Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5686

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
UTR 14/6148
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding mededelingsverplichting. Recht op en de hoogte van de uitkeringen niet vast te stellen. Het had eiser duidelijk moeten zijn dat zijn werkzaamheden van invloed zouden kunnen zijn op zijn uitkeringen en toeslag. Intrekking en terugvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/6148

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M.M. Pater),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bolier).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2014 (het primaire besluit I) heeft verweerder de betaling van eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 1 maart 2014 opgeschort.

Bij besluit van 12 maart 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder eisers uitkering op

grond van de Ziektewet (ZW) alsmede het recht op een toeslag op grond van de

Toeslagenwet (TW) per 1 oktober 2009 ingetrokken. Tevens heeft verweerder bij dit besluit

de WIA-uitkering van eiser met ingang van 30 juni 2011 ingetrokken.

Bij afzonderlijk besluit van 12 maart 2014 (het primaire besluit III) heeft verweerder de als gevolg van de intrekking onverschuldigd betaalde ZW-uitkering en de toeslag op grond van de TW, alsmede de onverschuldigd betaalde WIA-uitkering over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 maart 2014 ten bedrage van in totaal bruto € 59.630,10 van eiser

teruggevorderd.

Bij besluit van 19 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de drie primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift

ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 26 januari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft besloten de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling. Verder heeft de rechtbank aanleiding gezien om ter voorbereiding van het nadere onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer bij beide partijen aanvullende informatie op te vragen om tot een goede beoordeling van het beroep te kunnen komen.

Verweerder heeft op 19 maart 2015 een groot aantal stukken toegezonden, waaronder de bijlagen bij het onderzoeksrapport van 23 januari 2014. Verweerder heeft verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van de bijlagen 14 tot en met 16. Bij beslissing van 6 mei 2015 heeft de rechtbank verweerders verzoek afgewezen. De betreffende stukken zijn vervolgens overeenkomstig de wens van verweerder teruggezonden.

Het onderzoek is ter zitting voortgezet op 31 maart 2016 door de meervoudige kamer. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting opnieuw niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser was laatstelijk werkzaam als afsnijder en uitbener. Op 2 juli 2009 heeft eiser zich ziek gemeld als gevolg van hand- en beenklachten. Verweerder heeft met ingang van 1 oktober 2009 aan eiser een ZW-uitkering toegekend. Ter aanvulling op deze uitkering is eiser met ingang van 1 oktober 2009 ook een toeslag op grond van de TW toegekend naar de norm voor gehuwden. Per einde wachttijd heeft verweerder bij het besluit van 19 juli 2012 aan eiser met ingang van 30 juni 2011 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 30 april 2013 is deze uitkering omgezet naar een loonaanvullingsuitkering. Per 29 december 2013 is de uitbetaling van de WIA-uitkering stop gezet, omdat eiser sinds 29 november 2013 gedetineerd is. Met ingang van

10 januari 2014 is deze uitkering weer betaalbaar gesteld.

2. Op 27 maart 2013 is volgens verweerder een interne melding ontvangen naar aanleiding van een verzoek tot beslaglegging op eisers WIA-uitkering. Volgens deze melding heeft eiser sinds 21 augustus 2009 een koeriersbedrijf. Ook zou eiser handelen in gerepareerde auto’s. Uit internetgegevens is verweerder gebleken dat op het adres van eiser [bedrijfsnaam] is gevestigd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een onderzoek ingesteld, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 23 januari 2014. Verweerder heeft vervolgens nader onderzoek verricht, waaruit is gebleken dat zowel eiser als zijn partner werkzaamheden hebben verricht en vermoedelijk inkomsten hebben genoten zonder daarvan melding te maken. Dit heeft geleid tot de onder “procesverloop” weergegeven besluitvorming.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet het volledig inzicht en de volstrekte duidelijkheid heeft verschaft, die noodzakelijk zijn om het recht op uitkering vast te kunnen stellen. Eiser heeft niet gemeld dat hij en zijn partner werkzaamheden hebben verricht voor [bedrijfsnaam] . Door overtreding van de mededelingsverplichting kan het recht op en de hoogte van de uitkeringen op grond van de ZW, WIA en TW niet worden vastgesteld over de periode vanaf 1 oktober 2009. Verweerder heeft daarom de uitkeringen met terugwerkende kracht ingetrokken en de onverschuldigd betaalde uitkeringen teruggevorderd.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijfsnaam] en [bedrijfsnaam] sinds

21 augustus 2009 op naam staat van eisers zoon, [zoon] , geboren op [1992] . Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op de stukken, waaronder in het bijzonder het onderzoeksrapport van 23 januari 2014 en de daarbij behorende bijlagen.

Per 1 januari 2016 is de eenmanszaak met de handelsnamen [bedrijfsnaam] en [bedrijfsnaam] uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Betalingsopschorting (het primaire besluit I)

5. Ter zitting van 26 januari 2015 is door eiser meegedeeld dat hij geen belang meer heeft bij de beoordeling van dit besluit. Hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen dit besluit, behoeft dan ook geen bespreking.

Intrekking van de uitkeringen en de toeslag (het primaire besluit II)

6. Eiser voert in beroep aan dat op basis van de onderzoeksgegevens van verweerder niet is komen vast te staan dat hij daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijfsnaam] , de onderneming van zijn zoon. Zijn lichamelijke gesteldheid laat dit ook niet toe. Hij heeft slechts incidentele werkzaamheden verricht in situaties waarin direct gehandeld moest worden. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij wel eens een (bestel)bus heeft opgehaald met zijn zoon, maar geen daadwerkelijke werkzaamheden voor de onderneming heeft verricht. Dit zou ook niet kunnen, omdat hij geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft. Omdat hij -vrij sporadisch- wat heeft gedaan, is daarvan geen administratie bijgehouden. Eiser betwist dan ook dat hij niet alle informatie zou hebben verstrekt. Alle informatie waarover hij kon beschikken, is aan verweerder verstrekt. Hij heeft zelfs zijn zoon zo ver gekregen dat die volledige inzage heeft gegeven in de administratie van zijn onderneming. Dat die administratie niet compleet zou zijn, is niet gemotiveerd. De Belastingdienst heeft de belastingaangifte van zijn zoon goedgekeurd. Ten aanzien van de garagebox stelt eiser dat hij deze heeft gehuurd voor opslag en dus niet heeft gebruikt voor het sleutelen aan auto’s. Dit is gelet op de kleine ruimte en het gebrek aan stroom en water ook niet mogelijk. Ook zijn lichamelijke toestand maakt dat hij dergelijke werkzaamheden niet kan verrichten.

7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2097) is intrekking of herziening van een uitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Slechts in uitzonderingsgevallen is van strijd met dit beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen, indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

Bij een besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht, dat belastend is voor de betrokkene, rust op verweerder een zwaardere bewijslast. Verweerder dient niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit baseert, maar deze in geval van een gemotiveerde betwisting ook aannemelijk te maken (zie ook de uitspraak van de CRvB van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2844).

8. De rechtbank stelt voorop dat aan eiser in artikel 49 van de ZW, artikel 27 van de Wet WIA en artikel 12 van de TW een actieve verplichting wordt opgelegd tot het verstrekken van informatie waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op de hoogte van en het recht op uitkering.

9. Ten aanzien van eisers toeslag ingevolge de TW, berekend naar de norm van gehuwden, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat zijn echtgenote sinds 2009 werkzaamheden heeft verricht voor Sub Support en dat de daaruit voortvloeiende inkomsten niet bij verweerder zijn gemeld. Verweerder heeft zich bij zijn stellingname gebaseerd op informatie van de heer [A] van Post NL, contactpersoon voor de subcontractors Sub Support en Daily Mail Delivery, en op gegevens van de bank en de verklaring van het [autobedrijf] , waar eisers zoon overdag werkzaam is. Van de zijde van eiser is daar onvoldoende tegenover gesteld. Eiser was gehouden te melden dat zijn echtgenote inkomsten uit arbeid had. Naar het oordeel van de rechtbank moest het voor eiser redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze informatie van invloed kon zijn op de hoogte van en het recht op toeslag en had hij deze informatie aan verweerder moeten verschaffen. Hierbij merkt de rechtbank op dat in de toekenningsbeslissing ook is vermeld dat eiser wijzigingen in zijn situatie of inkomsten aan verweerder moet doorgeven.

10. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoeksrapport van 23 januari 2014 en de daarbij behorende bijlagen, voor zover aan het dossier toegevoegd, een deugdelijke grondslag vormen voor het standpunt van verweerder dat eiser werkzaamheden met een waarde in het economisch verkeer heeft verricht zonder daar melding van te maken.

Uit de stukken is afdoende gebleken dat eiser in het systeem van Post NL sinds 3 september 2009 bekend is vanwege zijn VOG-aanvraag en daarin geregistreerd staat als chauffeur. Verder blijkt dat [bedrijfsnaam] koerierswerkzaamheden heeft verricht in opdracht van de transporteurs Daily Mail Delivery (DMD) en Sub Support voor Post NL. Beide bedrijven factureerden aan [bedrijfsnaam] . Ook blijkt uit de verklaring van de heer [A] en het overzicht van verreden ritten dat eiser voor Daily Mail Delivery vanaf 2012 meerdere ritten moet hebben gereden voor het bezorgen van lichte briefpost.

Alhoewel uit dit alles nog niet blijkt in welke periode en in welke omvang eiser precies werkzaamheden heeft verricht, is vooral van belang dat hieruit wel blijkt dat eiser in ieder geval vanaf 2012 in enige mate werkzaamheden heeft verricht. Dit blijkt ook uit het gegeven dat eisers zoon en echtgenote niet al deze werkzaamheden zelf hebben kunnen doen. Zo was eisers zoon overdag werkzaam bij de [autobedrijf] en vonden diverse ritten die volgens eiser allemaal door zijn echtgenote zouden zijn gereden voor Sub Support regelmatig gelijktijdig plaats, zodat dat feitelijk onmogelijk was. Aanwijzingen dat eiser ook voor 2012 werkzaamheden heeft verricht, ziet de rechtbank niet alleen in het feit dat eiser in het systeem van Post NL staat geregistreerd als chauffeur, maar ook in het vermelden van eisers telefoonnummer en e-mailadres in de contactgegevens van [bedrijfsnaam] en in het feit dat op het moment van de start van de onderneming in 2009 zijn zoon nog geen 18 jaar was en dus nog niet in het bezit kon zijn van een geldig rijbewijs. De verklaring van eisers zoon dat in de startperiode van [bedrijfsnaam] de werkzaamheden door een derde zijn verricht, is verder niet onderbouwd. In het licht van de vorenstaande feiten en omstandigheden twijfelt de rechtbank bovendien ernstig aan het waarheidsgehalte van die verklaring. Daarbij komt dat eiser ten aanzien van een aantal opvallende punten, zoals die uit het onderzoek zijn gebleken, geen afdoende verklaring heeft gegeven. Dit betreft onder meer het gegeven dat op verschillende websites juist het e-mailadres van eiser en niet van zijn zoon staat vermeld bij de contactgegevens van [bedrijfsnaam] . Ook het door eiser gebruikte mobiele telefoonnummer, zoals dat ook blijkt uit zijn aanvraagformulier voor de WIA-uitkering, staat vermeld bij de contactgegevens van het bedrijf. Deze feiten en omstandigheden wijzen op een verdergaande betrokkenheid van eiser bij [bedrijfsnaam] dan hij wenst te doen voorkomen.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder er vanuit heeft mogen uitgaan dat eiser ook al voor 2012 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijfsnaam] .

11. Dat het eiser, zoals hij ter zitting heeft herhaald, hoe dan ook geoorloofd zou zijn om

17 uur per week te werken naast zijn uitkering, omdat de maatmanomvang voor de berekening van zijn WIA-uitkering was vastgesteld op 23 uur, volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder in beroep ook heeft toegelicht, is de omvang van het dienstverband waaruit eiser op 2 juli 2009 arbeidsongeschikt is geworden, van belang geweest om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Alle werkzaamheden dienen daarbij ongeacht de omvang te worden gemeld aan verweerder.

12. De rechtbank concludeert dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat het eiser redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zijn werkzaamheden, in welke vorm dan ook, van invloed zouden kunnen zijn op zijn uitkeringen en de toeslag. Het recht op uitkering is door eisers handelwijze niet vast te stellen. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is verweerder, wanneer de verzekerde verzuimt concrete, verifieerbare gegevens over zijn inkomsten te verstrekken, bevoegd om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Wel zal aan die schatting voldoende onderzoek moeten voorafgaan (zie bijvoorbeeld CRvB

20 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2083). Dat is, zoals hiervoor is overwogen, het geval geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende onderzoek verricht. Dat bij inzage in de zakelijke administratie van [bedrijfsnaam] niet alle stukken zijn overgelegd of niet beschikbaar waren behoort tot eisers risicosfeer. De gevolgen hiervan dienen daarom ook voor zijn rekening te komen. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat het recht op uitkering en toeslag niet is vast te stellen, waardoor verweerder terecht is overgegaan tot intrekking van de ZW-uitkering en van de hem toegekende toeslag op grond van de TW per 1 oktober 2009 alsmede de WIA-uitkering per 30 juni 2011.

De beroepsgrond slaagt niet.

Terugvordering (het primaire besluit III)

13. In artikel 33, eerste lid, van de ZW en artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat een uitkering die op grond van deze wetten onverschuldigd is betaald door verweerder wordt teruggevorderd. Ook ingevolge artikel 20, eerste lid, van de TW wordt de toeslag die als gevolg van een herzienings- of intrekkingsbesluit onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door verweerder teruggevorderd.

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan verweerder besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

14. De schending van de inlichtingenverplichting heeft tot gevolg dat aan eiser in de periode hier in geding ten onrechte uitkering en toeslag is betaald. Verweerder dient daarom in beginsel tot terugvordering over te gaan. Tegen de berekening van de door verweerder teruggevorderde bedragen heeft eiser geen bezwaar gemaakt, zodat deze bedragen ten grondslag mochten worden gelegd aan de besluiten tot terugvordering.

15. Van terugvordering kan door verweerder worden afgezien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1182) is slechts sprake van een dringende reden als de terugvordering zou leiden tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Daarvan is niet gebleken. De stelling van eiser dat hij en zijn partner zonder inkomen zitten en dat daarom van terugvordering moet worden afgezien, acht de rechtbank - gelet op de strenge rechtspraak op dit punt - onvoldoende voor het aannemen van een dringende reden. Een moeilijke financiële situatie levert geen dringende reden op om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Bovendien wordt de toepasselijke regeling met betrekking tot de beslagvrije voet bij invordering geacht voldoende bescherming te bieden aan de schuldenaar. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in 't Veld, voorzitter, en mr. S. Wijna en

mr. M.EA. Braeken, leden, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.