dan ook geen ruimte voor verweerder om de door eiser voorgestane belangenafweging te maken en in het verlengde daarvan van de terugvordering van het onverschuldigd betaalde af te zien. Bovendien zou het afzien van de terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering wegens beëindiging van het dienstverband in strijd zijn met het doel en de strekking van de Wnt.

12. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid
van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 7 november 2016

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.