Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:550

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
16/706098-14 en 21/000343-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor handel in harddrugs en deelneming aan criminele organisatie. Verdachten waren broers van elkaar: familiestructuur is ingezet voor het plegen van strafbare feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

CRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/706098-14 en 21/000343-14 (TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 3 februari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1996] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 mei 2015, 1 juli 2015, 16 september 2015, 9 december 2015 en 20 januari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 11 mei 2014 tot en met 2 februari 2015 te Utrecht, samen met anderen, heeft gehandeld in cocaïne en heroïne;

Feit 2: op 2 februari 2015 te Utrecht, samen met anderen, 4,15 gram heroïne en 82,38 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;

Feit 3: in de periode van 11 mei 2014 tot en met 2 februari 2015 te Utrecht heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als doel had te handelen in cocaïne en heroïne.

3 Voorvragen

3.1

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de politie op een onjuiste wijze te werk is gegaan bij het verhoren van de ‘afnemers’ in het onderzoek tegen verdachte. Deze afnemers zijn aangehouden en verhoord als verdachte, niet zozeer omdat het Openbaar Ministerie strafvervolging tegen hen wilde instellen, maar om een verklaring af te leggen in het onderzoek tegen verdachte. De status van verdachte is kunstmatig gebruikt als pressiemiddel, zonder dat er vragen zijn gesteld over de verdenking die er lag tegen de afnemers zelf. Er is sprake van détournement de pouvoir en er is gehandeld in strijd met het pressieverbod en het verbod tot misleiding. Het Openbaar Ministerie dient daarom niet ontvankelijk te worden verklaard.

3.1.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft erop gewezen dat de afnemers onder andere als verdachten zijn aangemerkt om zodoende hun consultatierecht te kunnen effectueren. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 21 november 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AY9670). Bovendien zijn de getuigen in een later stadium bij de rechter-commissaris gehoord en heeft de verdediging daar de gelegenheid gehad hen te ondervragen. Mocht er al sprake zijn van onregelmatigheden in het onderzoek, dan nog blijkt niet dat aan het recht van verdachte op een eerlijk proces is tekortgedaan.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie als een in artikel 359a Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg komt slechts in uitzonderlijk gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. De enkele stelling dat de afnemers kennelijk uitsluitend als verdachten zijn aangemerkt voor het verkrijgen van belastende verklaringen tegen verdachte kan niet de gevolgtrekking wettigen dat van een zodanig ernstige inbreuk op beginselen van een goede procesorde sprake is dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.2

De overige voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft opgemerkt dat er voor het onder 1 ten laste gelegde een bewezenverklaring kan volgen voor een periode van ongeveer een half jaar. Voor het overige van de ten laste gelegde periode zal verdachte dienen te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat er sprake was van een criminele organisatie waarvan verdachte deel zou uitmaken.

De raadsman heeft daarnaast enkele specifieke verweren gevoerd. Deze zullen worden besproken bij de bewijsoverwegingen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen.

4.3.1

Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanaf half september 2014 tot de dag van zijn aanhouding, 2 februari 2015, heeft gehandeld in cocaïne en heroïne. Op het moment dat verdachte werd aangehouden had hij de telefoons bij zich en was hij bezig met de handel in harddrugs.2

Bij de aanhouding van [verdachte] op 2 februari 20153 zijn onder meer twee Nokia telefoons aangetroffen. Eén van de telefoons bevatte een SIM-kaart met het daarbij behorende nummer 06- [telefoonummer] (hierna: * [telefoonummer] ). Door de verbalisant werd het nummer 06‑ [telefoonummer] (hierna: * [telefoonummer] ) gebeld, waarna de andere telefoon overging. Na het activeren van SIM-kaart 2 in deze telefoon ging de telefoon over bij het bellen van het nummer: 06- [telefoonummer] (hierna: * [telefoonummer] ).4

Van de aansluiting van * [telefoonummer] zijn in de periode van 14 oktober 2014 tot en met 2 februari 2015 de gesprekken opgenomen. In deze periode hebben er op dit nummer 6.015 gesprekken plaatsgevonden. In de periode van 20 november 2014 tot en met 2 februari 2015 hebben op het nummer * [telefoonummer] 7.438 gesprekken plaatsgevonden. Op het nummer * [telefoonummer] hebben in dezelfde periode 14.027 gesprekken plaatsgevonden. Nagenoeg alle gesprekken van de nummers * [telefoonummer] , * [telefoonummer] en * [telefoonummer] waren drugsgerelateerd.5

Op 3 september 2015 verklaart de getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris dat het klopt dat hij bij de politie over [A] heeft verklaard dat hij ongeveer vier keer per maand bij hem kocht. [getuige 1] had zijn leven al enige tijd op orde, maar door problemen met de Belastingdienst kreeg hij anderhalf jaar geleden (de rechtbank begrijpt: rond begin maart 2014) een terugval. Bij het zien van de foto van [B] (hierna: [B] ) verklaart [getuige 1] dat hij wel eens bij hem heeft gekocht, in een periode van anderhalf jaar. Soms wisselde het wel eens. [getuige 1] verklaart dat het in zijn tijd vooral de jongste was. Deze persoon herkent [getuige 1] op de foto van [verdachte] (hierna: [verdachte] ). [getuige 1] betaalde tien euro aan drugs en kocht meestal een pakje bruin (de rechtbank begrijpt: heroïne). Op een vraag aan [getuige 1] of hij in de periode van één tot anderhalf jaar ook wel eens bij anderen bestelde6, antwoordt hij dat hij alleen bij de broers bestelde.7

Uit onderzoek van de politie blijkt dat het nummer van [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) veelvuldig contact heeft gehad met 06‑ [telefoonummer] , die in de telefoon is opgeslagen onder de naam “ [bijnaam met toevoeging 2] ”. Ook is er een paar keer contact geweest met het nummer 06- [telefoonummer] , opgeslagen onder “ [bijnaam met toevoeging 3] ”.8 [getuige 2] verklaart dat zijn dealer zowel wit (cocaïne) als bruin (heroïne) verkoopt.9 Bij het zien van de foto van [A] , verklaart [getuige 2] dat hij hem hooguit tien keer heeft gezien en van anderen heeft gehoord had dat zij goede dope hadden.10 Tijdens het verhoor op 20 februari 2015 verklaart [getuige 2] dat hij ongeveer een jaar bij hem koopt.11 De politie toont [getuige 2] een foto van [C] (hierna: [C] ). [getuige 2] verklaart dat dit [bijnaam] is en dat dit een broer is van de persoon op de eerste foto. De periode dat hij bij hem kocht zou een jaar kunnen zijn. Begin 2014 heeft [getuige 2] in het ziekenhuis gelegen, daarna is hij begonnen met het kopen van drugs.12 Bij het zien van een foto van [verdachte] verklaart [getuige 2] dat hij bij hem het meeste heeft gekocht.13 [getuige 2] verklaart dat hij ongeveer een jaar drugs bij hem koopt.14 Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 2] dat hij bij politie de waarheid heeft verklaard, voor zover hij het wist.15

[D] (hierna: [D] ) verklaart op 12 februari 2015 dat hij zijn drugs koopt via het telefoonnummer 06‑ [telefoonummer] , bij personen die zich “ [bijnaam] ” noemen.16 [D] verklaart bij het zien van de foto’s van [A] , [B] en [C] dat deze personen tot de groep “ [bijnaam] ” behoren en dat hij ruim een jaar bij hen kocht.17 Over [verdachte] verklaart [D] dat hij bij hem het vaakst kocht. Ze draaiden verschillende diensten en werkten alle vier.18 [D] verklaart dat ze veel klanten hadden in Hoograven, Lunetten en Overvecht19 (wijken van Utrecht20).

Op 8 oktober 2014 vindt een gesprek plaats tussen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [E] (hierna: [E] ). [E] verklaart dat hij telefonisch contact heeft met zijn dealers via het nummer 06‑ [telefoonummer] . Het telefoonnummer is van vier broers, die wanneer er wordt gebeld allemaal de telefoon kunnen opnemen. Het is een soort algemeen nummer. Het is namelijk niet zo dat degene die de telefoon opneemt ook vervolgens komt om de drugs te verkopen. De dag voor het gesprek had [E] voor het laatst gekocht. Toen kwamen [C] en [B] naar zijn woning. [verdachte] wordt door [E] genoemd als de jongste en dikke met een bril.21

4.3.2

Aanvullende bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Op 2 februari 2015 vindt een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres] in [woonplaats] .22 Volgens de Gemeentelijke Basisadministratie staan op dit adres onder meer de volgende personen ingeschreven: [A] , [C] , [B] en [verdachte] .23 In de garderobekast in slaapkamer 2 worden op een ligplank naamstickers aangetroffen met “ [C] ”, “ [A] ” en “ [B] ”. In een andere garderobekast in slaapkamer 2 wordt een plastic mandje aangetroffen. Daarin wordt onder andere het volgende aangetroffen:

- 17 gevouwen ponypacks, gevuld met een onbekende witte substantie;

- een plastic boterhamzakje met daarin een onbekende witte substantie.24

Op slaapkamer 2 is, op de grond, verder een zakje met wit poeder/brokjes25 en een zakje bruin26 aangetroffen.

Op 6 februari 2015 wordt onderzoek gedaan naar een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen die in beslag zijn genomen op de [adres] in [woonplaats] . Hieruit blijkt het volgende:

- 9,64 gram wit poeder, aangetroffen in een kast van slaapkamer 2, SIN: AAHW2201NL27;

- 8,29 gram, inhoud van 17 ponypacks, aangetroffen in een kast van slaapkamer 2, SIN: AAHW2203NL;

- 64,45 gram wit poeder, aangetroffen in slaapkamer 2 op de grond, SIN: AAHW2204NL;

- 4,15 gram, aangetroffen in slaapkamer 2 op de grond, SIN: AAHW2206NL.28

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijken de volgende resultaten en conclusies:

- AAHW2201NL: bevat cocaïne;

- AAHW2203NL: bevat cocaïne;

- AAHW2204NL: bevat cocaïne;

- AAHW2206NL: bevat heroïne.29

4.3.3

Aanvullende bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3

Op 14 januari 2015 vindt een telefoongesprek plaats tussen de gebruikers van de nummers 06- [telefoonummer] (hierna: * [telefoonummer] ) en 06- [telefoonummer] (hierna: * [telefoonummer] ). De gebruiker van * [telefoonummer] vraagt of de ander vanavond twee uurtjes van hem wil overnemen. De ander gaat hiermee akkoord.30 De gebruiker van * [telefoonummer] is door de politie geïdentificeerd als [B] en de gebruiker van het nummer * [telefoonummer] als [verdachte] .31 Op 2 februari 2015 te 15.53 uur is er telefonisch contact tussen het nummer 06- [telefoonummer] (hierna: * [telefoonummer] ) en * [telefoonummer] . De gebruiker van * [telefoonummer] vraagt aan de ander of hij even vijf uur van hem kan overnemen.32 De gebruiker van * [telefoonummer] is door de politie geïdentificeerd als [B] .33 Op 2 februari 2015 wordt [verdachte] aangehouden. Bij hem worden de drie deallijnen aangetroffen.34

Op 23 november 2014 wordt vanaf het telefoonnummer * [telefoonummer] een sms verstuurd naar het nummer 06- [telefoonummer] . In deze sms staat het volgende:

“Nieuwe spullen! Sterkste donker ooit!! Zoete lichte. Altijd bereikbaar! Gr. [bijnaam] ”.35

Door de politie is onderzoek gedaan naar de telefoonnummers die als deallijnen zijn aangemerkt, te weten * [telefoonummer] , * [telefoonummer] en * [telefoonummer] . Uit dit onderzoek blijkt dat de gebruikers van deze lijnen kennelijk dezelfde personen betreffen. De stemmen van de gebruikers kwamen namelijk overeen. Verder is gebleken dat de gebruikers van de deallijnen door de afnemers vaak [bijnaam] werden genoemd en zichzelf ook regelmatig [bijnaam] noemden.36

4.3.4

Bewijsoverwegingen

Periode

De raadsman heeft betoogd dat slechts een bewezenverklaring kan volgen voor een beperkte periode nu verdachte heeft verklaard dat hij halverwege september 2014 is begonnen met het dealen van harddrugs.

De rechtbank deelt dit standpunt van de raadsman niet. Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van diverse afnemers van harddrugs, volgt dat verdachte en zijn broers ook vóór september 2014 hebben gedeald in heroïne en cocaïne. Op basis van deze bewijsmiddelen kan, naar het oordeel van de rechtbank, de gehele ten laste gelegde periode, namelijk van 11 mei 2014 tot en met 2 februari 2015, bewezen worden verklaard.

Criminele organisatie

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 3 ten laste gelegde feit. Uit het dossier blijkt, volgens de raadsman, onvoldoende dat sprake zou zijn van een criminele organisatie. Bovendien zijn verdachte en zijn medeverdachten broers van elkaar. Deze familieband geeft een bepaalde duurzaamheid. Uit het dossier blijkt echter niet dat de in de familie geldende gezagsverhoudingen zijn gebruikt om strafbare feiten te plegen.

De rechtbank merkt allereerst op dat de stelling van de raadsman, dat verdachte slechts de telefoons met anderen deelde, wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Zo wordt door een getuige onder andere verklaard dat verdachte en zijn drie broers samenwerkten en dat het regelmatig voorkwam dat de drugs die telefonisch bij de ene broer besteld waren door een andere broer werden afgeleverd.

Verder blijkt uit het dossier dat er vanaf één van de deallijnen een sms wordt verstuurd, waarin staat vermeld “altijd bereikbaar”. Dit wordt ook bevestigd door afnemers die bij verdachte en zijn medeverdachten kochten. Daarnaast blijkt uit tapgesprekken dat er afspraken werden gemaakt over het overnemen van diensten. Kennelijk met de bedoeling om voor afnemers altijd bereikbaar te zijn. Dat de deallijnen daadwerkelijk goed bereikbaar waren, blijkt ook uit de ruim 25.000 gesprekken die in een periode van minder dan vier maanden op de deallijnen hebben plaatsgevonden.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 11a van de Opiumwet (oud) dient er sprake te zijn van deelname aan een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste één andere persoon, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Voor een familie geldt dat de eigen juridische en sociale structuur op een aantal punten overeenkomsten vertoont met de hierboven genoemde aspecten van een criminele organisatie. Dit betekent echter niet dat om die reden reeds sprake is van een criminele organisatie indien meerdere leden van een familie tezamen misdrijven plegen. Daarvan is slechts sprake indien deze familiestructuur met een zekere stelselmatigheid en bestendigheid wordt ingezet om te kunnen komen tot het plegen van de strafbare feiten.

In deze zaak is duidelijk gebleken van een dergelijke aanwending van de reeds bestaande familiestructuur door verdachte en zijn medeverdachten. Er werd door verdachte en zijn medeverdachten op een zeer stelselmatige wijze samengewerkt. Het feit dat zij 24 uur per dag bereikbaar wilden zijn, vereiste een zorgvuldige afstemming. Bovendien was sprake van een zeer intensieve handel. Alleen al in de periode dat de deallijnen werden afgeluisterd, vonden ruim 25.000 (drugsgerelateerde) gesprekken plaats. Een dergelijke intensieve handel maakt het maken van afspraken en het onderling verdelen van taken onontkoombaar. Dit wordt ook bevestigd door de telefoongesprekken, waarin het beeld naar voren komt dat men gebruik maakte van bereikbaarheidsdiensten. Ook uit de getuigenverklaringen blijkt dat er door verdachte en zijn medeverdachten niet zelfstandig werd geopereerd, maar dat sprake was van een intensieve samenwerking.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie.

Aanwezig hebben cocaïne/heroïne

Verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat hij een eigen handelsvoorraad had en niets afwist van de drugs die zijn aangetroffen in de woning aan de [adres] in [woonplaats] .

De rechtbank acht deze lezing van verdachte niet aannemelijk. Zoals hiervoor is overwogen, was er tussen verdachten en zijn medeverdachten sprake van een intensieve samenwerking. De rechtbank acht niet aannemelijk dat iedere verdachte zijn eigen harddrugs inkocht, terwijl door verdachten voor het overige erg nauw werd samengewerkt. Verdachten stonden allen ingeschreven op de [adres] , verbleven er regelmatig en hadden dus allen de beschikking over de aangetroffen harddrugs. Gelet op de grote hoeveelheid (van met name de cocaïne), merkt de rechtbank de aangetroffen harddrugs aan als een gemeenschappelijke handelsvoorraad. Dit geldt ook voor de heroïne, hoewel daarvan een kleinere hoeveelheid is aangetroffen, nu niet is gebleken dat één van de verdachten dit zelf gebruikte en er door verdachten zowel in cocaïne als in heroïne werd gedeald.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 11 mei 2014 tot en met 2 februari 2015 te Utrecht, tezamen en in

vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne, telkens een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 2 februari 2015 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,15 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en 82,38 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

in de periode van 11 mei 2014 tot en met 2 februari 2015 te Utrecht heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 en de onder 16/661396-15 (feit 1 en 2) bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot

een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de jeugdige leeftijd en de kwetsbaarheid van verdachte. Om die reden en gelet op de feiten dient, volgens de raadsman, aan verdachte geen gevangenisstraf te worden opgelegd die langer is dan het reeds ondergane voorarrest. Wanneer verdachte opnieuw vast komt te zitten, zal dit een zeer negatieve invloed hebben op zijn resocialisatie. Bij het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf kan door de rechtbank reclasseringstoezicht worden bevolen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna 9 maanden schuldig gemaakt aan het handelen in harddrugs. Deze handel werd door verdachte samen met zijn broers gedreven, waarbij onderling nauw en op een georganiseerde wijze werd samengewerkt. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat in ieder geval de laatste vier maanden sprake was van een zeer intensieve handel in harddrugs. Daarnaast heeft verdachte een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs in zijn bezit gehad.

Door te handelen in cocaïne en heroïne heeft verdachte bijgedragen aan het ontstaan en het in stand houden van drugsafhankelijkheid bij een overwegend kwetsbare groep, waardoor de gezondheid van deze groep in gevaar is gebracht. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat drugsgebruik leidt tot (vermogens)criminaliteit. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Bij het plegen van de strafbare feiten heeft verdachte echter enkel gedacht aan zijn eigen geldelijk gewin en zich geen enkele rekenschap gegeven van deze negatieve effecten.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 december 2015, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Uit het pro justitia rapport van 9 november 2015 blijkt dat verdachte niet heeft willen meewerken aan dit psychologisch onderzoek.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 23 april 2015, opgemaakt door [F] , en het reclasseringsadvies van 29 juli 2015, opgemaakt door Reclassering Nederland. In het rapport van 23 april 2015 wordt geadviseerd aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden dat hij zich zal houden aan het reclasseringstoezicht, zal meewerken aan het vinden van een zinvolle dagbesteding en mee zal werken aan een CoVa of CoVa+ training. Uit beide rapporten blijkt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht.

De rechtbank ziet eveneens onvoldoende aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Uit de hiervoor genoemde rapporten blijkt dat begeleiding van verdachte in het verleden, door onder meer de Raad voor de Kinderbescherming, niet tot de gewenste resultaten heeft geleid. Bovendien zijn er door de weigering van verdachte om mee te werken aan het psychologisch onderzoek, onvoldoende aanknopingspunten om het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank is van oordeel dat -gelet op de duur en frequentie van het dealen door verdachte- alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie vormt.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte. De feiten hebben zich afgespeeld vanaf het moment dat verdachte achttien werd.

Daarnaast heeft de rechtbank uitdrukkelijk rekening gehouden met de strafoplegging in de strafzaak onder parketnummer 16/661396-15, waarin gelijktijdig met de onderhavige zaak vonnis wordt gewezen. In deze strafzaak wordt verdachte verweten kort samengevat de drie maanden voorafgaande aan zijn 18e verjaardag te hebben gedeald samen met anderen en te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie. In deze strafzaak is aan verdachte een voorwaardelijke straf opgelegd met bijzondere voorwaarden.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

9 Het beslag

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het onder verdachte in beslag genomen geld en de twee mobiele telefoons verbeurd te verklaren.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het geld gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De mobiele telefoons dienen volgens de raadsman te worden teruggegeven aan verdachte.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Geld

Onder verdachte is een geldbedrag van € 3.101,50 in beslag genomen. Verdachte kan dit geldbedrag geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Nu dit geldbedrag geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de onder 1 en 3 bewezen geachte zijn verkregen, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

Mobiele telefoons

Onder verdachte is het volgende in beslag genomen: twee zwarte, mobiele telefoons, merk Nokia. Nu met behulp van deze voorwerpen het onder 1 en 3 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

10.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tenuitvoerlegging geheel toe te wijzen en de jeugddetentie om te zetten in een gevangenisstraf.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de stukken bevindt zich de op 18 februari 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 21/000343-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 26 juni 2014 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij verdachte is veroordeeld tot onder meer jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 58 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de jeugddetentie te geven, zal de rechtbank echter gelasten dat verdachte een taakstraf van 116 uren moet verrichten

De rechtbank beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 58 dagen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10 en 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

12 Beslissing

De rechtbank:

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslag

Verklaart verbeurd:

 een mobiele telefoon, Nokia, zwart (goednummer: 1363415);

 een mobiele telefoon, Nokia, zwart (goednummer: 1363420);

 geldbedragen, in totaal ten bedrage van € 3.101,50 (goednummers: 250805, 250804, 250343, 250516, 250433 en 250662).

Vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 21/000343-14)

Gelast in plaats van de jeugddetentie, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd arrest van 26 juni 2014 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, een taakstraf voor de duur van 116 uren.

Beveelt dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren is verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 58 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, mrs. G.A. Bos en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2016.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2014 tot en met 2 februari 2015 te

Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of (telkens) een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 02 februari 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 4,15 gram, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of

(ongeveer) 82,38 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

3.

hij in of omstreeks de periode 11 mei 2014 tot en met 2 februari 2015 te

Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht en/of Midden-Nederland, heeft

deelgenomen aan een organisatie, te weten organisatie die tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk

- het (telkens) verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

van een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne

(diacetylmorfine) en/of een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 140 Wetboek van Strafrecht

art 11a lid 1 Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

art 2 ahf/ond C Opiumwet

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal van het onderzoek 09BOK14, nummer 2015035965A, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 1693 en de aanvullingen op het einddossier van 8 juni 2015, 9 juli 2015 en 22 juli 2015). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 januari 2016.

3 Het proces-verbaal onderzoek GSM’s, pagina 253.

4 Het proces-verbaal onderzoek GSM’s, pagina 254.

5 Het proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2015, p. 36.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 3 september 2015, p. 2.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 3 september 2015, p. 3.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 2] van 20 februari 2015, p. 1091.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 2] van 20 februari 2015, p. 1092.

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 2] van 20 februari 2015, p. 1091.

11 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 2] van 20 februari 2015, p. 1092.

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 2] van 20 februari 2015, p. 1093.

13 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 2] van 20 februari 2015, p. 1094.

14 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 2] van 20 februari 2015, p. 1095.

15 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 3 september 2015, p. 2.

16 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [D] van 12 februari 2015, p. 866.

17 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [D] van 12 februari 2015, p. 867 en 868.

18 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [D] van 12 februari 2015, p. 869.

19 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [D] van 12 februari 2015, p. 868.

20 Feit van algemene bekendheid.

21 Het proces-verbaal telefoonnummer dealers van 8 oktober 2014, p. 23.

22 Het proces-verbaal binnentreden/doorzoeking ter inbeslagneming van 3 februari 2015, p. 205.

23 Het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming van 14 januari 2015, p. 194.

24 Het proces-verbaal binnentreden/doorzoeking ter inbeslagneming van 3 februari 2015, p. 207.

25 Een geschrift, te weten een ongetekende kennisgeving van inbeslagneming van 4 februari 2015, p. 233.

26 Een geschrift, te weten een ongetekende kennisgeving van inbeslagneming van 4 februari 2015, p. 234.

27 Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 6 februari 2015, p. 220.

28 Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 6 februari 2015, p. 221.

29 Het rapport identificatie van drugs en precursoren van 24 maart 2015, p. 241.

30 Een geschrift, te weten een gesprek uit onderzoek 09BOK14 van 14-01-2015 15:23:16, p. 155.

31 Het proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2015, p. 40.

32 Een geschrift, te weten een gesprek uit onderzoek 09BOK14 van 02-02-2015 15:53:44, p. 157.

33 Het proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2015, p. 40.

34 Het proces-verbaal van bevindingen van 25 maart 2015, p. 126.

35 Een geschrift, te weten een sms uit onderzoek 09BOK14 van 23-11-2014 10:24:11, p. 152.

36 Het proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2015, p. 38.