Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5746

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
C/16/384851 / HA ZA 15-124
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot terugbetaling van van bergers ontvangen commissies aan verzekeraar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/384851 / HA ZA 15-124

Vonnis van 2 november 2016

in de zaak van

1. de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid

COÖPERATIE TVM U.A.,

gevestigd te Hoogeveen,

2. de naamloze vennootschap

TVM VERZEKERINGEN N.V.,

rechtsopvolgster van de naamloze vennootschappen TVM Zakelijk N.V., TVM Particulier N.V. en TVM België N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. J. Mulder te Hoogeveen,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 4] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. H.C.W. Geffroy te Ede.

Partijen zullen hierna TVM c.s. (afzonderlijk: TVM en TVM Verzekeringen) en [gedaagde 1] c.s. (afzonderlijk: de heer en mevrouw [gedaagde 1 en 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 oktober 2015

- de akte uitlating van 11 november 2015, tevens eisvermeerdering in reconventie van [gedaagde 1] c.s.

- de rolbeslissing van 2 december 2015

  • -

    de akte na tussenvonnis van 23 december 2015, tevens houdende vermeerdering van eis in conventie van TVM c.s.

  • -

    de antwoordakte van 20 januari 2016 van TVM c.s.

  • -

    de antwoordakte van 20 januari 2016 van [gedaagde 1] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en reconventie

Eiswijzigingen

2.1.

Bij akte van 23 december 2015 heeft TVM haar eis in conventie gewijzigd in die zin dat zij in plaats van verwijzing naar de schadestaatprocedure een concreet bedrag aan schadevergoeding vordert, namelijk € 357.374,76 aan door [gedaagde 1] c.s. ontvangen commissie, vermeerderd met wettelijke (handels-)rente, alsmede een bedrag van

€ 68.072,18 aan kosten van het door haar accountant verrichte onderzoek naar de ontvangen commissie, vermeerderd met wettelijke rente.

2.2.

Bij akte van 11 november 2015 heeft [gedaagde 1] c.s. zijn reconventionele vordering gewijzigd in die zin dat tevens betaling wordt gevorderd van een bedrag van

€ 12.572,69 ter zake van openstaande facturen van TVM België N.V., met welke vennootschap TVM Verzekeringen is gefuseerd.

2.3.

Partijen hebben tegen deze eiswijzigingen geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank in het navolgende zal uitgaan van de aldus gewijzigde vorderingen.

Verzoek terugkomen op eindbeslissing

2.4.

TVM heeft de rechtbank in haar akte van 23 december 2015 verzocht om terug te komen op het in 4.15 en 4.43 van het tussenvonnis gegeven oordeel dat alleen [gedaagde 4] , en niet [gedaagde 3] rechten en verplichtingen aan de samenwerkingsovereenkomst kan ontlenen, en terzake vorderingsgerechtigd is. Volgens haar blijkt uit de door partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst dat er wilsovereenstemming is over het feit dat TVM en [gedaagde 3] als contractpartijen bij de samenwerkingsovereenkomst hebben te gelden. Volgens haar is alleen de facturatie via [gedaagde 4] verlopen.

2.5.

De rechtbank constateert dat de vermelding van [gedaagde 3] als contractspartij en de wijze van facturering reeds zijn meegewogen in overweging 4.15 van het tussenvonnis van 14 oktober 2015. TVM heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie moeten leiden dat het tussenvonnis was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van de overeenkomst, en dat deze lezing zou leiden tot een ondeugdelijke uitkomst. Voor hoofdelijke aansprakelijkheid heeft TVM geen grondslag aangevoerd.
De rechtbank wijst het verzoek van TVM om terug te komen op het tussenvonnis dan ook af.

2.6.

De rechtbank blijft dus bij en bouwt voort op het tussenvonnis van 14 oktober 2015 (hierna: het tussenvonnis). Dit betekent dat (zie r.o. 4.39, 4.43 en 4.44 van het tussenvonnis):

- TVM Verzekeringen niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vorderingen,

- de vorderingen van TVM worden afgewezen, voor zover deze zijn ingesteld tegen de heer en mevrouw [gedaagde 1 en 2] en [gedaagde 3] , en dat TVM veroordeeld wordt in de door deze partijen gemaakte proceskosten,

- de heer en mevrouw [gedaagde 1 en 2] en [gedaagde 3] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun tegenvorderingen,

- de tegenvordering tegen TVM Verzekeringen zal worden afgewezen,

- in het navolgende alleen nog beslist zal worden op de vorderingen van en tegen [gedaagde 4] .

2.7.

Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank partijen alleen in de gelegenheid gesteld aktes te nemen over de omvang van de door [gedaagde 4] ontvangen commissie. Voor zover partijen buiten het onderwerp zijn getreden waarover zij een akte mochten nemen, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

in conventie

Omvang ontvangen commissie

2.8.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde 4] toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst door ontvangen commissie niet af te dragen aan TVM, en de gevorderde verklaring voor recht en vordering tot schadevergoeding toewijsbaar geacht. Omdat de rechtbank onvoldoende informatie had om de omvang van de ontvangen commissie vast te stellen, heeft zij TVM in de gelegenheid gesteld daarover - na het in kaart brengen van de ontvangen commissie door de accountants van beide partijen - een akte te nemen.

2.9.

TVM heeft dat gedaan bij akte van 23 december 2015. Volgens haar moet worden uitgegaan van een bedrag van € 357.374,76 aan ontvangen commissie, welk bedrag - zo begrijpt de rechtbank - is opgebouwd uit de volgende onderdelen:

a. een bedrag van € 192.329,00 aan ontvangen commissie over de periode 2008 tot en met 2014,

b. een bedrag van € 165.045,76 aan ontvangen commissie over de periode 1995 tot 2008.

Ad a (commissie 2008-2014)

2.10.

Dit bedrag is gebaseerd op een door de accountant van [gedaagde 4] gemaakte berekening, die steekproefsgewijs door de accountant van TVM is geverifieerd. Laatstgenoemde komt op een vrijwel gelijk bedrag uit als de accountant van [gedaagde 4] . Het verschil bedraagt maar € 194,--. In haar antwoordakte van 20 januari 2016 heeft [gedaagde 4] aangegeven dat verschil graag in het voordeel van TVM te laten komen, zodat van dit totaalbedrag aan ontvangen commissies kan worden uitgegaan.

2.11.

Wel stelt [gedaagde 4] dat alleen de commissie die is betaald voor bergingswerkzaamheden die via de TVM Schade-alarmcentrale zijn aangemeld, voor toewijzing in aanmerking komen, omdat alleen die werkzaamheden onder het bereik van de samenwerkingsovereenkomst vallen. De overeenkomst is vooral opgesteld voor de exploitatie van de alarmcentrale, en [gedaagde 4] zou uitsluitend volledige dekking voor het risico van haar kosten genieten indien de melding via de alarmcentrale binnenkwam. De commissie die zij ontving van klanten die zich buiten het alarmnummer om bij haar hadden gemeld, valt daar derhalve buiten. Volgens haar kan TVM dan ook over de periode 2008-2014 slechts aanspraak maken op een bedrag van € 62.827,40 aan terug te betalen commissie.

2.12.

Naar het oordeel van de rechtbank valt in de samenwerkingsovereenkomst geen beperking te lezen tot meldingen van verzekerden van TVM die via de TVM Schade-alarmcentrale bij [gedaagde 4] binnen zouden komen. In artikel 1.1 van de samenwerkingsovereenkomst is de kernverplichting van [gedaagde 4] opgenomen, namelijk dat zij “bij een calamiteit en/of een stranding van een bij TVM verzekeringen verzekerd motorrijtuig ten gevolge van een verzekerd risico” dient zorg te dragen voor hulpverlening. In artikel 2 van de overeenkomst is weliswaar een regeling opgenomen over melding van hulpverzoeken van verzekeringnemers van TVM via een alarmcentrale, maar uit de bewoordingen van artikel 2.1 blijkt dat daarin rekening is gehouden met de mogelijkheid dat een melding op andere wijze binnenkomt: “Indien door verzekeringnemer van TVM verzekeringen hulp wordt gevraagd via het TVM Schade-alarmnummer, zal een doorverbinding tot stand worden gebracht naar de alarmcentrale van Insurance Europe-Service.”. In de artikelen 1, 3 en 5 van de overeenkomst worden de hulpverlening, voorfinanciering en doorbelasting niet afhankelijk gesteld van een melding via het alarmnummer, maar van het optreden van “een calamiteit en/of een stranding” van een verzekeringnemer van TVM Verzekeringen. Dat [gedaagde 4] alleen volledige dekking voor haar incassorisico zou genieten als de melding via het alarmnummer zou zijn gelopen, wordt dus niet door de inhoud van de overeenkomst bevestigd. In de overeenkomst wordt op dit punt alleen onderscheid gemaakt tussen casco en niet-casco verzekerde motorrijtuigen. Alleen in het eerste geval vindt de financiële afwikkeling rechtstreeks tussen partijen plaats (artikel 4.1 van de overeenkomst). Over de gevolgen van het volledig ontbreken van verzekeringsdekking bevat de overeenkomst geen regeling anders dan dat TVM Verzekeringen “mede in het belang van Insurance Europe-Service” zo snel mogelijk het bestaan van dekking controleert (artikel 3.3).

2.13.

Dat [gedaagde 4] - zoals zij stelt - in haar administratie een scheiding heeft aangebracht in de meldingen die via het schade-alarmnummer binnen kwamen en andere hulpvragen, regardeert TVM niet. Afgezien daarvan leidde die scheiding ook niet tot een andere wijze van facturering door [gedaagde 4] aan TVM: ook bij deze andere hulpvragen vond de facturatie altijd rechtstreeks aan TVM plaats.

2.14.

Het voorgaande betekent dat alle hulpverlening die [gedaagde 4] heeft uitgevoerd voor verzekeringnemers van TVM Verzekeringen onder het bereik van de samenwerkingsovereenkomst valt, en dat [gedaagde 4] de terzake van die hulpverlening ontvangen commissie aan TVM had moeten afdragen. Dit betekent dat over de periode 2008-2014 een bedrag van € 192.329,00 aan ontvangen commissie in beginsel toewijsbaar is.

Ad b (commissie 1995-2007)

2.15.

TVM vordert in totaal een bedrag van € 357.374,76 aan ontvangen commissie over de periode van 20 jaar voorafgaande aan het jaar van beëindiging van de samenwerking (2014), derhalve vanaf 1995 (punt 18 van haar akte van 23 december 2015). Omdat van de periode vóór 2008 geen onderliggende administratie meer beschikbaar is, heeft zij de voordien ontvangen commissie berekend aan de hand van het gemiddeld ontvangen commissiebedrag over de periode 2008-2014 van € 27.475,57. Geëxtrapoleerd naar de gehele periode van 20 jaar komt zij dan uit op voormeld bedrag van € 357.374,76, terwijl de rechtbank komt tot een bedrag van € 549.511,40. Omdat de rechtbank niet meer kan toewijzen dan gevorderd is, zal zij uitgaan van een totaal gevorderd bedrag van

€ 357.374,76, zodat het gevorderde bedrag over de periode 1995-2007 neerkomt op een bedrag van € 165.045,76. Dit bedrag komt overeen met ongeveer zes maal het gemiddelde commissiebedrag van € 27.475,57. Dit betekent dat de rechtbank in het midden kan laten of de commissie verschuldigd is vanaf 1995 (standpunt TVM) dan wel vanaf 2000 (standpunt [gedaagde 4] ).

2.16.

De rechtbank volgt TVM voor het overige in algemene zin in de gevolgde wijze van berekening van de commissie. Het is immers aan de handelwijze van [gedaagde 4] te wijten dat de administratie over de periode vóór 2008 niet meer beschikbaar is om het daadwerkelijk ontvangen bedrag aan commissie vast te stellen. Dit betekent dat dit bedrag moet worden geschat op de voet van artikel 6:97 BW.

2.17.

[gedaagde 4] heeft zich ook in wezen niet verzet tegen extrapolatie over de jaren 2000 tot en met 2007, maar in dit kader aangevoerd dat uitgegaan moet worden van een 25% lagere gemiddelde commissie, omdat de gemiddelde omzet in de periode 2000 tot en met 2007 25% lager lag dan die over de periode 2008-2014. Daarnaast moet nog verdere verlaging plaatsvinden met 25% vanwege het langzaam op gang komen van het betalen van commissie vanaf het jaar 2000.

2.18.

Uit het overzicht van door [gedaagde 4] bij TVM gerealiseerde omzet (overgelegd door TVM c.s. als productie 46) blijkt dat de omzet in de periode 2000-2007 gemiddeld uitkwam op ruim € 959.953,-- per jaar. [gedaagde 4] heeft niet onderbouwd waarom voor de periode daarna zou moeten worden uitgegaan van een gemiddelde omzet van € 1.294.542,10. Uit het accountantsrapport van PWC, dat is gebaseerd op cijfers die zijn aangeleverd door de accountant van [gedaagde 4] , blijkt dat over de periode 2008-2014 aan TVM in totaal is doorbelast een bedrag van € 6.023.768,--, zodat gemiddeld per jaar een omzet van € 860.538,29 is behaald, dus lager dan in de voorafgaande periode. Gelet hierop volgt de rechtbank [gedaagde 4] niet in haar stelling dat de geëxtrapoleerde commissie over de periode 2000-2007 met 25% moet worden verminderd ten opzichte van de gemiddelde commissie die is ontvangen in de periode 2008-2014. Om dezelfde reden is er evenmin aanleiding voor een verlaging wegens “het langzaam op gang komen” van het betalen van commissie.

2.19.

Voor zover [gedaagde 4] zich heeft beroepen op verjaring van de vordering van TVM door verloop van een termijn van 5 jaar na het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst (zie het proces-verbaal van de comparitie), volgt de rechtbank haar daarin niet. De verjaringstermijn is niet pas gaan lopen in 2000, na het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst, maar vanaf het moment dat TVM met de schade bekend is geworden (artikel 3:310 BW), dus vanaf juni 2013. Gelet hierop is van verjaring van de vordering van TVM geen sprake.

Tussenconclusie

2.20.

Het voorgaande leidt tot de voorlopige conclusie dat [gedaagde 4] gehouden is om door haar ontvangen commissie aan TVM te betalen tot het gevorderde bedrag van € 357.374,76.

2.21.

Over dit bedrag vordert TVM de wettelijke handelsrente dan wel subsidiair de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.

2.22.

[gedaagde 4] heeft zich hiertegen verweerd met de stelling dat TVM op geen enkel moment heeft gesteld dat [gedaagde 4] in verzuim is komen te verkeren. Voorts zou over de commissiebedragen niet de wettelijke handelsrente maar alleen de gewone wettelijke rente toewijsbaar zijn, omdat het door TVM gevorderde bedrag een schadevergoeding betreft, waarop artikel 6:119a BW niet van toepassing is.

2.23.

Het door TVM gevorderde bedrag betreft een schadevergoeding als gevolg van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst. Dit betekent dat [gedaagde 4] terzake zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt vanaf het moment van opeisbaarheid (artikel 6:83 sub b BW), derhalve vanaf het moment waarop TVM de te hoge factuur van [gedaagde 4] betaalde. Nu sprake is van een vordering uit hoofde van schadevergoeding, is niet de wettelijke handelsrente maar de gewone wettelijke rente verschuldigd.

De kosten van de accountant van TVM

2.24.

Bij akte van 23 december 2015 heeft TVM haar vordering uitgebreid met een vordering tot vergoeding van kosten die haar accountant, PriceWaterhouseCoopers, heeft moeten maken om de opgave door de accountant van [gedaagde 4] met betrekking tot ontvangen commissie te verifiëren. Zij vordert terzake een bedrag van

€ 68.072,18.

2.25.

De rechtbank volgt [gedaagde 4] niet in haar verweer dat voor deze vordering geen grondslag aanwezig is. Immers, indien er een schadevergoedingsplicht bestaat, zoals in casu, zijn redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid toewijsbaar op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Daarvoor moet wel voldaan zijn aan twee vereisten, namelijk dat de kosten redelijk zijn en dat de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren om schadevergoeding te verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft TVM onvoldoende onderbouwd dat het redelijk is dat voor de verificatie van de opgave van de accountant van [gedaagde 4] tot een bedrag van bijna € 70.000 aan kosten werden gemaakt. Tenminste had van TVM in dit kader mogen worden verwacht dat zij een specificatie in het geding zou brengen van deze kosten. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft als productie 47 alleen de facturen van PwC overgelegd, alsmede (als productie 48) een e-mail met een korte toelichting van PwC op de belangrijkste redenen waarom meer uren zijn besteed “dan initieel verwacht”. Daaruit valt niet op te maken hoeveel uren de accountants van PwC hebben besteed aan welke werkzaamheden, en wat voor uurtarief daarvoor in rekening is gebracht. Het bedrag van

€ 68.072,18 komt de rechtbank in ieder geval niet redelijk voor gelet op het feit dat de accountant van [gedaagde 4] voor het opstellen van het overzicht zelf
€ 38.000,00 bij zijn cliënt in rekening heeft gebracht, terwijl de werkzaamheden van PwC zich beperkten tot verificatie van dat overzicht. De rechtbank wijst de kosten dan ook als onvoldoende onderbouwd af.

Het beroep op verrekening

2.26.

TVM heeft zich beroepen op verrekening van haar vordering met de tegenvordering van [gedaagde 4] wegens het niet voldoen van diverse door [gedaagde 4] aan TVM Verzekeringen N.V. en TVM België N.V. verzonden facturen tot een bedrag van respectievelijk € 246.452,36 en € 12.572,69, vermeerderd met wettelijke (handels-)rente.

2.27.

In haar akte van 11 november 2015 heeft [gedaagde 4] onweersproken gesteld dat de commissie die zij heeft ontvangen ten aanzien van de hiervoor bedoelde, onbetaald gebleven facturen, onderdeel uitmaakt van het bedrag van € 192.329,00 aan ontvangen commissie over de periode 2008-2014, zodat op haar tegenvordering niet nogmaals de ten aanzien van deze facturen ontvangen commissie in mindering moet worden gebracht.

2.28.

Nu de juistheid van de onbetaalde facturen voor het overige niet door TVM is betwist, en evenmin dat de facturen die zijn gestuurd aan TVM België N.V. voor rekening komen van TVM, komt de tegenvordering - zoals onder 4.48 van het tussenvonnis reeds overwogen - voor verrekening in aanmerking.

2.29.

Dat geldt evenwel niet voor zover de tegenvordering bestaat uit wettelijke (handels-)rente. Zoals onder 4.50 van het tussenvonnis reeds is overwogen en ook volgt uit het bepaalde in artikel 6:61 BW, is geen wettelijke (handels-)rente verschuldigd wanneer de schuldeiser zelf in verzuim is. [gedaagde 4] verkeerde naar het oordeel van de rechtbank eerder in verzuim met de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst dan TVM, nu de verplichting tot schadevergoeding wegens ten onrechte doorbelaste commissie reeds bestond op het moment dat de betalingstermijn voor de onbetaald gebleven facturen verstreek. Door niet aan haar verplichting tot schadevergoeding te voldoen, verkeerde [gedaagde 4] dus in crediteursverzuim, zodat zij het ten aanzien van de onbetaald gebleven facturen geen recht heeft op wettelijke (handels-)rente.

Conclusie

2.30.

Het voorgaande betekent dat de vordering van TVM tot schadevergoeding na verrekening toewijsbaar is tot een bedrag van € 98.349,71.

Proceskosten en nakosten

2.31.

[gedaagde 4] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de ten aanzien van haar gemaakte proceskosten van TVM worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van TVM op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 88,62

- griffierecht 954,50 (50% van € 1.909,00)

- salaris advocaat 1.776,25 (2,5 punten × tarief € 1.421,00 x 50%)

Totaal € 2.819,37

2.32.

In de procedure tegen de heer en mevrouw [gedaagde 1 en 2] en [gedaagde 3] hebben TVM c.s. als de in het ongelijk gestelde partij te gelden. De kosten aan de zijde van eerstgenoemden worden begroot als volgt:

- griffierecht € 1.431,75 (75% van € 1.909,00)

- salaris advocaat 2.131,50 (2 punten × tarief € 1.421,00 x 75%)

Totaal € 3.563,25

2.33.

Aangezien de rechtbank in dit vonnis de schade zal begroten, dient toepassing te worden gegeven aan artikel 14 Wet griffierechten in burgerlijke zaken. Bij de hierna uit te spreken kostenveroordeling is de rechtbank reeds uitgegaan van het griffierecht dat hoort bij de toe te wijzen schadevergoeding (zie de hiervoor weergegeven berekening). Partijen kunnen evenwel nog verzet instellen tegen de aanpassing van het griffierecht. Indien en voor zover dat verzet gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank zo nodig ambtshalve een verbetervonnis wijzen.

2.34.

De door TVM gevorderde veroordeling in de nakosten zal als hierna vermeld worden toegewezen.

in reconventie

2.35.

Zoals hiervoor reeds (onder 2.6) is overwogen, resteert in reconventie alleen de beoordeling van de vordering van [gedaagde 4] op TVM. Nu de hoofdsom reeds is voldaan middels verrekening met de vordering in conventie, en er geen wettelijke (handels-) rente over deze hoofdsom verschuldigd is (zie r.o. 2.29 van dit vonnis), dient de vordering ook in zoverre te worden afgewezen.

2.36.

Dat geldt ook voor de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten, aangezien [gedaagde 4] - na de betwisting daarvan door TVM - onvoldoende heeft onderbouwd dat de werkzaamheden waarvoor zij vergoeding vraagt, zagen op de incasso van haar reconventionele vordering, en niet op het voeren van verweer tegen de vordering in conventie.

2.37.

[gedaagde 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van TVM c.s. worden begroot op:

- salaris advocaat € 2.500,00 (2,5 punten × factor 0,5 × tarief € 2.000,00)

Totaal € 2.500,00

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

verklaart TVM Verzekeringen niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

3.2.

veroordeelt [gedaagde 4] om aan TVM te betalen een bedrag van € 98.349,71 (achtennegentig duizenddriehonderdnegenenveertig euro en éénenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de onderliggende commissiebedragen telkens vanaf de dag van betaling door TVM c.s. van de betreffende factuur tot het moment van verrekening met de onbetaalde facturen van [gedaagde 4] , en vanaf dat moment over het lagere bedrag tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [gedaagde 4] in de aan de zijde van TVM gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op € 2.819,37,

3.4.

veroordeelt TVM c.s. in de proceskosten aan de zijde van de heer en mevrouw [gedaagde 1 en 2] en [gedaagde 3] , tot op heden begroot op € 3.563,25, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de betekening tot de dag van volledige betaling,

3.5.

veroordeelt [gedaagde 4] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.6.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.8.

verklaart de heer en mevrouw [gedaagde 1 en 2] en [gedaagde 3] niet-ontvankelijk in hun vorderingen,

3.9.

wijst de vorderingen voor het overige af,

3.10.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van TVM c.s. tot op heden begroot op € 2.500,00,

3.11.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, mr. P.J. Neijt en mr. F.C. Burgers, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.1

1 type: WV (4208) coll: