Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:519

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
4611365 UE VERZ 15-560 HV/1325
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek schoolbestuur tot ontbinding arbeidsovereenkomst met leerkracht op g-grond (onherstelbaar verstoorde verhouding). Onvoldoende professionele distantie leerkracht-leerling. Eerdere signalen. Verbetertraject met specifieke begeleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0143
AR 2016/436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4611365 UE VERZ 15-560 HV/1325

Beschikking van 5 februari 2016

inzake

de vereniging

[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen de Vereniging,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.S. van Hien,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.R. van Hall.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de Vereniging (met producties);

- het verweerschrift van [verweerder] (met producties);

- de op 13 en 14 januari 2016 ingekomen nadere producties (4 t/m 24) van de Vereniging;

- de op 14 januari 2016 ingekomen fax van een kantoorgenoot van mr. Van Hall, waarin namens [verweerder] bezwaar is gemaakt tegen de indiening van nadere producties door de Vereniging;

  • -

    de mondelinge behandeling op 15 januari 2016, waarvan door de griffier aantekening is gehouden;

  • -

    de pleitnotities van de Vereniging;

  • -

    de pleitnotities van [verweerder] .

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is namens [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de door de Vereniging kort voor de mondelinge behandeling nader ingebrachte producties 4, 5, 7, 16 en 17 en zijn met betrekking tot de overige producties opmerkingen gemaakt. Op grond van het bepaalde in artikel 2.2.7 (Termijn indienen nadere stukken) van het Procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank, kantonzaken geldt dat nadere stukken uiterlijk vijf dagen voor de dag van de mondelinge behandeling moeten worden ingediend en dat na deze termijn ingediende stukken door de kantonrechter buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Vast staat dat de door de Vereniging nader ingediende producties na voormelde termijn zijn ingediend. Ter zitting is met partijen besproken dat indien en voor zover de kantonrechter een productie waartegen bezwaar is gemaakt, desondanks toelaat tot de processtukken en inhoudelijk bij de beoordeling van het geschil betrekt, dit in deze beschikking zal worden aangegeven en gemotiveerd.

2 De feiten

2.1.

De Vereniging voert het bestuur over 13 basisscholen, waaronder Basisschool [naam basisschool] te [vestigingsplaats] en Basisschool [naam basisschool] te [vestigingsplaats] . Mevrouw [A] (hierna: [A] ) is directeur van de Vereniging.

2.2.

[verweerder] , geboren op [1985] , thans 30 jaar oud, is na een stageperiode in het schooljaar 2009-2010 door de Vereniging per 1 augustus 2010 aangesteld als leraar in opleiding bij basisschool [naam basisschool] te [vestigingsplaats] . Hij is vervolgens gaan werken bij basisschool [naam basisschool] te [vestigingsplaats] als leerkracht van groep 7/8. [verweerder] is voor onbepaalde tijd in dienst.

2.3.

In een document met de benaming ‘Bewijsstuk LIO stage [verweerder] ’, gedateerd 24 mei 2010 en opgesteld door de heer [B] , voormalig locatieleider van [naam basisschool] [vestigingsplaats] (productie 11 van de Vereniging), is – voor zover relevant voor de beoordeling van dit geschil – het volgende opgenomen:

“ [verweerder] is een aankomend leraar die het niet alleen maar laat bij het onderwijs geven aan zijn groep. In het onderwijs geven aan zijn groep wordt hij zeer gewaardeerd door collega’s (vooral ook zijn mentor), zijn leerlingen en ouders/verzorgers en de schoolleiding. (…) Zijn grootste valkuil heeft hij het jaar daarvoor al leren kennen. Toen wilde [verweerder] nog wel eens te populair in de omgang met leerlingen zijn. Daardoor toen nog meer geliefd, maar wel met de nodige risico’s. Dit jaar heeft [verweerder] duidelijk meer afstand genomen van de leerlingen, maar bleef ondanks alles een geliefd leerkracht.

(…)

Ook bij naschoolse activiteiten is [verweerder] betrokken en actief (…)

Tot slot heb ik [verweerder] ook meegemaakt als “mens” met emoties en gevoelens. O.a. bij verdrietige gebeurtenissen op school, hij leeft mee met wat er in en rond de school gebeurt. (…)”

2.4.

In het verslag van het functioneringsgesprek van 31 maart 2011 (productie 2 van [verweerder] ) is – voor zover relevant voor de beoordeling van dit geschil – het volgende opgenomen:

Persoonlijke aspecten

houding naar kinderen , orde en netheid in de klas , inzet en enthousiasme, rechtvaardigheid bij straffen

(…)

Goed dat je een bepaalde afstand bewaart naar leerlingen toe, niet te amicaal. Je rol is tenslotte leerkracht.

(…)

2.5.

In het verslag van het functioneringsgesprek van 14 juni 2013 (productie 13 van de Vereniging) is – voor zover relevant voor de beoordeling van dit geschil – het volgende opgenomen:

Directiewerk

(…)

Afspraken/wensen

[verweerder] : Wens dat de IB’er [de intern begeleider; toevoeging ktr] minimaal 1 dag aanwezig zijn in [vestigingsplaats] . (…).

(…)

Pedagogisch klimaat

(…)

Afspraken/wensen

[C] ; het pedagogisch klimaat lijkt goed. Fijn dat je zelf in actie komt bij zorg rond leerlingen. Mij wel laten weten dat je met [D] [de IB’er; toevoeging ktr] in gesprek gaat of ouders uitnodigt. (…)

(…)

Persoonlijke aspecten

houding naar kinderen , orde en netheid in de klas , inzet en enthousiasme, rechtvaardigheid bij straffen

[C] signaleert emotie in sommige situaties. Het is te zien aan je bij gedrag en gezicht (bijvoorbeeld leerling R) hoe komt dat? Wanneer wel wanneer niet? Frustratie zegt [verweerder] , ik voel mij erg begaan met het kind en kan het niet uitstaan dat het niet loopt of het gedrag niet verbeterd. Ik wil graag dat het met alle kinderen goed gaat en zij het naar hun zin hebben.

(…)

Persoonlijk welbevinden, scholingswensen

[verweerder] : Het afgelopen jaar is niet altijd even makkelijk geweest met de situatie in de familie. Dat is mij ook niet in de koude kleren gaan zitten. Ik merk wel dat ik daar beetje bij beetje weer uit kom en weer mezelf aan het worden ben.

(…)”

2.6.

In het schooljaar 2012/2013 is [E] (hierna: [E] ) vanuit een andere school bij [naam basisschool] in [vestigingsplaats] (hierna: [naam basisschool] ) in groep 5/6 gekomen. Het schooljaar daarop (2013/2014) was [verweerder] in groep 7/8 haar leerkracht.

2.7.

[verweerder] heeft op 29 mei 2014 in een e-mail aan [F] (productie 7 van [verweerder] ) het volgende – voor zover relevant voor de beoordeling van dit geschil – gemeld:

“Ik denk dat ik wel mag zeggen dat het nu sinds een jaar pas echt weer een beetje rustig is bij ons in de familie. Daarvoor is er de afgelopen 10 jaar elk jaar wel iets ernstigs gebeurd. (…)

[volgt een weergave van ziekte- en overlijdensgevallen in de familie; ktr]

(…)

(…) Ik wil kinderen wat leren en ik wil ze beschermen voor wat ze later tegenkomen. Ze moeten zich op de basisschool veilig voelen en geen gekke zorgen hebben. (…)

Op kamp had ik een gesprek met [E] . Haar opa is overleden en ik zag aan haar dat ze echt haar verhaal goed kwijt moest en alles eruit moest gooien. Ik merkte dat zij met veel te veel zorgen zat, waar zij helemaal niet mee bezig moet zijn. Zij moet plezier maken. Vandaar dat ik even een poosje met haar heb zitten praten toen. Toen ik weer terugkwam wist [G] een gevoelige snaar bij mij te raken (die kent het verhaal van mijn oom wel). En dat haalde even iets te veel naar boven bij mij.

Zoals je merkt het woordje afscheid heeft bij mij een vervelende betekenis gekregen de afgelopen jaren. En het liefst zou ik alle mensen om mij heen echt beschermen, maar dat kan niet altijd. Daarom vind ik ook de laatste vrijdag van het jaar zo’n ellende, omdat ik vanaf dat moment die kinderen niet meer kan beschermen en helpen. Maar dat hoort gewoon echt bij mij persoonlijk.

En nogmaals het komt echt wel goed met mij. (…)”

2.8.

In het verslag van het functioneringsgesprek met mevrouw [F] , de huidige locatieleider van [naam basisschool] (hierna: [F] ) van 15 juli 2014 (productie 2 van [verweerder] ) is – voor zover relevant voor de beoordeling van dit geschil – het volgende opgenomen:

(6) ZORG VOOR LEERLINGEN

(…)

4 Kan op een juiste wijze de hulpvraag van een leerling vaststellen (…) D: probeer soms je eigen eerste

mening/gedachten even los te laten. Eerst objectief boven de situatie hangen en bekijken wat alle betrokkenen voelen/denken

(…)

9 Is in staat om leerlingen met bijzondere problemen te verwijzen M: Dit gebeurt vaak via de

IB-er.

[F] [ [F] ; toev.ktr] geeft aan dat dit de juiste gang van zaken is. [verweerder] zou zelf graag nog wat meer expertise hierop willen.

(…)

Beoordelingsgesprek

(…)

Toelichting [verweerder] , als we kijken naar de afgelopen twee jaar ben je enorm gegroeid. Je geeft aan eerst een nóg betere leerkracht te willen worden; je ziet dingen die je nog beter aan kunt pakken. Een reflectieve leerkracht!

We zullen de komende periode goed blijven letten op je werk en privébalans. Pas goed op jezelf.

Met een score van 3,5 ben je in de afgelopen 2 jaar enorm gegroeid. Hierbij tik je bijna de 3,6 aan!

[verweerder] , we zijn erg blij met je in ons team. Je bent van enorme meerwaarde voor de school. Ik ben benieuwd naar ons gesprek over twee jaar ☺.”

2.9.

In de periode juli-september 2015 (hierna: de zomer van 2015) is er buiten de school en de ouders om persoonlijk contact geweest tussen [verweerder] en [E] . [E] is meerdere malen bij [verweerder] thuis geweest. Er is geen sprake geweest van seksueel contact. Voorts heeft [verweerder] in de zomer van 2015 deelgenomen aan een groeps-app met oud-leerlingen (hierna: de groeps-app). Al deze oud-leerlingen hadden die zomer [naam basisschool] verlaten om naar de middelbare school te gaan.

2.10.

In de periode 13 september tot en met 3 oktober 2015 heeft [verweerder] via Facebook de volgende berichten aan [E] gestuurd (productie 7 van de Vereniging):

“Ik mis je!!”

[13 september 2015]

“Ik houd van je!”

[14 september 2015]

“Verwijder je me echt zo?”

[15 september 2015]

“Je kan me niet zomaar blokkeren/verwijderen [E] . Na alles wat wij hebben meegemaakt en doorstaan! Ook na alles wat je hebt gezegd de afgelopen maanden hoe fk belangrijk ik voor je ben en je me niet kwijt wilt in je leven en dat je niet zoals alle anderen was en me niet zou verlaten!! Als je me geblokkeerd/verwijderd laat sta ik eerdaags echt voor je deur en dan laat ik me niet tegenhouden. Zo makkelijk geef ik je niet op!!

[15 september 2015]

“Doe niet triest met blokken/verwijderen! Zo erg was de ruzie ook weer niet!

[16 september 2015]

“Doet t je echt helemaal niks?”

[17 september 2015]

“Ik mis je zo was het nog maar eerste vakantieweek. Toen we zo gelukkig waren. Ti’s leeg zonder jou. Spijt me zo”

[3 oktober 2015]

“Ik zou je zo graag even normaal willen spreken, als normale mensen met elkaar omgaan. Ik mis je zo erg [E] . Merk ontzettend erg aan mezelf hoe belangrijk je voor me bent. Ik kan het niet, m’n leven zonder jou erin. Ti’s leeg. Ik mis onze gesprekken enzo. Ik mis jou om wie je bent.”

[3 oktober 2015]

2.11.

Op 20 september 2015 heeft [verweerder] in de groeps-app het volgende bericht verzonden (productie 4 van de Vereniging):

“Lieve mensen, ik ga deze groepsapp verlaten. Kan hier niet meer blijven.

Zit iemand in deze app waar ik alles voor gedaan en gegeven heb. Voor geknokt hebt alles. Maar mij nu helaas keihard laat vallen. Ik heb m’n best gedaan. Maar kan t niet meer. Wil je me nog spreken moet je maar los berichtje sturen. Had nooit verwacht dat deze persoon m’n zo’n pijn zou doen. Gok ook dat jullie wel weten om wie t gaat. Succes op school ieder geval!”

2.12.

[verweerder] heeft na 20 september 2015 niet meer aan de groeps-app deelgenomen.

2.13.

De betreffende groeps-app communicatie is door ouders aan de Vereniging verstrekt. Naar aanleiding daarvan heeft er op 22 september 2015 een gesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [H] , cluster- of meerschoolsdirecteur (hierna: [H] ), [F] en [verweerder] . [verweerder] was op dat moment wegens ziekte thuis. Van het gesprek is door [H] en/of [F] achteraf een verslag opgesteld (productie 5 van de Vereniging).

2.14.

[verweerder] heeft [F] in september 2015 geappt (productie 6 van de Vereniging) dat hij bij de huisarts is geweest en dat hij is doorverwezen naar een Praktijkondersteuner Huisarts voor Geestelijke Gezondheidszorg (POH-GGZ) met een eerste afspraak voor 7 oktober 2015.

2.15.

In oktober 2015 heeft [verweerder] aan [F] laten weten dat hij een goed gesprek had gehad met de POH-GGZ en dat hij heeft gevraagd om een vervolggesprek (productie 6 van de Vereniging). [verweerder] heeft daarbij aangegeven:

“Wil het zeker stabiliseren en niet terugvallen. Heb ik haar ook gezegd.”

2.16.

Op maandagochtend 16 november 2015 heeft [verweerder] de volgende sms aan [E] gestuurd (productie 8 van de Vereniging):

“Ik weet dat ik een lul ben, niks goed kan doen en je pleuris hekel aan me hebt. Zag je alleen fietsen en wilde zeggen dat als wat is je nog altijd bij me terecht kan. Hoe groot je hekel ook aan me is. Daarnaast zou ik dat gele bandje graag terug willen. Is belangrijk voor me. (Daarom sms ik) geef het desnoods aan iemand als je me niet wilt zien. En heb niet t idee dat jij m’n spullen nog wilt/gaat dragen. Ik ben desnoods je grootste nachtmerrie. Het spijt me echt van alles no. Vooral dat ik je kennelijk al die maanden/jaren alleen maar super ongelukkig heb gemaakt. Ik ben een lul ik weet t. Ik wil dat je weet hoeveel spijt ik heb als ik je pijn heb gedaan. Ik pak m’n leven weer op. Helaas zonder je :-( Als je alleen maar gaat schelden enzo. Stuur dan alsjeblieft niks terug. Bedoel t alleen maar goed.”

2.17.

Op 16 november 2015 is de vader van [E] op school gekomen en heeft hij met [F] gesproken over het bericht van die ochtend van [verweerder] aan [E] en de Facebook-berichten (zie onder 2.10.). Naar aanleiding van dat gesprek is [verweerder] uit zijn klas gehaald en hebben [A] , [H] en [F] met [verweerder] gesproken. Van dit gesprek is door de heer [I] als notulist een verslag opgemaakt (productie 3 van de Vereniging). In dit verslag is onder meer - voor zover relevant voor de beoordeling - opgenomen:

[namens de Vereniging:]

“(…) We hebben destijds afgesproken dat je hulp gaat zoeken.

We hebben destijds afspraken gemaakt in een gesprek vanwege de problematiek, en dat gaf voldoende vertrouwen om verder te gaan. Maar deze ontwikkeling verandert dit vertrouwen.”

2.18.

De Vereniging heeft [verweerder] aan het eind van het gesprek op 16 november 2015 in verband met nader onderzoek een schorsing en een contactverbod opgelegd. [verweerder] heeft bij e-mail van diezelfde dag bezwaar gemaakt tegen de schorsing.

2.19.

Bij brief van 17 november 2015 heeft de Vereniging de schorsing en het contactverbod aan [verweerder] bevestigd. De inhoud van die brief luidt, voor zover relevant voor de beoordeling van het geschil:

“Je hebt aangegeven: 1) dat dit SMS-bericht [de sms van 16 november 2015; toevoeging ktr] onderdeel zou zijn van jouw privéleven, omdat deze leerling niet op deze school meer zit; 2) dat jouw SMS-bericht het enige bericht zou zijn na het gesprek in september waarin dit nadrukkelijk verboden werd; 3) dat jouw SMS-bericht geen vervolg zou zijn op de eerdere correspondentie die jij tot in september 2015 met de betreffende leerling had; 4) dat je deze maatregel niet begrijpt, en ziet als steek in jouw rug; 5) dat werk jouw enige houvast zou zijn in je leven, omdat je thuis alleen maar gaat nadenken over de afgelopen 10 jaar waar je niet gelukkig van wordt; 6) dat het beter met je zou gaan sinds de gesprekken met de therapeut.

Jouw zienswijze was niet doorslaggevend om af te zien van een directe schorsing, terwijl uit jouw woorden bovendien bleek dat jij onweerlegbaar van mening bent dat je er zelfs recht op zou hebben om met deze 12-jarige leerling te SMS-en, nu zij niet meer op [naam basisschool] zit, waardoor dit contact onder jouw privéleven zou vallen. Dit laatste standpunt is voor ons volstrekt ontoelaatbaar. Enerzijds omdat jij als 30-jarige man niet op deze wijze behoort te communiceren met een 12-jarig meisje, of dit nu op school of buiten school plaatsvindt, maar anderzijds ook omdat je met dit standpunt volledig voorbij gaat aan de voorbeeldfunctie die jij als “onze” leraar van minderjarige kinderen hebt, en jij je kennelijk niet realiseert dat jouw gedrag schadelijk is voor de Vereniging ‘ [...] ’.

Bovendien heb je, ondanks het uitdrukkelijke verbod hiertoe, toch (ongewenst) contact met betreffende 12-jarige leerling opgenomen.

(…)”

2.20.

De Vereniging heeft de ouders/verzorgers van groep 7/8 schriftelijk geïnformeerd dat [verweerder] “om persoonlijke redenen” naar huis is gegaan.

2.21.

Het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dateert van 17 november 2015 en is op 18 november 2015 bij de rechtbank ingekomen.

2.22.

[verweerder] heeft zich op 19 november 2015 ziek gemeld en is die dag bij de bedrijfsarts geweest.

2.23.

Bij brief van 20 november 2015 heeft de Vereniging [verweerder] laten weten dat zij geen vertrouwen meer heeft in [verweerder] en dat zij vanwege een onherstelbaar verstoorde werkverhouding een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend. In die brief is aan [verweerder] gemeld dat de schorsing en het contactverbod wegens ‘ernstverzwarende omstandigheden’ worden verlengd voor de duur van de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

2.24.

Op 30 november 2015 heeft er tussen partijen en hun gemachtigden een gesprek plaatsgevonden.

2.25.

Op 17 december 2015 heeft [verweerder] weer met de bedrijfsarts gesproken. De bedrijfsarts heeft bij brief van 17 december 2015 laten weten dat er informatie bij de behandelaar zal worden opgevraagd en dat er op dat moment geen uitspraak kan worden gedaan over belastbaarheid voor arbeid.

2.26.

Op 28 december 2015 is namens [verweerder] beroep aangetekend tegen de schorsing en de verlenging daarvan.

2.27.

[verweerder] was ten tijde van de mondelinge behandeling nog arbeidsongeschikt.

3 Het verzoek, het verweer en de tegenverzoeken.

3.1.

De Vereniging verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, op grond van een onherstelbaar en onomkeerbaar verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de Vereniging als werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g BW, onder nadrukkelijke constatering dat de ontbinding niet in overwegende mate aan de Vereniging als werkgeefster te wijten is, met compensatie van de proceskosten tussen partijen, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. De Vereniging biedt een bedrag van € 3.000 aan als tegemoetkoming in een door [verweerder] te volgen outplacementtraject.

3.2.

[verweerder] voert verweer. Hij concludeert (na vermeerdering én vermindering van zijn tegenverzoeken ter zitting) primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek en verzoekt de kantonrechter de Vereniging te veroordelen tot:

  • -

    wedertewerkstelling van [verweerder] , binnen een week na afgifte van de beschikking, althans zodra [verweerder] weer arbeidsgeschikt zal zijn, in zijn eigen dan wel een andere passende functie, onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 dan wel een ander door de kantonrechter te bepalen bedrag per dag of dagdeel dat de Vereniging deze veroordeling niet nakomt;

  • -

    verzending van een door [verweerder] opgesteld communiqué, binnen een week na afgifte van de beschikking, aan alle ouders/verzorgers van [naam basisschool] te [vestigingsplaats] en tot plaatsing van dit communiqué op de Facebook pagina en de website van [naam basisschool] , onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 dan wel een ander door de kantonrechter te bepalen bedrag per dag of dagdeel dat de Vereniging deze veroordeling niet nakomt.

Subsidiair, ingeval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] de kantonrechter hem een voorziening als bedoeld in de CAO PO, zoals in het verweerschrift vermeld, en een billijke vergoeding van € 200.000,00 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag, toe te kennen, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede om bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn zonder aftrek van proceduretijd.

Zowel primair als subsidiair met veroordeling van de Vereniging in de volledige proceskosten.

3.3.

De Vereniging voert, behoudens wat betreft de voorziening als bedoeld in de CAO PO, verweer tegen de tegenverzoeken van [verweerder] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontbindingsverzoek

4.1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod, hetgeen niet het geval is.

4.2.

De Vereniging legt aan haar verzoek tot ontbinding de g-grond (artikel 7:671b jo. artikel 7:669, lid 3, onderdeel g BW) ten grondslag: een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding dat van de Vereniging als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De stellingen van de Vereniging komen, samengevat, op het volgende neer. Volgens de Vereniging heeft [verweerder] zich gezien zijn contacten met [E] en door zijn deelname aan de groeps-app onprofessioneel en onbetamelijk gedragen. Nu [verweerder] na het gesprek op 22 september 2015, waarin hij is gewaarschuwd, toch contact heeft gezocht met [E] , hij op 16 november 2015 zaken heeft ontkend die achteraf wel het geval bleken te zijn en hij ondanks alle gesprekken en inspanningen van de Vereniging, bij voortduring de ernst van zijn handelen niet inziet, is het vertrouwen in hem verdwenen en is de arbeidsrelatie onherstelbaar en onomkeerbaar verstoord, aldus de Vereniging. Volgens de Vereniging dient [verweerder] niet meer in het basisonderwijs te werken en heeft de Vereniging mede als gevolg van de verstoorde arbeidsrelatie dan ook nadrukkelijk niet overwogen om [verweerder] , al dan niet met behulp van scholing, te herplaatsen in een andere passende functie bij de Vereniging. De Vereniging is er inmiddels van overtuigd dat [verweerder] niet geschikt (meer) is voor de functie van leerkracht.

4.3.

Het verweer van [verweerder] luidt, samengevat, als volgt. De door de Vereniging aan het verzoek ten grondslag gelegde g-grond doet zich niet voor. Volgens [verweerder] is hij een goede, zowel door leerlingen en ouders als door collega’s gewaardeerde leerkracht. Er zijn wel problemen. [verweerder] erkent en heeft dat ook in het gesprek op 30 november 2015 gedaan, dat hij met zijn deelname aan de groeps-app en in zijn (goedbedoelde) contacten met [E] te ver is gegaan en dat hij niet de professionele distantie heeft betracht die hij als leerkracht had moeten hebben. Volgens [verweerder] heeft hij de oorzaak daarvan – moeilijke privéomstandigheden, het als leerkracht té goed willen doen en teveel bij leerlingen betrokken te zijn – kenbaar gemaakt en heeft hij in dat verband meermaals – weliswaar het in bedekte termen – hulp gevraagd. De Vereniging heeft geen hulp geboden. Van de Vereniging had mogen worden verwacht dat zij de ernst van de persoonlijke situatie van [verweerder] had ingezien en ondersteuning had geboden, in plaats van tot schorsing en een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Ontslag is een veel te vergaand middel, nu [verweerder] daarna nooit meer als leraar aan het werk zal komen. [verweerder] heeft zelf al begeleiding gezocht en staat open voor verdere begeleiding en coaching. Dit maakt dat [verweerder] moet kunnen terugkeren op [naam basisschool] . Mocht dat niet kunnen, dan ligt herplaatsing in een passende functie bij een andere onder het bestuur van de Vereniging vallende school in de rede. Ook in dat geval dient het ontbindingsverzoek te worden afgewezen.

4.4.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling van dit ontbindingsverzoek voorop dat in het derde lid van artikel 7:669 BW een limitatieve opsomming is gegeven van de redelijke gronden waarop de werkgever zich kan beroepen als hij de arbeidsovereenkomst wil laten ontbinden en dat de door de werkgever aangevoerde ontslaggrond op zichzelf een voldoende redelijke grond moet opleveren. Nu de Vereniging aan haar verzoek de g-grond, een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, ten grondslag legt, dient derhalve te worden beoordeeld of de in deze procedure vaststaande feiten en omstandigheden ontbinding op deze grond rechtvaardigen.

4.5.

Dat [verweerder] zich in zijn omgang met voormalige leerlingen onprofessioneel en onbetamelijk heeft gedragen, staat niet ter discussie. Vast staat dat [verweerder] buiten medeweten van school en ouders, persoonlijk contact met de 12-jarige (voormalige) leerling [E] heeft onderhouden. [verweerder] heeft [E] bij hem thuis ontvangen en heeft haar de hiervoor onder 2.10. weergegeven Facebook berichten en de hiervoor onder 2.16. weergegeven sms van 16 november 2015 gestuurd. De kantonrechter heeft de betreffende productie 7 van de Vereniging, ondanks bezwaar daartegen van [verweerder] , toegelaten, nu [verweerder] immers heeft erkend dat hij deze berichten heeft verstuurd. Om dezelfde reden wordt ook productie 4 van de Vereniging, het bericht van [verweerder] in de groeps-app van 20 september 2015 (zie onder 2.11.), toegelaten. Vast staat dat [verweerder] aan die groeps-app heeft deelgenomen en dat hij zich van die deelname en meer in het bijzonder van de app van 20 september 2015 had moeten onthouden. Hoewel er discussie mogelijk is over de vraag waar precies de grenzen liggen als het gaat om de wijze van omgang van een leerkracht met zijn of haar leerlingen, is het in dit geval duidelijk dat [verweerder] in zijn contacten met [E] en door deelname aan de groeps-app die grenzen heeft overschreden.

4.6.

De kantonrechter volgt de Vereniging echter niet in haar standpunt dat dit handelen van [verweerder] thans vanwege een verstoorde arbeidsverhouding tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet leiden. Naar het oordeel van de kantonrechter mag daarentegen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de Vereniging worden verlangd dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voorzet. Aan dat oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

4.7.

Vast staat dat er door de Vereniging tot aan deze procedure geen sprake is geweest van wezenlijke kritiek op het functioneren van [verweerder] als leerkracht. Uit het (van de overgelegde stukken) meest recente functioneringsverslag (het verslag van het functioneringsgesprek in 2014; zie onder 2.8.) blijkt dat de school erg tevreden is over het functioneren van [verweerder] . Uit de overgelegde verslagen van de functioneringsgesprekken als ook uit de e-mail van [verweerder] aan [F] van 29 mei 2014, blijkt echter ook dat het al langere tijd bij de Vereniging bekend was (in feite al vanaf zijn start als leerkracht in opleiding) dat [verweerder] problemen heeft met het bewaken van de vereiste professionele distantie tussen hem als leerkracht en zijn leerlingen, met het omgaan met en beheersen van emoties als ook met het vinden van een goede balans tussen werk en privé. De Vereniging heeft dit bovendien bij de mondelinge behandeling van het verzoekschrift ook nog eens bevestigd. Zo heeft [A] benadrukt dat het hier niet om een eenmalige situatie gaat, maar er al jaren een problematische situatie is.

4.8.

Dat er vanuit de school concreet iets met deze aandachtspunten is gedaan, anders dan deze met [verweerder] te bespreken, is echter niet gebleken. De Vereniging heeft weliswaar gesteld dat [verweerder] kon terugvallen op een andere leerkracht en er een externe coach op de achterhand beschikbaar was, maar daarbij werd aan [verweerder] zelf overgelaten of hij van die back-up gebruik wilde maken. De school heeft daarin zelf geen initiatief genomen. Zo is niet gebleken dat de school specifiek met betrekking tot de hiervoor genoemde en door haar geconstateerde aandachtspunten begeleiding heeft aangeboden. Dit terwijl verbetering op die punten kennelijk wel nodig was (en is) om de functie van leerkracht goed te kunnen (blijven) uitoefenen en eveneens – al langere tijd – duidelijk was dat [verweerder] daar (steeds weer) problemen bij ondervond. Onder die omstandigheden had naar het oordeel van de kantonrechter van de Vereniging als goed werkgever, op basis van het bepaalde in artikel 7:611 en inmiddels vanaf 1 juli 2015 ook 7:611a BW, (meer) begeleiding mogen worden verwacht. Niet uitgesloten is de het in de zomer van 2015 ontstane grensoverschrijdende situatie met specifieke begeleiding had kunnen worden voorkomen.

4.9.

Ook toen de Vereniging in september 2015 bekend werd met de deelname van [verweerder] aan de groeps-chat en het dus duidelijk was dat er grenzen waren overschreden, heeft dit tot niet meer geleid dan een gesprek daarover met [verweerder] op 22 september 2015. Het door de Vereniging pas daags voor de mondelinge behandeling overgelegde verslag van dat gesprek wordt hierbij overigens buiten beschouwing gelaten, nu [verweerder] daartegen terecht bezwaar heeft gemaakt. Het had op de weg van de Vereniging gelegen om dit stuk al veel eerder (meteen nadat dat gesprek had plaatsgevonden) aan [verweerder] te doen toekomen.

4.10.

Uit het verslag van het gesprek daarna met [verweerder] op 16 november 2015 (zie onder 2.17.), blijkt dat de Vereniging in september 2015 heeft onderkend dat [verweerder] verdere hulp en begeleiding nodig had. Ook toen heeft de Vereniging echter daarvoor als werkgever geen medeverantwoordelijkheid genomen en heeft zij die verantwoordelijkheid voor het vinden van de noodzakelijke hulp uitsluitend bij [verweerder] neergelegd.

4.11.

Feit is dat [verweerder] zelf destijds daadwerkelijk hulp heeft gezocht via zijn huisarts, die hem heeft doorverwezen, waarna er vanaf 7 oktober 2015 – ná het laatste Facebookbericht van [verweerder] aan [E] – gesprekken met een POH-GGZ hebben plaatsgevonden. Leidinggevende [F] is over die gesprekken met de POH-GGZ destijds door [verweerder] ook geïnformeerd (zie onder 2.15.). Er zijn door [verweerder] daarna geen Facebook berichten meer gestuurd.

4.12.

In het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden, waarbij van de Vereniging meer inspanning had mogen worden verwacht, acht de kantonrechter het feit dat [verweerder] op 16 november 2015 (toch) een sms heeft gestuurd (zie onder 2.16.) en dat hij in het gesprek van 16 november 2015 niet direct open kaart heeft gespeeld, onvoldoende voor de destijds al meteen door de Vereniging getrokken conclusie dat geen basis meer zou zijn voor voortzetting van het dienstverband. Die conclusie was en is prematuur.

4.13.

[verweerder] heeft aangegeven de noodzaak van verdere begeleiding en coaching in te zien en daar voor open te staan. Daarmee ligt het nu op de weg van de Vereniging om met [verweerder] een concreet verbetertraject met specifieke begeleiding in te gaan. Dat geldt te meer nu de Vereniging zich eigenlijk, zo volgt uit hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, op het standpunt stelt dat [verweerder] ongeschikt is voor zijn functie als leerkracht in het basisonderwijs (de d-grond van artikel 7:669 lid 3 BW), hetgeen de Vereniging in deze procedure niet als ontbindingsgrond heeft aangevoerd. Ook indien de Vereniging dit wel als grondslag zou hebben aangevoerd, had dit thans niet tot ontbinding kunnen leiden. Een werkgever die zich op ongeschiktheid van zijn werknemer beroept, behoort de werknemer daarvan immers tijdig in kennis te stellen en hem in voldoende mate in de gelegenheid te stellen zijn functioneren te verbeteren, terwijl de ongeschiktheid niet het gevolg mag zijn van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer. Hier ligt dus een taak voor de Vereniging als werkgever.

4.14.

De conclusie is derhalve dat het verzoek tot ontbinding zal worden afgewezen.

Tegenverzoeken

4.15.

[verweerder] heeft de kantonrechter verzocht de Vereniging te veroordelen tot wedertewerkstelling van [verweerder] zodra hij weer arbeidsgeschikt zal zijn en tot verzending en plaatsing van een door [verweerder] opgesteld communiqué betreffende de wedertewerkstelling.

4.16.

De Vereniging heeft met betrekking tot deze tegenverzoeken geen verweer gevoerd en refereert zich in zoverre kennelijk aan het oordeel van de kantonrechter.

4.17.

Nu het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden afgewezen, is er voldoende grond voor toewijzing van de gevraagde wedertewerkstelling per de datum waarop [verweerder] weer arbeidsgeschikt zal zijn, doch niet eerder dan binnen drie weken na deze beschikking. Verwacht mag worden dat de Vereniging wat meer tijd nodig heeft in verband met de terugkeer van [verweerder] .

4.18.

Van beide partijen mag worden verwacht dat zij zich zullen inspannen om tot herstel en continuering van de arbeidsrelatie te komen en dat zij zich daartoe open en constructief jegens elkaar zullen opstellen.

4.19.

Wat betreft het communiqué is de kantonrechter van oordeel dat dit onderdeel van het verzoek van [verweerder] bij de mondelinge behandeling onvoldoende is besproken. Om die reden dient de inhoud daarvan nog nader tussen partijen te worden afgestemd, zij het dat de kantonrechter het in het belang van beide partijen acht dat daarbij voor neutrale bewoordingen zal worden gekozen. Derhalve zal de Vereniging worden veroordeeld tot verzending en plaatsing van een in nader overleg met [verweerder] en in neutrale bewoordingen op te stellen communiqué. Van partijen mag worden verwacht dat zij daar gezamenlijk, met hun gemachtigden, zullen uitkomen. Een termijn van twee weken na deze beschikking acht de kantonrechter daartoe toereikend.

4.20.

Voor oplegging van een dwangsom aan de Vereniging ziet de kantonrechter (vooralsnog) geen reden.

Proceskosten

4.21.

Nu het ontbindingsverzoek zal worden afgewezen, bestaat er aanleiding om de Vereniging in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde. Het verzoek van [verweerder] om de Vereniging in de volledige proceskosten te veroordelen, wordt daarbij afgewezen. Weliswaar staat het de kantonrechter bij de proceskostenveroordeling in een verzoekschriftprocedure op grond van artikel 289 Rv vrij om een partij in de werkelijke kosten van de andere partij te veroordelen, maar daartoe ziet de kantonrechter in dit geval geen aanleiding.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af;

5.2.

veroordeelt de Vereniging om [verweerder] zodra [verweerder] weer arbeidsgeschikt zal zijn, doch niet eerder dan binnen drie weken na afgifte van deze beschikking, in staat te stellen zijn werkzaamheden te hervatten, in zijn eigen dan wel een andere passende functie;

5.3.

veroordeelt de Vereniging om binnen twee weken na afgifte van deze beschikking over te gaan tot verzending per e-mail aan de ouders/verzorgers van leerlingen van [naam basisschool] te [vestigingsplaats] en plaatsing op de Facebookpagina en de website van [naam basisschool] van een in nader overleg met [verweerder] en in neutrale bewoordingen op te stellen communiqué inzake de hervatting van de werkzaamheden door [verweerder] ;

5.4.

veroordeelt de Vereniging in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde;

5.5.

verklaart deze beschikking wat betreft de beslissingen onder 5.2., 5.3. en 5.4. uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2016.