Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5668

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
423545 / HA RK 16-219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie:

Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 423545 / HA RK 16-219

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 25 oktober 2016 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker),

gemachtigde: mr. W.E. van Bentem.

1 De procedure

1.1.

Ter zitting van 20 september 2016 heeft verzoekster een verzoek tot wraking ingediend tegen mr. E.E.M. van Abbe, behandelend rechter (verder te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer C/16/421195 / JE RK 16-1458. Deze hoofdzaak betreft de behandeling van een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van de kinderen van verzoekster en de heer [A] (verder te noemen: de vader). Van hetgeen ter zitting van 20 september 2016 is voorgevallen, is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 27 september 2016 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

Verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde mr. W.E. van Bentem,

mr. E.W.A. Vonk, teamvoorzitter van de afdeling Straf- Familie- en Jeugdrecht van deze rechtbank, die met bijzondere toestemming van de wrakingskamer deze behandeling heeft bijgewoond.

De rechter is met bericht van verhindering niet verschenen.

De vader is niet verschenen. De advocaat mr. C.J.P. Liefting heeft schriftelijk namens de vader gereageerd op het wrakingsverzoek.

De belanghebbende de Raad voor de Kinderbescherming is niet verschenen.

1.3.

Van het verhandelde ter zitting van de wrakingskamer is proces-verbaal opgemaakt.

1.4.

De rechter heeft op 11 oktober 2016 schriftelijk gereageerd op hetgeen in het proces-verbaal is vermeld. Bij e-mailbericht van 12 oktober 2016 heeft de gemachtigde van verzoekster opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal. De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de inhoud van dit e-mailbericht en dit stuk is in het wrakingsdossier gevoegd.

1.5.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoekster heeft ter zitting van 20 september 2016 meegedeeld dat zij de rechter wraakt, omdat deze niet bereid was met de behandeling van de zaak te wachten totdat haar gemachtigde aanwezig was. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoekster de volgende nadere gronden voor haar wrakingsverzoek naar voren gebracht. Het vragen van informatie aan de Gecertificeerde Instelling (GI) is volgens verzoekster pas aan de orde nadat de onder toezichtstelling is uitgesproken. Het feit dat de GI ter zitting was toegelaten heeft bij verzoekster de indruk gewekt dat er reeds op voorhand was beslist om de onder toezichtstelling uit te spreken. Naar aanleiding van een verzoek tot wijziging van het gezag, heeft de rechter mr. A.A.T. van Rens in zijn beslissing van 16 september 2016 (hierna: de beschikking van 16 september 2016), in punt 3.5 van die beslissing, overwogen dat als er een ondertoezichtstelling komt, de rechtbank er vanuit gaat dat daarbij tevens de vraag aan de orde zal komen of daarin past dat het gezamenlijk gezag wordt voortgezet of dat eenhoofdig gezag van de moeder in het belang van de kinderen is. Tijdens de zitting van de gezagsbeslissing heeft mr. Van Rens gezegd dat de wijze waarop het raadsrapport van 2014 tot stand was gekomen niet zo van belang was. Verzoekster kreeg het verwijt dat zij de deskundigheid van de Raad durfde aan te tasten. Verder is er in de loop van de procedures bij de rechtbank een Cd-rom kwijtgeraakt. Deze voorvallen werken door, en in samenhang met de gang van zaken op de zitting van 20 september 2016, heeft dit bij verzoekster het gevoel gegeven dat de zaken er worden “doorgejast”. Verder heeft de rechter nadat verzoekster haar wrakingsverzoek kenbaar had gemaakt, erop aangedrongen dat zij de gronden van haar verzoek onmiddellijk kenbaar maakte. Verzoekster was daardoor niet in de gelegenheid haar gemachtigde daarover te raadplegen.

2.2.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie op de wrakingsgronden die verzoekster ter zitting van 20 september 2016 heeft genoemd, heeft de rechter naar voren gebracht dat de zitting stond geagendeerd voor 14.00 uur. Toen vóór 14.00 bleek dat de advocaat van de vader en de gemachtigde van verzoekster vertraagd waren, heeft de rechter tot 14.06 uur gewacht met het openen van de zitting. Toen de vader opmerkte dat de rechtsbijstandverleners nog niet aanwezig waren heeft de rechter geantwoord dat haar dat bekend was, maar dat het beter was om vast met de zitting te beginnen, omdat de volgende zaak om 14.30 uur gepland stond. Volgens de rechter zouden de rechtsbijstandverleners later kunnen aansluiten. Nadat ook verzoekster plaats had genomen heeft de rechter de zitting geopend. Voor het vervolg van de gang van zaken heeft de rechter naar het proces-verbaal van de zitting van 20 september 2016 verwezen. De rechter heeft opgemerkt dat zij het belangrijk vond om op tijd met de zitting te beginnen omdat er veel te bespreken was en de tijd daarvoor beperkt was.

2.3.

In haar schriftelijke reactie op de ter zitting van de wrakingskamer door verzoekster nader aangevoerde gronden heeft de rechter - kort samengevat - het volgende naar voren gebracht. De nadere wrakingsgronden zijn te laat ingediend, nu op grond van artikel 37 Rv de feiten en omstandigheden waarop het verzoek berust naar voren moeten worden gebracht zodra deze bekend zijn geworden en tegelijk moeten worden voorgedragen. Inhoudelijk heeft de rechter er op gewezen dat zij op grond van de wet verplicht is om na een verzoek tot wraking de behandeling van de zaak aanstonds te schorsen. Zij heeft daarom niet de mogelijkheid om andere proceshandelingen te verrichten, zoals de zitting te schorsen om gelegenheid te bieden voor overleg met de nog niet aanwezige rechtsbijstandsverlener. Verder heeft de rechter uiteengezet dat de aanwezigheid van de GI ter zitting geen aanwijzing is voor vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster. Zij heeft in dat verband toegelicht dat het bij deze rechtbank gebruikelijk is dat de GI wordt uitgenodigd als informant bij de behandeling van een verzoek om ondertoezichtstelling van minderjarigen. Naar aanleiding van de bezwaren van verzoekster tegen de overweging in de beschikking van 16 september 2016 en de handelwijze van mr. Van Rens heeft de rechter opgemerkt dat zij het niet juist acht te reageren op hetgeen een andere rechter heeft overwogen of volgens verzoekster heeft verklaard. Het kwijtraken van een Cd-rom gedurende deze procedure was de rechter niet bekend, maar ook al zou dit het geval zijn, dan is dit volgens de rechter nog geen grond voor wraking.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

Op grond van artikel 37, eerste lid, Rv wordt het wrakingsverzoek gedaan “zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden”. Hieruit volgt naar het oordeel van de wrakingskamer dat een wrakingsverzoek waarvan de grondslag is gelegen in hetgeen zich tijdens de zitting heeft voorgedaan, terstond of kort na de zitting dient te worden ingediend. De nadere gronden die verzoekster naar voren heeft gebracht ter zitting van de wrakingskamer met betrekking tot de aanwezigheid van de GI ter zitting en de gang van zaken rond de eerder genomen gezagsbeslissing, zijn gelet op het voorgaande, niet tijdig gedaan zodat het verzoek daarom niet-ontvankelijk is. De wrakingskamer zal niet inhoudelijk ingaan op deze punten.

3.5.

Het verwijt van verzoekster dat de rechter haar niet in de gelegenheid heeft gesteld om de gronden van het verzoek tot wraking met haar gemachtigde te bespreken, heeft zich -zoals de rechter terecht heeft opgemerkt - voorgedaan nadat het wrakingsverzoek reeds was gedaan. Naar het oordeel van de wrakingskamer dient dit verwijt echter te worden bezien in samenhang met de wrakingsgrond die verzoekster in eerste instantie wel tijdig naar voren heeft gebracht, namelijk dat de rechter de komst van haar gemachtigde niet heeft willen afwachten alvorens met de behandeling van de zaak te beginnen. In deze samenhang ziet de wrakingskamer voldoende reden om deze nadere aanvulling van het wrakingsverzoek bij de beoordeling te betrekken. De wrakingskamer zal hierna in 3.8 inhoudelijk ingaan op dit punt.

3.6.

Het besluit van de rechter om de zitting te openen voordat de gemachtigde van verzoekster aanwezig was is een procesbeslissing. Van dergelijke beslissingen kan de juistheid in beginsel niet door de wrakingskamer worden getoetst. Slechts indien een procesbeslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoekster, althans dat de bij haar bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden.

3.7.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is de beslissing van de rechter om in de gegeven omstandigheden de zitting te openen en te beginnen met de behandeling van de zaak, zonder dat de gemachtigde van verzoekster aanwezig was, niet dermate onbegrijpelijk. In het zittingsrooster was een half uur ingepland voor de behandeling van de zaak. Uit de toelichting van de rechter op het wrakingsverzoek blijkt dat zij gelet op de inhoud van het dossier er vanuit ging dat er veel te bespreken was en dat zij het belangrijk vond de beschikbare tijd zo efficiënt mogelijk te benutten. De rechter heeft in dit verband opgemerkt dat de strakke planning in al deze zaken speelt en dat zij ten opzichte van verzoekster niet anders heeft gehandeld dan zij in andere gevallen zou doen. Het betoog van de gemachtigde van verzoekster ter zitting van de wrakingskamer dat de handelwijze van de rechter in schril contrast staat met de behandeling door de wrakingskamer, waarbij uitloop van de voorafgaande zaak wel werd toegestaan, doet aan het vorenstaande niet af. De behandelend rechter heeft de regie van de behandeling van de zaak ter zitting en het feit dat de rechter het belang om tijdig met de zitting te beginnen in de gegeven omstandigheden zwaarder heeft laten wegen dan het belang van verzoekster om vanaf de aanvang van de zitting te worden bijgestaan door haar gemachtigde, getuigt niet van vooringenomenheid van de rechter ten opzichte van verzoekster, te meer nu ook de rechtsbijstandverlener van de vader nog niet aanwezig was op het tijdstip van de aanvang van de zitting.

3.8.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 20 september 2016 blijkt dat de rechter nadat verzoekster haar heeft gewraakt, aan haar heeft gevraagd welke gronden zij daartoe aanvoert en dat zij er op heeft aangedrongen dat verzoekster deze onmiddellijk, zonder raadpleging van haar gemachtigde, naar voren bracht. Uit de reactie van de rechter op deze aanvullende grond van het wrakingsverzoek leidt de wrakingskamer af dat de rechter artikel 37 lid 5 Rv waarin is bepaald dat de rechter de behandeling schorst aanstonds nadat het verzoek tot wraking is gedaan, zo heeft opgevat dat het de behandeld rechter, nadat een wrakingsverzoek is gedaan, niet is toegestaan nog enige beslissing ten nemen, dus ook niet een besluit tot schorsing van de zitting om verzoekster in de gelegenheid te stellen haar gemachtigde op dit punt te raadplegen. Naar het oordeel van de wrakingkamer is dit een te strikte uitleg van dit artikel. Degene die een rechter wil wraken kan wel enige tijd worden gegund om zich daarop te beraden. Dit geldt naar het oordeel van de rechter ook voor de formulering van de gronden waarop de betrokkene het wrakingsverzoek baseert. Daarom is er - indien dat noodzakelijk is voor een zorgvuldige afhandeling van het wrakingsverzoek -wel enige ruimte voor de behandelend rechter om in dat kader een (proces)beslissing te nemen. De omstandigheid dat de rechter in de veronderstelling verkeerde dat de wet haar die ruimte niet bood, is echter geen reden om aan te nemen dat zij vooringenomen is ten opzichte van verzoekster. Verzoekster heeft ook geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de vrees van vooringenomenheid gerechtvaardigd zou zijn.

3.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking niet ontvankelijk verklaren voor zover het de aanwezigheid van de GI ter zitting en de gang van zaken rond de eerder genomen gezagsbeslissing betreft en voor het overige ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk voor zover het de aanwezigheid van de GI ter zitting en de gang van zaken rond de eerdergenomen gezagsbeslissing betreft en verklaart het verzoek tot wraking voor het overige ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, de andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Straf- Familie- en Jeugdrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure met zaaknummer C/16/421195 / JE RK 16-1458 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, en mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. N.E.M. Kranenbroek als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2016

de griffier de rechter, mr. L. Verschoor-Bergsma

De voorzitter van de wrakingskamer is verhinderd te tekenen.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.