Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5729

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
31-10-2016
Zaaknummer
424417 HA RK 16-235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie Lelystad

Zaaknummer: 424417 HA RK 16-235

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 28 oktober 2016


op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:

[verzoeker] , handelend onder de naam Kanoverhuur Utrecht,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het wrakingsverzoek van 2 oktober 2016;

  • -

    de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van 11 oktober 2016.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 14 oktober 2016 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen met [A] . Verder is

mr. M.C. Stoové verschenen. Verzoeker en mr. Stoové hebben hun standpunten toegelicht.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mrs. M.C. Stoové, D.A. Verburg en

R.J. Praamstra als behandelend rechters (hierna te noemen: de rechters), in de zaken met de zaaknummers UTR 16/1545 GEMWT en UTR 16/389 VEROR, waarin verzoeker (derde) partij is.

2.2.

In de zaak met zaaknummer UTR 16/1545 GEMWT heeft Sloepdelen B.V. beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de gemeente Utrecht van 3 februari 2016, waarin de bezwaren van Sloepdelen B.V. tegen de weigering van voornoemde gemeente om handhavend op te treden ten aanzien van de verhuuractiviteiten van andere exploitanten van elektrische vaartuigen ongegrond zijn verklaard. Bij brief van 20 mei 2016 van de rechtbank Midden-Nederland is verzoeker in deze zaak als belanghebbende aangemerkt. Verzoeker heeft daarop aangegeven als belanghebbende aan de procedure te willen deelnemen. Verzoeker heeft op 28 juni 2016 beroepsgronden aangevoerd.

2.3.

In de zaak met zaaknummer UTR 16/389 VEROR heeft Sloepdelen B.V. beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de gemeente Utrecht van 7 december 2015, waarin de bezwaren van Sloepdelen B.V. tegen het verlenen van een exploitatievergunning aan verzoeker voor vier fluisterboten ongegrond zijn verklaard.

2.4.

De zaken UTR 16/390 VEROR en 16/391 VEROR zijn eveneens door Sloepdelen B.V. gestart en zien op verstrekte exploitatievergunningen voor fluisterboten aan Botenverhuur de Rijnstroom en SloepjehurenUtrecht.

2.5.

Bij brief van 19 september 2016 schrijft de rechtbank Midden-Nederland het volgende aan onder andere verzoeker: “Namens de rechtbank deel ik u het volgende mede.

Op 15 september 2016 heeft de voorzitter van de meervoudige kamer het onderzoek ter zitting in de

zaak met nummer UTR 16/1545 (de handhavingszaak) geopend en partijen allereerst de vraag

voorgelegd of zij ermee konden instemmen dat mr. O. Veldman als lid deel uitmaakt van de

meervoudige kamer, ondanks het feit dat hij in 2014 stage heeft gelopen op het advocatenkantoor Wijn & Stael en een advocaat van dit kantoor namens de gemeente Utrecht een brief heeft verstuurd in deze zaak.

[verzoeker] heeft daarop te kennen gegeven daartegen bezwaar te hebben. De voorzitter heeft

vervolgens de behandeling ter zitting geschorst en medegedeeld dat het onderzoek ter zitting op een

later moment zal worden voortgezet door een meervoudige kamer in een andere samenstelling.

De handhavingszaak vertoont nauwe samenhang met de zaken UTR 16/390, UTR 16/391 en UTR

16/389 (de zaken over de verleende vergunningen) die voorafgaand al ter zitting waren behandeld.

Gelet op deze nauwe samenhang ziet de rechtbank aanleiding om deze zaken te heropenen en ze

opnieuw ter zitting te behandelen door de meervoudige kamer in gewijzigde samenstelling.

In bovenstaande ziet de rechtbank tevens aanleiding om Kanoverhuur Utrecht aan te merken als partij in de zaak UTR 16/389.

U ontvangt op korte termijn een uitnodiging voor een nieuwe zitting. Alle vier hiervoor genoemde

zaken zullen dan gevoegd worden behandeld.

2.6.

Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat ten onrechte is geweigerd om hem in de procedure met zaaknummer UTR 16/389 VEROR een langere reactietermijn dan 14 dagen te geven om een schriftelijke uiteenzetting van de zaak te geven. Verder is verzoeker van mening dat ten onrechte is besloten om de zaken UTR 16/1545 GEMWT en UTR 16/389 VEROR niet gesplitst te behandelen. Verzoeker voert hiertoe aan dat tijdens de zitting van 15 september 2016 in de zaak UTR 16/1545 GEMWT bleek dat de stukken in de zaak UTR 16/389 VEROR verzoeker niet hadden bereikt. De behandeling van de zaak UTR 16/1545 GEMWET is toen geschorst. Na ontvangst van de stukken van de zaak UTR 16/389 VEROR heeft verzoeker naar zijn zeggen pas een volledig beeld van de zaak gekregen. Een reactietermijn van 14 dagen is dan, zeker gelet op de complexiteit van de zaak, aan de krappe kant en staat niet in verhouding tot de voorbereidingstijd die de andere partijen hebben gehad. Er is volgens verzoeker geen enkele aannemelijke reden om een reactietermijn van 7 extra dagen te weigeren. Daarnaast kan een gecombineerde behandeling van voornoemde procedures, aldus verzoeker, zijn belangen schaden. In de brief van 25 september 2016 is door hem uitgebreid aangegeven welke verschillen er tussen de vier zaken zijn, waardoor een gesplitste behandeling nodig is. Op deze brief is door de rechtbank niet inhoudelijk gereageerd. Bovendien heeft de rechtbank, ondanks een verzoek daartoe van verzoeker, met haar beslissing om de zaken gevoegd te behandelen niet willen wachten op de stukken die eiser nog wilde inbrengen. Door deze beslissingen heeft de rechtbank, zo stelt verzoeker, blijk gegeven van vooringenomenheid. De rechtbank heeft verzoeker naar zijn mening het recht ontnomen om een volledig dossier aan te kunnen leveren en een goede reactie te kunnen formuleren. Het lijkt er op dat ongeacht welke stukken worden ingebracht, de conclusies reeds zijn getrokken en de uitspraak vast staat.

2.7.

De rechters hebben niet berust in de wraking. In hun reactie stellen zij zich op het standpunt dat zij procesbeslissingen hebben genomen met betrekking tot de reactietermijn en de gevoegde behandeling. Verzoeker heeft, hoewel doorgaans een termijn van vier weken wordt gehanteerd, een reactietermijn van twee weken voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting gekregen om zo min mogelijk extra tijd te laten verlopen. Nu het verwante zaken betreft moet een termijn van twee weken adequaat worden geacht om een reactie te formuleren. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waarom die termijn onredelijk zou zijn. Vanwege de samenhang van de zaken, de verwantschap in onderwerp en eenzelfde feitencomplex is besloten tot voeging van de zaak UTR 16/1545 GEMWT met de al eerder gevoegde zaken UTR 16/389 VEROR, UTR 16/390 VEROR en UTR 16/391 VEROR. Hieruit valt geen schijn van partijdigheid af te leiden. De inhoudelijke verschillen tussen de zaken had verzoeker ter zitting aan de orde kunnen stellen. Gelet op de voortgang van de behandeling is verzoeker omstreeks 29 september 2016 telefonisch meegedeeld dat zijn verzoeken niet gehonoreerd werden. De bedoeling was dat de beslissingen op schrift zouden worden gesteld. Verzoeker heeft tijdens dat telefoongesprek echter een verzoek om wraking gedaan. Er is daarom afgezien van schriftelijke vastlegging van de beslissingen.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 8:15 Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

Het wrakingsverzoek richt zich feitelijk tegen door de rechters genomen beslissingen. Deze beslissingen kunnen worden aangemerkt als procesbeslissingen. Van dergelijke, ook voor verzoeker onwelgevallige, beslissingen, kan de juistheid in beginsel niet door de wrakingskamer worden getoetst. Slechts indien de beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechters alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoeker, althans dat de bij hem bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden.

3.5.

Vooropgesteld wordt dat de rechtbank de voortgang van de procedure dient te bewaken en daarbij alle betrokken belangen in aanmerking moet nemen.

3.6.

De rechters hebben in het belang van verzoeker bevolen dat (hoewel het onderzoek ter zitting in die zaken al was gesloten) het onderzoek heropend zou worden om verzoeker alsnog in de gelegenheid te stellen om ook in die zaken als derde belanghebbende aan de procedure deel te nemen. Gelet op die bijzondere omstandigheid en de inhoudelijke samenhang van de zaken hebben de rechters, in afwijking van de volgens het geldende procesreglement gebruikelijke vier weken, aan verzoeker een termijn van twee weken gegeven om zijn uiteenzetting ten aanzien van die zaken aan te vullen. Zij zijn tot deze beslissing gekomen om de procedure niet (verder) te vertragen. Deze beslissing is, gelet op het belang van een voortvarende zaaksbehandeling, niet dermate onbegrijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechters alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoeker, althans dat de bij hem bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Verzoeker had bovendien ook ter zitting zijn uiteenzetting nog aan kunnen vullen.

3.7.

Vorenstaande geldt in beginsel eveneens voor de procesbeslissing om de zaken UTR 16/1545 GEMWT en UTR 16/389 VEROR gevoegd te behandelen. Gelet op de feiten, samenhang en verwantschap van de zaken is ook deze beslissing niet dermate onbegrijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechters alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoeker, althans dat de bij hem bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft in zijn brief van 25 september 2016 spontaan ook argumenten tegen de voeging aangevoerd. Er is verzoeker door de rechtbank op dit punt geen reactietermijn geboden, de voegingsbeslissing is slechts meegedeeld, waarna de hiertegen gerichte argumenten van verzoeker zijn gewogen, maar niet tot een ander oordeel van de rechters hebben geleid. Dit is verzoeker omstreeks 29 september 2016 telefonisch meegedeeld. Verzoeker had zijn bezwaren tegen de gevoegde behandeling bovendien ter zitting kunnen herhalen en een splitsing aan de orde kunnen stellen.

3.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechters, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedures met zaaknummers UTR 16/1545 GEMWT en UTR 16/389 VEROR dienen te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.


Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor, voorzitter, en mr. drs. R. in ’t Veld en mr. S.C. Hagedoorn als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. R. Dijkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.