Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5673

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
UTR 16/4289
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft verzocht om een urgentieverklaring voor een woningtoewijzing. Dit verzoek is in mei 2016 afgewezen. Hangende de bezwaarprocedure heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster en ex-partner sinds 2011 uit elkaar. De echtelijke woning is verkocht en wordt op 8 november 2016 geleverd, waardoor verzoekster en haar 4 kinderen (3 minderjarig) de woning uiterlijk 7 november moeten verlaten.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster onvoldoende actief heeft gereageerd op het woningaanbod (op Woningnet) in de regio om zelf haar (toekomstige en voorzienbare) woonprobleem op te lossen. Verzoekster heeft tweemaal een woning aangeboden gekregen maar deze niet geaccepteerd, omdat de verkoop van de echtelijke woning nog niet rond was. Dat verkoop nog niet volledig zeker was maakt niet dat ze niet hoefde te zoeken naar een andere woning. Dat verzoekster voorkeur geeft aan een woning in Hilversum-Zuid met méér dan drie kamers, acht de voorzieningenrechter gezien de huidige woonsituatie en de gezinsgrootte op zichzelf begrijpelijk maar urgentieverklaring is bedoeld voor noodsituaties waarbij specifieke woonwensen van ondergeschikt belang mogen worden geacht.

Nu verzoekster onvoldoende inspanningen heeft verricht voldoet zij niet aan de noodzakelijke ‘randvoorwaarden’ om in aanmerking te komen voor een urgentie.

Verweerder kon voorts afzien van toepassen hardheidsclausule wegens medische omstandigheden.

Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/4289

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum , verweerder

(gemachtigde: mr. R. Gillisen).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om een urgentieverklaring voor een woningtoewijzing afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2016. Verzoekster is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Bij de beoordeling van het verzoek acht de voorzieningenrechter met name van belang of het bezwaar tegen de afwijzing van de urgentieaanvraag kans van slagen heeft.

3. Verzoekster heeft op 21 maart 2016 een verzoek om een urgentieverklaring voor een woningtoewijzing ingediend. Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit afgewezen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat verzoekster actief en regionaal reageert op passende woningen. Zij heeft zich pas in 2013 ingeschreven op Woningnet en eerst op 21 januari 2016 gereageerd op een woning. Daardoor voldoet zij niet aan de randvoorwaarde dat zij als woningzoekende moet aantonen dat zij het (woon-)probleem heeft getracht zelf op te lossen, zoals bedoeld in artikel 2.2 van de Huisvestingsverordening Gooi- en Vechtstreek 2015 (de Huisvestingsverordening). Ook voldoet verzoekster niet aan de criteria voor urgentie, zoals ‘medische gronden’ of (dreigende) ‘dakloosheid van een ouder met minderjarige kinderen’.

4. Naar aanleiding van de hoorzitting op 18 augustus 2016 en de aanvullende gegevens die door verzoekster hangende de bezwaarprocedure zijn overgelegd, heeft verweerder de regionale urgentiecommissie (de urgentiecommissie) verzocht aanvullend advies uit te brengen. Blijkens een email van 12 september 2016 heeft de urgentiecommissie in een nader advies aan verweerder gesteld dat verzoekster door de verkoop van de woning weliswaar inmiddels voldoet aan de criteria als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, van de Huisvestingsverordening (dakloosheid van een ouder met minderjarige kinderen), maar dat zij bij lange na niet voldoet aan de randvoorwaarde die bepaalt dat een aanvrager in ruime mate voldoende verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn of haar woonprobleem. Op 8 april 2016 heeft verzoekster weliswaar gereageerd op een woning aan de [adres] te [gemeente] , maar zij heeft de woning niet bezichtigd en niet geaccepteerd. Op 17 mei 2016 is verzoekster een woning aangeboden op de [adres] , te [gemeente] , welke woning door verzoekster is geweigerd. Met (één van) deze beide woningen had zij haar woonprobleem kunnen oplossen. De urgentiecommissie ziet dan ook geen aanleiding om het primaire besluit te wijzigen. Op 6 oktober 2016 is er een medisch advies uitgebracht ten aanzien van het jongste kind van verzoekster. Hij kampt met ADD en concentratieproblemen, waardoor hij er baat bij zou hebben in zijn vertrouwde omgeving te blijven wonen. Uit het advies volgt dat er geen medische noodzaak is om urgentie te verlenen. Deze conclusie wordt gedragen door het feit dat het kind medicatie gebruikt, waardoor de klachten beheersbaar zijn, en hij niet onder behandeling is van een psycholoog. Evenmin is er sprake van gedragsproblemen. Het medisch advies is voor verweerder geen aanleiding geweest om het primaire besluit te wijzigen. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat het niet duidelijk is binnen welke termijn een beslissing op bezwaar zal worden genomen.

5. Verzoekster voert aan dat haar ten onrechte wordt tegengeworpen dat zij onvoldoende actief heeft gereageerd op een passend woningaanbod. Haar huidige woning is in juli 2016 verkocht en daarvóór bestond er voor haar geen urgentie om een nieuwe woning te vinden. Voorts stelt verzoekster zich op het standpunt dat zij telkens niet in aanmerking komt voor een – naar haar inzicht – passende woning. Verzoekster heeft vier kinderen en de driekamerwoningen waarop zij zou kunnen reageren en waarbij haar slagingskansen hoog zijn, zijn derhalve niet passend. Volgens verzoekster worden haar slagingskansen bij woningen met meer dan drie kamers als laag aangegeven op Woningnet. Verder is verzoekster van mening dat zij, gelet op de psychische klachten van haar kinderen als gevolg van de echtscheiding en de ADD die bij haar jongste kind is geconstateerd een urgentie voor een woning in [gemeente] toegekend zou moeten krijgen. Het is uiterst ontwrichtend en onwenselijk om de kinderen – en dan met name het jongste kind – uit hun vertrouwde leefomgeving te halen, aldus verzoekster. Het medisch advies dat verweerder heeft gebruikt bij zijn besluitvorming is volgens verzoekster onzorgvuldig, nu de medisch deskundige tegen haar heeft gezegd normaliter alleen medisch advies uit te brengen in het kader van aanvragen om gehandicaptenparkeerplaatsen. Verzoekster acht de medisch adviseur derhalve niet deskundig op het gebied van de medische problematiek van haar zoon.

6. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Verzoekster zal uiterlijk op 7 november 2016 haar huidige woning moeten verlaten omdat deze verkocht is en de overdracht van de woning op 8 november 2016 plaatsvindt. Zij heeft tot op heden nog geen andere woning gevonden. De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

7. De voorzieningenrechter constateert dat aan de weigering tot verlening van de urgentieverklaring ten grondslag ligt dat hoewel verzoekster thans volgens verweerder wel voldoet aan één van de urgentiecriteria, zoals neergelegd in artikel 2.3, derde lid, van de Huisvestingsverordening ((dreigende) dakloosheid van een ouder met minderjarige kinderen), zij níet voldoet aan de randvoorwaarden, zoals neergelegd in artikel 2.2 van de Huisvestingsverordening. Verzoekster heeft gesteld dat haar kinderen in augustus 2016 door haar ex-echtgenoot/de vader onrechtmatig aan haar ouderlijk gezag zijn onttrokken en dat zij na een bemiddelingstraject momenteel de helft van de week bij hun vader verblijven en de andere helft van de week bij verzoekster. De voorzieningenrechter concludeert hieruit dat de kinderen kennelijk bij hun vader gehuisvest kunnen worden, waardoor verzoekster mogelijk niet voldoet aan de letter van artikel 2.3, derde lid, van de Huisvestingsverordening. Nu dit aspect tussen partijen echter niet (meer) in geschil is, gaat de voorzieningenrechter hieraan voorbij.
Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of verzoeksters bezwaar tegen verweerders beslissing dat verzoekster niet voldoet aan de randvoorwaarden voor urgentieverlening kans van slagen heeft.

8. Artikel 2.2 van de Huisvestingsverordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Voor de toekenning van urgentie gelden de navolgende randvoorwaarden:

  1. Er dient sprake te zijn van een noodsituatie die vergt dat er direct of uiterlijk binnen drie maanden een woning beschikbaar komt ter voorkoming van ernstige schade voor het welzijn van de woningzoekende, waarbij die schade het rechtstreeks gevolg is van de bestaande woonsituatie.

  2. De woningzoekende dient aan te tonen dat hij getracht heeft het probleem zelf op te lossen.

(…)

9. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In juli 2013 is eiseres gescheiden van haar ex-partner. Deze laatste heeft de echtelijke woning aan de [adres] te [gemeente] – de huidige woning van verzoekster – in februari 2011 verlaten. In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij verzoekster hebben en dat de hypothecaire kosten van de echtelijke woning voor rekening van de ex-partner komen. In september 2012 is de woning te koop aangeboden. In maart 2016 is er een bod gedaan op de woning, welk bod later weer werd ingetrokken. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 15 maart 2016 (C/16/409354 / KG ZA 16-91), kort samengevat, de ex-partner gemachtigd om de echtelijke woning te verkopen en hem gemachtigd om de woning (al dan niet met behulp van de sterke arm) te laten ontruimen als verzoekster de woning niet uiterlijk één dag voor de opleveringsdatum vrijwillig heeft verlaten en ontruimd.

De woning is op 15 juli 2016 verkocht en zal op 8 november 2016 worden geleverd. Verzoekster zal derhalve, zoals hiervoor reeds overwogen, uiterlijk op 7 november 2016 de woning moeten verlaten.

10. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat verzoekster niet langer wordt tegengeworpen dat zij zich pas in 2013 heeft ingeschreven op Woningnet. Wat haar wel wordt tegengeworpen is dat zij niet voldoende verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar woonprobleem door niet frequent op passende woningen in de regio te reageren en de twee aan haar aangeboden woningen niet te aanvaarden. De voorzieningenrechter constateert dat verzoekster vanaf haar inschrijving op Woningnet in 2013 tot aan het moment van het verzoek om een voorlopige voorziening op tien woningen heeft gereageerd, waarvan vijf reacties hebben plaatsgevonden na de afwijzing van haar urgentieaanvraag. Op 17 mei 2016 heeft verzoekster een woning aangeboden gekregen op de [adres] . Verzoekster heeft verklaard deze woning te hebben afgewezen omdat het bod dat op de echtelijke woning was gedaan, destijds werd ingetrokken. Daardoor ontbrak de urgentie om een andere woning te accepteren. Dit zou immers betekenen dat zij met dubbele woonlasten zou zitten en haar echtelijke woning zou dan leeg staan. Dit is volgens verzoekster ook de reden dat zij niet is ingegaan op de uitnodiging om de woning op de [adres] te bezichtigen, wat haar nu wordt tegengeworpen.

11. De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 2.2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening en de toelichting bij dit artikel volgt dat een woningzoekende voldoende inspanningen moet verrichten om het woonprobleem op te lossen. Die verantwoordelijkheid houdt in dat woningzoekenden vanaf het moment dat duidelijk wordt dat er een woonprobleem kan ontstaan, alles in het werk moeten stellen om te voorkomen dat dit woonprobleem ook daadwerkelijk ontstaat. Als dat niet lukt dat dan moeten woningzoekenden eerst zelf een (tijdelijke) oplossing (kamers, logeren) zoeken voor het woonprobleem, ook al is dit misschien niet de meest ideale oplossing. Daarnaast moeten woningzoekenden in een redelijke periode voorafgaand aan het woonprobleem voldoende hebben gereageerd op het woningaanbod om zo te proberen het woonprobleem zelf op te lossen.

12. De voorzieningenrechter acht voor de beoordeling van het verzoek van belang dat het vanaf de start van de verkoop van de woning in 2012, en zeker vanaf het vonnis van 15 maart 2016 waarbij de verkoop de facto in handen van de ex-partner is gekomen, voor verzoekster duidelijk moet zijn geweest dat zij de woning op enig moment in de nabije toekomst zou moeten verlaten. Anders dan verzoekster veronderstelt bestond dus al langere tijd de noodzaak om te zoeken naar een andere woning; deze noodzaak ontstond niet pas plotseling, zoals verzoekster heeft gesteld, toen de woning daadwerkelijk verkocht werd. Die verkoop was immers een voorzienbare omstandigheid.
De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat verzoekster haar woonprobleem in ieder geval had kunnen oplossen door het accepteren van de woning op de [adres] en mogelijk al ook door de woning op de [adres] te bezichtigen en te accepteren.

Verzoekster had hiervoor niet louter een theoretische mogelijkheid nu zij voor die laatste woning op plaats 1 stond. Dat zij ten aanzien van zowel de woning aan de [adres] als de [adres] ervoor heeft gekozen om deze niet te aanvaarden (telkens) vanwege de intrekking van het bod dat op haar huidige woning was gedaan en vanwege de dubbele woonlasten die verzoekster dan zou hebben, komt voor haar risico. Nog daargelaten of er feitelijk sprake zou zijn van dubbele woonlasten – de hypothecaire lasten van de huidige woning komen tot aan het moment van de verkoop en levering immers voor rekening van de ex-partner – geldt dat deze situatie niet dermate bijzonder is dat verzoekster niet hoefde te zoeken naar een andere woning tot het moment dat de verkoop volledig zeker was. De voorzieningenrechter overweegt voorts nog dat verzoekster in de maanden vóór haar urgentieverzoek en ook daarna slechts enkele malen op het woningaanbod heeft gereageerd en dat dit telkens woningen in [gemeente] betrof.
Dat verzoekster stelt dat er weinig passend aanbod is waarvoor zij in aanmerking komt, doet er niet aan af dat verweerder van verzoekster een meer actieve houding mocht verlangen. Een urgentieverklaring is immers bedoeld voor noodsituaties, waarbij specifieke woonwensen van ondergeschikt belang mogen worden geacht. Dat verzoekster de voorkeur geeft aan een woning in [gemeente] met méér dan drie kamers, acht de voorzieningenrechter gezien de huidige woonsituatie en de grootte van het gezin van verzoekster op zichzelf begrijpelijk, maar dit maakt in het kader van urgentieverlening nog niet dat van verzoekster niet mocht worden verlangd om ook op woningen te reageren die niet aan haar persoonlijke voorkeur voldoen.

De voorzieningenrechter is daarom voorshands van oordeel dat verweerder heeft kunnen besluiten dat verzoekster onvoldoende actief heeft gereageerd op het woningaanbod in de regio om zo haar (toekomstige en voorzienbare) woonprobleem op te lossen.

13. Nu verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster niet voldoet aan de randvoorwaarden voor een urgentieverlening, gaat de voorzieningenrechter er van uit dat het nader gevraagde medisch onderzoek kennelijk heeft plaatsgevonden in het kader van de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 6.2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening. Deze bepaling geeft verweerder de bevoegdheid om af te wijken van de Huisvestingsverordening wanneer toepassing daarvan naar zijn oordeel leidt tot een bijzondere hardheid. De vraag of sprake is van een bijzondere hardheid is primair ter beoordeling van verweerder en daarom wordt de toepassing van deze bevoegdheid door de bestuursrechter terughoudend getoetst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon verweerder hierbij in redelijkheid advies vragen aan een medisch adviseur. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen grond voor de conclusie dat het advies van MO-zaak onzorgvuldig is opgesteld. Daarbij wordt betrokken dat de medisch adviseur, een arts, de medische gegevens zichtbaar heeft betrokken in de beoordeling. Dat de medisch adviseur zou hebben gezegd dat hij normaliter alleen advies uitbrengt in het kader van aanvragen om gehandicaptenparkeerplaatsen doet daar, wat daar ook van zij, niet aan af. Uit de door eiseres overgelegde medische verklaringen komt geen ander beeld naar voren, dan de medisch adviseur heeft geschetst in zijn advies. De medische klachten zijn erkend, maar niet zodanig ernstig bevonden dat sprake is van een noodzaak tot een urgentieverlening op medische gronden. In het voorgaande behoefde verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen reden te zien voor toepassing van de hardheidsclausule.
Hoewel de voorzieningenrechter zonder meer begrijpelijk acht dat verzoekster stress ervaart met het oog op de aankomende overdracht van de huidige woning en het feit dat zij nog niet beschikt over een andere woning, onderscheidt zij zich in die zin niet van vele anderen in de regio [regio] die in een niet benijdenswaardige woonsituatie verkeren. Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook in dit opzicht in redelijkheid kunnen besluiten om de hardheidsclausule niet toe te passen.

14. Nu de hiervoor besproken gronden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar geen redelijke kans van slagen hebben, kunnen deze niet leiden tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Hetgeen overigens door verzoekster is aangevoerd, moet worden besproken in de beslissing op bezwaar, maar leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter in deze fase evenmin tot toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Heuft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.