Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5271

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
03-10-2016
Zaaknummer
423575 / HA RK 16-220
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 423575 / HA RK 16-220

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 3 oktober 2016 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

(verder te noemen: verzoekster),

advocaat: mr. A. Boumanjal, (verder te noemen: de advocaat)

1 De procedure

1.1.

Ter zitting van 20 september 2016 heeft de advocaat namens verzoekster een verzoek tot wraking ingediend tegen mr. G.J. van Binsbergen, behandelend rechter (verder te noemen, de rechter), in de zaak met het zaaknummer 5318408 UV EXPL 16-259. Deze hoofdzaak betreft een procedure in kort geding waarbij [A] en de besloten vennootschap We Do Projects B.V. (verder te noemen, de belanghebbenden) - kort gezegd - betaling vorderen van achterstallige huurpenningen en ontruiming van het gehuurde. Van hetgeen ter zitting van 20 september 2016 is voorgevallen, is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 27 september 2016 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- [B] , voorzitter van het bestuur van verzoekster, bijgestaan door zijn advocaat,

- de rechter.

De belanghebbenden zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoekster heeft het volgende ten grondslag gelegd aan haar wrakingsverzoek.

Verzoekster heeft een verzoek om uitstel gedaan voor een periode van twee weken vanwege het feit dat er bij haar een inval door de FIOD en het functioneel parket heeft plaatsgevonden. Alle stukken, bescheiden en apparaten zijn door de FIOD meegenomen. Dit is geschied op 8 september 2016. De rechter heeft op de zitting voor het eerst gemotiveerd waarom zij het uitstelverzoek heeft afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat een drietal redenen aan de afwijzing ten grondslag zijn gelegd:

1. de vele verhinderdata van de advocaat waardoor een spoedige behandeling niet mogelijk is;

2. vanwege het feit dat het hier om een kort geding gaat en een kort geding zich niet leent voor uitgebreide bewijsvoering;

3. vanwege het feit dat de wederpartij reeds producties heeft overgelegd die grotendeels de lading wel zouden dekken.

Gezien het belang van verzoekster om gedegen verweer te kunnen voeren, de verregaande consequenties die een toewijzing van de eis van de wederpartij voor verzoekster met zich zal brengen (onder andere ontruiming), het gegeven dat verzoekster uiteen heeft gezet welke stukken zij nog wenst te overleggen (gespreksopnames die het tegendeel zouden kunnen aantonen, getuigenverklaringen die zich in de computer van verzoekster bevonden en e-mailcorrespondentie, die niet door de advocaat van de wederpartij is overgelegd, doch wel de stellingen van verzoekster bevestigen) en de handreiking van de advocaat van verzoekster om zijn verhinderdata voor de periode na ommekomst van twee weken te laten vervallen, is de beslissing van de rechter volgens verzoekster zo onbegrijpelijk dat daarvoor geen andere verklaring gegeven kan worden dan dat deze voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster.

2.2.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat haar beslissing om geen uitstel te verlenen enkel is genomen uit oogpunt van een goede procesorde. Alle bij de zaak betrokken partijen waren ter zitting aanwezig. De tijdelijke onmogelijkheid van verzoekster om de op 8 september 2016 in beslag genomen bewijsstukken in dit kort geding te kunnen overleggen zou volgens de rechter aan de orde worden gesteld bij de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het zou niet efficiënt zijn de zaak niet inhoudelijk te behandelen en alsnog uit te stellen.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

De beslissing tot afwijzing van een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van een zaak is een procesbeslissing. Van dergelijke beslissingen kan de juistheid in beginsel niet door de wrakingskamer worden getoetst. Slechts indien een beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoekster, althans dat de bij haar bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden.

3.5.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is de beslissing van de rechter om in de gegeven omstandigheden geen uitstel te verlenen niet onbegrijpelijk. Uit de door de rechter gegeven toelichting naar aanleiding van het wrakingsverzoek blijkt dat zij

bij de door haar ter zitting van 20 september 2016 genomen beslissing dat de zitting doorgang moest hebben, in aanmerking heeft genomen dat alle partijen ter zitting aanwezig waren. Deze belangenafweging, waarbij voorrang is gegeven aan het proceseconomisch belang boven het belang van verzoekster tot honorering van haar uitstelverzoek, is geen grond om vooringenomenheid van de rechter ten opzichte van verzoekster aan te kunnen nemen. Daarbij acht de wrakingskamer van belang dat de rechter, zoals zij in haar toelichting op het wrakingsverzoek naar voren heeft gebracht en ter zitting van de wrakingskamer heeft bevestigd, slechts heeft beslist om de zitting op het geplande tijdstip doorgang te laten vinden, maar daarbij niet reeds een inhoudelijke beslissing heeft genomen over de door verzoekster gestelde nadelige gevolgen van het (nog) niet kunnen beschikken over de bewijsstukken.

3.6.

Uit het wrakingsverzoek en uit hetgeen verzoekster ter zitting van de wrakingskamer naar voren heeft gebracht, blijkt dat de reikwijdte van de beslissing van de rechter voor verzoekster niet duidelijk was. Volgens verzoekster heeft de rechter, gelet op de motivering van de weigering uitstel te verlenen de indruk gewekt ook reeds beslist te hebben over het belang van verzoekster om de ontbrekende bewijsstukken in het geding te kunnen brengen. Verzoekster wijst daartoe op de in het proces-verbaal van de zitting van 20 september 2016 (hierna: het proces-verbaal) gegeven motivering voor de afwijzing van het uitstelverzoek, waaruit volgens verzoekster niet blijkt - zelfs niet nadat verzoekster nogmaals haar belang bij de ontbrekende stukken had toegelicht - dat de rechter heeft gezegd dat de ontbrekende stukken bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de orde zullen komen.

3.7.

De rechter heeft zich tegen deze stelling van verzoekster verweerd en gesteld dat zij ter zitting van 20 september 2016 wel heeft gezegd dat het ontbreken van de bewijsstukken nog bij de inhoudelijke behandeling aan de orde zouden komen. De wrakingskamer is het met verzoekster eens dat de inhoud van het proces-verbaal leidend is. Het proces-verbaal vermeldt dat de rechter het verzoek om uitstel heeft afgewezen omdat:

“de e-mailcorrespondentie die tussen partijen heeft plaatsgevonden al bij dagvaarding is overgelegd en omdat een kort geding zich niet leent voor uitgebreide bewijslevering. De bedoelde bewijsstukken kunnen bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de orde komen. Verder is van belang dat het verplaatsen van de zitting op korte termijn niet mogelijk was vanwege de vele verhinderdata van de zijde van [verzoekster] ”

Het behoort tot de taak van de rechter om na te gaan of het voor partijen duidelijk is wat de bedoeling is van hetgeen zij ter zitting meedeelt. Weliswaar is in het proces-verbaal bij de afwijzingsgronden ook vermeld dat de bedoelde bewijsstukken bij de inhoudelijke behandeling aan de orde kunnen komen, maar dit staat in een opsomming van andere afwijzingsgronden. Nadat verzoekster het belang van de ontbrekende stukken had benadrukt heeft de rechter de zitting geschorst om zich nogmaals op het uitstelverzoek te beraden. Vervolgens heeft de rechter het handhaven van haar beslissing tot afwijzing niet expliciet gemotiveerd, maar enkel opgemerkt dat de gegeven redenen om de zitting doorgang te laten vinden nog steeds gelden. De ontstane verwarring had wellicht voorkomen kunnen worden als de rechter op dat moment opnieuw in duidelijke bewoordingen had meegedeeld dat bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak het ontbreken van deze stukken en de mogelijke consequenties daarvan aan de orde zou komen. Ter zitting van de wrakingskamer heeft de rechter ook erkend dat zij een en ander beter had kunnen verwoorden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beslissing op het uitstelverzoek onvoldoende (kenbaar) is gemotiveerd. Dit gebrek in de motivering van de besluitvorming leidt er echter niet toe dat het besluit zelf onbegrijpelijk is. Voorts heeft de wrakingskamer in aanmerking genomen dat de motivering van de afwijzing genuanceerder was dan de geparafraseerde weergave daarvan door verzoekster in haar wrakingsverzoek en dat in de motivering wel een aanwijzing is te vinden dat de rechter de bedoeling had (de consequenties van) het ontbreken van de stukken bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak aan de orde te stellen. Door indiening van het wrakingsverzoek is het zover echter niet gekomen.

3.8.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, de andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civielrecht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 5318408 UV EXPL 16-259 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, voorzitter, en mr. L. Verschoor-Bergsma en mr. N.E.M. Kranenbroek als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2016.

de griffier de rechter, mr. L. Verschoor-Bergsma

De voorzitter van de wrakingskamer is verhinderd te tekenen.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.