Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5573

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
C/16/408467 / HA ZA 16-80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een IT-dienstverleningsbedrijf en haar oud-bestuurder over de toepassing van overeengekomen bonusregelingen bij acquisitie van opdrachten/klanten en matching van medewerkers aan een opdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3127

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/408467 / HA ZA 16-80

Vonnis van 19 oktober 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. C.A.M.H. Vink te 's-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.P.J. Krijgsman te Hardinxveld-Giessendam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

­ het tussenvonnis van 13 april 2016;

­ de akte van [eiseres] van 7 september 2016 met producties 12 tot en met 16, tevens houdende vermeerdering van eis;

­ de akte van [eiseres] van 7 september 2016 met producties 17 tot en met 21, tevens houdende vermeerdering van eis;

­ het proces-verbaal van comparitie van 7 september 2016;

­ de tijdens de comparitie besproken brief van [gedaagde] van 2 september 2016 met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] houdt zich bezig met dienstverlening op het gebied van IT en met het ter beschikking stellen van personeel ten behoeve van die dienstverlening bij klanten. [gedaagde] werd aanvankelijk bestuurd door vier personen, via vier persoonlijke vennootschappen. [eiseres] was één van deze besturende vennootschappen, met [A] als persoon daarachter. Op enig moment heeft [eiseres] haar functie als bestuurder van [gedaagde] neergelegd. De overgebleven drie bestuurders van [gedaagde] zijn de persoonlijke vennootschappen van [B] , [C] en [D] .

2.2.

Binnen [gedaagde] gold een bonusregeling, die is vastgelegd in een e-mail van 8 juli 2013. Voor zover van belang luidt de regeling als volgt:
2. De persoon die de opdracht aanbrengt en binnen sleept heeft recht op 5% van de omzet voor de duur van de desbetreffende opdracht (de volledige omzet, ook als er meerdere medewerkers op de opdracht ingezet worden). Nieuwe opdrachten bij dezelfde klant vallen buiten de regeling. De persoon die de opdracht heeft aangebracht zal maandelijks moeten factureren op basis van de informatie die wij vanuit [gedaagde] verstrekken over de omzet (uren/tarief).

en:

3. Het matchen van een kandidaat op een opdracht of het creëren/invullen van een opdracht bij een klant. Aangezien we werken op opdrachtniveau zien we dit als het aanbrengen van een klant/opdracht (gelijk aan 2).

2.3.

De naamloze vennootschap Koninklijke BAM Groep N.V. (hierna: BAM) is een klant van [gedaagde] . Voor BAM was [gedaagde] onder meer betrokken bij het project Phoenix. Die betrokkenheid is in september 2013 tot stand gekomen na tussenkomst van de heer [E] , een relatie van [A] . [E] heeft [A] bij BAM aanbevolen en [A] is vervolgens vanuit [gedaagde] ook ingezet op het project Phoenix. Vanaf januari 2014 zijn ook andere medewerkers, onder andere van [eiseres] , voor [gedaagde] ingezet op dit project. Voor zijn aanbeveling heeft [E] van [gedaagde] een vergoeding ontvangen van 7,5% over de door [A] op het project voor [gedaagde] gemaakte omzet.

2.4.

[gedaagde] heeft aan [eiseres] bonussen uitbetaald die zijn berekend over de uren die medewerkers hebben gewerkt voor het project Phoenix. Op de door [eiseres] daartoe aan [gedaagde] verzonden facturen was steeds vermeld “Kickback Koninklijke BAM”, gevolgd door de naam van de medewerker.

2.5.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schenker Nederland B.V. (hierna: DB Schenker) was ook een klant [gedaagde] . Voor DB Schenker was [gedaagde] vanaf eind 2013 betrokken bij het project TransIT. [eiseres] heeft voor dit project een acquisitiebonus ontvangen van [gedaagde] , berekend over alle uren die door medewerkers voor dit project zijn gemaakt. [gedaagde] heeft ten aanzien van dit project daarnaast een matchingbonus gereserveerd voor (de persoonlijke vennootschap van) [B] , berekend over de uren die [B] zelf voor dit project heeft gemaakt.

2.6.

Op 3 en 4 november 2013 heeft de volgende e‑mailwisseling plaatsgevonden tussen de vier bestuurders van [gedaagde] :

­ [A] aan de overige drie bestuurders: “Gezien mijn bijdrage aan de acquisitie en matching bij de klant DB Schenker zal ik vanaf 1 november 2013 5% acquisitie fee factureren voor alle factureerbare uren bij DB Schenker. Ik ga ervan uit dat jullie het hiermee eens zijn.

­ [C] : “Wat mij betreft zijn verder de afspraken die we over de 5% regeling hebben gemaakt gewoon geldig. NB. We hebben daar wel over afgesproken dat de 5% geldt voor de opdracht die wordt aangebracht. Nieuwe opdrachten bij dezelfde klant vallen buiten de regeling.

­ [A] : “Ik dacht dat ik DB Schenker wel heb aangebracht als klant van [gedaagde] . Of bedoel je dat ik ook over de reeds gefactureerde uren mag rekenen? of zal ik ook de matching in rekening brengen?

­ [C] : “Ik zie nu dat ik het wat onhandig heb geformuleerd. De 5% afspraak is hier gewoon van toepassing. Ik bedoelde te zeggen als er in de toekomst andere (dan de transitie naar het nieuwe ATOS contract) opdrachten bij DB Schenker gaan lopen, hier de 5% fee niet op van toepassing zal zijn zoals we dat voor de zomer met elkaar hebben afgesproken (dit als reactie op jouw formulering dat de fee van toepassing is op alle factureerbare richting DB Schenker)

­ [D] : “Mee eens [voornaam C] , [voornaam A] en [voornaam B] .

Ondertussen was er de volgende e-mailwisseling tussen [A] en [B] :

­ [B] aan [A] : “Hi [voornaam A] , Vergeet nog in mijn vorige mail aan te geven dat ook ik akkoord ben met het toepassen van onze 5%-afspraak.

­ [A] aan [B] : “Thx!

­ [B] aan [A] : “Nee, jij bedankt! Hoe gaat ie bij BAM?

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 59.651,72, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] op grond van de afgesproken bonusregeling diverse acquisitie- en matchingbonussen aan [eiseres] verschuldigd is en dat zij facturen die daarop zien ten onrechte onbetaald heeft gelaten. De rechtbank zal deze facturen hierna bespreken, in het licht van wat partijen daarover over en weer steeds hebben aangevoerd. In het algemeen stelt de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is hoe de in overweging 2.2. weergegeven bonusregeling moet worden uitgelegd. Dit komt er enerzijds op neer dat degene die voor [gedaagde] een opdracht c.q. een klant ‘binnen sleept’ een bonus krijgt van 5% van de omzet van de voor die klant voor die opdracht gewerkte uren: dit is wat partijen de acquisitiebonus noemen. Daarnaast krijgt degene die iemand die geschikt is om op een bepaalde opdracht te worden ingezet, koppelt aan die opdracht, eveneens 5% van de omzet van de die persoon op die opdracht: dit is wat partijen de matchingbonus noemen. De rechtbank zal hierna deze termen ook gebruiken.

Facturen [factuurnummer] en [factuurnummer]
4.2. [gedaagde] heeft op de comparitie de verschuldigdheid erkend van de onderste drie posten op de factuur met het nummer [factuurnummer] . Dit gaat om een bedrag van € 1.725,39 inclusief btw. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] daarom in ieder geval tot dit bedrag toewijzen. [gedaagde] had dit bedrag immers al moeten betalen: daarvoor was geen nadere factuur nodig.

4.3.

Deze twee facturen zien voor de rest op werkzaamheden van [F] voor het project Phoenix bij BAM, in de maanden juli en augustus 2015. Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] recht heeft op een matchingbonus over de uren die [F] toen voor dit project heeft gewerkt, uitgaande van een uurtarief van € 115,-. Wat partijen hier verdeeld houdt is het aantal uren op basis waarvan de matchingbonus moet worden berekend. [eiseres] is bij het opstellen van de facturen uitgegaan van de urenstaten die haar aanvankelijk door [gedaagde] verstrekt waren. Die zagen op 128 uur in juli en 106 uur in augustus. [gedaagde] heeft daarna echter gecorrigeerde urenstaten gestuurd, die zagen op 99 uur in juli en 26 uur in augustus. Volgens [gedaagde] waren er namelijk ten onrechte uren op het project Phoenix geboekt: [F] zou deze uren wel voor BAM hebben gewerkt, maar dat was voor een ander project. Op de comparitie heeft [gedaagde] vervolgens naar voren gebracht dat is gebleken dat ook in juni 2015 teveel uren aan dit project zijn toegeschreven. De matchingbonus over deze uren is echter al betaald aan [eiseres] , zodat op deze twee facturen nog een nadere correctie van 55 uur moet plaatsvinden. [eiseres] heeft steeds aangegeven dat zij eerst een onderbouwing wil zien van de aantallen uren die [F] voor de verschillende projecten bij BAM heeft gewerkt. [gedaagde] heeft op haar beurt steeds gezegd dat zij het door haar erkende deel van de vordering op dit punt pas wil betalen als [eiseres] gecorrigeerde facturen maakt. Daar is de discussie gestrand.

4.4.

[gedaagde] erkent dus dat [eiseres] hier recht heeft op een matchingbonus over (99 + 26 - 55 =) 70 uur. Omdat [eiseres] zich beroept op het rechtsgevolg van haar stelling dat die bonus over meer uren moet worden berekend, is het aan haar om in dat kader voldoende te stellen. Daar is zij niet in geslaagd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat namens [eiseres] tijdens de comparitie is gezegd dat het best zou kunnen dat deze door haar opgestelde facturen niet kloppen en dat de daarin opgenomen uren deels op een ander project dan het project Phoenix zien. In het licht daarvan is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] niet voldoende heeft onderbouwd dat [F] meer uren voor het project Phoenix heeft gewerkt dan door [gedaagde] wordt erkend. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] verder toewijzen, uitgaande van 70 uur. Dit gaat om een bedrag van (70 uur x € 115,- x 5% + btw =) € 487,03. [gedaagde] vindt zelf immers ook dat zij dit verschuldigd is en had dit bedrag al lang kunnen voldoen. Daarvoor is het ontvangen van een correcte factuur geen voorwaarde. De vordering van [eiseres] op dit punt zal voor het overige worden afgewezen.

Factuur [factuurnummer] en de bij eisvermeerdering ingebrachte facturen

4.5.

Deze facturen hebben ook allemaal betrekking op het project Phoenix bij BAM, in de periode januari 2014 tot en met oktober 2015 (zoals gesteld bij dagvaarding) en de periode november 2015 tot en met juli 2016 (zoals aanvullend gesteld bij eisvermeerdering). Wat niet in geschil is tussen partijen, is dat de uren die op deze facturen staan ook daadwerkelijk zijn gewerkt door medewerkers die op dit project zijn ingezet. [gedaagde] heeft [eiseres] op basis van deze uren al bonussen uitbetaald, waarvan [gedaagde] in de veronderstelling is dat dit steeds matchingbonussen zijn. [eiseres] is echter van mening dat de al betaalde bedragen zien op acquisitiebonussen en zij vordert nu diezelfde bedragen nog eens, maar dan als matchingbonus. [eiseres] legt daaraan ten grondslag dat zij zowel verantwoordelijk was voor het binnenhalen van de opdracht, als voor het koppelen van deze medewerkers aan die opdracht. Het gaat, na verrekening van een creditfactuur, om een bedrag van ruim € 19.500,- waarvan [eiseres] nu (nogmaals) betaling vordert.

4.6.

Partijen zijn het er dus over eens dat [eiseres] recht heeft op een matchingbonus over deze uren. Waar het om gaat is of zij daarnaast ook aanspraak kan maken op een acquisitiebonus over diezelfde uren. Los van de vraag of de bonusregeling erin voorziet om acquisitie- en matchingbonussen op deze manier te ‘stapelen’ – [gedaagde] zegt dat dit bij haar bestuurders niet mag – is dus eerst aan de orde of het [eiseres] is geweest die het project Phoenix bij de klant BAM heeft binnen gesleept voor [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat het [eiseres] is geweest die deze acquisitie heeft gedaan, zij voert aan dat [E] de opdracht heeft aangebracht en dat die daarvoor ook een vergoeding heeft gekregen. Volgens [eiseres] moet de vergoeding aan [E] nu juist weer worden gezien als matchingbonus, omdat zij [A] heeft gematcht op deze opdracht bij BAM.

4.7.

De rechtbank volgt dit niet. Uit wat partijen inmiddels over en weer hebben aangevoerd volgt in ieder geval dat het [E] is geweest die de contacten tussen [gedaagde] , in de persoon van [A] , en BAM tot stand heeft gebracht. Namens [eiseres] is op de comparitie gezegd dat [E] [A] zou hebben gematcht op een opdracht die daarna pas aan [gedaagde] is verstrekt, maar dat is een toepassing van de begrippen matching en acquisitie die de rechtbank niet kan volgen. Waar het om gaat is dat [E] de eerste schakel is geweest in de contacten tussen [gedaagde] en BAM. Dan kan het niet tegelijkertijd zo zijn dat [eiseres] deze opdracht heeft aangebracht bij [gedaagde] : een opdracht kan immers maar één keer worden binnen gesleept. Dat leidt ertoe dat [eiseres] niet voldoende heeft onderbouwd dat zij voldoet aan de vereisten voor een acquisitiebonus voor deze opdracht. Het klopt wel dat [gedaagde] de eerdere facturen die ook zien op de uren die voor deze opdracht zijn gewerkt aan [eiseres] heeft betaald. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat [gedaagde] de verschuldigdheid van een acquisitiebonus erkent: hoewel [eiseres] vond dat die facturen daarop zagen is op de facturen steeds “kick back fee” vermeld. Het is in het licht van de tussen partijen gemaakte bonusafspraken dan niet vreemd dat [gedaagde] dacht dat de facturen op de matchingbonus betrekking hadden. En daarvan is ook niet in geschil dat [eiseres] daar recht op had, zodat de facturen door [gedaagde] zijn voldaan. Ook uit de vergoeding die [E] heeft gekregen kan niet worden afgeleid dat [eiseres] recht heeft op een acquisitiebonus. [E] heeft een vergoeding gekregen voor zijn bemiddeling, gebaseerd op afspraken die [gedaagde] en [E] daarover samen hebben gemaakt. Niet in geschil is dat die afspraak maatwerk betrof en dat is afgeweken van de bonusregeling die de bestuurders van [gedaagde] onderling overeen waren gekomen. Of de vergoeding aan [E] moet worden aangemerkt als acquisitie- of als matchingbonus is dan verder niet relevant. Ook de omstandigheid dat die vergoeding alleen is berekend over de uren van [A] en niet ook over die van de andere medewerkers maakt dit in het licht van deze maatwerkafspraak niet anders.

4.8.

Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat [eiseres] op grond van de bonusafspraken recht heeft op een acquisitiebonus voor het project Phoenix bij BAM. Of acquisitie- en matchingbonussen door bestuurders van [gedaagde] mogen worden gestapeld hoeft daarom niet meer beoordeeld te worden. De vordering van [eiseres] zal op dit onderdeel worden afgewezen.

Factuur [factuurnummer]

4.9.

Ook deze factuur (van € 15.369,42 inclusief btw) ziet op het project Phoenix bij BAM, maar dan op de uren die [A] zelf voor dit project heeft gewerkt. Volgens [eiseres] gaat het ook hier om een acquisitiebonus, waarbij zij erop wijst dat die bonus volgens de gemaakte afspraken ook wordt uitbetaald over de uren die een bestuurder van [gedaagde] zelf op een opdracht maakt. De rechtbank zal ook hier de vordering van [eiseres] afwijzen, onder verwijzing naar wat hiervoor is geoordeeld over de verschuldigdheid aan [eiseres] van een acquisitiebonus voor dit project. Voor zover [eiseres] recht heeft op een bonus over deze uren gaat het (alleen) om een matchingbonus en tussen partijen staat vast dat deze al is betaald aan [eiseres] .

Factuur [factuurnummer] en factuur [factuurnummer] gedeeltelijk

4.10.

Deze facturen hebben betrekking op de uren die [B] heeft gewerkt voor het project TransIT bij DB Schenker. [eiseres] stelt dat zij [B] op deze opdracht heeft gematcht en dus recht heeft op een matchingbonus, berekend over deze uren, van in totaal € 21.217,35 inclusief btw. [eiseres] voert aan dat haar later uit de administratie van [gedaagde] is gebleken dat voor [B] hier een matchingbonus is gereserveerd. Toen [eiseres] hier achter kwam is zij alsnog ook een bonus gaan factureren die haar op dezelfde manier zou toekomen. De rechtbank is echter van oordeel dat [eiseres] niet voldoende heeft onderbouwd dat zij [B] heeft gematcht. De enkele verwijzing naar de administratie van [gedaagde] is daarvoor niet voldoende, omdat [gedaagde] zich nu juist op het standpunt stelt dat [B] zichzelf op deze opdracht heeft gematcht en ook heeft erkend dat om die reden een matchingbonus voor [B] is gereserveerd. Partijen zijn het dus wel eens over wat er in de administratie te vinden is, maar daarmee onderbouwt [eiseres] nog niet haar stelling dat het niet [B] , maar [eiseres] is geweest die [B] heeft gematcht.

4.11.

[eiseres] heeft verder gewezen op de in overweging 2.6. weergegeven e‑mailcorrespondentie tussen de bestuurders. Daarin leest de rechtbank echter in het geheel niet dat [C] , [D] en [B] instemmen met het toekennen van een matchingbonus aan [eiseres] ( [A] ) voor het project bij DB Schenker. [A] werpt in de eerste e-mail juist op dat hij een acquisitiebonus zal factureren en daarmee wordt door de anderen ingestemd, na wat heen en weer e-mailen. Uit de berichten blijkt dat [C] reageert op de formulering van [A] dat hij zal factureren over “alle factureerbare uren bij DB Schenker”. Die reactie van [C] is, zoals hij later zegt “onhandig geformuleerd”, waarna [A] nogmaals aangeeft dat hij vindt dat hij DB Schenker als klant heeft aangebracht. Ook die formulering slaat naar het oordeel van de rechtbank op de verschuldigdheid van een acquisitiebonus en niet op een matchingbonus. Vervolgens vraagt [A] (grappend, met een smiley) of hij “ook” de matching in rekening zal brengen. Ook daaruit volgt dus dat het in de correspondentie over de acquisitiebonus gaat. Vervolgens verheldert [C] wat hij bedoelde: de bonus ziet alleen op de lopende opdracht. In de afzonderlijke e-mailwisseling tussen [B] en [A] verwijst [B] naar deze mailwisseling en geeft hij aan met de afspraak in te stemmen. Uit de omstandigheid dat hij [A] vervolgens bedankt kan evenmin worden afgeleid dat door [gedaagde] wordt ingestemd met een matchingbonus. Het staat verder niet ter discussie dat [eiseres] de acquisitiebonus waar het hier over gaat heeft gefactureerd en betaald heeft gekregen. De vordering van [eiseres] zal ook op dit punt worden afgewezen.

Nevenvorderingen

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiseres] wat de hoofdsom betreft zal worden toegewezen tot (€ 1.725,39 + € 487,03 =) € 2.212,42. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf de vervaldatum de factuur met het nummer [factuurnummer] , omdat voor [gedaagde] toen zij die factuur ontving duidelijk moet zijn geweest welk bedrag zij [eiseres] verschuldigd was, ook voor wat betreft de eerdere facturen waarvan [gedaagde] later gecorrigeerde urenstaten heeft gestuurd.

4.13.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van € 1.358,- aan buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Omdat niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is [gedaagde] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is ten aanzien van de bonusregeling echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij ten aanzien van de ten onrechte door [gedaagde] (deels) onbetaald gelaten facturen de wettelijke betalingstermijn van artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is verstreken. Dat betekent dat een bedrag van € 40,- ingevolge het bepaalde in artikel 6:96, vierde lid, van het BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht. De rechtbank zal € 80,- aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen (2 facturen x € 40,-).

4.14.

[eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Dat heeft tot gevolg dat ook de door [eiseres] gevorderde beslagkosten worden afgewezen. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden aldus begroot op:

- griffierecht € 1.929,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.717,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.292,42, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a van het BW over € 2.212,42 vanaf 18 oktober 2015 tot de voldoening,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.717,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. de Meulder en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2016.1

1 type: coll: