Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5890

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
16.700185-14 en 16.659418-16 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming hennepkwekerij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Lelystad

Parketnummers: 16.700185-14 en 16.659418-16 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 november 2016

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1965] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [woonadres] [woonplaats] ,

hierna te noemen [verdachte] .

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016.

Tijdens de behandeling zijn gehoord:

  • -

    de raadsman van [verdachte] , mr. D.L.A.M. Pluymakers, advocaat te Almere;

  • -

    de officier van justitie, mr. L.G.A. Linssen.

[verdachte] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek in de strafzaken met voormelde parketnummers en het vonnis van deze rechtbank van 4 november 2016.

OVERWEGINGEN

16.659418-16

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel dat hij heeft genoten door middel van of uit de baten van het feit, zoals ten laste gelegd in de strafzaak met parketnummer 16.659418-16, en/of soortgelijke feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 4.165,80.

De raadsman heeft verzocht de ontnemingsvordering af te wijzen gelet op de door hem bepleitte vrijspraak.

De raadsman heeft tevens afwijzing van de ontnemingsvordering gevraagd indien [verdachte] wordt veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep, nu niet is aangetoond dat [verdachte] voordeel heeft gehad van het aanwezig hebben van de hennep.

De rechtbank oordeelt als volgt:

[verdachte] is bij vonnis van deze rechtbank van heden (parketnummer 16.659418-16) ter zake van het feit dat ten grondslag ligt aan de onderhavige ontnemingsvordering, vrijgesproken. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering, nu er geen sprake is van een rechterlijke uitspraak waarbij [verdachte] wegens een voor de ontneming van belang zijnde strafbaar feit is veroordeeld.

Deze beslissing brengt mee dat de gevoerde verweren geen bespreking meer behoeven.

16.700185-14

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel dat hij heeft genoten door middel van of uit de baten van het feit, zoals ten laste gelegd in de strafzaak met parketnummer 16.700185-14, en/of soortgelijke feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan, welk voordeel door de officier van justitie na een ter terechtzitting gedane aanpassing wordt geschat op € 476.461,38. De handelsprijs van 6.834 gram hennep, te weten € 22.415,52 is door de officier van justitie in mindering gebracht op de oorspronkelijke vordering.

De raadsman heeft gesteld dat het onaannemelijk is dat [verdachte] een dergelijk bedrag heeft verdiend. Liander heeft in de aangifte gesproken over tenminste vijf eerdere oogsten en over een periode van mei 2012 tot 24 april 2013. Zonder begrijpelijke en deugdelijke motivering wordt in de ontnemingsrapportage een periode van 1 januari 2009 tot 24 april 2013 gehanteerd. De op pagina 536 genoemde 20 eerdere oogsten zijn niet gebaseerd op harde gegevens. De productiedata op de in de in de hennepkwekerij aangetroffen goederen zegt niets over de datum waarop de goederen bij [verdachte] in de woning zijn beland. De zeer zwaar vervuilde kweekruimtes bewijzen niet dat er meer dan vijf eerdere oogsten zijn geweest. Bovendien zou, als uitgegaan zou worden van 21 oogsten met een kweekcyclus van 10 weken, zoals het rapport doet, de hennepkweek zijn begonnen nog voordat er volgens getuige [getuige] een ruimte voor was aangelegd. Uit de verklaring van [getuige] volgt niets met betrekking tot de aanbouw en start van de kwekerij.

Voorts is volgens de raadsman onvoldoende gemotiveerd hoe men aan het minimale aantal van 296 planten in ruimte H komt. Er wordt uitgegaan van een situatie waarin bij elke teelt de gehele ruimte vol staat, terwijl bij het aantreffen van de kwekerij de ruimte voor de helft was gevuld. De raadsman heeft gesteld dat gerekend moet worden met 21 planten in ruimte G en 118 planten in ruimte H. De pleegperiode liep van mei 2012 tot april 2013, waardoor er sprake is van vijf oogsten.

Hierdoor komt het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op € 52.742,70.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht het bedrag te matigen tot € 5.000,- gelet op de draagkracht van [verdachte] .

De rechtbank heeft [verdachte] op grond van het strafdossier met parketnummer 16.700185-14 bij vonnis van 4 november 2016 veroordeeld terzake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B gegeven verbod en terzake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C gegeven verbod.

De rechtbank is op grond van het strafdossier met nummer 2013049898 en gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht van oordeel dat [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten door middel van de feiten waarvoor [verdachte] bij voormeld vonnis is veroordeeld en van soortgelijke feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan.

De rechtbank schat dit voordeel op € 108.056,56.

De rechtbank is bij haar schatting uitgegaan van de uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen voortvloeiende -als aannemelijk aan te merken- gegevens, waarop het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij [adres] te Almere van 5 juni 2014, opgemaakt door [A] en [B] , respectievelijk brigadier en inspecteur van politie Midden-Nederland is gebaseerd.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de hennepkwekerij reeds op 1 januari 2009 is gestart. De aangetroffen hennepresten, knipscharen, droogrekken, kalkafzetting, stof en dergelijke duiden weliswaar op één of meerdere eerdere oogsten, maar kunnen geen bewijs geven voor een zodanig lange ontnemingsperiode als waarmee in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel gerekend wordt.

De verklaring van de getuige [getuige] over een uitbouw die in 2009 aan de woning is gemaakt en over een container die rond 2010 in de straat stond en waar [verdachte] zand of aarde in heeft gedaan, zegt niets over de start van een hennepkwekerij.

[getuige] heeft voorts verklaard dat hij de mannelijke bewoner van nummer [huisnummer] , ’s ochtends vroeg tussen vijf en zes, vaak met grote grijze vuilniszakken naar zijn auto zag lopen en dat hij dan in gezelschap was van een grote negroïde man. De zakken werden dan in de auto gezet. De getuige heeft dit vaak gezien.

De rechtbank leidt hieruit af dat er sprake is geweest van meerdere oogsten.

In de aangifte van Liander is opgenomen dat uit onderzoek is gebleken van een periode van mei 2012 tot 24 april 2013.

De rechtbank zal daarom, gelet op de verklaring van de getuige en de aangifte van Liander, uitgaan van een pleegperiode van mei 2012 tot 24 april 2013.

In deze periode is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van vijf oogsten. De laatste oogst is echter door de politie aangetroffen en vernietigd, zodat hieruit geen voordeel is verkregen voor verdachte. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank daarom uit van vier oogsten.

Door de raadsman is gesteld dat voor ruimte H gerekend moet worden met 118 planten.

De rechtbank gaat hier niet in mee. Gelet op de hoogte van de planten zoals te zien op pagina 526 van het dossier en het feit dat op de zolderverdieping 6.834 gram hennep lag te drogen, acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat een deel van de hennepplanten in ruimte H korte tijd voor het aantreffen van de hennepplantage was geoogst en lag te drogen.

De rechtbank zal daarom rekenen met 21 planten voor ruimte G en 296 planten voor ruimte H, zoals in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is gedaan.

De opbrengst hennep per oogst voor ruimte G is 0,59 kilogram.

En voor ruimte H 8,35 kilogram.

De rechtbank gaat uit van een opbrengst van € 3.280,- per kilogram hennep zoals door het BOOM-rapport is genoemd.

De bruto opbrengst per oogst voor ruimte G wordt dan 0.59 kilogram x € 3.280,- = € 1.935,20

De bruto opbrengst per oogst voor ruimte H wordt 8,35 kilogram x € 3.280,- = € 27.388,-.

De totale kosten per oogst worden berekend op € 279,78 voor ruimte G en € 2.029,28 voor ruimte H.

Niet gebleken is dat [verdachte] aan Liander N.V. de kosten voor de elektriciteit heeft betaald, zodat deze kosten niet in mindering worden gebracht.

Uitgaande van vier oogsten levert dit het volgende aan wederrechtelijk verkregen voordeel op:

Ruimte G: € 7.740,80 - € 1.119,12 = € 6.621,68

Ruimte H: € 109.552,- - € 8.117,12 = € 101.434,88

Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarmee geschat op € 108.056,56

Voorts is niet gebleken dat er sprake is van een mededader, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet gedeeld zal worden.

De rechtbank ziet op basis van de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige financiële omstandigheden van [verdachte] geen aanleiding om het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag te matigen.

De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie, zijnde deze vordering ook overigens op de wet gegrond, toewijzen tot een bedrag van € 108.056,56.

BESLISSING

16.659418-16:

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

16.700185-14

De rechtbank stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op

€ 108.056,56

De rechtbank legt aan [verdachte] de verplichting op om terzake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van € 108.056,56.

Aldus gewezen door mr. P.K. van Riemsdijk, voorzitter, mrs. R.B. Eigeman en V.M.A. Sinnige, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2016.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.