Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5645

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
5075813 AC EXPL 16-2099
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

totstandkoming ovk + uitvoering; verweer betaling door verrekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5075813 AC EXPL 16-2099 FHU/284345

Vonnis van 2 november 2016 (bij vervroeging)

inzake

P.J. Bos in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] B.V.,

wonende te Amsterdam,

verder ook te noemen de curator,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.L. Op 't Hoog,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.A.S. Smulders.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de door de curator bij brief van 17 mei 2016 overgelegde producties;

- de akte van overlegging van producties aan de zijde van de curator van 18 mei 2016;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 22 juni 2016;

- de brief aan de zijde van de curator van 6 oktober 2016, met producties;

- de comparitie van partijen van 13 oktober 2016, van welke zitting aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) hield zich bezig met het ontwikkelen, produceren en publiceren van onderwerp georiënteerde themakranten.

2.2.

[gedaagde] , die handelt onder de naam [naam 1] en [naam 2] , levert onder andere kantoorartikelen.

2.3.

De gemachtigde van [bedrijf] , [naam incassobureau] , heeft [gedaagde] in de periode vanaf 23 juni 2014 schriftelijk en telefonisch aangemaand tot betaling van een bedrag van € 3.932,50.

2.4.

Bij vonnis van 11 november 2014 is [bedrijf] failliet verklaard. Mr. A.E. de Vos werd die dag benoemd tot rechter-commissaris, terwijl de curator werd aangesteld als curator.

2.5.

De curator heeft [gedaagde] bij brieven van 2 december 2014 en 28 oktober 2015 aangemaand om een hoofdsom van € 3.932,50 aan de boedel te voldoen. [gedaagde] is niet overgegaan tot betaling.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan hem te voldoen:

- een bedrag van € 3.932,50 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 29 maart 2014 tot de voldoening;

- een bedrag van € 518,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dagvaarding tot de voldoening;

- de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de betekening van het vonnis tot de voldoening.

3.2.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze zaak staat de vraag centraal of [gedaagde] een betalingsverplichting ten opzichte van (de boedel in het faillissement van) [bedrijf] heeft.

Gevorderde hoofdsom

4.2.

Ter onderbouwing van de gevorderde hoofdsom stelt de curator dat [gedaagde] in maart 2014 aan [bedrijf] opdracht tot het plaatsen van een advertentie heeft gegeven. Hierbij is volgens de curator een prijs van € 3.250,- exclusief BTW overeengekomen. Hoewel [bedrijf] in maart 2014 is overgegaan tot het plaatsen van de advertentie in de door partijen afgesproken themabijlage van De Telegraaf, heeft [gedaagde] nagelaten om aan haar betalingsverplichting te voldoen.

4.3.

[gedaagde] heeft betwist dat zij opdracht heeft gegeven om tegen betaling een advertentie te plaatsen, in elk geval niet in maart 2014. Volgens [gedaagde] heeft zij pas begin april met [bedrijf] gesproken over plaatsing van een advertentie in een themabijlage. Voorwaarde van [gedaagde] voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst was dat [bedrijf] op haar beurt kantoorartikelen tegen hetzelfde bedrag bij [gedaagde] zou bestellen, waarna de facturen van beide ondernemingen met elkaar verrekend zouden worden. Hoewel [bedrijf] in eerste instantie niet openstond voor deze voorwaarde, heeft [bedrijf] hiermee volgens [gedaagde] alsnog op 18 april 2014 ingestemd. [bedrijf] is desondanks nooit overgegaan tot het bestellen van kantoorartikelen. [gedaagde] betwist ook de stoffelijke verspreiding van de themabijlage in maart 2014. Op [gedaagde] rust daarom geen betalingsverplichting ten opzichte van de boedel. Dit wordt bevestigd door het e-mailbericht van [naam accountsbureau] , waarin zij namens [bedrijf] vermeldt dat zij een creditnota ten aanzien van de factuur van 15 maart 2014 aan [gedaagde] heeft verzonden. Subsidiair stelt [gedaagde] dat [bedrijf] de themabijlage waarin de advertentie was geplaatst – in tegenstelling tot de gemaakte afspraken – niet landelijk, maar slechts in drie steden in de Randstad heeft verspreid, zodat de prijs dient te worden verlaagd.

4.4.

Gezien het verweer van [gedaagde] moet in de eerste plaats worden beoordeeld of in maart 2014 een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen en wat de inhoud van deze overeenkomst was.

4.5.

De curator heeft ter onderbouwing van zijn stellingen in de eerste plaats een orderbevestiging van 10 maart 2014 overgelegd. Deze orderbevestiging is gericht aan de onderneming van [gedaagde] en heeft onder meer de volgende inhoud:

(…)

Formaat

(…)

Prijs

(…)

1/1 pagina (B: 262mm x H:390mm)

(…)

3 250

(…)

__________________________________________________________________________________

Totaalprijs 3 250

excl. BTW

Themabijlage Gezond Bedrijf

Distributie De Telegraaf – Randstad editie

Oplage 400000

Bereik 1300000

(…)

Datum van uitgifte 2014-03-15

Materiaaldatum 2014-02-28

Factuurdatum 2014-03-15

(…)

Deze orderbevestiging is bindend, tenzij er binnen 3 dagen na bovenstaande datum schriftelijk bezwaar is gemaakt. (…)”

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] geen bezwaar tegen de orderbevestiging heeft gemaakt. Daarnaast heeft de curator een factuur van 15 maart 2014 overgelegd, die eveneens gericht was aan de onderneming van [gedaagde] . Gegevens van deze factuur waaronder de prijs, de naam van de themabijlage, de distributiewijze en de datum van uitgifte komen overeen met de eerdervermelde inhoud van de orderbevestiging.

4.6.

[gedaagde] heeft betwist dat genoemde factuur en orderbevestiging aan haar zijn toegezonden; althans zij stelt dat zij deze documenten niet voorafgaand aan de (incasso)procedure heeft ontvangen. [gedaagde] heeft echter wel bevestigd dat op beide documenten het juiste adres van haar onderneming is vermeld. [gedaagde] heeft verder niet aangevoerd dat zij vaker problemen heeft met de ontvangst van aan haar gerichte post. Ook houdt de rechtbank rekening met de overgelegde stukken betreffende de incassoprocedure. De inhoud hiervan biedt geen steun voor de betwisting van [gedaagde] van ontvangst van de orderbevestiging of de factuur. Immers, naar aanleiding van de eerste brief van het incassobureau heeft [gedaagde] niet verzocht om toezending van de factuur of de orderbevestiging, maar heeft zij aan het incassobureau gemeld dat zij van [bedrijf] uitstel van betaling zou hebben gekregen. Ook nadien heeft [gedaagde] het ontbreken van de factuur of orderbevestiging niet naar voren gebracht. Pas gedurende deze procedure heeft [gedaagde] dit standpunt ingenomen. Gelet op genoemde omstandigheden gaat de kantonrechter er daarom vanuit dat beide documenten zijn verzonden en door [gedaagde] zijn ontvangen. Nu [gedaagde] na ontvangst tegen de inhoud hiervan geen bezwaar heeft gemaakt, bieden deze documenten steun aan de stelling dat [bedrijf] en [gedaagde] in maart 2014 een overeenkomst van opdracht voor het plaatsen van een advertentie in een themabijlage voor een prijs van € 3.250,- exclusief BTW hebben gesloten.

4.7.

Verder is van belang dat uit de stukken van de incassoprocedure blijkt dat [gedaagde] niet eerder heeft betwist dat de advertentie is geplaatst of dat zij hiertoe opdracht had gegeven. Gedurende de incassoprocedure heeft [gedaagde] slechts – samengevat – aangevoerd dat zij er vanuit was gegaan dat de factuur door middel van levering van spullen aan [bedrijf] zou worden betaald.

4.8.

Ook gaat de kantonrechter er vanuit dat de themabijlage met daarin de advertentie van [gedaagde] daadwerkelijk in maart 2014 is gepubliceerd en verspreid. De curator heeft zijn stellingen op dat punt onderbouwd met een print van de digitale versie van deze themabijlage. De themabijlage is gedateerd in maart 2014. Verder is van belang dat de curator ter comparitie heeft gesteld dat hij deze digitale versie heeft verkregen via een externe en openbare website, waarop alle gepubliceerde themabijlagen van De Telegraaf staan. Gezien die omstandigheden heeft [gedaagde] haar betwisting van de verspreiding van de themabijlage onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd.

4.9.

Gezien genoemde omstandigheden, ook bezien in onderling verband, staat naar het oordeel van de rechtbank daarom vast dat [gedaagde] in maart 2014 opdracht aan [bedrijf] heeft gegeven om een advertentie tegen een prijs van € 3.250,- exclusief BTW te plaatsen en dat [bedrijf] daaraan uitvoering heeft gegeven.

4.10.

Dat betekent ook dat het standpunt van [gedaagde] dat zij pas in april 2014 met [bedrijf] heeft gesproken over plaatsing van een advertentie, niet wordt gevolgd. De kantonrechter verwerpt daarnaast het verweer dat was overeengekomen dat [gedaagde] de prijs van de advertentie zou betalen door middel van verrekening met facturen wegens levering van kantoorartikelen tegen dezelfde prijs. Weliswaar kan uit de door [gedaagde] overgelegde e-mailberichten van april 2014 worden afgeleid dat partijen hebben onderhandeld over deze voorwaarde, maar [gedaagde] heeft niet gesteld dat dit zag op de overeengekomen advertentie van maart 2014 ten bedrage van € 3.250,-. Gezien de inhoud van genoemde e-mailberichten en in overeenstemming met de stellingen van [gedaagde] ging het hierbij om plaatsing van een advertentie in het tweede kwartaal van 2014.

4.11.

Nu is vastgesteld dat [gedaagde] in maart 2014 opdracht aan [bedrijf] heeft gegeven om een advertentie tegen een prijs van € 3.250,- exclusief BTW te plaatsen en geen alternatieve wijze van betaling met betrekking tot deze advertentie is overeengekomen, rust op [gedaagde] een betalingsverbintenis van € 3.932,50 (inclusief BTW).

4.12.

De omstandigheid dat [naam accountsbureau] , het bedrijf dat de administratie van [bedrijf] kort voor haar faillissement had overgenomen, per e-mail van 6 november 2014 aan [gedaagde] had gemeld een creditnota te hebben verstuurd, doet aan deze betalingsverplichting niet af. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] nimmer daadwerkelijk een creditnota ten aanzien van de factuur van 15 maart 2014 heeft ontvangen. De curator heeft een dergelijke creditnota ook niet in de administratie van [bedrijf] aangetroffen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de betalingsverplichting van [gedaagde] nog steeds bestaat.

4.13.

Subsidiair heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat de prijs van € 3.250,- niet juist is, nu geen sprake is geweest van landelijke verspreiding van de themabijlage. De curator heeft echter voldoende gemotiveerd gesteld dat partijen hadden afgesproken dat de advertentie tegen een prijs van € 3.250,- (exclusief BTW) slechts in een Randstad-editie van de themabijlage zou worden opgenomen en niet landelijk zou worden verspreid. Deze stellingen worden ondersteund door de tekst van orderbevestiging en van de factuur van 15 maart 2014. [gedaagde] dient dan ook het volledige bedrag van € 3.250,- vermeerderd met BTW te voldoen. De gevorderde hoofdsom van € 3.932,50 zal daarom worden toegewezen.

Rente

4.14.

De curator heeft daarnaast aanspraak gemaakt op de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 3.932,50 vanaf 29 maart 2014. Nu vaststaat dat sprake was van een handelsovereenkomst en de overeengekomen uiterste dag van betaling van de factuur is verstreken, zal de kantonrechter deze vordering toewijzen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.15.

De curator maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt verder vast dat de curator voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden door hem en het incassobureau zijn verricht. Hieruit blijkt dat sprake is van meer verrichtingen dan de twee door [gedaagde] genoemde sommatiebrieven. Bovendien is artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gezien de toepasselijkheid van het Besluit zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet van toepassing, zodat het verweer van [gedaagde] dat slechts sprake is van proceshandelingen hoe dan ook niet slaagt. De curator heeft daarom recht op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Nu het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten overeen komt met het in het Besluit bepaalde tarief, zal dit worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal eveneens worden toegewezen met ingang van de dag van de dagvaarding.

Proceskosten

4.16.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding € 99,32

- griffierecht € 223,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 722,32

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de gevorderde termijn.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan de curator tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.932,50, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW vanaf 29 maart 2014 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] om aan de curator tegen bewijs van kwijting te betalen € 518,25, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 6 april 2016 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de curator, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 722,32, waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.