Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5431

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
UTR - 16 _ 4298
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo, subsidie cultuurproject, advisering commissie cultuur, motiveringsgebrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/4298

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Jura Filmprodukties, te Utrecht, verzoekster

(gemachtigde: mr. J.A.M. Jonkhout),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Gangabisoensingh en H. Goedkoop).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 15 mei 2016 om toekenning van een subsidie van € 26.000,- voor het project “Slopera” (het project) afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2016. Namens verzoekster zijn verschenen haar gemachtigde, [A] en [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

  1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

  2. Bij de beoordeling acht de voorzieningenrechter met name van belang of het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft.

  3. De voorzieningenrechter acht voldoende spoedeisend belang aanwezig en vindt daarvoor het volgende van belang. Het project van verzoekster hangt samen met het verloop van de sloop en bouw van ongeveer 320 woningen in de wijk rondom het Queeckhovenplein te Utrecht. Ter zitting heeft verzoekster in dit verband toegelicht dat het de verwachting is dat de bouw eind november 2016 voltooid zal zijn. Volgens verzoekster moet er daarom zo spoedig mogelijk duidelijkheid zijn over de door verweerder te verlenen subsidie. Alleen dan is er nog voldoende tijd om de noodzakelijke voorbereidingen te kunnen treffen en de laatste fase van de bouw te betrekken in het project. Zeker ook omdat het gaat om een community-art project, is de huidige onduidelijkheid nadelig voor de verschillende betrokkenen, waaronder professionele spelers en muzikanten die hebben aangegeven zich aan het project te willen verbinden. Verzoekster kan de betrokkenen namelijk pas contracteren wanneer de financiering van het project rond is. Daarbij is ook van belang dat verschillende fondsen, waaronder het VSB fonds, de subsidie van verweerder als voorwaarde voor (de hoogte van) hun financiering hebben gesteld. Verder heeft verzoekster oude en nieuwe bewoners die zullen deelnemen aan het project, bij elkaar. Het project ligt op dit moment stil in afwachting van een beslissing op bezwaar van verweerder. Verweerder heeft in dit kader ter zitting toegelicht dat een beslissing op bezwaar nog minimaal vier weken op zich zal laten wachten. Daarbij is volgens verweerder van belang dat de te raadplegen Adviescommissie Cultuur maar één keer per vier weken vergadert. De beslissing op bezwaar zal voor verzoekster dus te laat komen en reeds daarom het gevolg hebben dat het project geen doorgang kan vinden.

  4. De voorzieningenrechter leidt uit het dossier en dat wat ter zitting is toegelicht af dat verzoekster in 2015 is aangevangen met de voorbereiding van het project. Het gaat om een theatervoorstelling waarin wordt getoond wat er met een buurtgemeenschap gebeurt nadat is besloten om 80% van de oude flatwoningen te slopen en op deze plek nieuwbouw te realiseren. De sloop en bouw van 320 woningen in de wijk rondom het Queeckhovenplein te Utrecht is volgens verzoekster een bron voor een (deels nog te maken) verhaal dat met verhalen in allerlei stijlen zal worden verteld. In dit kader heeft verzoekster overleg gevoerd met verweerder over een aanvraag om verlening van subsidie. Verzoekster heeft hierna twee aanvragen om subsidie ingediend ten behoeve van twee afzonderlijke trajecten die volgen op het eerste traject, de voorbereidingsfase. De eerste aanvraag betreft een aanvraag om verlening van een subsidie van € 20.000,- uit het Initiatieffonds en omvat het tweede traject, het organiseren en uitvoeren van een vijftal muziek- en filminterventies op sleutelmomenten tijdens het sloop- en bouwproces. Verweerder heeft deze aanvraag toegewezen en de subsidie verleend.
    De tweede, hier in geding zijnde, aanvraag betreft een aanvraag om verlening van een subsidie van € 26.000,- uit het Cultuurfonds en gaat over het derde traject. Dit traject omvat de organisatie en uitvoering van een theatervoorstelling. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft tegen de afwijzing bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster verzoekt primair om verweerder te verplichten de subsidie van € 26.000,-, al dan niet bij wijze van voorschot, te verlenen. Subsidiair verzoekt zij om verweerder te verplichten om uiterlijk binnen twee weken na datum uitspraak een beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van dat wat er door de voorzieningenrechter over het primaire besluit is geoordeeld.

  5. Verweerder kan op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder g, van de Algemene Subsidieverordening 2014 (de Subsidieverordening) de subsidieverlening weigeren indien de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente Utrecht. Op grond van artikel 9 van de beleidsregel Eenmalige subsidie cultuurprojecten 2014 (de Beleidsregel) worden alle aanvragen om subsidie door de Adviescommissie Cultuur (de adviescommissie) getoetst aan drie criteria, namelijk “artistieke kwaliteit”, “betekenis voor de stad” en “ondernemerschap”. Bij aanvragen op het terrein van cultuurparticipatie wordt ook gelet op de participatieve kwaliteiten van het projectplan. Om te voldoen aan het criterium “artistieke kwaliteit” moet het project volgens de Beleidsregel in alle aspecten getuigen van artistieke kwaliteit. Het project moet vakmanschap, zeggingskracht en oorspronkelijkheid tonen. Verder moet het een toevoeging zijn aan het bestaande aanbod en/of stimuleert het door zijn uitzonderlijke, voorbeeldstellende karakter naar verwachting andere activiteiten op het gebied van de kunsten in Utrecht. Voor het tweede criterium, “betekenis voor de stad”, is onder meer van belang de getoonde visie op de betekenis van het project voor Utrecht en de bijdrage aan de pluriformiteit en kwaliteit van het culturele leven. Wat betreft het derde criterium, “ondernemerschap”, is onder meer van belang de inspanningen om het publieksbereik zo groot mogelijk te maken, de bedrijfsvoering zo efficiënt mogelijk te maken, samenwerkingspartners te zoeken en meerdere financieringsbronnen te vinden. Feitelijk wordt gekeken naar de inspanningen van de aanvrager om het project met zo weinig mogelijke gemeentesubsidie te realiseren zonder in te leveren op de artistieke kwaliteit.

  6. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat het project volgens verweerder niet past binnen zijn beleid. Verweerder heeft ter onderbouwing van het besluit verwezen naar het advies van de adviescommissie. Uit het advies volgt dat het project van verzoekster niet voldoet aan de drie criteria genoemd in artikel 9 van de Beleidsregel. Over de artistiek inhoudelijke kwaliteit heeft de adviescommissie het standpunt ingenomen dat de onderbouwing van de urgentie voor het maken van de theatervoorstelling niet aanwezig is. De adviescommissie mist het artistiek inhoudelijke verhaal en een synopsis dat duidelijk maakt wat de makers willen vertellen. De adviescommissie vindt totaaltheater een interessante vorm, maar is van mening dat er geen inzicht wordt gegeven in de gelaagdheid van de verschillende disciplines in de voorstelling. Over de betekenis voor de stad heeft de adviescommissie overwogen dat het niet duidelijk is wie uiteindelijk verantwoordelijk is voor het project, hoe vaak de voorstelling wordt gespeeld en op welke locatie. Over ondernemerschap heeft de adviescommissie overwogen dat het voor de adviescommissie niet duidelijk is geworden welke rol de organisatie ZIMIHC theater Zuilen in het project heeft. De adviescommissie vindt fondsenwerving voor dit type project realistischer.

  7. Verzoekster voert aan dat verweerder zijn besluit niet op het advies van de adviescommissie heeft mogen baseren. Verzoekster is van mening dat het advies gebrekkig is gemotiveerd en dat er verkeerde criteria, die niet in artikel 9 van de Beleidsregels zijn opgenomen, worden gehanteerd, bijvoorbeeld of het project voldoende urgent is. Daarnaast is de adviescommissie ten onrechte tot de conclusie gekomen dat het project op artistiek inhoudelijke gronden onvoldoende is. Verzoekster heeft in dit verband immers onder meer toegelicht dat het gaat om een community-art project met, voor en door de lokale gemeenschap. Waar eerdere projecten volgens verzoekster vaak zien op een bestaande gemeenschap is dit project uniek. Het project heeft immers tot doel door middel van kunst de sociale en maatschappelijke samenhang tussen de achtergebleven, terugkerende en nieuwe bewoners te bevorderen. Hierdoor is het project tegelijkertijd van groot maatschappelijk belang voor de wijk en de stad. Het project speelt zich af tegen de achtergrond van, en in dialoog met de diverse filmbeelden van de sloop en de nieuwbouw. Tegen die achtergrond verbeelden spelers, bewoners en muzikanten hun gevoelens en ervaringen van de gebeurtenissen. Het materiaal voor de tekst en verhaallijnen komt uit de ruim twintig interviews met omwonende personen. Wat betreft de gelaagdheid van het stuk zal volgens verzoekster gelet op de aard van het project nog veel ontstaan gaandeweg het project. Het daadwerkelijke script zal pas ontstaan gaande de repetities. Volgens verzoekster is niet duidelijk in hoeverre de adviescommissie hier rekening mee heeft gehouden. Duidelijk is ook dat verschillende kunstvormen bij elkaar komen in het project. Tot slot merkt verzoekster over het vakmanschap op dat er wordt gewerkt met 10 professionals uit de wijk. Deze professionals zullen amateurspelers gaan begeleiden wat de kwaliteit van de productie in zijn geheel ten goede zal komen. Verzoekster heeft naast dit alles het idee dat de adviescommissie de stukken niet goed gelezen heeft. Zo staat in het advies dat niet duidelijk is wie verantwoordelijk is voor het project, hoe vaak de voorstelling wordt gespeeld en op welke locatie en welke rol ZIMICH in dit project heeft, terwijl deze informatie staat vermeld in de ingediende stukken (het artistiek concept en het theater-budget).

Artistieke kwaliteit

8. Verweerder heeft in reactie ter zitting toegelicht dat de adviescommissie vooral het beoordelingscriterium “artistieke kwaliteit” toetst en dat de overige twee criteria minder zwaar wegen.

Voor wat betreft “artistieke kwaliteit” vindt verweerder dat de uitwerking van het plan onvoldoende is. De adviescommissie is volgens verweerder niet zozeer van mening dat de maatschappelijke urgentie onvoldoende is, maar dat de urgentie voor de door verzoekster gekozen artistieke vorm onvoldoende is gebleken. Het stuk heeft volgens verweerder wel een bepaalde mate van oorspronkelijkheid en zeggingskracht van het stuk ligt in het verlengde daarvan. Verweerder vindt echter niet dat is gebleken van vakmanschap en is verder van mening dat de relatie tussen bijvoorbeeld de gekozen muziek en de gekozen theatervormen ontbreekt. Het decor van filmbeelden is volgens verweerder “heel aardig” maar wat is de verhouding tussen de filmbeelden en de mensen? Volgens verweerder wil de adviescommissie zogezegd zien “wat het gaat worden”, bijvoorbeeld doordat verzoekster stukken tekst en liedjes laat zien die gebruikt gaan worden.

9. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder weliswaar heeft aangegeven dat de uitwerking van het plan onvoldoende is, maar dat onweersproken is gebleven dat een soortgelijk project niet eerder in Utrecht is gemaakt en dat het project in zoverre een bepaalde mate van oorspronkelijkheid kent. Verweerder heeft ter zitting ook gezegd dat de zeggingskracht van het project in het verlengde daarvan ligt. Verder heeft verzoekster ter zitting onderbouwd weergegeven dat het gaat om een uniek community-art project over de opbouw van een gemeenschap door middel van kunst. Dit is evenmin weersproken door verweerder. Wat betreft het door verweerder gemiste vakmanschap heeft verzoekster erop gewezen dat verzoekster een professioneel bedrijf is en dat er tien professionals uit de wijk aan het project meewerken die de amateurspelers (de community) aansturen. Namen van professionals staan genoemd in het artistiek concept. Het project heeft tot slot een grote maatschappelijke relevantie en heeft betrekking op ongeveer 320 woningen. Verder heeft verzoekster wat betreft de gelaagdheid van de verschillende disciplines naar voren gebracht dat gelet op de aard van het project, nog veel in ontwikkeling is. Er zal worden gewerkt met mensen uit verschillende disciplines zoals ook staat beschreven in het artistiek concept. De voorzieningenrechter is het met verzoekster eens dat uit het primaire besluit en het advies niet blijkt in hoeverre er rekening is gehouden met de specifieke aard van het project. De adviescommissie heeft immers slechts overwogen dat totaaltheater een interessante vorm is. Verder is de motivering van verweerder ondeugdelijk omdat ter zitting is komen vast te staan dat het project volgens verweerder een bepaalde mate van oorspronkelijkheid en zeggingskracht heeft. Verzoekster heeft verder onderbouwd dat het project vakmanschap toont en een belangrijke toevoeging is aan het bestaande aanbod op het gebied van de kunsten in Utrecht, zoals staat verwoord in de Beleidsregel. Het advies van de adviescommissie op dit punt is hiermee niet te rijmen.

Betekenis voor de stad

10. Verzoekster voert ten aanzien van “betekenis voor de stad” aan dat in de aanvraag duidelijk is aangegeven dat zij de producent van het project is en dat ZIMIHC Theater Zuilen voor een zaal zal zorgen en een financiële bijdrage zal leveren. Verder staat er volgens verzoekster duidelijk boven het budget hoe vaak de voorstelling zal worden gespeeld en wordt er een schatting gegeven van het aantal bezoekers. Dat de adviescommissie over deze informatie heen heeft gelezen doet verzoekster sterk twijfelen aan de zorgvuldigheid van de beoordeling. Ter zitting heeft verzoekster in dit kader nog opgemerkt dat het project veel mensen zal gaan betrekken. Het project kan daarnaast een voorbeeldfunctie vervullen voor andere wijken en/of gemeenten. Het zal immers een sterk cohesiebevorderend effect voor de wijk hebben.

10. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de overwegingen over “betekenis voor de stad” niet het meest sterke onderdeel van het advies zijn. Hoewel het criterium volgens verweerder nog wel meeweegt is het niet van doorslaggevend belang. Het project heeft volgens verweerder gelet op de toelichting van verzoekster ter zitting wel betekenis voor de stad omdat het om community-art gaat, wat betekenis heeft voor de bewoners van de wijk en daarmee de stad. Bovendien worden er professionele kunstenaars uit de wijk in het project betrokken. Ook staat in het plan het aantal voorstellingen dat gespeeld gaat worden. De reden dat de adviescommissie over deze informatie heen heeft gelezen zou volgens verweerder gelegen kunnen zijn in het feit dat deze informatie niet op een gebruikelijke plek in het plan staat genoteerd.

10. De voorzieningenrechter kan verweerder gelet op het besprokene ter zitting niet volgen in het standpunt dat dit criterium nog kan worden tegengeworpen. Verweerder heeft immers bevestigd dat het project betekenis voor de stad heeft omdat het om een community-art project gaat en er professionele spelers uit de wijk bij het project zijn betrokken. Verweerder heeft ter zitting uitdrukkelijk gezegd dat het project wel betekenis heeft voor de stad. Duidelijk is ook dat verzoekster de eindverantwoordelijkheid draagt voor het project. De voorzieningenrechter volgt verzoekster in de stelling dat de omstandigheid dat de adviescommissie over het aantal te spelen voorstellingen heen heeft gelezen van weinig zorgvuldigheid in de beoordeling getuigt. De voorzieningenrechter vindt de verklaring van verweerder dat deze informatie niet op een gebruikelijke plek staat genoteerd, niet overtuigend.

Ondernemerschap

13. Verzoekster voert wat betreft ondernemerschap aan dat de adviescommissie eraan voorbij is gegaan dat de omstandigheid dat ZIMIHC Theater Zuilen bijdraagt in de kosten van het project juist in overeenstemming is met de doelstelling van het vinden van meerdere financieringsbronnen. Verder staat in het plan dat ZIMIHC Theater Zuilen mede-initiatiefnemer is en een zaal ter beschikking stelt ten behoeve van de voorstellingen. Over de financiering merkt verzoekster op dat het project voor 59% wordt gefinancierd door diverse fondsen. Verzoekster kan de adviescommissie dan ook niet volgen voor zover gesteld wordt dat de financiering op basis van fondsenwerving realistischer is.

13. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat onvoldoende duidelijk is hoe de samenwerking met ZIMIHC Theater Zuilen eruit zal gaan zien. Zo vraagt verweerder zich af of er zal worden gerepeteerd in de ruimten van ZIMIHC Theater Zuilen en of er een bijdrage in natura zal zijn. Verder leest verweerder het advies zo dat verzoekster wat betreft de financiering door middel van fondsenwerving voldoet aan het criterium. Tot slot heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het project met dat wat in bezwaar en ter zitting is aangevoerd, voldoet aan het criterium ondernemerschap, maar dat het voldoen aan dit criterium niet van doorslaggevend belang zal zijn bij de beslissing op bezwaar.

13. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de passage over fondsenwerving in het advies in voor verzoekster positieve zin moet worden uitgelegd. Verder heeft verzoekster op zitting duidelijk verwoord welke inspanningen er zijn verricht om aan het criterium te voldoen. Dit komt ook tot uiting in het budget dat onderdeel is van het plan. Ook heeft verweerder ter zitting bevestigd dat er inmiddels aan het criterium ondernemerschap wordt voldaan. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat niet langer in geschil is dat verzoekster voldoet aan dit criterium. De voorzieningenrechter merkt voorts op dat in de Beleidsregel geen rangorde is gemaakt ten aanzien de criteria: “artistieke kwaliteit”, “betekenis voor de stad” en “ondernemerschap”.

Belangenafweging?

16. Verzoekster voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft verricht. Zo heeft verweerder volgens verzoekster op geen enkele manier rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat verweerder al subsidie aan verzoekster heeft toegekend uit het Initiatieffonds. Wanneer verweerder geen subsidie verleent voor het derde traject zal de verleende subsidie voor het tweede traject volgens verzoekster verspild gemeenschapsgeld zijn en zal alles afgeblazen moeten worden.

16. Volgens verweerder heeft er een impliciete belangenafweging plaatsgevonden. De toewijzing van de eerste aanvraag om verlening van subsidie heeft daarbij geen rol gespeeld. De eerste subsidieaanvraag is volgens verweerder immers een afgeronde fase die niet van betekenis is in de nu voorliggende subsidieaanvraag.

16. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het eerder genoemde artikel 8, eerste lid, aanhef en onder g, van de Subsidieverordening volgt dat verweerder de subsidieverlening kan weigeren indien subsidieverstrekking niet binnen het beleid van de gemeente past. Deze bepaling vereist dat verweerder een belangenafweging verricht bij de weigering een subsidie te verstrekken. Dit heeft verweerder nagelaten. Dat er volgens verweerder een impliciete belangenafweging heeft plaatsgevonden leidt niet tot een andere conclusie. Er dient immers een kenbare, en daarmee toetsbare, belangenafweging plaats te vinden.

16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit gebreken vertoont waarvan het op dit moment niet goed te voorzien valt of verweerder die gebreken bij de te nemen beslissing op bezwaar zal kunnen herstellen. Zo wordt verzoekster enerzijds niet (langer) tegengeworpen dat niet wordt voldaan aan de criteria “betekenis voor de stad” en “ondernemerschap”. Verder is het advies van de adviescommissie inhoudelijk niet te rijmen met het standpunt van verweerder ter zitting voor wat betreft het criterium “artistieke kwaliteit”. Verweerder heeft ook nagelaten een kenbare belangenafweging te verrichten. Daarmee heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Het primair gevorderde zal de voorzieningenrechter gelet op de aard van deze procedure en het verstrekkende karakter van het gevorderde, afwijzen. De voorzieningenrechter vindt het wel voldoende aannemelijk dat het project of een deel daarvan sowieso geen doorgang zal vinden indien er niet binnen een afzienbare termijn een beslissing op bezwaar wordt genomen. Onder deze omstandigheden heeft verzoekster een zodanig spoedeisend belang dat het toewijzen van het subsidiaire verzoek gerechtvaardigd is.

16. De voorzieningenrechter wijst het subsidiaire verzoek om een voorlopige voorziening daarom toe in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst en bepaalt dat verweerder uiterlijk binnen twee weken na datum uitspraak, dat wil zeggen uiterlijk op 20 oktober 2016, de beslissing op het door verzoekster ingediende bezwaarschrift bekend maakt. Verweerder zal bij haar beslissing op bezwaar het verhandelde ter zitting op 29 september 2016 en de inhoud van deze uitspraak mee moeten nemen in haar beoordeling. De voorzieningenrechter herhaalt de opmerking in r.o. 15 dat in de Beleidsregel geen rangorde is gemaakt ten aanzien de criteria: “artistieke kwaliteit”, “betekenis voor de stad” en “ondernemerschap”. In het beleid komt niet tot uiting dat het ene criterium zwaarder dient te wegen dan het andere.

16. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

16. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het primaire besluit en bepaalt dat verweerder uiterlijk binnen twee weken na datum uitspraak, te weten uiterlijk op 20 oktober 2016, de beslissing op het ingediende bezwaarschrift bekend maakt;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Benek, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.