Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5907

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
5387724
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzonden e-mail onrechtmatige publicatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5387724 UC EXPL 16-13809 FB/22154

Vonnis van 9 november 2016

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. R.D. Rischen,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H.D. Wind.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 juli 2016

  • -

    de akte houdende verandering van (de grondslag van) de eis

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 september 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het Comité International de Dachau (CID) is een vereniging naar Belgisch recht. Het CID vertegenwoordigt alle voormalige gevangenen, overlevenden en oorlogsgetroffenen van de periode tussen 1939 en 1945, alsmede de kinderen en nabestaanden van voormalige gevangenen van het kamp Dachau. De leden van het CID vormen samen de Algemene Vergadering. De Algemene Vergadering kiest het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur kiest uit zijn midden een Dagelijks Bestuur.

2.2.

[eiser] is van 30 april 2005 tot 13 juni 2015 voorzitter geweest van het Dagelijks Bestuur van het CID. [gedaagde] vervult, samen met haar echtgenoot, sinds 2011 de functie van penningmeester van het CID. De zetel van het CID is op het kantooradres van [A] ( [A] ), eveneens lid van het Dagelijks Bestuur van het CID.

2.3.

Op 13 en 14 maart 2015 vond in Dachau een vergadering plaats van het Dagelijks Bestuur. Ter vergadering is onder meer besproken de al eerder geuite wens van [A] dat een huurovereenkomst tot stand kwam tussen hemzelf als verhuurder en het CID als huurder, met betrekking tot een ruimte op zijn kantoor. Deze wens hing ermee samen dat het CID in financieel zwaar weer verkeerde, met als mogelijk gevolg dat de deurwaarder of curator bij een onverhoopt faillissement van het CID het gehele kantoorpand van [A] (immers de statutaire zetel van het CID) kon betreden en goederen kon beslaan. Met een huurovereenkomst zou dit risico kunnen worden beperkt tot een enkele ruimte binnen het pand.

2.4.

[eiser] heeft ter vergadering de concept huurovereenkomst getekend, evenals de secretaris-generaal, de heer [B] ( [B] ). Op dat moment was het huurbedrag nog niet ingevuld. [eiser] vulde een bedrag van € 200,- in, waarna [gedaagde] als penningmeester de overeenkomst eveneens ondertekende.

[eiser] heeft op dat moment de vergadering verlaten om zijn vliegtuig te kunnen halen. Na zijn vertrek is onder de aanwezigen op de vergadering een discussie ontstaan met betrekking tot de huurovereenkomst. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat [A] deze overeenkomst heeft verscheurd en van geen waarde verklaard. De discussie zag hierop, dat sommigen voor ogen hadden dat een vergoeding van € 200,- per jaar was bedongen, maar dat bleek dat dit bedrag in de ondertekende overeenkomst maandelijks was overeengekomen.

2.5.

De volgende dag, op 15 maart 2015 heeft [eiser] zich via e-mail tegenover [B] verontschuldigd en hem laten weten dat het voorval wat hem betreft een misverstand was. [gedaagde] en [A] ontvingen deze e-mail in cc. Daarin schreef [eiser] onder meer [vertaald vanuit het Frans]:

“(…)

Aan het einde van de vergadering heb ik de getekende overeenkomst aan [gedaagde] [ [gedaagde] ] gegeven en heb haar gezegd: We moeten de huur nog regelen. Ik had de huur van het kantoor in België in een latere vergadering willen bespreken, waarin ook andere financiële zaken aan de orde zouden komen, zoals ik al had aangegeven tijdens de vergadering met de penningmeester, voordat er een voorstel naar het dagelijks bestuur zou gaan. (…)

Ik wachtte dus op goedkeuring van de penningmeester: “Oké we zullen het bespreken”, maar ik kreeg als reactie: “oké, we zullen het meteen regelen, wat vind je van € 200,--?”

Ik heb toen gezegd: “Goed”, en ik heb dat bedrag opgeschreven terwijl ik voor mezelf heb getekend. De penningmeester heeft getekend namens de kas, naast het bedrag, dus heeft op die manier dit bedrag aanvaard als zijnde de beslissing van de voorzitter en de penningmeester. (…)”

2.6.

Op een bijeenkomst van het CID op 3 mei 2015 zijn [B] en [gedaagde] afgetreden als leden van het Dagelijks Bestuur. [gedaagde] heeft deze beslissing in het Duits en in het Frans toegelicht in een e-mail op 7 mei 2015 (de 7 mei e-mail) die zij stuurde aan de leden van het Algemeen Bestuur, de leden van het Dagelijks Bestuur en aan [C] en [D] . De inhoud daarvan luidde, voor zover relevant als volgt:

“Wir, [gedaagde] , [B] und [E] , haben uns anständig benommen, indem wir die Konflikte die, nach der BE Sammlung in März geäussert wurden, bis nach der Jahresgedenkfeier aufgehoben haben. Als wir dann die Betrügerische Aktionen die er in März versucht hat, letzten Sonntagmittag besprechen möchten, hat er alles was in März statt gefunden hat verneint und uns (das heist [gedaagde] , [B] und [E] ) als Lügner hinstellen wollen. Damit ist er für uns entscheident zu weit gegangen, und liess er uns keine andere Wahl als euch mit zu teilen dat [gedaagde] und [E] unter der Führung van [eiser] , nicht länger im BE unsere Arbeit machen möchten.

(…)

Nous, [gedaagde] , [B] et [E] , sommes comportés décemment par les conflits qui ont été discuté après le rendezvous du BE en Mars, ont levé jusqu’à la commémoration annuelle. Quand nous avons discuté les actions frauduleuses dont il a tenté en Mars, il nie tout ce qui a été passé, et veulent nous (ca veut dire [gedaagde] , [B] et [E] ) présenter comme des menteurs. Il est parti pour nous trop loin, et il nous a laissé aucun choix mais pour partager avec vous, que [gedaagde] et [E] dirigés par [eiser] , ne veulent plus faire notre travail dans le BE.

(…)”

2.7.

Aan [eiser] is gevraagd een speciale vergadering uit te schrijven van het Algemeen Bestuur. Deze vergadering heeft plaatsgevonden op 13 juni 2015, alwaar [eiser] is afgetreden als voorzitter, nadat enkele leden van het Algemeen Bestuur het vertrouwen in hem hadden opgezegd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] binnen twee weken na het wijzen van het vonnis een aangetekende brief met bewijs van ontvangst te sturen, die luidt als volgt:

Zeer geachte heer [eiser] ,

Bij e-mail d.d. 7 mei 2015 aan onder meer het bestuur van het Internationale Dachau Comité heb ik u beticht van frauduleus handelen.

Ik heb daarbij gesteld:

“Wir, [gedaagde] , [B] und [E] , haben uns anständig benommen, indem wir die Konflikte die, nach der BE Sammlung in März geäussert wurden, bis nach der Jahresgedenkfeier aufgehoben haben. Als wir dann die Betrügerische Aktionen die er in März versucht hat, letzten Sonntagmittag besprechen möchten, hat er alles was in März statt gefunden hat verneint und uns (das heist [gedaagde] , [B] und [E] ) als Lügner hinstellen wollen. Damit ist er für uns entscheident zu weit gegangen, und liess er uns keine andere Wahl als euch mit zu teilen dat [gedaagde] und [E] unter der Führung van [eiser] , nicht länger im BE unsere Arbeit machen möchten.

(…)

Nous, [gedaagde] , [B] et [E] , sommes comportés décemment par les conflits qui ont été discuté après le rendez-vous du BE en Mars, ont levé jusqu’à la commémoration annuelle. Quand nous avons discuté les actions frauduleuses dont il a tenté en Mars, il nie tout ce qui a été passé, et veulent nous (ca veut dire [gedaagde] , [B] et [E] ) présenter comme des menteurs. Il est parti pour nous trop loin, et il nous a laissé aucun choix mais pour partager avec vous, que [gedaagde] et [E] dirigés par [eiser] , ne veulent plus faire notre travail dans le BE.”

(…)

Ik ben mij er van bewust dat u op 14 juli 2015 strafrechtelijke aangifte tegen mij hebt gedaan van smaad en laster en dat u mijn vervolging en strafrechtelijke veroordeling wenst.

Ik deel u mede dat ik u ten onrechte heb beticht van frauduleus handelen, reden waarom ik u hierbij mijn welgemeende excuses aanbied.

U vordert smartengeld vergoeding van € 1.000,--. Ik heb dit bedrag dan ook heden aan U overgemaakt op Uw bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [eiser] te [woonplaats] .

Met vriendelijke groet,

[gedaagde] ’

althans met een inhoud die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake vergoeding van immateriële schade, te verhogen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na het vonnis, althans na betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, indien en voor zover [gedaagde] die proceskosten niet binnen veertien dagen heeft voldaan.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat [gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door het sturen van de 7 mei e-mail. De aard van de beschuldiging en de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eiser] is niet proportioneel aan de ernst van de vermeende misstand. De inkleding van de beschuldiging en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek maakt dat de mededeling onrechtmatig is, zo stelt hij.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans deze vordering zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde] baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende. De dagvaarding is nietig omdat deze niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, althans [eiser] is niet-ontvankelijk om diezelfde reden. Van publicatie in de zin van artikel 6:167 BW is geen sprake nu de mail in besloten kring is verzonden. De in de e-mail gebezigde termen sluiten aan bij wat er is gebeurd. De als nadelig ervaren gevolgen heeft eiser aan zichzelf te danken, niet aan de e-mail van [gedaagde] . De brief die [eiser] wenst te ontvangen is geen rectificatie maar een excuusbrief; wat betekent dat het hem gaat om een zuiver emotioneel belang, waarvoor geen rechtsvordering kan worden ingesteld, aldus steeds [gedaagde] .

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze procedure ligt de vraag voor of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door het sturen van de 7 mei e-mail. [eiser] stelt dat dit het geval is en de kern van het feitelijke verwijt is gelegen in de gebruikte formulering: ‘die betrügerische Aktionen’ in het Duits en ‘les actions frauduleuses’ in het Frans. Door die zinsneden voelt [eiser] zich in zijn eer en goede naam aangetast. Daarbij speelt mee dat de e-mail ook aan niet-bestuursleden is verzonden.

[eiser] verwijst naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 april 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BI0274) waarin een aantal omstandigheden worden geschetst die moeten worden afgewogen bij beoordeling van de vraag of een publiek gemaakte uitlating rechtmatig of onrechtmatig is. Getoetst aan die omstandigheden stelt [eiser] dat zijn belang om verschoond te blijven van lichtvaardige verdachtmakingen had moeten prevaleren.

[eiser] stelt voorts dat hij schade heeft geleden als gevolg van het handelen van [gedaagde] . Hij wijst er in dat verband op dat de beschuldiging van fraude zich niet verdraagt met de op hem als advocaat rustende verplichting het vertrouwen in de advocatuur of in zijn eigen beroepsuitoefening niet te schaden. Daarnaast stelt [eiser] dat hij als secretaris van de Stichting Nationaal Dachau Monument is vervangen als gevolg van de 7 mei e-mail.

Ten aanzien van diverse andere nevenfuncties die hij vervult, stelt [eiser] dat hij er belang bij heeft die functies te blijven uitoefenen, waartoe duidelijk moet worden dat de geuite beschuldiging van [gedaagde] niet terecht was. [eiser] vreest, kortom, dat de e-mail ook nog in de toekomst tot schade zal gaan leiden.

4.2.

[gedaagde] stelt voorop dat er bezwaren van formele aard zijn die aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil in de weg staan. Zo is de dagvaarding wat haar betreft nietig, althans moet [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.

Mocht inhoudelijke behandeling aan de orde komen, dan stelt [gedaagde] primair dat van publicatie in de zin van artikel 6:167 BW geen sprake is.

Verder voert zij aan dat de feiten waarop zij haar kwalificatie van bedrog en frauduleus handelen heeft gebaseerd niet onjuist zijn gebleken. Hij had [B] en [gedaagde] geen overeenkomst ter tekening voor mogen leggen zonder dat daarin het huurbedrag was ingevuld en waarin bovendien een maandbedrag was opgenomen in plaats van de eerder besproken symbolische vergoeding per jaar. Daarnaast heeft [eiser] de verantwoordelijkheid daarvoor niet op zich genomen maar geprobeerd deze af te schuiven op [gedaagde] in de e-mail van 15 maart 2015 aan [B] . Volgens [gedaagde] is daarom van een onrechtmatige gedraging geen sprake en zij doet uitdrukkelijk een beroep op haar grondrecht van vrije meningsuiting. Daarnaast wijst zij erop dat haar e-mailbericht in beperkte kring is verspreid, en dat zij verder over de gang van zaken heeft gezwegen. Dit terwijl [eiser] in verschillende gremia zijn ongenoegen heeft kenbaar gemaakt en aldus de kwestie zeer gedetailleerd ‘aan de grote klok heeft gehangen’. [eiser] heeft daarom eventuele schade die hij heeft ondervonden geheel aan zichzelf te danken, volgens [gedaagde] .

Formele verweren

4.3.

Aan het verwijt dat de dagvaarding lijdt aan een gebrek dat nietigheid tot gevolg moet hebben, gaat de kantonrechter voorbij. Voor zover de inhoudelijke dagvaarding al een leemte liet voor wat betreft de interpretatie van het gevorderde, moet dit worden geacht te zijn hersteld met de akte houdende verandering van (de grondslag van) de eis van de kant van [eiser] .

De kantonrechter constateert dat [eiser] feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die er wat hem betreft toe leiden dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Daarnaast heeft hij gesteld dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Daarmee heeft [eiser] voldoende gesteld voor een inhoudelijke behandeling van de vordering.

Dat het in dezen uitsluitend gaat om een emotioneel belang aan de zijde van [eiser] , heeft hij betwist, daarbij wijzend op zijn zakelijke, professionele belang om als (cassatie)advocaat werkzaam te kunnen blijven. [gedaagde] heeft dit op haar beurt niet (gemotiveerd) weersproken, zodat de kantonrechter haar beroep op artikel 3:303 BW (zonder belang geen rechtsvordering) passeert.

Een vordering als bedoeld in artikel 6:167 BW is niet ingesteld, nu [eiser] geen openbaarmaking vordert van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze. Desgevraagd heeft [eiser] ook aangegeven dat het bepaalde in artikel 6:167 BW niet aan zijn vordering ten grondslag ligt.

Inhoudelijke beoordeling

4.4.

Ter beoordeling ligt voor of de handelwijze van [gedaagde] onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW moet worden geacht. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

4.5.

Ter beantwoording van de vraag of de uitlatingen van [gedaagde] een onrechtmatige daad jegens [eiser] opleveren dienen de belangen van partijen afgewogen te worden. Het gaat daarbij enerzijds om het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) beschermde recht van [eiser] op eerbiediging van (zijn privéleven en) zijn goede naam. Anderzijds heeft [gedaagde] krachtens artikel 10 EVRM het recht op vrije meningsuiting, dat wil zeggen het recht om gedachten en gevoelens te uiten van welke inhoud ook. In de jurisprudentie is een aantal omstandigheden genoemd die bij deze afweging een rol kunnen spelen. Het gaat voor zover in dit geval relevant (van publicatie in de pers was immers geen sprake) om de navolgende omstandigheden:

a. a) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben;

b) de ernst, bezien vanuit het algemeen belang, van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;

c) de mate waarin ten tijde van de publicatie de (negatieve) uitlatingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d) de inkleding van de (negatieve) uitlatingen, gezien in verhouding tot de sub a tot en met c genoemde factoren;

e) de mate van waarschijnlijkheid dat het doel van de uitlating langs een andere, minder schadelijke weg en met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;

f) het gezag dat derden zullen toekennen aan degene die de uitlating deed;

g) de maatschappelijke positie en publieke gedragingen van degene over wie de uitlatingen worden gedaan.

4.6.

De kantonrechter stelt voorop dat de 7 mei e-mail is verzonden aan een besloten kring van geadresseerden, te weten de leden van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur van het CID, waarbij is gesteld en niet weersproken dat twee van hen volgens vast gebruik in het digitaal berichtenverkeer werden vertegenwoordigd door respectievelijk [C] en [D] . Dat is van invloed op de gevolgen die van de verspreiding van het bericht te verwachten waren; naar het oordeel van de kantonrechter hoefde [gedaagde] in beginsel van een dergelijk intern bericht geen negatieve zakelijke of professionele gevolgen voor [eiser] te verwachten op andere vlakken dan zijn rol binnen het CID. Dat en op welke wijze deze e-mail van invloed is of kan zijn op zijn beroepsuitoefening als (cassatie)advocaat heeft [eiser] onvoldoende concreet gemaakt en dit gevolg valt als zodanig ook niet te verwachten, gelet op de tekst en de context van de 7 mei e-mail. De kantonrechter wil er wel van uit gaan dat aan de uitlatingen van [gedaagde] binnen de kring van het CID gewicht zal zijn toegekend. Er is echter geen aanleiding om te veronderstellen dat ditzelfde geldt voor de Nederlandse Orde van Advocaten en/of diegenen die betrokken zijn bij de door [eiser] genoemde ‘diverse nevenfuncties’. In ieder geval valt niet in te zien dat deze betrokkenen [eiser] op basis van dit (interne) bericht ‘bedrog’ of ‘fraude’ in strafrechtelijke zin kunnen en zullen tegenwerpen, zodat niet voor de hand ligt dat de door [eiser] gevreesde professionele/zakelijke schade zal intreden, ook in het geval dat de 7 mei e-mail aan hen bekend zou raken (wat ook niet erg voor de hand ligt).

4.7.

Dat de e-mail aan een beperkte groep is verzonden, is ook van belang voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] had moeten opteren voor een minder schadelijke weg van uitlaten. Ook deze vraag beantwoordt de kantonrechter ontkennend. Voor het binnen redelijke termijn bereiken van dit internationale gezelschap van betrokkenen is niet gesteld of gebleken – en ook niet goed voorstelbaar – dat een ander, minder schadelijk alternatief open stond.

4.8.

Wat betreft de vraag of en in hoeverre de voorgevallen gang van zaken rond het ondertekenen van het huurcontract moet worden aangemerkt als louter een misverstand, of dat er sprake is geweest van het met een handigheidje ter vergadering doen passeren van een minder welgevallig voorstel, constateert de kantonrechter het volgende. De door [eiser] gegeven verklaring omtrent de wens een huurovereenkomst aan te gaan tussen het CID en [A] lijkt beter aan te sluiten bij de verwachting van [B] en [gedaagde] dat een (symbolisch) bedrag per jaar zou worden bedongen dan bij het bedrag van € 200,- per maand, voor de huur van een enkel vertrek in het pand van [A] . Het doel was immers bij een onverhoopt faillissement van het CID te voorkomen dat beslag kon worden gelegd op goederen van [A] . Niet is gesteld of gebleken dat er door [A] faciliteiten of diensten aan het CID werden geboden tegenover de te bedingen huurvergoeding. Niettemin heeft [eiser] ervan blijk gegeven dat hij een bedrag van € 200,- per maand acceptabel vond, hetgeen de kantonrechter, gezien het beoogde doel niet goed kan plaatsen.

Eveneens is minder logisch dat [eiser] ter vergadering de voorkeur zou hebben gehad het besluit met betrekking tot de huurovereenkomst uit te stellen naar een volgende vergadering, zoals hij schreef in zijn e-mail aan [B] (zie hiervoor onder 2.5). Er was, zo begrijpt de kantonrechter de stellingen van [eiser] , namelijk wel enige urgentie bij het formaliseren van de huur, gezien de nijpende financiële toestand van het CID en het aangevoerde belang van [A] verschoond te blijven van mogelijke binnentreding in zijn vertrekken en beslaglegging op zijn goederen (zie ook paragraaf 12 in de inleidende dagvaarding).

[eiser] heeft niet weersproken dat [gedaagde] ervan uitging dat een symbolische huurprijs zou worden overeengekomen en dit sluit ook aan bij de verklaring van [B] (productie 3 bij conclusie van antwoord) en van de heer [E] (productie 2 bij conclusie van antwoord). Daar komt bij dat [eiser] heeft erkend (paragraaf 14 inleidende dagvaarding) dat [B] ter vergadering een bedrag van € 100,- per jaar had voorgesteld op het moment dat hij erachter kwam dat hij zijn handtekening had gezet zonder dat het bedrag was ingevuld. Vervolgens is niettemin zonder overleg met [B] met de hand een bedrag van € 200,- ingevuld, dat niet per jaar maar per maand verschuldigd was.

4.9.

Gelet op deze omstandigheden, valt in te zien dat [gedaagde] aanstoot heeft genomen aan hetgeen op 14 maart 2015 was voorgevallen en aan de e-mail van [eiser] aan [B] van 15 maart 2015 (zie 2.5), dat zij daaraan de consequentie heeft verbonden niet langer als penningmeester te willen optreden voor het CID, en dat zij er belang aan hechtte haar beweegredenen daartoe aan de betrokken leden van het Algemeen en het Dagelijks bestuur toe te lichten. Dat zij in die reactie vanuit haar perspectief de rol van [eiser] daarin aan de kaak heeft willen stellen vindt aanleiding in de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, waarbij van belang is dat de gang van zaken zoals [gedaagde] die schetst wordt ondersteund door de verklaringen van zowel haar echtgenoot als van [B] . Het gebruik van de term ‘betrügerisch’ en ‘frauduleuse’ brengt daarbij wellicht een voorzienbaar risico van (reputatie)schade met zich, maar [gedaagde] heeft daarbij niet disproportioneel gehandeld gelet op de hiervoor geschetste context van het verwijt en de beperkte, relevante kring waarin zij haar uiting heeft gedaan.
Of er daadwerkelijk sprake was van de door [gedaagde] gestelde slinksheid van [eiser] staat hiermee niet vast. Dat hoeft ook niet te worden beoordeeld omdat het hier uitsluitend gaat om de vraag of de gewraakte uitlating in voldoende mate steun vond in de beschikbare feiten om, mede gezien de andere criteria (zie hiervoor onder 4.5) als niet onrechtmatig te gelden.

4.10.

De kantonrechter maakt, gezien het voorgaande, de gevolgtrekking dat de afweging van de betrokken belangen, met inachtneming van de hiervoor onder 4.5 genoemde criteria, ertoe leidt dat het recht op vrije meningsuiting van [gedaagde] prevaleert. Hieruit volgt dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 100,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.

coll: RS/4234