Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5933

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
5376059 UE VERZ 16-450
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een accountmanager, primair op grond van ongeschiktheid voor de functie, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken, en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Het opzegverbod tijdens ziekte, waarop de (zieke) werknemer een beroep doet, staat niet aan ontbinding in de weg, omdat het verband met de aangevoerde ontslaggrond ontbreekt. Werkgever mocht, na een aantal jaarlijkse beoordelingen, concluderen dat werknemer - die wel voldoende commercieel resultaat behaalde - niet voldeed aan de aan hem gestelde eisen op het gebied van onder andere initiatief, innovatie en samenwerking. Het verzoek stuit echter af op de herplaatsingsplicht van werkgever, die zich ook uitstrekt tot de andere ondernemingen van het concern waarvan zij deel uitmaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1262
AR 2016/3259
RAR 2017/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5376059 UE VERZ 16-450 LH/1040

Beschikking van 9 november 2016

inzake

de naamloze vennootschap

Obvion N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

verder ook te noemen Obvion,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.M.J.F. Sijben,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder]

verwerende partij,

gemachtigde: mr. H.M. Mauritz.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van Obvion, ter griffie ingekomen op 16 september 2016;

  • -

    het verweerschrift van [verweerder] van 19 oktober 2016;

  • -

    de door Obvion op 24 en 28 oktober 2016 toegezonden nadere producties (19-24).

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2016. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigde van Obvion deed dat mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] geboren op [1971] , is sinds 1 september 2005 als accountmanager in dienst van Obvion, een onderdeel van het Rabobank-concern. Het laatstelijk genoten loon bedraagt € 4.495,91 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag en dertiende maand). De arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de Rabobank CAO van toepassing.

2.2.

Obvion houdt zich bezig met het - via hypotheekadviseurs - verstrekken van hypotheken. [verweerder] is een van de elf accountmanagers van Obvion. Het behoort tot de taak van de accountmanager om binnen de toegewezen regio de hypotheekadviseurs te bezoeken en hen te ondersteunen op het gebied van commerciële onderwerpen. Als schakel tussen Obvion en de hypotheekadviseurs dient de accountmanager samen te werken met deze adviseurs en met zijn collega’s binnen Obvion en is hij verantwoordelijk voor een goed relatie- en kwaliteitsbeheer. Uit de functiebeschrijving: ‘Dit vraagt van medewerkers een persoonlijkheid die herkenbaar ‘actief gericht is op de ander’ (-) met als doel het vergroten en behouden van klantvertrouwen in de gehele waardeketen productontwikkeling, productdistributie en klantadvisering.’

2.3.

Van 2009 tot 1 december 2015 was de heer [A] , als teamleider sales, de direct leidinggevende van [verweerder] . Per 1 december 2015 is [A] opgevolgd door de heer [B] . [verweerder] is in de loop der tijd beoordeeld aan de hand van het door Obvion gehanteerde beoordelingssysteem dat een waarderingsschaal kent van ‘slecht’, ‘redelijk’, ‘goed’, ‘zeer goed’ tot ‘uitmuntend’, en waarbij ‘redelijk’ betekent dat het functioneren op het betreffende onderdeel verbetering behoeft. Van de jaarlijkse beoordelingen is een schriftelijk verslag gemaakt.

2.4.

In de eerste jaren van zijn dienstverband heeft [verweerder] naar behoren gefunctioneerd. In de loop van 2008 ontstonden privé problemen (samenhangend met een geschil over de bouw van zijn woning) die tot overspannenheid leidden. Op 26 september 2008 heeft [verweerder] zich ziekgemeld met psychische klachten die onder andere zijn concentratie en energieniveau aantastten. Na een opbouwperiode is hij met ingang van 1 augustus 2009 weer volledig hersteld gemeld. In 2009 werd het functioneren van [verweerder] als ‘redelijk’ beoordeeld, onder meer omdat de kwaliteit van de administratieve vastlegging van zijn werk onder de maat was. Ook over 2010 werd het functioneren van [verweerder] als ‘redelijk’ beoordeeld. In 2011 kwam de eindbeoordeling uit op ‘goed’.

2.5.

Inmiddels was de financiële wereld ten gevolge van de kredietcrisis aan het veranderen. De rol van de hypotheekadviseurs wijzigde, alsook de manier waarop Obvion aan de samenwerking met hen vorm wilde geven. Dit maakte dat van de accountmanagers met ingang van 2012 andere competenties werden gevraagd. Waar voordien de nadruk lag op kwantiteit, werden nu het beoordelen van de kwaliteit van advieskantoren en het helpen van kantoren bij nieuwe ontwikkelingen minstens zo belangrijk als het onderhouden van de relatie met de advieskantoren of de gerealiseerde omzet. Voor de salesafdeling werd een ontwikkeltraject uitgezet om deze overgang te faciliteren. Uit het beoordelingsverslag over 2012, die overall op ‘redelijk’ uitkwam, volgt dat [verweerder] er moeite mee had om af te wijken van een standaard aanpak, dat hij niet goed met kritiek kon omgaan en neigde tot externaliseren, en dat hij bij tijd en wijle last had van privéproblemen. Van hem werd ook een betere spreiding van de bezoeken aan kernrelaties verwacht; hij bezocht van de 150 kantoren vooral die waarmee hij het goed kon vinden. [verweerder] heeft het betreffende beoordelingsverslag ‘voor gezien’ getekend.

2.6.

Over 2013 werd het functioneren van [verweerder] als ‘goed’ beoordeeld. Hij scoorde onder andere ‘goed’ op het aspect ‘resultaatgerichtheid’, maar op de aspecten ‘initiatief’, ‘klantfocus’, ‘omgevingsgerichtheid’ en ‘creativiteit’ werd hij als ‘redelijk’ beoordeeld. De kritiek op laatstbedoelde onderdelen richtte zich hierop dat [verweerder] zich door de gegeven structuur liet belemmeren, waardoor hij te weinig innovatief en creatief was. Ook de verbinding met zijn collega’s was een aandachtspunt, reden waarom werd besloten dat [verweerder] in 2014 zou worden gecoacht door mevrouw [C] , een andere accountmanager. [verweerder] meende ‘rustiger in mijn hoofd’ te zijn en hoopte in 2014 het een en ander te kunnen oppakken.

2.7.

Over 2014 kwam de totaalbeoordeling uit op ‘redelijk’. Op het aspect ‘resultaten realiseren’ was het functioneren van [verweerder] ‘zeer goed’, maar uit het tevredenheidsonderzoek onder hypotheekadviseurs bleek dat hij ‘behoorlijk onder het gemiddelde’ scoorde. Grote initiatieven zag [A] niet van hem en op het aspect ‘samenwerken’ was de score ‘slecht’. In de samenwerking met collega’s wreekte zich met name een gebrek aan zelfreflectie; [verweerder] was in het contact met collega’s te weinig kritisch op zichzelf. Van de begeleiding door zijn collega [C] heeft hij onvoldoende kunnen profiteren en zijn inbreng in de sales-groep bleef gering. [verweerder] heeft het betreffende beoordelingsverslag niet (voor akkoord) ondertekend.

2.8.

De eindbeoordeling over 2015 was ‘slecht’. Waar hij dit jaar wel zijn resultaatsdoelstellingen behaalde, werd zijn functioneren op de aspecten ‘samenwerken’, ‘initiëren van verbetering’ en ‘innoveren’ als ‘slecht’ beoordeeld. De samenwerking in het team van accountmanagers verliep moeizaam, omdat zijn bijdrage aan teamtaken gering was en het hem aan zelfkritiek ontbrak. Dit leidde bij collega’s tot terugkerende frustraties. Privé was dit een zwaar jaar voor [verweerder] . Zijn vrouw, met wie hij een gehandicapte zoon heeft, beviel op [2015] van een tweeling, waarvan een kind overleed. [verweerder] had enige tijd zorgverlof. Hij kampte met psychische klachten, waarvoor hij zijn huisarts consulteerde, maar hij meldde zich niet ziek.

2.9.

Zijn toenmalige leidinggevende, [A] , sloot het beoordelingsverslag over 2015 (gedagtekend 26 januari 2016) af met de volgende opmerkingen: ‘Ik ben nu een aantal jaren je leidinggevende geweest en gedurende al die jaren hebben wij het constant gehad over je verbeterpunten, wat je eraan kon doen en hoe je mee kon groeien met de groep. Meestal heb jij een ‘redelijk’ als beoordeling gekregen. Twee keer in de laatste 6 jaar hebben wij jou een ‘goed’ gegeven. Dit was meer bedoeld als een aanmoediging dan dat jij deze echt verdiende. Iedere keer kwam je weer met je ‘structuur’ verhaal. Dat hield in dat je structuur in je dagindeling bracht waardoor je kwaliteitsmonitoring en het aantal afspraken op peil had. Iedere keer weer sprak ik met jou over het belang van gedrag, het belang van connectie met je collega’s en jij knikte netjes ‘ja’. Iedere keer weer probeerden wij jou(-) de helpende hand (-) te reiken. Nu realiseer ik mij dat wij vooral jou(-) hulp aangeboden hebben en dat jijzelf nooit om hulp gevraagd hebt. Op de een of andere manier begrijp jij niet dat je niet alleen op basis van structuur invulling kunt geven aan de strategie die Obvion nastreeft: klantpartnerschap. In onze afspraak van 15 december hebben wij richting jou aangegeven dat jij nog tot 1 juli 2016 de kans krijgt om de draad weer op te pakken. Hiervoor heb jij de opdracht gekregen om een plan van aanpak te maken. Deze eerste aanzet is met jou besproken en [B] ( [B] , ktr.) en ik hebben samen met jou het plan van aanpak compleet gemaakt. Blijkt dat jij tot 1 juli geen aantoonbare verbetering in je werkzaamheden, houding en gedrag doorvoert dan zien [B] en ik geen toekomst in de voortzetting van jouw dienstverband bij Obvion en zullen onze wegen scheiden.’

2.10.

In bedoeld plan van aanpak, dat uiteindelijk op 4 februari 2016 is ondertekend en een looptijd heeft van 1 januari tot 1 juli 2016, zijn als ‘verbeterpunten’ opgenomen dat [verweerder] verbinding maakt met zijn collega accountmanagers en het beschadigde vertrouwen herstelt door zijn bijdragen op tijd en goed aan te leveren, door zijn eigen aandeel onder ogen te zien (minder vaak ‘ja, maar…’ te zeggen), door zijn gedrag te veranderen opdat hij bij zijn collega’s geen weerstand meer oproept, en door interesse te tonen in zijn teamleden. [verweerder] kreeg een interne coach (de heer [D] , een collega accountmanager) en een externe coach (de heer [E] ) toegewezen.

2.11.

Op 10 maart, 21 april, 19 mei, 23 mei en 16 juni 2016 hebben [verweerder] en [B] voortgangs- en evaluatiegesprekken gevoerd. Van deze gesprekken heeft [B] op 18, 23 en 25 mei en op 22 juni 2016 per e-mail een verslag aan [verweerder] gestuurd. [verweerder] heeft, daartoe uitgenodigd, op de inhoud van deze verslagen niet gereageerd. In de e-mail van 18 mei 2016 schreef [B] onder meer: ‘Ik zie zeker een vooruitgang en ook dat je het probeert beter te doen. Als ik dan naar je persoonlijk verbeterplan kijk (en ik heb me hardop afgevraagd of jij dit ook wel gedaan had), zie ik toch ook een heel aantal zaken die beter kunnen en moeten’. Uit de e-mail van 23 mei 2016: ‘Er zijn zaken die wat vooruitgaan maar als ik naar de 3 ontwikkelpunten kijk uit je formulier, zit je mi nog lang niet op een goed. Dit ondanks behoorlijk wat hulp van je collega’s. Dit is voor mij teleurstellend zeker omdat het al bijna eind mei is. Ik heb mij(n) zorgen richting jou dan ook nadrukkelijk uitgesproken.’ Uit de e-mail van 25 mei 2016 (na het gesprek van 23 mei 2016 in bijzijn van de externe coach [E] ): ‘Ik moet eind juni het gevoel hebben dat ik jou aan het einde van dit jaar een goede beoordeling geef. Op dit moment zie ik best vooruitgang op een aantal puntjes en zie ik ook dat je hieraan werkt maar er zijn nog teveel zaken die niet goed gaan.’ In april 2016 bleek bij een tevredenheidsonderzoek onder hypotheekadviseurs dat de score van [verweerder] ver achter bleef bij die van de andere accountmanagers. In het gesprek van 16 juni 2016 maakte [verweerder] melding van de relatieproblemen met zijn vrouw die in de daaraan voorafgegane weken tot veel spanningen hadden geleid. Omdat de ‘output’ van [verweerder] bleef ‘beneden hetgeen ik van je verwacht’ (e-mail van 22 juni 2016) besprak [B] met hem zijn toekomstverwachtingen binnen en buiten Obvion.

2.12.

Op 30 juni 2016 deelde Obvion aan [verweerder] mee dat de verbetering in zijn functioneren onvoldoende was en dat zou worden gestreefd naar een beëindiging van het dienstverband. Na dit gesprek heeft [verweerder] zich ziekgemeld. Op 7 juli 2016 bezocht hij het spreekuur van de bedrijfsarts, die zijn gezondheidsklachten in verband bracht met de ontwikkelingen in de arbeidsrelatie van de afgelopen periode en vanaf 18 juli 2016 geen medische arbeidsongeschiktheid aanwezig achtte. [verweerder] kon zich met dit oordeel van de bedrijfsarts niet verenigen en verzocht het UWV om een second opinion. Hij verwierp het voorstel van Obvion tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en heeft zich onder behandeling van een psycholoog gesteld.

2.13.

Het UWV- deskundigheidsoordeel van 21 september 2016 luidde dat [verweerder] op 18 juli 2016 nog niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten. De verzekeringsarts van het UWV concludeerde dat de periode voorafgaand aan de ontslagaanzegging van 30 juni 2016 en die aanzegging zelf [verweerder] mentaal erg hebben aangegrepen en dat hij nu eerst met hulp van zijn behandelaar moet aansterken, waarna een opbouw naar herstel zal moeten plaatsvinden. De verzekeringsarts zag geen reden om langdurige arbeidsongeschiktheid aan te nemen.

2.14.

Op 25 oktober 2016 heeft de (opvolgend) bedrijfsarts van Obvion geoordeeld dat [verweerder] zijn werkbelasting weer kon opbouwen, zodanig dat na zes weken het werk weer volledig zou zijn hervat.

3. Het verzoek en het daartegen gevoerde verweer

3.1.

Obvion verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 onder a en artikel 7:669 lid 3 sub d althans g Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen met ingang van 1 januari 2017, onder toekenning aan [verweerder] van een transitievergoeding van € 20.048,-- bruto, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.2.

Obvion legt aan haar verzoek primair ten grondslag dat sprake is van ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid als accountmanager, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken. Zij verwijst hiervoor naar de beoordelingsverslagen van de afgelopen zes kalenderjaren en de daarin verwoorde kritiek op zijn functioneren. Ondanks de hem geboden steun en begeleiding, laatstelijk in de eerste helft van 2016, is [verweerder] niet in staat gebleken om te voldoen aan de eisen die Obvion redelijkerwijs aan zijn functioneren als accountmanager mag stellen. Subsidiair voert Obvion aan dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren.

3.3.

Herplaatsing is volgens Obvion niet mogelijk, omdat de daarvoor in aanmerking komende functies bij Obvion in Heerlen gesitueerd zijn en [verweerder] in [woonplaats] woont. Dat Obvion een dochteronderneming van Rabobank is, betekent niet dat zij zomaar werknemers kan herplaatsen bij andere Rabobank-ondernemingen. Van een exploratie van herplaatsingsmogelijkheden buiten Obvion en de Rabobank-organisatie is het niet gekomen, omdat [verweerder] daarover weigert te spreken met Obvion.

3.4.

[verweerder] voert verweer en beroept zich allereerst op het opzegverbod bij ziekte. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat. Van ongeschiktheid voor de functie van accountmanager of van een verstoorde arbeidsverhouding die ontbinding rechtvaardigt, is geen sprake. Bij de achtereenvolgende beoordelingen van het functioneren van [verweerder] is onvoldoende rekening gehouden met de ook na 1 augustus 2009 resterende en in de jaren erna weer toegenomen gezondheidsklachten. Terwijl [verweerder] aldus jarenlang op zijn tenen liep, kreeg hij voortdurend de indruk dat hij het voor Obvion nooit goed genoeg kon doen. Bovendien is de kritiek op zijn functioneren zich in de loop der tijd gaan toespitsen op aspecten die niet de uitvoering van de eigenlijke functie van [verweerder] te weten het afleggen van voldoende klantbezoeken en de realisatie van de omzetdoelstelling, betreffen. Ten slotte beroept [verweerder] zich op de herplaatsingsplicht van artikel 7:669 lid 1 BW. Obvion heeft haar verplichting om [verweerder] te herplaatsen veronachtzaamd door zich er niet voor in te spannen dat hij, al dan niet met behulp van scholing, elders in de Rabobank-organisatie op bereisbare afstand van zijn woonplaats een passende andere functie op het gebied van financiële dienstverlening kan gaan vervullen. Over een herplaatsing buiten Obvion of de Rabobank-organisatie hebben partijen op 16 juni 2016 slechts summier met elkaar gesproken. [verweerder] heeft zich toen bereid verklaard daaraan mee te werken.

4 De beoordeling

4.1.

[verweerder] heeft bezwaar gemaakt tegen de laatste door Obvion toegezonden producties. De kantonrechter verwerpt dit bezwaar, omdat [verweerder] daarop heeft kunnen reageren nadat de zitting van 31 oktober 2016 mede daartoe was geschorst. Hij is dan ook niet in zijn processuele belang geschaad.

4.2.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van Obvion is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond. Obvion heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van ongeschiktheid althans een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW juncto artikel 669 lid 3, aanhef en onder d respectievelijk g BW. Op grond van artikel 7:671b lid 2 BW dient de kantonrechter te onderzoeken of aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan, en - daarmee - of deze redelijke grond de verzochte ontbinding kan dragen.

4.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. [verweerder] heeft een beroep gedaan op het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW, zijnde het opzegverbod tijdens de eerste twee ziektejaren. Ingevolge artikel 7:671b leden 2 en 6 BW staat dit opzegverbod aan ontbinding in de weg, tenzij het ontbindingsverzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. De vraag is derhalve of er een verband bestaat tussen de (primair) aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde ongeschiktheid en de ziekte van [verweerder] . De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Tussen 1 augustus 2009 en 30 juni 2016 is geen sprake geweest van ziekmelding(en) of van relevante, kenbare arbeidsongeschiktheid. Het is alleszins begrijpelijk dat de psychische draagkracht van [verweerder] tussen 2009 en 2016 door gebeurtenissen in de privé sfeer, aanvankelijk door het geschil over zijn woning en medio 2015 (na de bevalling van de tweeling en het overlijden van één van hen) en in mei/juni 2016 (door de relatieproblemen), zwaar op de proef is gesteld, maar dat hij daardoor wegens ziekte niet in staat is geweest de bedongen arbeid te verrichten is, bij gebreke van medische informatie die daarop wijst, in dit geding niet komen vast te staan. De kritiek van Obvion op het functioneren van [verweerder] dateert al vanaf 2009, terwijl blijkens de beoordelingsverslagen over de jaren 2013-2015 volgens Obvion overall sprake was van een allengs verslechterend functioneren. Aan de ziekmelding van 30 juni 2016 moge een periode vooraf zijn gegaan waarin [verweerder] vanwege relatieproblemen onder aanzienlijke druk heeft gestaan, maar de ziekmelding zelf volgde op de ontslagaanzegging van die dag en stond daarmee in zoverre los van de kritiek op zijn functioneren in de jaren ervoor. Weliswaar is juist dat de bedrijfsarts in 2009, na het herstel van [verweerder] een opmerking heeft gemaakt over diens belastbaarheid, maar dat is geen opmerking waarmee Obvion tot in lengte van jaren rekening heeft moeten houden. Indien [verweerder] daadwerkelijk steeds beperkingen zou zijn blijven ondervinden, dan had hij zich ziek moeten melden, zodat dit getoetst had kunnen worden.

Het opzegverbod tijdens ziekte staat daarom niet aan toewijzing van het ontbindingsverzoek van Obvion in de weg.

4.4.

Obvion heeft aan haar verzoek primair ten grondslag gelegd dat [verweerder] anders dan door ziekte of gebreken, ongeschikt is tot het verrichten van de bedongen arbeid als accountmanager. Zij verwijst hiervoor naar de in de loop der jaren opgestelde beoordelingsverslagen en, laatstelijk, het verloop van het verbetertraject van januari tot en met juni 2016. [verweerder] heeft dit weersproken en allereerst een verband gelegd met zijn gezondheidsklachten van de afgelopen jaren. Waar hij aldus betwist dat een mogelijke ongeschiktheid, zo deze zou komen vast te staan, wél samenhangt met ziekte of gebreken, en daarom niet onder de d-grond van artikel 7:669 lid 3 BW is te scharen, volgt de kantonrechter hem daarin niet. Verwezen wordt naar hetgeen hierboven onder 4.3. is overwogen.

4.5.

Waar [verweerder] benadrukt dat er (in elk geval vanaf 2013) voor Obvion geen reden is geweest om te klagen over het aantal door hem afgelegde klantbezoeken en over de door hem gerealiseerde omzet, alsook dat de kritiek van de laatste jaren zich alleen heeft gericht op aspecten van zijn functioneren die niet zijn eigenlijke werk als accountmanager betreffen, verwerpt de kantonrechter dat standpunt. [verweerder] miskent dat de functie van accountmanager ten gevolge van de kredietcrisis is veranderd en dat, waar tevoren inderdaad de nadruk lag op de door hem bedoelde kwantitatieve aspecten van het werk (kort gezegd: het commerciële resultaat), vanaf 2012 de kwalitatieve onderdelen van het werk een veel zwaarder gewicht hebben gekregen. Daardoor verschoof het accent naar aspecten als initiatief, pro-activiteit, innovatie, maatwerk, creativiteit en samenwerking. Deze aspecten staan ook centraal in de door [verweerder] bij zijn verweer overgelegde functiebeschrijving, die dateert van maart 2013. Het stond Obvion vrij om, in reactie op de ontwikkelingen in de markt, een andere invulling te geven aan de ondersteuning van hypotheekadviseurs en - daarmee - andere eisen te stellen aan het functioneren van haar accountmanagers. Anders dan [verweerder] kennelijk meent, kon hij in deze gewijzigde omstandigheden niet blijven bogen enkel op de behaalde commerciële resultaten.

4.6.

Op grond van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd ontstaat de indruk, die [verweerder] ook ter zitting niet heeft kunnen wegnemen, dat hij niet in staat is geweest de in 2012 ingezette transitie mee te voltrekken. Het is niet geheel duidelijk waarom hem dit niet is gelukt. De kantonrechter kan er echter niet aan voorbij dat uit de terugkerende verslagen blijkt dat Obvion [verweerder] op onderdelen niet met ‘goed’ heeft beoordeeld. Weliswaar is niet komen vast te staan hoe de verschillende onderdelen van het functioneren ten opzichte van elkaar gewogen moeten worden, maar die weging is in beginsel aan de werkgever en niet aan de rechter. [verweerder] maakt een andere weging door de focus te leggen op het commerciële resultaat, maar Obvion heeft voldoende duidelijk uiteengezet waarom hij daarin niet kan worden gevolgd.

Niet gesteld of gebleken is dat Obvion, teneinde haar accountmanagers in de gelegenheid te stellen zich aan de gewijzigde functie-eisen aan te passen, onvoldoende zorg heeft besteed aan hun (bij-) scholing of begeleiding. Klaarblijkelijk hebben de collega accountmanagers van [verweerder] zich wél - of beter - aan de gewijzigde omstandigheden weten aan te passen. Dit kan verklaren waarom er vanaf 2014 een groeiende kloof tussen [verweerder] en de rest van het team is ontstaan en dat zich, zoals uit het beoordelingsverslag over 2015 blijkt, in de samenwerking met (een deel van) zijn collega’s steeds meer frustratie heeft opgebouwd.

4.7.

Obvion heeft [verweerder] voldoende tijdig van de kritiek op zijn functioneren op de hoogte gebracht. Dit blijkt uit de achtereenvolgende beoordelingsverslagen. Ook heeft zij hem in voldoende mate in de gelegenheid gesteld om zijn functioneren te verbeteren. Uit de in het geding gebrachte verklaring van zijn collega [C] volgt dat [verweerder] geen gebruik van de aangeboden begeleiding heeft gemaakt althans dat hij daarvan niet heeft kunnen profiteren. Onder deze omstandigheden heeft Obvion ermee kunnen volstaan hem in de eerste helft van 2016 nog een laatste kans te geven zich met behulp van interne en externe begeleiding te verbeteren. Uit de voortgangsverslagen van [B] blijkt dat er gedurende dat traject op onderdelen wel van enige verbetering sprake was, maar dat dit Obvion uiteindelijk onvoldoende vertrouwen heeft gegeven dat de beoordeling over het kalenderjaar 2016 op ‘goed’ zou uitkomen. Nu de kritiek van Obvion betrekking had - en heeft - op aspecten die niet objectief meetbaar zijn en waarbij het aankomt op een noodzakelijkerwijs deels subjectieve waardering, kan de door haar getrokken eindconclusie, dat moest worden gestreefd naar een beëindiging van het dienstverband met [verweerder] in dit geding slechts marginaal worden getoetst en is geen plaats voor verdere bewijslevering. De kantonrechter concludeert dat Obvion in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat [verweerder] op de bovengenoemde kwalitatieve aspecten van zijn functie onvoldoende heeft gefunctioneerd en dat er onvoldoende reden is om te verwachten dat hij binnen een redelijke termijn wél aan de door haar gestelde functie-eisen zal kunnen voldoen.

4.8.

De kantonrechter verwerpt de kritiek van [verweerder] op het verbetertraject als zodanig. Het lijkt niet gelukkig dat hij daarvoor zelf een eerste aanzet heeft moeten schrijven, maar uit de feitelijke gang van zaken volgt dat Obvion nauw bij de afstemming en inhoud betrokken is geweest, waardoor sprake is van een plan dat met wederzijdse inspanningen tot stand is gekomen en waaraan beide partijen zich gecommitteerd hebben. Verder blijkt nergens uit dat [verweerder] geen reële kans heeft gekregen. Ook het feit dat in het traject aandacht is besteed aan een positieve ontwikkeling maakt niet dat Obvion haar eindconclusie te snel heeft getrokken of niet had mogen trekken.

4.9.

Op grond van het voorgaande is sprake van ongeschiktheid voor de functie, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder d BW. Dat alleen maakt echter nog niet dat het ontbindingsverzoek toewijsbaar is. Artikel 7:671b lid 2 BW bepaalt immers dat daarvoor aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden voldaan. Ingevolge artikel 7:669 lid 1 BW moet, wil het verzoek van Obvion kunnen worden toegewezen, herplaatsing van [verweerder] in een andere passende functie niet mogelijk zijn of niet in de rede liggen. De kantonrechter oordeelt dat aan dit vereiste niet is voldaan. Obvion heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij, ook al maakt zij onderdeel uit van het Rabobank-concern, geen mogelijkheden heeft om [verweerder] te doen herplaatsen in een passende andere functie in een van de andere Rabobank-ondernemingen. Ingevolge artikel 9 lid 2 van de Ontslagregeling moeten in een geval als het onderhavige bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is mede arbeidsplaatsen in andere tot de groep behorende ondernemingen worden betrokken. Obvion heeft dat nagelaten. Evenmin is aannemelijk dat [verweerder] zich niet heeft willen openstellen voor een herplaatsing buiten de Rabobank-organisatie. Uit het verslag van het gesprek van 16 juni 2016 blijkt niet van enigerlei beperking die [verweerder] zou hebben willen opwerpen. Hierop stuit het ontbindingsverzoek van Obvion af. In het kader van de reïntegratie van [verweerder] ligt het thans op de weg van Obvion om, zodra diens gezondheidstoestand dat weer toelaat, de herplaatsingsmogelijkheden binnen of buiten de Rabobank-organisatie te exploreren. In dit kader merkt de kantonrechter op dat het oordeel van de bedrijfsarts [F] , zoals deze blijkt uit diens brief van 25 oktober 2016, voorshands niet lijkt aan te sluiten bij het UWV-deskundigenbericht van 21 september 2016 en de daaraan voorafgegane bevindingen van verzekeringsarts Van Latenstein. Laatstgenoemde heeft geoordeeld dat [verweerder] eerst mentaal zal moeten aansterken, alvorens weer in passend werk te kunnen opbouwen naar herstel. Die gelegenheid om nu eerst te profiteren van de ingezette psychologische behandeling laat het oordeel van de bedrijfsarts van 25 oktober 2016 overduidelijk niet.

4.10.

Er is - ook - geen aanleiding herplaatsingsinspanningen achterwege te laten, omdat sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding. Obvion baseert zich daarvoor op het feit dat zij na de ziekmelding van 30 juni 2016 geen rechtstreeks contact met [verweerder] heeft kunnen krijgen. Uit de stukken volgt evenwel dat [verweerder] na de aanzegging van het voorgenomen ontslag psychische klachten heeft ontwikkeld. Dat hij toen niet rechtstreeks, maar via een gemachtigde, contact met zijn werkgever heeft onderhouden mag hem in de gegeven omstandigheden niet worden tegengeworpen. In elk geval kan daaraan niet de consequentie worden verbonden dat herplaatsing elders in het concern achterwege kon blijven. Het voorgaande brengt ook met zich mee dat hetgeen Obvion subsidiair aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd evenmin ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding rechtvaardigt.

4.11.

Het ontbindingsverzoek wordt dan ook afgewezen. Obvion wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden, tot deze beschikking, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 600,--.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt Obvion in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] tot deze beschikking begroot op € 600,--.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.O Zuurmond, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.