Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5476

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
5293134 ME VERZ 16-207
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2016:6276
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking. Bestuurder woningbouwvereniging gestart als vrijwilliger. Nadien is er een arbeidsovereenkomst ontstaan. Voor wat betreft de aanvangsdatum heeft de woningbouwvereniging het vermoeden ex artikel 7:610a BW dat er ook voor 1 januari 2014 een arbeidsovereenkomst bestond, onvoldoende weerlegd. Werknemer wordt in de gelegenheid gesteld om te concretiseren vanaf welk moment de woningbouwvereniging loon is gaan betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1140 met annotatie van O. van der Kind
AR 2016/2973

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Zaak- en rekestnummer: 5293134 / ME VERZ 16-207

Datum beslissing: 11 oktober 2016

Beschikking in de zaak

met zaaknummer / rekestnummer 5293134 / ME VERZ 16-207 van

[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster, hierna ook te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde mr. M.H.A. Gobes,

en

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
WONINGBOUWVERENIGING LAREN,
gevestigd te Hilversum,
verweerster, hierna ook te noemen: Woningbouwvereniging Laren,
gemachtigde mr. O.R. Siemelink.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoekster] met 23 producties, ter griffie ingekomen op

10 augustus 2016;

- het verweerschrift van Woningbouwvereniging Laren, tevens houdende zelfstandig verzoek, met 32 producties, ter griffie ingekomen op 16 september 2016;

- de brief van de zijde van [verzoekster] van 21 september 2016 met aanvullende producties

24 tot en met 33.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 september 2016. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Verder hebben partijen hun standpunten nader toegelicht aan de hand van pleitnota’s die in het geding zijn gebracht.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2
2. De feiten

2.1.

Woningbouwvereniging Laren is een toegelaten instelling in de zin van artikel 19 van de Woningwet.

2.2.

Woningbouwvereniging Laren heeft een raad van commissarissen (hierna: RvC), die, onder meer, belast is het met toezicht op het bestuur van Woningbouwvereniging Laren en het benoemen en ontslaan van de individuele bestuurders.

2.3.

[verzoekster] , geboren op [1977] , is sinds 25 november 2004 werkzaam bij Woningbouwvereniging Laren. Zij is begonnen in de functie van algemeen bestuurslid en is op 22 november 2012 benoemd tot voorzitter van het Bestuur. Ingevolge de statuten van Woningbouwvereniging Laren geldt deze benoeming voor vier jaar.

2.4.

De arbeidsomvang van [verzoekster] bedraagt circa 0,20 fte.

2.5.

Aanvankelijk verrichtte [verzoekster] haar werkzaamheden op vrijwillige basis. Enkele jaren later is Woningbouwvereniging Laren [verzoekster] een vaste maandelijkse vergoeding gaan betalen voor haar werkzaamheden. Deze bedroeg laatstelijk € 1.460,00 bruto per maand.

2.6.

Bij besluit van 19 september 2014 heeft de Belastingdienst de verhouding tussen Woningbouwvereniging Laren en haar bestuurders aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Uit praktisch oogpunt zijn de bestuursleden met ingang van

1 januari 2014 in de loonadministratie opgenomen.

2.7.

[verzoekster] is een bestuurder in de zin van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (hierna: WNT).

2.8.

Bij e-mail van 14 april 2015 heeft [verzoekster] het navolgende aan de RvC geschreven:

Gisteren hebben we als bestuur een extra overleg gehad over het bericht van de advocaat en de belastingdienst dat we echt in loondienst moeten. Laatste pogingen om de 'oude werkwijze' voor 2014 nog te laten gelden, zijn helaas op niks uitgelopen.

(…)

Het is een flinke aderlating voor de vereniging dat deze dienstverbanden moeten. We hebben mogelijke andere opties besproken, maar we kunnen geen ultieme mogelijkheid bedenken. Mochten jullie nog iets weten dan horen we dat graag. Het beste voor de vereniging zou zijn om geen dienstverbanden te hebben. Maar we zijn er inmiddels van doordrongen dat we waarschijnlijk niet anders kunnen.

(…)

2.9.

Op 7 februari 2016 heeft [verzoekster] een memo en een beoordelingsformulier ontvangen over haar functioneren als voorzitter van het Bestuur.

2.10.

Bij brief van 18 februari 2016 heeft het Bestuur aan de RvC medegedeeld zich niet te kunnen vinden in de inhoud van de beoordeling en deze op te vatten als een motie van wantrouwen naar het hele Bestuur.

2.11.

Op 17 maart 2016 heeft het Bestuur de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) aangeschreven. In deze brief staat, onder meer, het navolgende:

(…)Wij melden bij deze een bestaand conflict dat in een impasse terecht is gekomen.

(…)

De Raad die wij op dit moment hebben, is samengesteld uit mensen die geen of weinig affiniteit hebben met volkshuisvesting, allen geen ervaring hebben als RvC-lid en bovenal is de laatste als 'vriend' gekozen vlak voordat de verplichting van de fit and proper test zich voordeed.

(…)
Wij zien geen oplossing meer. We zien dat een heleboel moet gebeuren, maar dat we telkens van het spoor afraken door allerlei communicatiestoornissen.

(…)
Wij kunnen de bedoeling en intenties van de RvC niet inschatten.

U bent als Autoriteit nog maar vrij recent aan het werk. Pas over 2, 3 en 4 jaar zullen de RvC leden bij u komen voor de fit and proper test. In het belang van de vereniging is dit veel te laat. Dan is ‘het kalf waarschijnlijk al verdronken’.

Zijn er mogelijkheden om de RvC-leden tussentijds een fit and poper test te laten doen? Kunt u tussentijds kijken naar de geschiktheid dan wel intenties van deze mannen? Zo nee, hebt u dan iemand binnen uw gelederen die met ons mee kan kijken naar de ontstane situatie in het belang van de sociale woningbouw? Zodat een onafhankelijk iemand deze situatie kan doorbreken?

(…)

2.12.

De RvC heeft aan [verzoekster] mediation aangeboden zodat het conflict niet verder zou escaleren en afspraken gemaakt konden worden over de resterende tijd van [verzoekster] als bestuurder bij Woningbouwvereniging Laren. [verzoekster] is hier niet op ingegaan.

2.13.

In april 2016 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de ILT en het Bestuur en de ILT en de RvC. De ILT heeft geconcludeerd dat de relatie tussen Bestuur en RvC beschadigd is en de communicatie problematisch is. De ILT heeft het Bestuur en de RvC opgeroepen om hun verantwoordelijkheid te nemen en weer tot samenwerking over te gaan.

2.14.

Eind april 2016 heeft de RvC VOF [naam vennootschap onder firma] de opdracht gegeven om als onafhankelijke partij een verkennend onderzoek uit te voeren naar de bestuurlijke en interpersoonlijke verhoudingen binnen het bestuur en de RvC, met als doel het verkrijgen van concrete adviezen aan de RvC en het Bestuur om de situatie te verbeteren.

2.15.

Begin mei 2016 heeft het Bestuur haar medewerking aan het onderzoek van VOF [naam vennootschap onder firma] ingetrokken, omdat zij twijfelde aan de onafhankelijkheid van de persoon die het onderzoek uitvoerde. Op 9 mei 2016 heeft het Bestuur dit eveneens aan het ILT bericht.

2.16.

Het Bestuur had de wethouder van de gemeente Laren eveneens op de hoogte gesteld van de spanningen binnen Woningbouwvereniging Laren. Op 27 mei 2016 heeft de wethouder van de gemeente Laren voorgesteld om te bemiddelen tussen de RvC en het Bestuur. Het Bestuur heeft aangegeven hier haar medewerking aan te willen verlenen. De RvC heeft haar medewerking geweigerd.

2.17.

De RvC heeft VOF [naam vennootschap onder firma] het aangevangen onderzoek laten voortzetten, in welk kader VOF [naam vennootschap onder firma] een rapportage aan de RvC heeft doen toekomen (hierna: het rapport). Het (concept)rapport is door de RvC aan de ILT verstrekt.

2.18.

Bij brief van 3 juni 2016 heeft de RvC de overeenkomst van [verzoekster] opgezegd per 1 augustus 2016. In die brief heeft de RvC onder meer geschreven:

(…)

De Raad van Commissarissen heeft zich beraden op uw positie binnen het bestuur en is na ampel beraad tot de conclusie gekomen dat samenwerking tussen u en de vereniging tot een einde moet komen. Daarbij heeft de rvc zich laten leiden door de volgende argumenten (niet limitatief en in een willekeurige volgorde)

1. Uw functioneren is recentelijk dor de rvc negatief beoordeeld;

2. U heeft openlijk twijfels geplaatst bij de integriteit van de rvc

3. Tussen u en de rvc is sprake van een ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk;

4. De rvc heeft onvoldoende grip kunnen krijgen op de koers van het bestuur, dat onder uw leiding functioneert;

5. U heeft zich neerbuigend en laatdunkend uitgelaten over met name de voorzitter van de rvc;

6. De rvc wil graag een coöperatieve en welwillende voorzitter van het bestuur. Helaas bespeurt de rvc bij u (passief) verzet en tegenwerking;

7. Onder uw leiding heeft het bestuur een financieel adviseur benoemd, nota bene een voormalig lid van de rvc, in plaats van conform de uitdrukkelijke wens van de rvc te voorzien in de vacante positie van penningmeester;

8. Ten onrechte heeft het bestuur de door het accountantskantoor [naam accountantskantoor] en de rvc geuite zorgen over de positie van de heer [A] in de wind geslagen;

9. Onder uw leiding heeft het bestuur niet gezorgd voor een uitgebalanceerde en moderne governance en zijn de statuten niet aangepast aan de eisen van de nieuwe woningwet;

10. De rvc neemt het u kwalijk dat u de gemeente Laren, wetende van de fundamentele bezwaren van de rvc, tegen het voorstel, onlangs heeft laten weten, dat het bestuur wel wil meewerken aan mediation door de wethouder;

Deze argumenten, ieder voor zich maar zeker ook in onderlinge samenhang bezien, kwalificeren zich als redelijke grond in de zin van ar. 7:669 BW. Uiteindelijk heeft de rvc de onvermijdelijke conclusie getrokken, dat u niet (meer) voldoet aan het profiel van de ideale voorzitter van het bestuur van de woningbouwvereniging Laren. (…)

2.19.

[verzoekster] heeft bij brief van 20 juni 2016 tegen de opzegging geprotesteerd.

2.20.

Op 28 juli 2016 heeft Woningbouwvereniging Laren [verzoekster] geïnformeerd dat geen uitvoering gegeven wordt aan de opzegging. Woningbouwvereniging Laren heeft na

1 augustus 2016 de vaste maandelijkse vergoeding aan [verzoekster] doorbetaald.

2.21.

De RvC heeft [verzoekster] met ingang van 2 september 2016 geschorst.

3 Het verzoek van [verzoekster]

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter – na schriftelijke wijziging van verzoek - om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, Woningbouwvereniging Laren te veroordelen:

primair:

- om aan haar te betalen een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1, aanhef en onder a BW van € 35.040,00 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

- om aan haar te betalen een transitievergoeding van € 5.962,00 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

- om aan haar te betalen een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst van € 2.920,00 bruto;

subsidiair:

- om aan haar te betalen een billijke vergoeding ex artikel 7:682 lid 3, aanhef en onder a en b BW van € 35.040,00 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

- om aan haar te betalen een transitievergoeding van € 5.962,00 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

- om aan haar te betalen een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst van € 2.920,00 bruto;

in alle gevallen:

- om aan haar af te geven een afschrift van het rapport van VOF [naam vennootschap onder firma] , op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat Woningbouwvereniging Laren hiertoe in gebreke blijft, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag,

- om aan haar te betalen de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

- in de proceskosten.

4 Het zelfstandig tegenverzoek van Woningbouwvereniging Laren

4.1.

Woningbouwvereniging Laren verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] per 1 november 2016 te ontbinden, kosten rechtens.

5 De beoordeling van het verzoek van [verzoekster]

5.1.

Partijen zijn het eens dat tussen hen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Verder staat tussen hen niet ter discussie dat de opzegging van 3 juni 2016, gelet op het bepaalde in artikel 25 lid 1 Woningwet, in strijd is geweest met artikel 7:671 BW.

5.2.

Tussen partijen is echter in geschil of de arbeidsovereenkomst door de opzegging van 3 juni 2016 op 6 augustus 2016 ook is geëindigd, omdat Woningbouwvereniging Laren aanvoert dat zij [verzoekster] nog voor de indiening van het verzoekschrift heeft geïnformeerd dat geen uitvoering gegeven wordt aan haar opzegging.

5.3.

Overwogen wordt dat een opzegging volgens vaste jurisprudentie een eenzijdige rechtshandeling betreft die niet zonder medewerking van de tegenpartij kan worden teruggedraaid. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat [verzoekster] met een intrekking heeft ingestemd. Woningbouwvereniging Laren is dan ook gebonden aan haar opzegging, hetgeen betekent dat de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2016 is beëindigd. Dat Woningbouwvereniging Laren de vaste maandelijkse vergoeding heeft doorbetaald, doet daar niet aan af.

5.4.

Partijen verschillen verder van mening over de vraag vanaf welk moment de arbeidsovereenkomst is aangevangen. Om die reden is de hoogte van de transitievergoeding en de vraag of de opzegging onregelmatig is geweest in geschil. Eveneens in geschil is hoe de hoogte van de billijke vergoeding moet worden bepaald. Voorts zijn partijen het niet eens of de WNT voornoemde vergoedingen maximeert. Tot slot is in geschil of Woningbouwvereniging Laren gehouden is om een kopie van het rapport aan [verzoekster] te verstrekken.

Aanvangsdatum arbeidsovereenkomst

5.5.

Van een arbeidsovereenkomst is ingevolge artikel 7:610 BW sprake indien een partij zich heeft verbonden om in dienst van de ander tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

5.6.

[verzoekster] en Woningbouwvereniging Laren hebben zich jegens elkaar verbonden in die zin dat [verzoekster] voor Woningbouwvereniging Laren werkzaamheden is gaan verrichten.

Dit hebben zij niet schriftelijk vastgelegd. [verzoekster] is eerst werkzaam geweest als algemeen lid van het bestuur van Woningbouwvereniging Laren en later, vanaf 22 november 2012, als voorzitter van het bestuur van Woningbouwvereniging Laren. Partijen gaan ervan uit dat in ieder geval sinds 1 januari 2014 een arbeidsovereenkomst bestaat. Tussen partijen is echter in geschil of in de periode van voor 1 januari 2014 ook sprake was van een arbeidsovereenkomst, hetgeen volgens [verzoekster] het geval is en door Woningbouwvereniging Laren wordt betwist.

5.7.

Bij de beoordeling van het voorgaande geldt op grond van het bepaalde in artikel 7:610a BW het vermoeden dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, nu vast staat dat [verzoekster] tegen beloning gedurende drie opvolgende maanden wekelijks arbeid voor Woningbouwvereniging Laren heeft verricht. Beoordeeld moet worden of Woningbouwvereniging Laren dit rechtsvermoeden voldoende heeft weerlegd. In dit verband is van belang na te gaan wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband worden bezien (HR

14 november 1997, NJ 1998, 149, [naam] /Schoevers).

5.8.

Woningbouwvereniging Laren heeft gesteld dat de initiële bedoeling van partijen was om geen arbeidsovereenkomst aan te gaan. [verzoekster] heeft dit niet weersproken en uit haar e-mail van 14 april 2015 blijkt ook dat zij zich verzet heeft tegen in ieder geval de fiscale kwalificatie van een arbeidsovereenkomst. Niet te snel mag worden aangenomen dat een overeenkomst tussen twee partijen ‘geruisloos’ van karakter is veranderd (HR 5 april 2002, JAR 2002, 100, ABN ARMO/ [naam] ). Desondanks maakt de enkele omstandigheid dat partijen geen arbeidsovereenkomst wensten, echter niet dat geen arbeidsovereenkomst kan zijn ontstaan (HR 13 juli 2007, JAR 2007, 231, Thuiszorg/PGGM).

5.9.

Voor wat betreft de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst is het volgende van belang. [verzoekster] heeft gesteld dat zij bij aanvang van haar werkzaamheden voor Woningbouwvereniging Laren onder het gezag van de algemene ledenvergadering stond en sinds de wijziging van de Woningwet onder het gezag van de RvC. Dit is door Woningbouwvereniging Laren niet betwist. Ook heeft Woningbouwvereniging Laren niet betwist dat [verzoekster] haar arbeid altijd persoonlijk heeft moeten uitvoeren en zich niet mocht laten vervangen. [verzoekster] is op enig moment een vaste maandelijkse vergoeding gaan ontvangen. Die vergoeding was dus niet afhankelijk van het aantal gewerkte uren, werd niet gedeclareerd en er was geen sprake van een btw-component. Het bedrag werd ook tijdens de vakantieperiode in december aan [verzoekster] onverkort doorbetaald. De vergoeding wordt derhalve gekwalificeerd als loon.

5.10.

Gelet op voorgaande omstandigheden, in onderling verband beschouwd, geldt dat Woningbouwvereniging Laren onvoldoende heeft aangevoerd om het rechtsvermoeden dat ook voor 1 januari 2014 een arbeidsovereenkomst bestond, als weerlegd te beschouwen. Nu [verzoekster] op de zitting echter onbetwist gesteld heeft dat aanvankelijk sprake was van vrijwilligerswerk waarbij aan haar geen vergoeding werd betaald, kan niet worden geconcludeerd dat de arbeidsovereenkomst reeds bij aanvang van de werkzaamheden van [verzoekster] voor Woningbouwvereniging Laren op 25 november 2004 een arbeidsovereenkomst is ontstaan. Voor de beoordeling van de vraag vanaf welk moment de arbeidsovereenkomst is ontstaan, is relevant vanaf welk moment [verzoekster] de maandelijkse vergoeding voor haar werkzaamheden is gaan ontvangen. De kantonrechter zal [verzoekster] in de gelegenheid stellen dat moment te concretiseren. Woningbouwvereniging Laren zal daarna de gelegenheid krijgen om te reageren op hetgeen door [verzoekster] naar voren wordt gebracht.

5.11.

De vraag vanaf welk moment de arbeidsovereenkomst tussen partijen is aangevangen is relevant voor alle door [verzoekster] verzochte vergoedingen, zodat

iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beoordeling van het tegenverzoek van Woningbouwvereniging Laren

6.1.

Vast staat dat de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op 1 augustus 2016 is geëindigd. Dit leidt ertoe dat de Woningbouwvereniging Laren niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Aangezien in het verzoek van [verzoekster] geen eindbeschikking wordt gegeven zal de kantonrechter, gelet op het belang van een goede proceseconomie, ook in het tegenverzoek iedere beslissing aanhouden totdat op het verzoek van [verzoekster] wordt beslist.

7 De beslissing

De kantonrechter:

in het verzoek van [verzoekster]

7.1.

stelt [verzoekster] in de gelegenheid om zich uiterlijk op 25 oktober 2016 uit te laten over het moment dat Woningbouwvereniging Laren haar een vergoeding is gaan betalen voor haar werkzaamheden;

7.2.

bepaalt dat Woningbouwvereniging Laren vervolgens twee weken de gelegenheid krijgt om te reageren;

7.3.

houdt iedere verdere beslissing aan;

in het tegenverzoek van Woningbouwvereniging Laren

7.4.

houdt iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2016.