Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5777

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
425292 / HA RK 16-246
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Zaaknummer/rekestnummer: 425292 / HA RK 16-246

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

26 oktober 2016


op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende [woonplaats] ,

verder te noemen: verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de brief van verzoeker van 5 oktober 2016 gericht aan het bestuur van de rechtbank Midden-Nederland. De wrakingskamer heeft deze brief op 13 oktober 2016 ontvangen.

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoeker wraakt de rechters in alle lopende civiele zaken en alle lopende strafzaken van hem en/of van de [bedrijf] . Deze wraking heeft te maken met de arrogante houding van het bestuur van de rechtbank Midden-Nederland, aldus verzoeker. Zijn rechten worden structureel geschonden. Voorts wraakt verzoeker de wrakingskamer omdat die ooit liet weten dat verzoeker bij voortzetting van zijn zaak niet meer kon wraken. De rechtbank dient verzoeker niet structureel uit te sluiten omdat dit zal leiden tot onnodige escalatie. Verzoeker stelt voorts dat hij inzage wil hebben in stukken, maar dat dit niet wordt gegeven door de rechtbank. Hij wordt aan het lijntje gehouden en krijgt nimmer inhoudelijk antwoord op hetgeen verzoeker namens zijn onderneming vraagt.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

In artikel 515 lid 2 Sv en artikel 39 lid 2 Rv is bepaald dat de verzoeker en de rechter wiens wraking is verzocht in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord. Hiermee is beoogd verzoekers de gelegenheid te bieden te worden gehoord op de door hen aangevoerde feiten en omstandigheden op grond waarvan zij menen dat de onpartijdigheid van één of meer bepaalde rechters in het geding is. Het in deze bepaling opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever beschouwd als een debat over de gegrondheid van het verzoek. In het onderhavige geval ziet de wrakingskamer aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en uitspraak te doen over de door verzoeker ingediende wrakingsverzoeken zonder dat deze verzoeken ter zitting worden behandeld. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

3.3.

Ten aanzien van de wraking van de wrakingskamer wordt als volgt overwogen. Artikel 4.3 van het wrakingsprotocol van deze rechtbank bepaalt dat de leden van de wrakingskamer kunnen worden gewraakt. Het gaat er dan om, of er sprake is van feiten en omstandigheden die het vermoeden wettigen dat de betrokken leden ten aanzien van het door hen te behandelen wrakingsverzoek niet onpartijdig of onafhankelijk zijn. De wrakingskamer heeft daarbij de mogelijkheid om kennelijk niet-ontvankelijke verzoeken tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling te laten. De behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer had nog geen aanvang genomen op het moment dat verzoeker zijn brief verstuurde. Van feiten en/of omstandigheden die de veronderstelde onpartijdigheid en onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten, kan dan ook geen sprake zijn. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dit wrakingsverzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

3.4.

Voor het overige wordt het volgende overwogen. Een wrakingsverzoek moet gemotiveerd zijn op grond van artikel 513 lid 2 Sv en artikel 37 lid 2 Rv. Artikel 4.1 van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank bepaalt ook dat het verzoek gemotiveerd moet zijn ten aanzien van iedere rechter op wie het betrekking heeft. Voorts bepaalt dat artikel dat het verzoek voorzien moet zijn van iedere naam van de rechter op wie de wraking betrekking heeft. Verzoeker voert als grond voor de wraking van de rechters in al zijn zaken aan dat het bestuur van de rechtbank Midden-Nederland een arrogante houding heeft en dat zijn rechten structureel worden geschonden. Dat zijn echter geen feiten en/of omstandigheden die zien op het handelen van specifieke rechters. Daarbij komt dat verzoeker niet alle namen van de rechters noemt die hij wraakt. In zijn verzoek staan twee rechters vermeld. Allereerst mr. V.M.A. Sinnige. De wrakingskamer begrijpt de brief van verzoeker van 5 oktober 2016 zo dat hij zijn ontevredenheid uit over de afhandeling van een klacht die hij heeft ingediend tegen mr. Sinnige. Voorts vermeldt verzoeker de naam van een rechter bij wie een zitting is geweest in een civiele zaak, namelijk mr. Berendsen. Verzoeker noemt echter geen concrete feiten en/of omstandigheden op grond waarvan hij meent dat de onpartijdigheid van mr. Sinnnige en/of mr. Berendsen in het geding is. Evenmin noemt hij dergelijke concrete feiten en/of omstandigheden die zien op andere rechters die hij wraakt. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker geen feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd waardoor de veronderstelde rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bovendien ziet het wrakingsverzoek niet, althans onvoldoende op het handelen van specifieke rechters. De wrakingskamer kan verzoeker daarom niet ontvangen in zijn verzoek tot wraking. Het verzoek zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart de verzoeken tot wraking niet-ontvankelijk;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civielrecht en bestuursrecht en van de afdeling straf-, familie- en jeugdrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedures van verzoeker dienen te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.


Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. P. Bender en mr. A. van Dijk als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. R.H.M. den Ouden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.