Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5334

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
16-706313-16; 16-088559-13 (tul); 21-005518-13 (tul); 16-652572-15 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee mannen uit Almere zijn veroordeeld voor een overval op een bus in 2016, waarbij de chauffeur en een passagier zijn bedreigd met mes. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 23-jarige man tot 3,5 jaar gevangenisstraf. Een 30-jarige mededader krijgt een celstraf van 2 jaar opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Opgenomen gesprekken

De rechtbank oordeelt dat er voldoende bewijs is tegen het tweetal. Een van de verdachten is door meerdere familieleden herkend op de beelden die op tv zijn uitgezonden, en er zijn getuigen die verklaren dat de verdachten de overval tegen hen hebben bekend. Daarnaast is er een gesprek opgenomen tussen de verdachten terwijl zij in een justitiebusje vervoerd werden naar de rechtbank. In dat gesprek geeft een van de verdachten aan spijt te hebben van de overval.

Geen voorwaardelijke straf voor hoofdverdachte

Bij de strafoplegging voor de 23-jarige man neemt de rechtbank mee dat hij een grote rol had bij de overval en in drie proeftijden liep. De reclassering is van mening dat een voorwaardelijke straf geen nut heeft, gezien de problematiek en houding van de man. De rechtbank legt daarom – anders dan het OM had geëist - een geheel onvoorwaardelijke celstraf op van 3,5 jaar cel. De man had nog drie voorwaardelijke celstraffen van in totaal vier maanden openstaan. Ook deze straffen zal de man uit moeten zitten.

De 30-jarige verdachte krijgt wel een deels voorwaardelijke straf opgelegd. De rechtbank verbindt hier bijzondere voorwaarden aan zoals een psychische behandeling, begeleid wonen en toezicht door de reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummers: 16-706313-16; 16-088559-13 (tul); 21-005518-13 (tul); 16-652572-15 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 oktober 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1993] te [geboorteplaats] ,

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting in Almere.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 21 september 2016, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R. Zwiers, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. A.J.S. Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 juni 2016 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, te weten met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbak met inhoud en/of een portefeuille en/of een tas met inhoud, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of Connexxion, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbak met inhoud en/of een portefeuille en/of een tas met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of Connexxion, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- de bus heeft/hebben opgewacht en/of
- een capuchon/bivakmuts op heeft/hebben gedaan/over zijn/hun hoofd heeft getrokken, althans zijn/hun gezicht heeft/hebben bedekt, en/of

- naar de bus is/zijn gelopen/gerend en/of

- in de bus is/zijn gestapt en/of

- een mes heeft/hebben gepakt en/of

- dat mes in de richting van die [slachtoffer] heeft/hebben gehouden en/of

- (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geschreeuwd: "geef me je geld, je geld, je geld, meer!", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- met dat mes de arm van die [slachtoffer] heeft/hebben geraakt en/of

- dat mes in de richting van [getuige 1] heeft/hebben gehouden en/of

- (daarbij) tegen die [getuige 1] heeft/hebben geroepen (zakelijk weergegeven) dat die [getuige 1] op de grond moest gaan liggen.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten.

De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen in die zin dat verdachten de geldkist en portefeuille hebben afgeperst en dat zij de tas met geweld hebben gestolen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank 1

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 8 juni 2016 werkzaam was als buschauffeur voor Connexxion. Aangever zag rijdend in de richting van de Wierden iemand aan komen rennen.2 Hij stopte de bus en deed de deuren open en zag dat iemand met een getrokken mes, met een lemmet van ongeveer 30 cm, naar hem toe kwam en zei: “Geld, geld”. Aangever overhandigde hem de geldbak met munten en zijn portefeuille. Aangever raakte daarbij het mes aan. De persoon dook vervolgens over de deur heen en griste een tas weg. Hij liep naar een vrouw toe die op de tweede rij zat. Hij bedreigde haar met het mes en zei tegen haar dat ze op de grond moest gaan liggen. Vervolgens rende hij de bus uit. Er was ook een tweede persoon aanwezig. Het gezicht van de persoon die de bus in kwam was bedekt met een stof. Aangever zag twee donkere plekken waar de ogen zitten.3
[getuige 1] heeft verklaard dat zij in de bus zat richting Almere.4 Zij zag ter hoogte van de bushalte de Wierden een jongen met de richting van de bus meelopen. De jongen stapte de bus in en trok direct zijn capuchon ver over zijn hoofd en gezicht heen. De jongen pakte een mes. Het was een groot mes, in totaal 20 à 25 centimeter lang. [getuige 1] zag dat de jongen het mes in de richting van de buschauffeur hield . Achter de eerste jongen stond een andere jongen met een bivakmuts over zijn hoofd. De eerste jongen liep richting de buschauffeur en de tweede jongen liep achter hem aan en stond ook in de bus. De eerste jongen riep tegen de buschauffeur: ‘geef mij je geld, je geld, je geld, meer!’ De eerste jongen liep vervolgens in haar richting en hij riep tegen haar,5 terwijl hij het mes nog in zijn hand vast had: ‘op de grond liggen’.6

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij in de bus zat. Iemand rende achter de bus aan en kwam vervolgens de bus binnen. De persoon begon met een mes van zeker 20 centimeter te zwaaien. Er kwam een andere persoon aanlopen, die zijn bivakmuts naar beneden deed en ook de bus binnen kwam. De vrouw die voorzin zat, moest gaan liggen. De jongen met het mes zwaaide daarmee in het gezicht van die vrouw. Daarna pakten zij de geldcassette, een tas en een portemonnee.7

Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden van Connexxion worden beschreven, blijkt het volgende. Op de camerabeelden van Connexxion 5726-CAM1 loopt er om 00.30.16 uur een persoon (persoon 1) buiten de bus die een capuchon over zijn hoofd trekt. Persoon 1 loopt de bus in en pakt een mes. Persoon 1 richt het mes naar voren, richting de buschauffeur. Direct nadat persoon 1 binnenkomt, komt er een andere persoon (persoon 2) met een bivakmuts de bus binnen.8 Een persoon (persoon 3) buiten de bus doet zijn bivakmuts goed. Persoon 1 loopt uit beeld en persoon 2 blijft bij de buschauffeur staan. De buschauffeur geeft een doosje aan persoon 2. Persoon 2 rent de bus uit met het doosje. Persoon 1 heeft een tas vast en rent de bus uit met de tas.9

Blijkens de camerabeelden van Connexxion 5726-Cam2 zit er een passagier links voorin de bus. Om 00.30.22 uur loopt persoon 1 met een mes in zijn hand richting de passagier die voorin zit. De passagier gaat gehurkt op de grond zitten.10

Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden van [A] , wonende aan de [adres] worden beschreven, blijkt het volgende. Te zien is dat er om 00.19.02 uur een persoon in beeld komt. Direct hierna verschijnen er nog twee personen in beeld.11 De drie personen verdwijnen achter de schuur van [adres] . Persoon 1 loopt om 00.28.07 uur naar de bushalte toe samen met persoon 3. Persoon 3 gaat achter het bushokje staan. Persoon 2 komt om 00.29.13 uur in beeld en heeft iets in zijn hand. Persoon 2 is kaal op de bovenkant van zijn hoofd en heeft aan de zijkant van zijn hoofd wel haar. Om 00.29.32 uur trekt persoon 3 zijn muts over zijn hoofd. Er komt op dat moment een bus aan rijden. Persoon 1 loopt met versnelde pas richting de bus. Persoon 3 komt achter het bushokje vandaan en rent richting de bus.12

Getuige [getuige 3] , de moeder van verdachte, en [getuige 4] , stiefvader van verdachte, hebben verklaard dat zij op de camerabeelden van Connexxion hun (stief)zoon hebben herkend. [getuige 3] weet dat het haar zoon is, aangezien zij hem zo goed kent. Zij zag dat verdachte de persoon was die met het mes aan het zwaaien was. Beide getuigen hebben geen twijfels over hun herkenning. Verdachte kwam op 8 juli (de rechtbank leest juni) 2016 bij hen thuis met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ; verdachte is altijd samen met hen. Verdachte had tegen getuigen gezegd dat hij iets doms had gedaan.13
[getuige 3] heeft voorts verklaard dat zij op beelden van de overval op internet de derde jongen buiten de bus, gezien zijn postuur, herkende als [medeverdachte 1] en de tweede jongen als [medeverdachte 2] .14 De avond na de overval had ze de drie jongens gevraagd waarom zij de overval hadden gepleegd. [medeverdachte 1] had hierop geantwoord dat hij het geld nodig had voor zijn kinderen. [medeverdachte 2] had gezegd dat hij het wel wilde meemaken en ervaren hoe het voelde. [getuige 3] verklaarde voorts dat de jongens met een vuilniszak naar de kamer van verdachte waren gegaan. Even later zag zij dat de jongens weggingen met een vuilniszak die duidelijk gevuld was. Op de vraag van [getuige 3] wat ze buit hadden gemaakt, hadden ze geantwoord dat ze het geld onderling hadden verdeeld en dat ze alle drie € 17,00 per persoon hadden gekregen.15 Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] tegen hem heeft gezegd dat hij de deur tegenhield en dat verdachte en [medeverdachte 2] naar binnen gingen.16

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat verdachte [verdachte] , haar broertje, betrokken is geweest bij de overval. Zij herkende verdachte duidelijk op de beelden van de bus op Omroep Flevoland als de persoon die een mes heeft. [getuige 5] heeft verklaard dat [verdachte] alleen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om gaat. Toen zij tegen verdachte zei dat ze hem op de beelden had herkend zei hij: ‘leuk dat je me gezien hebt’.17

Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] heeft herkend op de beelden op internet en Youtube als de persoon die buiten de bus stond en die de deuren van de bus openhield. Ook [getuige 7] heeft verdachte op die beelden herkend. [getuige 6] had aan verdachte en [medeverdachte 1] gevraagd of zij de overval hadden gepleegd en hij hoorde [medeverdachte 1] zeggen: ‘ja’ en daarna ‘ssst’.18

Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij iets doms had gedaan wat ook op televisie was geweest en dat hij voor langere tijd weg zou gaan.19

Verbalisant [verbalisant] heeft geverbaliseerd dat verdachte op 7 juli 2016 in cel 7 van het cellenblok in de rechtbank zat en dat medeverdachte [medeverdachte 1] in cel 5 zat. Verbalisant [verbalisant] hoorde dat er vanuit cel 7 werd geroepen: ‘ik krijg 3 jaar omdat ik hoofddader ben, [medeverdachte 2] krijgt 2 jaar en jij krijgt 1 jaar’.20

Op 7 juli 2016 is, na een machtiging van de rechter-commissaris, vertrouwelijke communicatie opgenomen tijden het vervoer van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de rechtbank. Dit gesprek is uitgewerkt in een proces-verbaal van bevindingen waaruit het volgende blijkt. Verdachte zegt in dat gesprek dat hij wel een beetje spijt heeft. [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 1] misschien een jaartje gaat en hij tweeënhalf.21 Verdachte heeft gezegd dat hij het nooit had verwacht, vooral niet van zijn moeder, aangezien zij weet wat voor straf er boven zijn hoofd hangt,22 en dat ze alle drie hun bek moeten houden.23 Voorts heeft verdachte gezegd dat 21 september de rechtszaak is en dat ze dan alle drie de grote straf krijgen en zich op hun zwijgrecht moeten beroepen.24

De rechtbank is op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de persoon is geweest die als eerste de bus in loopt en vervolgens met een mes in zijn handen de buschauffeur en een passagier bedreigd met dat mes. De rechtbank is tevens van oordeel dat er sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee anderen. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat de drie samen de bus hebben opgewacht en naar de bus zijn gerend toen deze langs reed. Vervolgens is verdachte samen met een ander de bus ingegaan en heeft de derde verdachte de deur van de bus open gehouden. Achteraf is de weggenomen buit tussen de drie verdachten verdeeld.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 juni 2016 tezamen en in vereniging met twee anderen een diefstal vergezeld met geweld en bedreiging met geweld heeft gepleegd en zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 08 juni 2016 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, te weten met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbak met inhoud en een portefeuille toebehorende aan [slachtoffer] en/of Connexxion,

en

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer] en/of Connexxion, welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- de bus hebben opgewacht en

- een capuchon/bivakmuts op hebben gedaan en

- naar de bus zijn gerend en

- in de bus zijn gestapt en

- een mes heeft gepakt en

- dat mes in de richting van die [slachtoffer] heeft gehouden en

- daarbij tegen die [slachtoffer] heeft geschreeuwd: "geef me je geld, je geld, je geld, meer!", en

- met dat mes de arm van die [slachtoffer] heeft geraakt en

- dat mes in de richting van [getuige 1] heeft gehouden en

- daarbij tegen die [getuige 1] heeft geroepen dat die [getuige 1] op de grond moest gaan liggen.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Afpersing door twee of meer verenigde personen

en

diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl dat feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden

met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met daaraan als bijzondere voorwaarde verbonden een contactverbod met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van een op te leggen straf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich met twee mededaders schuldig gemaakt aan een overval op een bus, waarbij de buschauffeur en een passagier door verdachte zijn bedreigd met een mes. De buschauffeur en de passagier zijn zeer angstig geweest en hebben van de overval veel nadelige gevolgen ondervonden. Dat de buschauffeur en de passagier enorm geschrokken zijn van deze overval nog lange tijd de gevolgen van deze overval hebben ondervonden blijkt uit ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van mevrouw [getuige 1] en hetgeen de heer [slachtoffer] heeft opgenomen in zijn verzoek tot schadevergoeding onder het kopje dat gaat over de gevolgen van het voorval.

Buschauffeurs bevinden zich tijdens hun werk in een kwetsbare positie. Zij zitten achter het stuur in een kleine ruimte en kunnen letterlijk geen kant op wanneer zij zich geconfronteerd zien met agressie en geweld. Voorts brengt geweld tegen buschauffeurs een groot gevoel van maatschappelijke onrust en brede maatschappelijke verontwaardiging teweeg. Buschauffeurs moeten hun publieke taak in rust en veiligheid kunnen uitvoeren.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 juli 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder andere het plegen van vermogensdelicten en geweldsdelicten.

De rechtbank houdt rekening met het rapport van de reclassering van 7 september 2016. Hieruit volgt dat er problemen zijn op het gebied van huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk en drugsgebruik. Verdachte heeft een IQ van 65, hetgeen volgens de reclassering van invloed is op zijn denkpatronen en gedrag. Verdachte staat niet open voor hulpverlening en begeleiding. Hij heeft geen hulpvragen en heeft een beperkt probleembesef. De reclassering is van mening dat de mogelijkheden binnen een voorwaardelijke gevangenisstraf zijn uitgeput. De reclassering adviseert om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zouden worden. De rechtbank heeft daarbij in acht genomen dat verdachte in drie proeftijden liep. Rekening houdend met straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten onder soortgelijke omstandigheden worden opgelegd, de significante rol die verdachte heeft gehad in het bewezenverklaarde en met de straf die in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] zal worden opgelegd, zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest opleggen. De rechtbank ziet in de bevindingen van de reclassering geen aanleiding om aan verdachte een deel van die straf voorwaardelijk op te leggen, ook niet om de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met de medeverdachten (zoals door de officier gevraagd) mogelijk te maken. Omdat deze voorwaarde, die tijdens de proeftijd van toepassing is, pas zal ingaan na ommekomst van het - in dit geval aanzienlijke - onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank geen meerwaarde. Voor het overige zijn er ook geen omstandigheden gebleken die om het opleggen van een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden vragen.
9a DE BENADEELDE PARTIJ [getuige 1]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [getuige 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 500,00 ter zake van immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [getuige 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

9b DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] – daartoe vertegenwoordigd door [B] – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van

€ 6.485,17, waarvan een bedrag van € 3.985,17 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 2.500,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een totaal bedrag van € 5.4285,17, waarvan € 1.500,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de vordering van de benadeelde partij wat betreft de immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 750,00 en de posten ‘consignatievoorraad tekort na overval’ en ‘forceren schuurdeur en vervanging sloten’ niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat het exacte schadebedrag wat betreft de post ‘consignatievoorraad tekort na overval’ niet is komen vast te staan. De rechtbank zal de vordering daarom voor dit deel afwijzen.

De verzochte vergoeding voor immateriële schade is gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en rekening houdend met bedragen aan smartengeld die doorgaans voor dit soort feiten worden toegewezen te hoog. Een bedrag van € 1.500,00 is in deze redelijk en billijk.

De vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde immateriële schadebedrag een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De hoogte van de schade is aldus genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van
€ 4.934,32, waarvan een bedrag van € 3.434,32 aan materiële schade en een bedrag van
€ 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

9c DE BENADEELDE PARTIJ Connexxion Openbaar Vervoer N.V.

Voor aanvang van de terechtzitting heeft Connexxion Openbaar Vervoer N.V. – daartoe vertegenwoordigd door [B] – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 3.625,90 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de vordering van de benadeelde partij wat betreft de post ‘kosten rituitval en inzet extra personeel’ niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien deze post onvoldoende onderbouwd is en derhalve een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Om die reden kan niet worden toegekomen aan de post ‘kosten rechtsbijstand Connexxion’. De raadsman refereert zich ten aanzien van de post ‘kosten rechtsbijstand dhr. [slachtoffer] ’ aan het oordeel van de rechtbank, maar merkt daarbij wel op dat BTW niet kan worden aangemerkt als schade.


Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij Connexxion Openbaar Vervoer N.V. rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.905,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde, te weten voor de post ‘Kosten rituitval en inzet extra personeel’ onvoldoende, zowel schriftelijk als mondeling ter terechtzitting, onderbouwd en levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 DE VORDERING TENUITVOERLEGGING

16-088559-13

Bij de stukken bevindt zich de vordering van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 16-088559-13, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 3 juli 2013 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Bij het onherroepelijk geworden vonnis van 17 juni 2014 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam is de proeftijd verlengd voor de duur van 1 jaar.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Gelet op het voorgaande en het in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht gestelde acht de rechtbank termen aanwezig de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenis te gelasten.

21-005518-13

Bij de stukken bevindt zich de vordering van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 21-005518-13, betreffende het onherroepelijk geworden arrest d.d. 22 mei 2015 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Gelet op het voorgaande en het in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht gestelde acht de rechtbank termen aanwezig de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te gelasten.

16-652572-15

Bij de stukken bevindt zich de vordering van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 16-652572-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 9 september 2015 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van voorarrest waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Gelet op het voorgaande en het in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht gestelde acht de rechtbank termen aanwezig de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenis te gelasten.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14g, 24c, 27, 36f, 57, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dit feit op de wijze zoals onder 6 omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen

[getuige 1]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [getuige 1] van een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 juni 2016, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 500,00 ten behoeve van het slachtoffer [getuige 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 juni 2016, tot die van de voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [getuige 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde par tij [getuige 1] , daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

[slachtoffer]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 4.934,32 (zegge: vierduizendnegenhonderdvierendertig euro en tweeëndertig eurocent), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 juni 2016, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.934,32 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 59 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 juni 2016, tot die van de voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat het meer gevorderde immateriële schadebedrag betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde materiële schadebedrag af;

Connexxion Openbaar Vervoer N.V.

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Connexxion Openbaar Vervoer N.V., van een bedrag van € 1.905,76 (zegge: duizendnegenhonderdvijf euro en zesenzeventig eurocent), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 juni 2016, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 1.905,76 ten behoeve van het slachtoffer Connexxion Openbaar Vervoer N.V. voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 juni 2016, tot die van de voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij Connexxion Openbaar Vervoer N.V. (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij Connexxion Openbaar Vervoer N.V., daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij Connexxion Openbaar Vervoer N.V. voor wat het meer gevorderde betreft in de vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Vordering tenuitvoerlegging 16-088559-13

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 16-088559-13 door de politierechter in deze rechtbank bij vonnis d.d. 3 juli 2013 voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Vordering tenuitvoerlegging 21-005518-13

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 21-005518-13 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, bij arrest d.d. 22 mei 2015 voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur 77 dagen.

Vordering tenuitvoerlegging 16-652572-15

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 16-652572-15 door de politierechter in deze rechtbank bij vonnis d.d. 9 september 2015 voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en M.J.A.L. Beljaars, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. De Vita, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2016174897, doorgenummerd blz. 1 tot en met blz. 1402.

2 Blz. 1001.

3 Blz. 1002.

4 Blz. 1013.

5 Blz. 1014.

6 Blz. 1015.

7 Blz. 1018.

8 Blz. 1024.

9 Blz. 1025.

10 Blz. 1025.

11 Blz. 1027.

12 Blz. 1028.

13 Blz. 1073.

14 Blz. 1355.

15 Blz. 1355.

16 Blz. 1359.

17 Blz. 1062.

18 Blz. 1118.

19 Blz. 1070.

20 Blz. 1128.

21 Blz. 1336.

22 Blz. 1340.

23 Blz. 1341.

24 Blz. 1343.