Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5666

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
UTR 16/4371 en UTR 16/3985
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Eisers wonen in het gebied dat verweerder wil aanrichten als blauwe zone. Zij hebben beiden een auto en parkeren in de straat waar zij wonen. Eisers zijn belanghebbenden bij het verkeersbesluit. Zij stellen dat er geen noodzaak is om een blauwe zone in te richten in Blaricum. De voorzieningenrechter heeft volgens vaste rechtspraak overwogen dat er ook geen noodzaak hoeft te zijn. Verweerder moet aantonen dat de doelen van artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) met het verkeersbesluit worden gediend en dat alle belangen, waaronder die van eiseres, voldoende zijn afgewogen. De voorzieningenrechter oordeelt dat met het instellen van de blauwe zone de doelen van de Wvw worden gediend. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat sprake is van een parkeerprobleem in het Oude Dorp. Aan de besluitvorming heeft verweerder de rapporten van DHV BV. uit 2009 en 2011 ten grondslag mogen leggen. Ook is van belang wat de eigen parkeerafdeling van de gemeente heeft vastgesteld en wat de boa’s hierover rapporteren. Met het verkeersbesluit beoogt verweerder de doelen van de Wvw te verwezenlijken. Verder heeft verweerder de belangen van eisers bij de besluitvorming betrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen en het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 16/4371 en UTR 16/3985

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2016 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. S.D. van Reenen),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Blaricum, verweerder

(gemachtigden: B. van der Zwaag en E. Siemerink).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Supermarkt Ton Blaricum B.V. h.o.d.n. Albert Heijn, te Blaricum, gemachtigde: mr. J. van Vulpen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een verkeersbesluit genomen tot het instellen van een zogenaamde blauwe zone in het Oude Dorp Blaricum.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Barada, die de zaak heeft waargenomen voor de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de derde-partij is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter heeft vanuit oogpunt van efficiëntie het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers ter zitting samen behandeld met het verzoek om een voorlopige voorziening van [B] (zaaknummer 16/4315). De beide verzoeken zijn gericht tegen hetzelfde verkeersbesluit. De voorzieningenrechter heeft na een gezamenlijke behandeling van formele aspecten en na vaststelling van de relevante feiten, de gronden van de verzoeken van de twee partijen afzonderlijk behandeld. De voorzieningenrechter doet afzonderlijk uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening.

2. Het verkeersbesluit houdt in dat in het Oude Dorp van Blaricum op maandag tot en met zaterdag van 09:00 uur tot 18:00 uur een parkeerschijfzone wordt ingesteld, met een maximale parkeerduur van 1,5 uur. Bij het ontwerpbesluit van 26 april 2016 is een gewaarmerkte plattegrond en een bebordingsplan gevoegd. Verweerder zal, conform de gewaarmerkte plattegrond en het bebordingsplan, verkeersborden E10 en E11 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 plaatsen met daarop de vermelding: “max. 1,5 uur”. Bij de verkeersborden E10 zullen onderborden worden geplaatst met daarop aangegeven: “ma t/m za, van 9.00 tot 18.00 uur.” Verder zal verweerder conform de plattegrond een blauwe markering bij de parkeervakken aanbrengen. Een ontheffing van het langparkeerverbod voor bewoners binnen het gebied van de blauwe zone is niet mogelijk. Het verkeersbesluit heeft daarmee tot gevolg dat langparkeerders uit het Oude Dorp van Blaricum zullen worden geweerd.

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Eisers hebben in dat verband gesteld dat verweerder in de loop van deze week voorbereidingshandelingen treft om de blauwe zone te realiseren en dat de blauwe zone vanaf 24 oktober 2016 ook in werking zal treden. Verweerder zal vanaf dat moment starten met de handhaving daarvan en dat maakt dat eisers, die allebei een auto bezitten, niet langer in hun eigen straat kunnen parkeren. Zij ondervinden hiervan hinder.

4. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij inderdaad voorbereidingen zal treffen om de blauwe zone te realiseren. In overleg met de aannemer zullen de verkeersborden worden geplaatst en er zal blauwe verf op de weg worden aangebracht. Deze verf is van een type dat makkelijk te verwijderen is, dit met het oog op de evaluatie van de blauwe zone na een jaar. Als de uitkomst daarvan negatief is, zal de blauwe verf relatief eenvoudig verwijderd kunnen worden. Als de planning goed verloopt, zal de blauwe zone op 24 oktober 2016 een feit zijn en zal ook gestart worden met de handhaving daarvan. Eisers zullen vanaf 24 oktober 2016 dus niet meer in hun straat kunnen parkeren en zullen beboet worden bij overtreding van het langparkeerverbod. De voorzieningenrechter ziet gelet hierop geen reden om te concluderen dat spoedeisend belang ontbreekt.

5. Omdat eisers wonen in het gebied van de blauwe zone, hebben zij ook een voldoende bijzonder, individueel belang heeft bij het bestreden besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. Zij zijn daarmee belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal het verzoek van eisers inhoudelijk beoordelen.

6. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

7. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (Wvw) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van artikel 2 van de Wvw kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer.

Op grond van artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

5. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 3 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX8933) komt aan verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit beleidsvrijheid en beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen als 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van het verkeer'. Verder is het aan verweerder om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen en om te beoordelen wanneer de in artikel 2, eerste lid en tweede lid, van de Wvw vermelde belangen het nemen van welke verkeersmaatregel vergen. De rechter dient zich bij de toetsing van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuursorgaan aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften alsmede of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat verweerder niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Verweerder behoeft niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze alle betrokken belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verkeersbesluit is genomen op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wvw en artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw. Het besluit strekt dus tot het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer en tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer. De voorzieningenrechter moet beoordelen of met het besluit de daaraan ten grondslag gelegde belangen zijn gediend en of verweerder een evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt.

8. Eisers voeren aan dat de noodzaak van de blauwe zone in het Oude Dorp van Blaricum niet is aangetoond en er helemaal geen behoefte bestaat aan een blauwe zone in dit gebied. Dit blijkt wel uit de door verweerder in mei van 2015 uitgevoerde nulmeting. Daaruit blijkt dat er op ieder moment in de [straat] , waar eisers wonen, parkeergelegenheid was. Er was op geen enkel peilmoment een 100%-bezetting. Eisers moeten straks buiten de blauwe zone parkeren op een minder bereikbare en sociaal onveilige plek, terwijl in hun straat de parkeervakken leeg zullen zijn. Het probleem in Blaricum is ook niet zozeer het tekort aan parkeerplekken, maar het aantal foutparkeerders. Eisers stellen dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feiten. De specifieke situatie in de [straat] is niet onderzocht en de rapporten waar verweerder het verkeersbesluit op heeft gebaseerd zijn gedateerd. Niet is duidelijk van welke feiten moet worden uitgegaan en of er sprake is van een toename aan parkeerbehoefte of juist niet. In het voortraject hadden de bewoners meer moeten worden betrokken bij de voorbereiding. Zij worden nu onevenredig getroffen door het verkeersbesluit. Hun belangen zijn niet bij de besluitvorming betrokken, aldus eisers.

9. Zoals uit de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS blijkt, hoeft verweerder niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit aan te tonen. Het is voldoende als verweerder gemotiveerd heeft uiteengezet dat de in de Wvw vermelde belangen het nemen van deze verkeersmaatregel vergt. De voorzieningenrechter vat het betoog van eisers dat de blauwe zone helemaal niet nodig is in Blaricum, dan ook zo op dat daarmee wordt weersproken dat met het besluit de genoemde belangen van artikel 2 van de Wvw worden gediend.

Eisers hebben in dat verband gewezen op de nulmeting van verweerder van mei 2015. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze nulmeting niet méér is dan een verzameling meetgegevens die gebruikt zal worden om het effect van de blauwe zone na een jaar te evalueren. Er is geen analyse gemaakt van deze meetgegevens door een verkeersdeskundige en de nulmeting is ook niet ten grondslag gelegd aan het verkeersbesluit. Verweerder heeft er verder op gewezen dat eisers ter onderbouwing van hun stelling losse data hebben aangevoerd, zonder de daarbij behorende context in beschouwing te nemen. Dat er in de [straat] - waar maar drie winkels zijn - parkeerplaatsen vrij zijn, betekent namelijk niet dat er in de drukke winkelstraten in het Oude Dorp - waaronder bijvoorbeeld de Dorpsstraat en de Huizerweg – ook voldoende parkeergelegenheid is om kort te parkeren. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat met de blauwe zone juist wordt beoogd om parkeerplaatsen in de [straat] zoveel mogelijk vrij te houden, zodat het winkelend publiek weet dat er in die straat altijd parkeerplaatsen vrij zijn om kort te kunnen parkeren. Een 100%-bezetting moet juist worden voorkomen, omdat dit leidt tot zoekverkeer, waar verweerder een eind aan wil maken. Uitgangspunt van een blauwe zone is dat wordt gekeken naar voldoende parkeerplaatsen op de piekmomenten. Op de piekmomenten moet er ook nog voldoende parkeerruimte zijn om fout parkeren en zoekverkeer - dat wordt gezien als verkeersgevaarlijk – tegen te gaan.
De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn redenering. In de stelling van eisers dat er altijd parkeerplek is in de [straat] , ziet de voorzieningenrechter dan ook geen grond voor de conclusie dat met het instellen van een blauwe zone de doelen van artikel 2 van de Wvw niet zouden worden gediend. Hierbij verwijst de voorzieningenrechter ook naar overweging 11. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Over de beroepsgrond van eisers dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de specifieke situatie in de [straat] en dat hij zich gebaseerd heeft op verouderde gegevens, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder met dat besluit uitvoering heeft gegeven aan het door de gemeenteraad op 18 oktober 2011 vastgestelde plan: “Hernieuwde aanpak parkeerproblematiek Oude Dorp”, waarbij voor langparkeerders een parkeergelegenheid zou worden gerealiseerd op het Oranjeweitje en bij Bellevue en het Oude Dorp zou worden voorzien van een blauwe zone. Dit raadsbesluit is genomen op basis van uitgebreid onderzoek uitgevoerd door DHV B.V. dat heeft geleid tot een Nota parkeerbeleid Gemeente Blaricum van 12 juni 2009 (de Nota 2009) en een Inventarisatie parkeercapaciteit privéterrein van 1 augustus 2011. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat in de Nota 2009 een deel is opgenomen dat ziet op de verwachte groei van het autobezit in Blaricum voor de komende jaren. Uit de cijfers van het Centraal bureau voor Statistiek (CBS) blijkt dat het gemiddelde autobezit per woning in de gemeente Blaricum in 2009 aan de hoge kant is ten opzichte van de rest van Nederland. De te verwachten groei van het totaal aantal personenauto’s is volgens het CBS in Blaricum dan ook beperkt. Dit is ook gebaseerd op de groei van het aantal personenauto’s over de periode 2004-2008. Binnen het Oude Dorp staan verder geen grote ruimtelijke ontwikkelingen gepland. Wel zijn er op verschillende locaties kleinschalige ontwikkelingen maar dit zijn voornamelijk ruimtelijke ontwikkelingen ter vervanging van bestaande bebouwing. De verkeer- en parkeervraag in het Oude Dorp zal naar verwachting de komende jaren dus niet noemenswaardig toenemen, zo concludeert DHV B.V. in de Nota 2009. Volgens DHV B.V. is sprake van parkeerdruk in het centrum van Blaricum.


Er is, zo stelt verweerder, geen sprake van een grote toename van autobezit noch wordt aangenomen dat de parkeerbehoefte noemenswaardig zal toenemen, waarmee de gegevens die DHV B.V. in 2009 aan de Nota 2009 ten grondslag heeft gelegd een evenwichtig beeld geven van de situatie in 2009, maar ook van de huidige situatie. Dit wordt – zo heeft verweerder ter zitting betoogd – ook bevestigd door de eigen verkeersafdeling van de gemeente en door meldingen van de bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s) van de gemeente. De boa’s, die zeven dagen per week het verkeer ter plaatse reguleren, maken onverminderd melding van parkeerproblemen in het Oude Dorp. De situatie ten opzichte van 2009 is niet veranderd en de verkeersituatie in het Oude Dorp blijft daarmee onverminderd gespannen, aldus verweerder. Als al sprake zou zijn van een verandering in parkeerbehoefte, dan is dat in elk geval geen afname; verweerder heeft gewezen op de vestiging van horecaonderneming “Blushing” van Gordon aan de Huizerweg en sportschool “Sportbank” eveneens gevestigd aan de Huizerweg, beiden grote publiekstrekkers die voor extra parkeerbehoefte zorgen. Bovendien is Oranjeweitje niet geschikt voor langparkeren en moet daar de bestemming van worden gewijzigd. Er ligt daarmee voldoende feitelijk onderzoek ten grondslag aan het verkeersbesluit, aldus verweerder.

11. De voorzieningenrechter volgt verweerder in dit standpunt. Van belang is dat de specifieke situatie in de [straat] - anders dan eisers lijken te betogen - in 2009 en 2011 door DHV B.V. is meegenomen in de onderzoeken. Dit blijkt uit de kaarten in de rapporten en de verdere toelichting op de situatie in het Oude Dorp. Het standpunt van eisers dat de situatie in de [straat] door verweerder dus niet specifiek is betrokken bij de besluitvorming, is daarmee feitelijk onjuist. De omstandigheid dat de onderzoeken dateren uit 2009 en 2011, maken niet dat verweerder hiervan niet langer zou mogen uitgaan. Het enkele tijdsverloop maakt een onderzoek als dit niet op voorhand gedateerd. Verweerder heeft - met inachtneming van het toekomstperspectief dat in 2009 al is uiteengezet in de Nota 2009 - in voldoende mate toegelicht dat zich geen noemenswaardige veranderingen hebben voorgedaan in de parkeerbehoefte in het Oude Dorp, althans zeker niet in gunstige zin. Eisers hebben tegenover het standpunt van verweerder geen andersluidende informatie gesteld. Dat eisers graag recenter onderzoek zouden willen zien naar de specifieke situatie in hun straat, maakt niet dat de inhoud van de rapporten achterhaald zou zijn en verweerder hiervan niet langer mag uitgaan bij de besluitvorming. Tot slot is van belang dat de parkeerproblematiek wordt bevestigd door de boa’s in Blaricum en door de eigen verkeersafdeling van verweerder. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Eisers hebben gesteld dat hun belangen onvoldoende zijn gewogen bij het verkeersbesluit en dat zij niet voldoende zijn betrokken bij de voorbereiding van dat besluit.
De voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun standpunt dat zij te weinig zijn betrokken bij de besluitvorming van verweerder. Verweerder heeft het ontwerpverkeersbesluit van 15 december 2015 ter inzage gelegd. Hierop hebben eisers gereageerd in een zienswijze. Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen heeft verweerder het verkeersbesluit herzien en een nieuwe besluit voorbereid. Eisers hebben eveneens op dit nieuwe ontwerpverkeersbesluit hun zienswijze gegeven. Verweerder heeft in de Nota van Zienswijze van 13 juli 2016, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, gereageerd op de door eisers ingebrachte zienswijzen. Eisers zijn daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om hun visie naar voren te brengen en zijn voldoende bij de besluitvorming betrokken geweest. De beroepsgrond slaagt niet.

13. In de Nota van Zienswijzen heeft verweerder de belangen van eisers afgezet tegen het algemeen belang dat is gediend bij het verkeersbesluit. Benadrukt is dat de blauwe zone geldt van maandag tot en met zaterdag, tussen 09:00 uur en 18:00 uur. Eisers hebben verklaard dat zij veel afwezig zijn op doordeweekse dagen, omdat zij beiden werken. Met name het niet kunnen parkeren in de [straat] op zaterdag is dus het probleem. Eisers hebben melding gemaakt van hun eigen initiatief om rekening te houden met de winkeliers door nu al op de [straat] te parkeren. Dit kunnen zij, zo heeft verweerder aangevoerd, ook blijven doen. Volgens verweerder kunnen eisers nog steeds lang parkeren op een acceptabele loopafstand van hun woning, conform CROW-richtlijnen. Verweerder heeft verder betoogd dat hij naar aanleiding van eerder ingediende zienswijzen het aantal parkeerplaatsen dat binnen de blauwe zone valt, heeft verkleind. Dit omdat het oorspronkelijke plan, waarbij langparkeerders hun auto bij het Oranjeweitje konden parkeren, geen stand heeft gehouden bij de ABRvS (zie de uitspraak van 25 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2014:2268). Het verkeersbesluit is aangepast en verweerder zal de effecten van dat besluit na een jaar evalueren aan de hand van de in mei 2015 verrichte nulmeting. Ter zitting heeft verweerder daaraan nog toegevoegd dat eisers op de hoek van de [straat] en de [straat] wonen en dat van hen verwacht kan worden op de nabijgelegen [straat] te parkeren.

14.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de belangen van eisers zichtbaar bij de besluitvorming heeft betrokken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers op de [straat] kunnen parkeren, nabij hun eigen woning. Dat hier geen plaats zou zijn om te parkeren, omdat de bewoners van de [straat] zelf van de parkeergelegenheid gebruikmaken, - zoals eisers ter zitting hebben betoogd - is niet onderbouwd en staat bovendien haaks op hun eigen stelling dat zij al regelmatig op deze plek parkeren om rekening te houden met de winkeliers in hun straat. Verder is ter zitting gebleken dat eisers op dit moment ook niet voor hun eigen woning kunnen parkeren, vanwege de gele markering op de stoeprand. Zij moeten dus ook in de huidige situatie al op zoek naar een parkeerplaats die niet vlak bij hun woning is. Verder heeft verweerder ten aanzien van het subsidiaire standpunt van eisers om hen ontheffing te verlenen, het standpunt mogen innemen dat thans een ontheffing niet mogelijk is omdat het gebied van de blauwe zone kleiner is dan in het ontwerp parkeerbesluit van 15 december 2015, zodat de afstand vanaf de woning naar de parkeerplaats voor de auto kleiner is.

Al met al heeft verweerder bij zijn belangenafweging in redelijkheid geen groter gewicht heeft hoeven toekennen aan de wens van eisers om in de [straat] te kunnen blijven parkeren boven het algemeen belang dat wordt gediend met het instellen van een blauwe zone. De beroepsgrond slaagt niet.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Benek, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.