Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5956

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
C/16/424463 / KG ZA 16-757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De buren van een tachtigjarige man uit Leersum mogen een dwangsom van 300.000 euro innen. Het beslag dat daarvoor is gelegd op de woning van de man is rechtmatig. Dat heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld in een al jaren slepend burenconflict.

Afschrikwekkende dwangsom

De man kreeg in 2009 een verbod om nog langer op het erf van zijn buren te komen. De rechter koppelde toen aan dat perceelverbod een dwangsom van 10.000 euro per overtreding. In 2010 oordeelde de rechter dat de man door diverse incidenten ‘de grenzen van het toelaatbare ernstig heeft overschreden’. De rechter besloot toen tot een eenmalige dwangsom van 300.000 euro met ‘voldoende afschrikwekkende werking’ en ‘onomkeerbare gevolgen’ bij inning.

Overtreding

De rechter oordeelt vandaag dat er redelijkerwijs niet aan getwijfeld kan worden dat de man op 31 maart 2016 en 4 april 2016 op het erf van zijn buren is geweest. De eerste keer vernielde hij daar een auto van zijn buren, de tweede keer was hij naar eigen zeggen op zoek naar zijn hond.

Geen noodtoestand

De bejaarde man eiste nu staking van de uitvoering van het vonnis van 2010, maar de rechter zag daar geen goede reden voor. Van een noodtoestand is geen sprake. De woning van de man heeft een overwaarde die veel hoger is dan 300.000 euro. Het risico van beslaglegging op en eventuele openbare verkoop van zijn woning was voorzienbaar op het moment dat hij het verbod overtrad, oordeelde de rechter. In deze zaak is de rechter bovendien niet bevoegd om een dwangsom te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/424463 / KG ZA 16-757

Vonnis in kort geding van 9 november 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.J. Kiela te Amersfoort,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. B.E.J.M. Tomlow te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde c.s.] genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 11 producties

  • -

    17 producties van [gedaagde c.s.]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde c.s.]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde c.s.] heeft in september 2000 de eigendom verkregen van de woning en het perceel aan de [adres] . [eiser] was op dat moment reeds eigenaar van de naastgelegen woning en het perceel aan de [adres] .

2.2.

Beide percelen zijn te bereiken via een lang bospad. [eiser] dient om zijn perceel te bereiken tevens over een pad, via een “lus” om een eikenboom, over het perceel van [gedaagde c.s.] te gaan. Hiertoe is een erfdienstbaarheid gevestigd. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de wijze waarop de erfdienstbaarheid moest worden uitgeoefend.

2.3.

In de loop van de tijd hebben zich tussen partijen verschillende incidenten voorgedaan. [gedaagde c.s.] heeft in verband daarmee herhaaldelijk aangifte gedaan jegens [eiser] . [eiser] heeft op zijn beurt verschillende malen aangifte jegens [gedaagde c.s.] gedaan. De aangiftes van de kant van [gedaagde c.s.] gaan onder meer over mishandeling, belaging, vernielingen en het betreden van hun perceel door [eiser] . [eiser] heeft onder meer aangifte gedaan wegens belaging, stalking, smaad/laster, en het doen van valse aangifte door [gedaagde c.s.]

2.4.

In de periode van december 2003 tot juli 2004 heeft [gedaagde c.s.] tijdelijk elders een woning gehuurd. Vanaf januari 2006 heeft [gedaagde c.s.] zijn woning opnieuw voor enige tijd verlaten en is daar, nadat een verbouwing heeft plaatsgevonden, in april 2010 weer teruggekeerd.

2.5.

[gedaagde c.s.] heeft in de zomer van 2004 camera’s geplaatst op zijn woning en schuur. In oktober 2005 raakte [eiser] hiervan op de hoogte. Hij heeft daarna verschillende malen aangifte gedaan jegens [gedaagde c.s.] in verband met de aanwezigheid van de camera’s.

2.6.

Bij vonnis van 23 februari 2005 heeft de rechtbank [gedaagde c.s.] veroordeeld om de ten behoeve van [eiser] op hun perceel gevestigde erfdienstbaarheid te respecteren.

2.7.

Naar aanleiding van een door [eiser] ingesteld hoger beroep tegen een vonnis van 20 oktober 2005 van de politierechter van de rechtbank Utrecht heeft het Hof Amsterdam in een arrest van 29 januari 2007 [eiser] wegens mishandeling van [gedaagde sub 2] en belaging van [gedaagde sub 1] (in de periode van 1 september 2000 tot en met
22 mei 2004) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en tot een geldboete van € 1.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis. Dit arrest is onherroepelijk geworden.

2.8.

Bij vonnis van 26 augustus 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [eiser] onder meer verboden om het perceel van [gedaagde c.s.] te betreden (hierna: het perceelverbod), op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding. Ook heeft de voorzieningenrechter [gedaagde c.s.] toen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding veroordeeld om [eiser] in staat te stellen onbelemmerd gebruik te maken van zijn recht op overpad zoals omschreven in de erfdienstbaarheidsclausule. In dit vonnis, dat onherroepelijk is geworden, heeft de voorzieningenrechter ten aanzien van de perceelverboden als volgt geoordeeld:

‘5.1. Uitgangspunt bij de beoordeling van de door partijen over en weer ingestelde vorderingen is dat [gedaagde c.s.] als eigenaar gerechtigd zijn tot het rustig en ongestoord gebruik van hun woning en bijbehorend perceel en dat [eiser] daarop geen inbreuk mag maken. Anderzijds moeten [gedaagde c.s.] het recht van [eiser] van overpad over hun perceel, zoals dat door de rechtbank bij haar vonnis van 23 februari 2005 is vastgesteld, eerbiedigen en mogen zij dit niet belemmeren.

[…]

Het verbod om op het perceel van [gedaagde c.s.] te zijn

5.8.

Ingevolge artikel 5:22 BW mag [gedaagde c.s.] een ieder verbieden om zich zonder hun toestemming op hun perceel te bevinden, mits dit op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt.

In aanmerking genomen de volkomen verstoorde verhouding tussen partijen en het feit dat zich in het verleden ernstige incidenten hebben voorgedaan is er voldoende grond om [eiser] te verbieden zich op het perceel van [gedaagde c.s.] te bevinden, zij het met uitzondering van het gedeelte waarop de erfdienstbaarheid van overpad rust en dit verbod te versterken met een dwangsom.
[…]

Het verbod om honden op het perceel van [gedaagde c.s.] te laten lopen/verblijven

5.13.

Vastgesteld kan worden dat [eiser] gehouden is er voor zorg te dragen dat de hond(en) die hem toebehoren zich niet op het perceel begeven waarvan [gedaagde c.s.] het exclusieve gebruiksrecht hebben. Nu dit in het verleden veelvuldig het geval is geweest en het met het oog op de gezondheid van een van de kinderen van [gedaagde c.s.] van belang is dat zich op het perceel van [gedaagde c.s.] geen uitwerpselen van honden bevinden, zal het gevraagde verbod worden gegeven en zal daaraan tevens de gevorderde dwangsom worden verbonden.

[…]

5.14.

Het gedeelte van het perceel van [gedaagde c.s.] waarop de erfdienstbaarheid rust, moet echter worden uitgezonderd zodat dit niet onder het verbod valt. [eiser] zal er op toe moeten zien dat zijn hond(en) zich niet buiten het perceelsgedeelte waarop het recht van overpad rust, bevinden.”

[…]

De voorzieningenrechter […]

6.1.

verbiedt [eiser] om op het perceel van [gedaagde c.s.] te zijn, behoudens op het gedeelte waarop het recht van overpad rust, een en ander zoals aangegeven op de aan dit vonnis - gehechte tekening B,

6.2.

verbiedt [eiser] lampen te (doen) richten op de eigendommen van [gedaagde c.s.] en/of op hun persoon,

6.3.

verbiedt [eiser] zijn honden op de terreinen van [gedaagde c.s.] te (doen) laten lopen/verblijven, behoudens op het gedeelte waarop het recht van overpad rust, een en ander zoals aangegeven op de aan dit vonnis gehechte tekening B,

6.4.

bepaalt dat [eiser] voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het onder 6.1. bepaalde, aan [gedaagde c.s.] een dwangsom verbeurt van EUR 10.000,- per keer,

6.5.

bepaalt dat [eiser] voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het onder 6.2. bepaalde, aan [gedaagde c.s.] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,- per keer,

6.6.

bepaalt dat [eiser] voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het onder 6.3. bepaalde, aan [gedaagde c.s.] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,- per keer, […]’

2.9.

Bij vonnis van 14 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [gedaagde c.s.] op straffe van een dwangsom van € 2.000,- per overtreding geboden om de door hen geplaatste camera’s zo te plaatsen en te richten dat zij geen beelden kunnen maken van het huis en het erf van [eiser] .

2.10.

Bij vonnis van 5 februari 2010 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat geen sprake was van een door [eiser] gestelde overtreding door [gedaagde c.s.] op 11 november 2009 van het gebod het recht van overpad van [eiser] te respecteren (zie 2.8). De voorzieningenrechter heeft [eiser] bij dit vonnis verboden het vonnis van 26 augustus 2009 ten uitvoer te leggen, voor zover deze betrekking heeft op voornoemde gebeurtenis.

2.11.

Op 7 maart 2010 heeft [eiser] zich toegang verschaft tot de, op dat moment verlaten, woning van [gedaagde sub 1] . Hij is daar op heterdaad betrapt en aangehouden door de politie. [eiser] heeft vervolgens twee weken in voorlopige hechtenis doorgebracht en heeft op last van de rechter-commissaris een psychologisch onderzoek ondergaan. [eiser] heeft uit hoofde van overtreding van het onder 6.1 van het vonnis van
26 augustus 2009 bepaalde een dwangsom van € 10.000,- aan [gedaagde c.s.] betaald.

2.12.

Bij vonnis van 28 april 2010 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [eiser] de onder 6.4 van het vonnis van 26 augustus 2009 aan [eiser] opgelegde dwangsom van € 10.000,- per overtreding van het perceelverbod verhoogd naar een eenmalige dwangsom van € 300.000,- bij overtreding van voornoemd verbod. In dit vonnis, dat onherroepelijk is geworden, heeft de voorzieningenrechter als volgt overwogen en geoordeeld:

‘4.2. Vast staat dat er sprake is van een burengeschil dat ernstig is geëscaleerd en waarbij het woongenot van beide partijen door de aanwezigheid van de andere partij aanzienlijk is geschaad. Vast staat ook dat [eiser] de grenzen van het toelaatbare ernstig heeft overtreden.

4.3.

[eiser] treft een ernstig verwijt door de woning van [gedaagde c.s.] binnen te dringen. Daaraan doet niet af dat die woning nog niet door [gedaagde c.s.] werd bewoond. Dit handelen is des te zorgwekkender nu [eiser] in een eerder vonnis van de voorzieningenrechter op straffe van een dwangsom is verboden zich zelfs maar op het perceel van [gedaagde c.s.] te bevinden. Ook indien in aanmerking wordt genomen het gegeven dat een burengeschil veelal door beide partijen wordt gevoed, heeft [eiser] door zijn handelen blijk gegeven niet de noodzakelijke basis van terughoudendheid te kunnen bewaken. […]

4.8.

Ten slotte is van belang dat [eiser] zich kennelijk weinig van het in het vonnis van 26 augustus 2009 opgelegde verbod aantrekt. Dit vraagt om een passende sanctie op de overtreding ervan, waarvan mag worden aangenomen dat dit wel voldoende afschrikkende werking heeft. Het vervangen van het verbod om op het terrein van [gedaagde c.s.] te komen door een ruimer verbod om op dat terrein en de omgeving ervan te komen, verandert in wezen niets.

4.9.

De voorzieningenrechter acht onder de gegeven omstandigheden geïndiceerd de in het vonnis van 26 augustus 2009 genoemde dwangsom dusdanig te verhogen dat een overtreding van de in dat vonnis neergelegde verbod, na executie van de dwangsom, onomkeerbare gevolgen voor [eiser] zal hebben.

[…]

De voorzieningenrechter

5.1.

verbindt aan de in het vonnis van de voorzieningenrechter te Utrecht van 26 augustus 2009 (zaaknr./rolnr. 270029 / KG ZA 09-679) onder 6.1. bedoelde verbod, met ingang van heden een eenmalige dwangsom van EUR 300.000,--- zodra [eiser] in strijd met dat verbod handelt, […]’

2.13.

Bij vonnis van 29 november 2010 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank [eiser] wegens belaging (in de periode van 10 januari 2007 tot en met 7 maart 2007, onder andere bestaande uit erfvredebreuk, het sturen van brieven naar diverse instanties met een voor [gedaagde c.s.] belastende inhoud, het beschijnen en fotograferen van de woning van [gedaagde c.s.] ), huisvredebreuk, verboden wapenbezit (een ploertendoder) en verduistering (van autosleutels van [gedaagde c.s.] , die [eiser] had gevonden) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 166 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde gesteld dat [eiser] zich niet op het perceel van [gedaagde c.s.] zal begeven, behoudens op het gedeelte waarop het recht van overpad rust. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

2.14.

Naar aanleiding van een door [eiser] ingesteld hoger beroep tegen een vonnis van 4 december 2008 van de politierechter van de rechtbank Utrecht heeft het Hof Amsterdam bij arrest van 21 december 2010 [eiser] wegens belaging (in de periode van 2 november 2004 tot en met 9 januari 2007), erfvredebreuk en vernieling veroordeeld tot een geldboete van € 7.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 dagen hechtenis. Het Hof heeft daarbij bepaald dat een gedeelte van de geldboete van € 4.500,- niet ten uitvoer zal worden gelegd, op voorwaarde dat [eiser] zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaar niet aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt en op voorwaarde dat hij zich niet op het perceel van [gedaagde c.s.] zal begeven (behoudens het gedeelte waarop het recht van overpad rust).

2.15.

In de avond van 31 maart 2016 is op het perceel van [gedaagde c.s.] een aan hen toebehorende auto vernield. Deze vernieling is met een infraroodcamera van [gedaagde c.s.] gefilmd. Deze filmbeelden zijn door [gedaagde c.s.] aan de politie verstrekt.

2.16.

In de avond van 4 april 2016 heeft [eiser] het perceel van [gedaagde c.s.] betreden. Ook hiervan zijn met de infraroodcamera van [gedaagde c.s.] filmbeelden gemaakt, die aan de politie zijn verstrekt. [gedaagde c.s.] was op dat moment op vakantie. Het is vervolgens tot een handgemeen gekomen tussen [eiser] en de op het perceel aanwezige [A] , de broer van [gedaagde sub 1] . [eiser] heeft hierop aangifte gedaan van zware mishandeling.

2.17.

In de middag van 5 april 2016 is onder leiding van een rechter-commissaris in strafzaken de woning van [eiser] doorzocht. Daarbij zijn diverse kledingstukken en andere zaken van [eiser] in beslag genomen. Deze doorzoeking heeft plaatsgevonden omdat [eiser] door het openbaar ministerie wordt verdacht van de in 2.15 genoemde vernieling op 31 maart 2016, en van vernieling van een auto van de zoon van [gedaagde c.s.] op 5 oktober 2015.

2.18.

Bij vonnis van 20 september 2016 van de politierechter van deze rechtbank is bewezenverklaard dat de broer van [gedaagde sub 1] op 4 april 2016 heeft gepoogd [eiser] zwaar te mishandelen maar is hij ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces, zodat aan hem geen straf is opgelegd. Wel is aan de broer van [gedaagde sub 1] de maatregel opgelegd van betaling van een schadevergoeding aan [eiser] van € 309,09, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.

2.19.

Bij beschikking van 16 september 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de in artikel 502 Rv genoemde termijn, die in beginsel in acht moet worden genomen voordat executoriaal beslag op een woning kan worden gelegd, verkort tot nihil.

2.20.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder Kruythof van 19 september 2016 is namens [gedaagde c.s.] aan [eiser] , uit kracht van de grossen van de onder 2.8 en 2.12 genoemde vonnissen van 26 augustus 2009 en 28 april 2010, alsmede de grosse van de onder 2.19 genoemde beschikking van 16 september 2016, een bevel tot betaling gedaan van een bedrag van € 320.000,- aan verschuldigd geworden dwangsommen en een bedrag van
€ 90,54 aan explootkosten. Op het exploot is bij de verschuldigd geworden dwangsommen handmatig vermeld, voorzien van een paraaf: “3 overtredingen 31 maart 2016, 3 en 4 april 2016 inv.ggk.”.

2.21.

Voornoemde deurwaarder heeft vervolgens op 21 september 2016 executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser] .

2.22.

Door derden zijn meerdere bemiddelingspogingen ondernomen. Geen van deze heeft tot een oplossing in het conflict geleid.

2.23.

Tijdens de zitting van 26 oktober 2016 zijn in de zittingszaal door [gedaagde c.s.] fragmenten van de filmbeelden, genoemd in 2.15 en 2.16 (hierna: de filmbeelden), getoond.

2.24.

Onderdelen van het strafrechtelijk dossier tegen [eiser] , verband houdend met de verdenkingen die zijn genoemd in 2.17, zijn door [eiser] en [gedaagde c.s.] in verband met dit kort geding aan de rechtbank verstrekt. Daarvan maken deel uit snapshots van de filmbeelden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

Primair

I. te bevelen dat het [gedaagde c.s.] verboden is om de executie op basis van de vonnissen van 26 augustus 2009 en 28 april 2010 voort te zetten dan wel te gebieden deze executie te staken en gestaakt te houden;

II. opheffing van het door [gedaagde c.s.] gelegde executoriale beslag op de woning, eigendom van [eiser] gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] [kadastraal nummer] van welke beslaglegging op
19 september 2016 proces-verbaal is opgemaakt;

III. veroordeling van [gedaagde c.s.] om met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis alle medewerking te verlenen aan doorhaling van het gelegde beslag in het Kadaster;

IV. de veroordelingen te vermeerderen met € 5.000,- per dag dat niet wordt voldaan door [gedaagde c.s.] aan de nakoming onder I tot en met III, te verbeuren aan [eiser] ;

V. bij veroordeling onder I tot en met IV vast te stellen, voor zover rechtens, dat geen dwangsommen zijn verbeurd dan wel dat executie van de vonnissen onder I genoemd onder meer misbruik van bevoegdheid oplevert;

Subsidiair

VI. bij afwijzing van het gevorderde onder ‘primair’ de opgelegde dwangsom op basis van de vonnissen onder I te matigen tot een bedrag van € 10.000,- dan wel die beslissing te nemen die naar goede justitie behoort te worden genomen.

3.2.

[eiser] legt aan de primaire vorderingen, kort gezegd, het volgende ten grondslag. Het beslag is onrechtmatig, omdat het exploot van 19 september 2016 nietig is. Er is geen sprake van een normschending, genoemd in het kort geding vonnis van
26 augustus 2009. Op 31 maart 2016 en 3 april 2016 heeft hij zich niet op het perceel van [gedaagde c.s.] begeven. Verder is er geen sprake van een toerekenbare gedraging; voor het betreden van het perceel op 4 april 2016 bestaat een rechtvaardigingsgrond. Er is sprake van misbruik van bevoegdheid; [gedaagde c.s.] heeft hem uitgelokt om op 4 april 2016 het perceel van [gedaagde c.s.] te betreden. Het gelegde beslag is daarnaast disproportioneel. Voortzetting van de executie leidt ten slotte tot een onaanvaardbare noodsituatie aan zijn zijde. Aan de subsidiaire vordering legt [eiser] , kort gezegd, ten grondslag dat de verbeurde dwangsom disproportioneel hoog is.

3.3.

[gedaagde c.s.] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de primaire vorderingen van [eiser] en tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] ten aanzien van de subsidiaire vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de aard van de zaak bestaat een spoedeisend belang bij de vorderingen.

Bevel tot betaling nietig?

4.2.

[eiser] neemt het standpunt in dat het beslag onrechtmatig is, omdat het bevel tot betaling van 19 september 2016 nietig is. Daarin is niet vermeld wat de aard en de omvang is van de overtredingen, met als gevolg dat hij geen adequaat verweer kan voeren.

4.3.

Artikel 502 lid 2 Rv bepaalt dat het beslag op onroerende zaken vooraf moet worden gegaan door een exploit van een deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. Eerst na verloop van die termijn kan het beslag worden gelegd. Indien daartoe gronden zijn, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank, ook op mondeling verzoek van de deurwaarder, die termijn inkorten.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het bevel melding zal maken van de titel uit kracht waarvan de vervolging plaats heeft en zal uitdrukken dat bij gebreke van betaling zal worden overgegaan tot executoriale maatregelen tegen de onroerende zaken van de geëxecuteerde, zulks op straffe van nietigheid van het exploit.

4.4.

Van een gebrek in het deurwaardersexploot van 19 september 2016 in de zin van artikel 502 lid 2 Rv is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. In het exploot is melding gemaakt van de executoriale titels, te weten de vonnissen van
26 augustus 2009 en 28 april 2010 en is vermeld dat bij gebreke van betaling zal worden overgegaan tot executoriale maatregelen tegen (onder meer) de onroerende zaken van [eiser] . Verder is met zoveel woorden opgenomen dat het bevel strekt tot verhaal van een verbeurde dwangsom wegens overtreding van het vonnis van 26 augustus 2009 op
31 maart 2016, 3 april 2016 en 4 april 2016. Bij brief van 21 september 2016 heeft de advocaat van [gedaagde c.s.] de vonnissen van 26 augustus 2009 en 28 april 2010 naar de advocaat van [eiser] gestuurd en toegelicht dat de dwangsom voortvloeit uit de randnummers 6.1 en 6.4 van het dictum van het vonnis van 26 augustus 2009, in combinatie met randnummer 5.1 van het dictum van het vonnis van 28 april 2010. Ten aanzien van de overtreding op 4 april 2016 heeft de advocaat van [gedaagde c.s.] in voornoemde brief verwezen naar de zitting van de politierechter, waar de strafzaak is behandeld tegen de broer van [gedaagde sub 1] . Met betrekking tot de gestelde overtreding op 31 maart 2016 heeft [eiser] , zoals blijkt uit de dagvaarding die tot dit kort geding heeft geleid, begrepen dat dit te maken heeft met de aangifte die [gedaagde c.s.] tegen [eiser] heeft gedaan in verband met de vernieling van hun auto op 31 maart 2016, aangezien hij hierover door de politie als verdachte is gehoord. Nadat hij [gedaagde c.s.] in het kader van dit kort geding had gedagvaard heeft [eiser] vier dagen voor de zitting stukken van de advocaat van [gedaagde c.s.] ontvangen ter onderbouwing van de stelling van [gedaagde c.s.] dat [eiser] het verbod om het perceel van [gedaagde c.s.] heeft overtreden op 31 maart 2016, 3 april 2016 en 4 april 2016. Tijdens de zitting, die ruim vier uur heeft geduurd, heeft [eiser] uitgebreid zijn standpunt over de gestelde overtredingen gegeven. Een door de voorzieningenrechter tijdens die zitting gedaan aanbod om de zitting te schorsen teneinde de advocaat van [eiser] in de gelegenheid te stellen om de door [gedaagde c.s.] ingenomen stellingen met zijn cliënt te bespreken, is door [eiser] afgewezen omdat hij dat niet nodig vond. Hiermee is ruimschoots voldaan aan de voorschriften van artikel 502 lid 2 Rv. Gesteld noch gebleken is verder dat het exploot niet voldoet aan de in artikel 45 Rv vervatte algemene voorschriften voor exploten. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de niet-naleving van die voorschriften ingevolge artikel 66 lid 1 Rv slechts leidt tot nietigheid ingeval degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd. Dit is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, hier niet aan de orde. Gelet op het voorgaande faalt het betoog van [eiser] , dat het beslag onrechtmatig is wegens een gebrek in het bevel tot betaling.

Interpretatie dictum vonnis 28 april 2010

4.5.

[gedaagde c.s.] verwijt [eiser] overtredingen van het perceelverbod op
31 maart 2016, 3 april 2016 en 4 april 2016 en vordert op basis van het vonnis van
26 augustus 2009 (6.4) twee maal een verbeurde dwangsom van € 10.000,- en op basis van het vonnis van 28 april 2010 (5.1) een verbeurde dwangsom van € 300.000,-. Dit geeft blijkt van een onjuiste interpretatie van het dictum van het vonnis van 28 april 2010. Bij laatstgenoemd vonnis is de bij vonnis van 26 augustus 2009 aan het perceelverbod verbonden dwangsom verhoogd naar een eenmalige dwangsom van € 300.000,-. Daarmee heeft de bij vonnis van 26 augustus 2009 voor overtreding van het perceelverbod opgelegde dwangsom zijn werking verloren. Gelet hierop zal de onder 3.1 genoemde vordering I worden toegewezen, uitsluitend voor zover dit ziet op de door [gedaagde c.s.] gestelde verbeurdverklaring van € 20.000,-. Verder zal de onder 3.1 genoemde vordering V deels worden toegewezen, in die zin dat de voorzieningenrechter voor recht zal verklaren dat de onder 6.4 van de in het vonnis van 26 augustus 2009 genoemde dwangsom sinds
28 april 2010 niet is verbeurd. In het navolgende zal de voorzieningenrechter beoordelen of [eiser] de eenmalige dwangsom van € 300.000,- heeft verbeurd.

Overtredingen perceelverbod?

4.6.

In een executiegeschil met betrekking tot een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis als het onderhavige kan de rechter slechts staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.7.

In het kader van de beoordeling of [gedaagde c.s.] mede gelet op de belangen van [eiser] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de (verdere) tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 april 2010 dient, ook gelet op de door [eiser] ingenomen stellingen, de vraag te worden beantwoord of hij na 28 april 2010 in strijd met het onder 6.1 van het vonnis van 26 augustus 2009 vervatte perceelverbod heeft gehandeld en de eenmalige dwangsom van € 300.000,- heeft verbeurd. Teneinde dit vast te kunnen stellen dient de draagwijdte van dat verbod door uitleg te worden vastgesteld, waarbij het doel en de strekking van het verbod tot richtsnoer moeten worden genomen, in die zin dat het verbod niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Bij de uitleg van het verbod staat het de voorzieningenrechter vrij maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hanteren.

4.8.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat hetgeen is overwogen onder 5.1 van het vonnis van 26 augustus 2009 als norm moet dienen: het respecteren van het rustig en vredig woongenot van [gedaagde c.s.] . Volgens [gedaagde c.s.] is de norm veel ruimer en is deze vervat in overweging 5.8 van dat vonnis: het niet betreden van het perceel van [gedaagde c.s.]

4.9.

In het vonnis van 26 augustus 2009 heeft de voorzieningenrechter overwogen (onder 2.8): “In aanmerking genomen de volkomen verstoorde verhouding tussen partijen en het feit dat zich in het verleden ernstige incidenten hebben voorgedaan is er voldoende grond om [eiser] te verbieden zich op het perceel van [gedaagde c.s.] te bevinden.” In het vonnis van 28 april 2010 is overwogen (onder 4.2): “Vast staat dat er sprake is van een burengeschil dat ernstig is geëscaleerd en waarbij het woongenot van beide partijen door de aanwezigheid van de andere partij aanzienlijk is geschaad. Vast staat ook dat [eiser] de grenzen van het toelaatbare ernstig heeft overtreden.” en (onder 4.3) “[eiser] treft een ernstig verwijt door de woning van [gedaagde c.s.] binnen te dringen. Daaraan doet niet af dat die woning nog niet door [gedaagde c.s.] werd bewoond. Dit handelen is des te zorgwekkender nu [eiser] in een eerder vonnis van de voorzieningenrechter op straffe van een dwangsom is verboden zich zelfs maar op het perceel van [gedaagde c.s.] te bevinden. Ook indien in aanmerking wordt genomen het gegeven dat een burengeschil veelal door beide partijen wordt gevoed, heeft [eiser] door zijn handelen blijk gegeven niet de noodzakelijke basis van terughoudendheid te kunnen bewaken.” De verhouding tussen partijen is na het vonnis 28 april 2010 niet verbeterd. Integendeel, na een nieuwe reeks incidenten is die verhouding zo mogelijk alleen maar verder verslechterd en [eiser] moet zich daarvan bewust zijn geweest. In het licht hiervan en hetgeen in de vonnissen van
26 augustus 2009 en 28 april 2010 is overwogen dient het verbod van 6.1 van het vonnis van 26 augustus 2009 aldus te worden uitgelegd, dat élke betreding van het perceel van [gedaagde c.s.] door [eiser] (overweging 5.8 van laatstgenoemd vonnis) een verstoring van het woongenot van [gedaagde c.s.] (overweging 5.1 van laatstgenoemd vonnis) en daarmee een overtreding van het perceelverbod oplevert, waarvoor [eiser] de dwangsom van € 300.000,- verbeurt, behoudens uitzonderlijke, zwaarwegende redenen die rechtvaardigen dat hij het perceel van [gedaagde c.s.] toch betreedt. De hoogte van de dwangsom en de wellicht onomkeerbare gevolgen die verbeurte daarvan voor [eiser] zou kunnen hebben, geven de voorzieningenrechter wel aanleiding de draagwijdte van het verbod aldus uit te leggen dat een overtreding slechts wordt aangenomen, indien redelijkerwijs niet kan worden betwijfeld dat [eiser] het perceel heeft betreden. In het navolgende zal de voorzieningenrechter dit per gestelde overtreding beoordelen.

4 april 2016

4.10.

[eiser] erkent dat hij op 4 april 2016 het perceel van [gedaagde c.s.] heeft betreden, maar stelt zich op het standpunt dat dit niet opzettelijk is geschied maar werd gerechtvaardigd door de zoektocht naar zijn hond die aangeslagen was op iets of iemand. [eiser] betoogt het volgende. Hij was die avond aan het werk in zijn garage. Toen hij zijn hond in de keuken hoorde blaffen, heeft hij de keukendeur geopend waarna de hond naar buiten is geglipt en is weggerend. Hij ging ernaar op zoek en is in verband daarmee het weiland van [gedaagde c.s.] opgelopen. Hij heeft zich alleen maar begeven aan de rand van het perceel van [gedaagde c.s.] , op ongeveer 80 meter van de woning van [gedaagde c.s.] Daar werd hij volledig onverwacht aangevallen door de broer van [gedaagde sub 1] . [eiser] veronderstelt dat het hier gaat om een vooropgezet plan van [gedaagde c.s.] om hem het perceel van [gedaagde c.s.] op te lokken. Dat de broer hem niet heeft gewaarschuwd in de trant van ‘denk erom, kom niet op het perceel van mijn broer’, versterkt hem in deze veronderstelling. Gelet op het voorgaande heeft hij niet toerekenbaar onrechtmatig gehandeld, de door hem gestelde norm uit het vonnis van 26 augustus 2009 niet overtreden (zie 4.8) en geen dwangsom verbeurd.

4.11.

[gedaagde c.s.] betoogt dat niet relevant is wat [eiser] die avond van plan was; hij heeft zich op het perceel van [gedaagde c.s.] begeven. Aan de verklaringen van [eiser] kan op geen enkele wijze enige geloofwaardigheid worden ontleend. Uit de camerabeelden blijkt dat er niets heel blijft van het hondenverhaal.

4.12.

Vast staat dat [eiser] op 4 april 2016 het perceel van [gedaagde c.s.] heeft betreden. Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat hij daartoe uitgelokt is door (de broer van) [gedaagde sub 1] , met als doel het kunnen innen van de dwangsom van € 300.000,-, volgt de voorzieningenrechter hem daarin niet. Bovendien volgt uit het betoog van [eiser] niet dat het noodzakelijk was dat hij zich op het perceel van [gedaagde c.s.] begaf. [eiser] heeft er blijkens zijn verklaring(en) zelf voor gekozen de deur van zijn keuken te openen, met als gevolg dat zijn hond is weggeglipt. Hij had er zelf op moeten en kunnen toezien dat zijn hond binnen zou blijven. Onder dergelijke omstandigheden kan van uitlokking geen sprake zijn. Door het openen van de deur heeft hij bovendien het risico genomen om het in 6.3 van het vonnis van 26 augustus 2009 vervatte verbod te overtreden: ‘verbiedt [eiser] zijn honden op de terreinen van [gedaagde c.s.] te (doen) laten lopen/verblijven, behoudens op het gedeelte waarop het recht van overpad rust, een en ander zoals aangegeven op de aan dit vonnis gehechte tekening B’ (op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding). Verder heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat het in het kader van zijn zoektocht naar zijn hond noodzakelijk was dat hij het perceel van [gedaagde c.s.] betrad. Niets belette [eiser] om zijn hond te roepen vanaf zijn eigen perceel. Ook is niet gesteld of gebleken dat zijn hond zich op het perceel van [gedaagde c.s.] heeft begeven, laat staan dat zijn hond, als hij zich op enig moment wel op het perceel van [gedaagde c.s.] bevond, daar niet meer op eigen kracht vandaan kon komen. Gelet op het voorgaande staat vast dat [eiser] het verbod om het perceel van [gedaagde c.s.] te betreden op 4 april 2016 heeft overtreden, dat hiervoor geen rechtvaardigingsgrond bestaat en dat er geen sprake is van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [gedaagde c.s.] Hieruit volgt dat [eiser] de eenmalige dwangsom van € 300.000,- heeft verbeurd. Strikt genomen hoeven daarom de door [gedaagde c.s.] gestelde overtredingen van het perceelverbod op
31 maart 2016 en 3 april 2016 niet meer te worden besproken. Toch zal de voorzieningenrechter hierna ook de gestelde overtreding van het perceelverbod op
31 maart 2016 beoordelen, aangezien dat partijen in hun debat ook hierbij uitvoerig zijn stilgestaan.

31 maart 2016

4.13.

[eiser] betwist dat hij degene was die in de avond van 31 maart 2016 op het perceel van [gedaagde c.s.] een auto van [gedaagde c.s.] heeft vernield. Volgens [eiser] heeft hij die avond voor zonsondergang met de hond gewandeld en is hij daarna zijn huis niet meer uit geweest.

4.14.

[gedaagde c.s.] stelt dat op de gemaakte filmopnames te zien is dat [eiser] naar de midden op het perceel geparkeerde auto loopt, de banden daarvan laat leeglopen, gereedschap gaat halen en de ventielen met een betonschaar vernielt. Ook vernielt hij een achterlicht en de ruitenwissers.

4.15.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] op 31 maart 2016 de auto van [gedaagde c.s.] heeft vernield en daarmee het perceelverbod heeft overtreden. Dit wordt hierna toegelicht.

4.16.

Op de filmbeelden van de vernieling van de auto van [gedaagde c.s.] op
31 maart 2016 en de snapshots daarvan is het volgende te zien:

  • -

    een man die enigszins voorover gebogen loopt, soms wat aarzelend en schuifelend, en die een luier lijkt te dragen,

  • -

    de man draagt een lichtkleurige bivakmuts,

  • -

    de man draagt een jas met onderaan de rits waarmee de jas open en dicht kan worden gemaakt twee opvallende ‘flapjes’; links naast die rits bevindt zich op borsthoogte een verticale rits,

  • -

    de man draagt een lichtkleurige lange broek met op de linkerpijp, aan de voorkant daarvan,twee opvallende kleine cirkels recht boven elkaar, op een afstand van ongeveer 10 cm, ter hoogte van het midden van het bovenbeen,

  • -

    de man draagt donkere handschoenen,

  • -

    de man gebruikt bij de wielen van de auto een donkerkleurige, dunne slang met een lengte van ongeveer 50 cm,

  • -

    de man maakt bij de wielen van de auto knippende bewegingen met een tang of iets dergelijks.

4.17.

Op de filmbeelden van 4 april 2016 en de snapshots daarvan is te zien dat [eiser] voorafgaand aan de schermutseling met de broer van [gedaagde sub 1] een lichtkleurige bivakmuts over zijn hoofd en gezicht droeg. Tijdens dit incident heeft de broer van [gedaagde sub 1] die bivakmuts van het hoofd van [eiser] getrokken. De broer van [gedaagde sub 1] heeft deze bivakmuts aan de politie overhandigd.

4.18.

Bij de doorzoeking van de woning van [eiser] op 5 april 2016 zijn in beslag genomen:

  • -

    een bruin jack met verticale rits op de borst; op de tijdens de nachtelijke, door de politie uitgevoerde reconstructie (van de vernieling van de auto die op 31 maart 2016 heeft plaatsgevonden) gemaakte foto van de agent die deze jas droeg zijn behalve deze verticale rits op de borst ook de twee hiervoor genoemde opvallende flapjes te zien,

  • -

    een grijze werkbroek met opzetzakken met messingknopen; op de foto van deze broek lichten op de linkerbroekspijp, aan de voorkant daarvan, ter hoogte van het dijbeen twee kleine cirkels op die zich op een afstand van ongeveer 10 cm van elkaar bevinden,

  • -

    een paar stoffen blauwe handschoenen en een paar grijze werkhandschoenen,

  • -

    een kleine rode betonschaar,

  • -

    een losse slang van een bandenpomp, met een lengte van ongeveer 50 cm.

4.19.

Bij de stukken bevindt zich een, uit het in 2.24 vermelde strafdossier afkomstig, proces-verbaal van bevindingen van 25 april 2015, opgemaakt door brigadier van politie Van der Hart, met proces-verbaal nummer PL0900-2016103152-13. In dit proces-verbaal heeft Van der Hart op ambtseed verklaard dat hij de beelden heeft bekeken van de vernieling van de auto op 31 maart 2016 en dat hij de persoon die de vernieling pleegt herkent als [eiser] . Deze herkenning is in het desbetreffende proces-verbaal als volgt toegelicht:

‘De heer [eiser] is mij bekend omdat ik in het verleden al vaker met hem te maken heb gehad in verband met de problemen die er zijn tussen hem en zijn buurman [gedaagde sub 1] . Als bijzonderheid kan worden vermeld dat [eiser] licht voorover gebogen loopt. Ook opvallend is dat [eiser] zijn handen gebogen naar achteren houdt bij het lopen. Van de vernieling van de Mercedes van de heer [gedaagde sub 1] op donderdag 31 maart 2016, zijn duidelijke nachtbeelden gemaakt. Op deze beelden is een persoon te zien, die de vernieling pleegt. Ik herken de persoon die de vernieling pleegt als [eiser] . Ik herken hem aan zijn houding en zijn manier van lopen. […] Als de persoon die de vernielingen pleegt, met zijn rug naar de camera staat is het kennelijk als of deze persoon een incontinentieluier draagt. Bij aanhouding van de heer [eiser] werd hem gevraagd of er voor hem nog incontinentiemateriaal mee moest. Hij antwoordde daar bevestigend op. Vanuit de kelder van de woning van [eiser] werden twee pakken met incontinentieluiers van de stapel gepakt en meegenomen naar het bureau van politie.’

4.20.

Ook bevindt zich bij de stukken een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door hoofdagent van politie [B] , met proces-verbaal nummer PL0900-2016103152-11. In dit proces-verbaal beschrijft voornoemde hoofdagent de beelden die zijn gemaakt van de vernieling van de auto op 31 maart 2016. In een ander proces-verbaal van bevindingen van hoofdagent [B] is vermeld dat zij ook de beelden heeft bekeken van de mishandeling die is gepleegd op 4 april 2016. Daarin verklaart zij dat [eiser] (‘de persoon die als eerste in beeld komt en naar een boom loopt waar achter even later een andere persoon vandaan komt’) gelijkenissen vertoont met de man die op 31 maart 2016 de auto van [gedaagde c.s.] heeft vernield (‘de persoon beschreven in door mij opgemaakte proces-verbaal van bevindingen PL0900-2016103152-11’). In dit proces-verbaal heeft de hoofdagent de volgende gelijkenissen opgesomd:

‘[…]

5. normaal postuur;

6. gelijkende lichtkleurige broek aan;

7. dezelfde lichtkleurige bivakmuts op het hoofd;

8. het loopje komt overeen. Het loopje kan ik beschrijven als een voorzichtig en onzeker loopje.’

4.21.

Tijdens de zitting van 25 oktober 2016 heeft [eiser] voor het feit dat hij op
4 april 2016 een bivakmuts had opgezet en die tot over zijn kin had getrokken, waardoor alleen zijn ogen zichtbaar waren, als reden gegeven dat hij wist dat zich op het perceel van [gedaagde c.s.] camera’s bevonden en dat hij niet herkend wilde worden. Dit is ook voor het incident van 31 maart 2016 relevant, omdat de man die de vernielingen aan de auto heeft verricht ook een bivakmuts droeg.

4.22.

Tijdens diezelfde zitting heeft [eiser] de auto die op 31 maart 2016 is vernield, een lokauto genoemd. Volgens [eiser] kijkt hij vanuit zijn woning uit over het weiland van [gedaagde c.s.] en stond die auto midden in zijn blikveld. Het kan volgens [eiser] niet anders dan dat [gedaagde c.s.] die auto op die plek heeft neergezet om uit te lokken dat hij vernielingen aan die auto zou uitvoeren.

4.23.

Op 29 januari 2007 is [eiser] door het Hof Amsterdam onherroepelijk veroordeeld wegens mishandeling van [gedaagde sub 2] en belaging van [gedaagde sub 1] in de periode van 1 september 2000 tot en met 22 mei 2004. In het kader van deze belaging heeft het hof diverse vernielingen van zaken toebehorend aan [gedaagde c.s.] bewezen verklaard. Op 29 november 2010 is [eiser] door de rechtbank Utrecht veroordeeld wegens belaging in de periode van 10 januari 2007 tot en met 7 maart 2007, huisvredebreuk, verboden wapenbezit en verduistering. Op 21 december 2010 is [eiser] door het Hof Amsterdam onherroepelijk veroordeeld wegens belaging van [gedaagde sub 1] in de periode van 2 november 2004 tot en met 9 januari 2007, het wederrechtelijk binnendringen in de woning van [gedaagde c.s.] en het vernielen van zaken toebehorend aan [gedaagde c.s.] Op grond van een Pro Justitia rapportage van 30 juli 2010 achtte het hof de kans op recidive zeer groot.

4.24.

De verhouding tussen [eiser] en [gedaagde c.s.] is sinds 2010 niet verbeterd. Tot op heden is de situatie tussen hen uitermate gespannen.

4.25.

Het perceel van [gedaagde c.s.] ligt afgelegen en is alleen te bereiken via een onverlicht bospad van ongeveer een kilometer lang. Er is geen enkele reden gesteld of gebleken op grond waarvan er rekening mee moet worden gehouden dat een derde naar het perceel van [gedaagde c.s.] is gegaan om daar met een bivakmuts over zijn hoofd een van de auto’s van [gedaagde c.s.] te vernielen.

4.26.

In hun onderlinge samenhang bezien leiden deze feiten en omstandigheden tot de conclusie dat [eiser] de persoon is geweest die op 31 maart 2016 de auto van [gedaagde c.s.] heeft vernield. Redelijkerwijs kan dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden betwijfeld. De verklaring van [eiser] dat hij de jas die op de beelden van
31 maart 2016 te zien is kort voor 31 maart 2016 over een hek in zijn tuin heeft gehangen, dat hij die een paar dagen later weer in zijn tuin heeft teruggevonden en dat [gedaagde c.s.] de vernieling van de auto in scène heeft gezet, daarbij gebruikmakend van dezelfde jas, is in het licht van al deze feiten en omstandigheden ongeloofwaardig. Dat geldt ook voor de ter zitting door [eiser] gegeven verklaring dat [gedaagde c.s.] de auto op zijn perceel heeft neergezet om uit te lokken dat hij vernielingen aan die auto zou uitvoeren, maar dat hij daaraan geen gevolg heeft gegeven.

4.27.

Gelet op het bovenstaande staat vast dat [eiser] het verbod om het perceel van [gedaagde c.s.] te betreden op 31 maart 2016 zonder enige rechtvaardigingsgrond heeft overtreden. Van uitlokking tot vernieling van de auto, met als doel het innen van een dwangsom van € 300.000,- is geen sprake, zodat ook hier geldt dat [gedaagde c.s.] geen misbruik van bevoegdheid maakt. Ook op grond van deze overtreding heeft [eiser] de eenmalige dwangsom van € 300.000,- verbeurd.

Beslag disproportioneel / onaanvaardbare noodtoestand?

4.28.

[eiser] betoogt dat executie leidt tot een disproportionaliteit die zijn weerga niet kent. In verband daarmee voert [eiser] het volgende aan. De woning is getaxeerd voor wat betreft de vrije verkoopwaarde op € 650.000,-, de veilingwaarde wordt geschat op € 425.000,-. Aldus lijdt hij een ‘transactieschade’ van € 225.000,-. Inclusief de dwangsom lijdt hij een schade van € 525.000,-. Dit wordt nog versterkt door het feit dat [eiser] een grote woning heeft met behoorlijke inboedel met een geschatte waarde van
€ 100.000,-. Bij executie kan deze inboedel naar de kringloopwinkel, hetgeen leidt tot een extra schadepost van circa € 100.000,-. De gezondheid van [eiser] is daarnaast slecht, rust is het credo. Executie zal leiden tot een onaanvaardbare noodtoestand aan de zijde van [eiser] .

4.29.

De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde c.s.] middels beslaglegging op een minder belastend beslagobject hetzelfde doel had kunnen bereiken. Na aftrek van € 20.000,- (zijnde de niet verbeurde dwangsommen op basis van het vonnis van 26 augustus 2009) resteert nog een zeer aanzienlijke vordering van € 300.000,- op [eiser] . Mede gelet op hierop is de beslaglegging niet buitenproportioneel. Voortzetting van de executie, ter inning van de dwangsom, zal ook niet leiden tot een onaanvaardbare noodtoestand aan de zijde van [eiser] . De hypotheekschuld van [eiser] is nog slechts € 800,- en is dus verwaarloosbaar. Ter zitting heeft [eiser] verklaard nog andere vermogensbestanddelen te hebben, maar over de hoogte daarvan heeft hij geen mededelingen willen doen. De enkele stelling van [eiser] dat de opbrengst bij een executoriale verkoop van zijn woning aanzienlijk minder zal zijn dan bij een onderhandse verkoop, is daartoe onvoldoende. Het risico van beslaglegging op en eventuele openbare verkoop van zijn woning, met als gevolg een verkoopopbrengst die lager is dan bij onderhandse verkoop, was voor [eiser] bovendien voorzienbaar op het moment dat hij het perceelverbod overtrad. Dat de fysieke toestand van [eiser] voortzetting van de executie niet toestaat, is onvoldoende onderbouwd.

Conclusie

4.30.

Ten aanzien van de primaire vorderingen concludeert de voorzieningenrechter als volgt. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat [gedaagde c.s.] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de (verdere) tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 april 2010. [eiser] heeft een dwangsom van € 300.000,- verbeurd en [gedaagde c.s.] heeft het recht om ter inning van dat bedrag de executie op basis van de vonnissen van 26 augustus 2009 en 28 april 2010 voort te zetten. De onder 3.1 genoemde vordering I zal worden afgewezen, behalve voor zover dit betreft de door [gedaagde c.s.] gestelde verbeurdverklaring van € 20.000,- (zie 4.5). De onder 3.1 genoemde vordering II tot opheffing van het beslag op de woning van [eiser] en daarmee de vorderingen III en IV komen evenmin voor toewijzing in aanmerking. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.5 is overwogen komt de onder 3.1 genoemde vordering V deels voor toewijzing in aanmerking.

Matiging dwangsom?

4.31.

[eiser] stelt zich subsidiair op het standpunt dat de verbeurde dwangsom disproportioneel hoog is; deze wordt niet gerechtvaardigd door de gedragingen. Hij acht matiging van de verbeurde dwangsom tot een bedrag van € 10.000,- aangewezen.

4.32.

Het verzoek tot matiging wordt afgewezen. Artikel 611d Rv biedt een partij, die is veroordeeld op straffe van een dwangsom, de mogelijkheid om in de fase voorafgaand aan de executiefase de dwangsom te matigen. Nu de executiefase echter al is ingetreden is de voorzieningenrechter niet bevoegd de ten laste van [eiser] opgelegde dwangsom te matigen. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. [eiser] heeft de mogelijkheid gehad om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 28 april 2010, waarin de dwangsom is verhoogd naar
€ 300.000,-, teneinde te proberen het hof ertoe te bewegen de dwangsom te verlagen. [eiser] heeft echter geen hoger beroep ingesteld. De gevolgen daarvan komen voor zijn risico. Daarnaast is matiging op grond van artikel 611d Rv in de fase voorafgaand aan de executie alleen mogelijk in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Dat [eiser] in die fase niet in staat was om de hoofdveroordeling te voldoen (namelijk zich niet begeven op het perceel van [gedaagde c.s.] ) is niet gebleken. Als [eiser] dus om matiging had verzocht voordat de executiefase was ingetreden, zou dat verzoek zijn afgewezen.

4.33.

[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde c.s.] worden begroot op:

- griffierecht € 288,-

- overige kosten 0,-

- salaris advocaat 816,-

Totaal € 1.104,-

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde c.s.] de executie op basis van de onder 6.1 en 6.4 van het vonnis van 26 augustus 2009 uitgesproken veroordelingen te staken en gestaakt te houden, uitsluitend voor zover dit betreft de door [gedaagde c.s.] gestelde verbeurdverklaring van
€ 20.000,-,

5.2.

verklaart voor recht dat [eiser] op basis van de onder 6.4 van het vonnis van
26 augustus 2009 uitgesproken veroordeling sinds 28 april 2010 geen dwangsom(men) heeft verbeurd,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde c.s.] tot op heden begroot op € 1.104,-,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.1

1 type: CJN/4786