Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5156

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
UTR 15/2407 en UTR 13/4030
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft op grond van de Subsidieverordening Natuur en Landschap (SNL) subsidie aangevraagd voor ongeveer 90 percelen over de jaren 2010 tot en met 2013. Er is subsidie gevraagd voor individueel beheer en collectief beheer, verder is een toeslag ruige stalmest en een probleemgebiedenvergoeding aangevraagd. De subsidie is elk subsidiejaar deels toegekend. Eiseres vindt dat de oppervlaktes waarvoor subsidie is verleend te klein zijn vastgesteld. De rechtbank doet over elk jaar afzonderlijk uitspraak. Er zijn twee belangrijke geschilpunten tussen partijen. De eerste is of de oppervlaktes van de percelen zoals die vermeld staan in het collectief beheerplan, dat jaarlijks door GS wordt vastgesteld, de maximum oppervlaktes zijn waarvoor subsidie kan worden uitbetaald. De rechtbank oordeelt dat uit de systematiek van de SNL volgt dat inderdaad niet voor meer oppervlakte subsidie kan worden uitbetaald dan de oppervlaktes zoals vermeld in het collectief beheerplan. Het tweede geschilpunt is of verweerder de oppervlaktes van de overige percelen juist heeft vastgesteld. Verweerder heeft hiervoor luchtfoto’s van de verschillende subsidiejaren gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat de oppervlaktes correct zijn vastgesteld. Eiseres krijgt inhoudelijk dus geen gelijk, hoewel de beroepen wel gegrond zijn verklaard vanwege procedurele gebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 13/4030 en UTR 15/2407

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2016 in de zaak tussen

de vennootschap onder firma “ [eiseres] ”, te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

het College van Gedeputeerde Staten, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2011 heeft verweerder op basis van het betaalverzoek 2010 via de Gecombineerde opgave (GO) een subsidie toegekend van € 21.788,54. Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft verweerder dit bedrag gewijzigd naar € 22.123,74.

Bij besluit van 6 november 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard, de vastgestelde subsidie gewijzigd en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij besluit van 14 januari 2013 is door verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres, waarbij ten opzichte van het besluit van 6 november 2012 anders is beslist over de beheereenheden 1026 en 1037. Eiseres heeft tegen het besluit van 14 januari 2013 beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder procedurenummer UTR 13/1149. Bij besluit van 6 juni 2013 heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen. Het beroep is mede gericht geacht tegen het besluit van 6 juni 2013.

Bij uitspraak van 1 november 2013 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan. Het beroep tegen het besluit van 14 januari 2013 is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 6 juni 2013 is gegrond verklaard. Het besluit van 6 juni 2013 is vernietigd voor zover dat zag op de beheereenheden 1001, 1008 en 1012. Ten aanzien van die beheereenheden is verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 24 maart 2015 heeft verweerder voor het jaar 2010 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarin is deels aan de bezwaren tegemoet gekomen.

Bij besluit van 6 januari 2012 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2010 een probleemgebiedenvergoeding (PGV) toegekend van € 6.377,90.

Bij besluit van 2 mei 2012 heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard en het besluit van 6 januari 2012 deels herroepen. Hiertegen is geen beroep ingesteld. Bij besluit van 7 oktober 2013 heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen. Hiertegen is op 9 oktober 2013 bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar is beslist in het besluit van 24 maart 2015. Aan het bezwaar van eiseres is deels tegemoet gekomen.

Bij besluit van 16 november 2011 heeft verweerder voor het jaar 2010 een toeslag ruige stalmest toegekend voor een oppervlakte van 8,44 hectare. Hiertegen is bezwaar gemaakt door eiseres. Bij besluit van 28 februari 2012 heeft verweerder de oppervlakte voor ruige stalmest gewijzigd naar 10,59 hectare. Hiertegen is opnieuw bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 juli 2013 is het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de oppervlakte gewijzigd naar 10,82 hectare. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer UTR 13/4030. In het besluit van 24 maart 2015 is opgenomen dat de oppervlakte terecht is vastgesteld op 10,82 hectare.

Eiseres heeft tegen het besluit van 24 maart 2015 beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder procedurenummer UTR 15/2407.

Het beroep met procedurenummer UTR 13/4030 is behandeld ter zitting van 14 april 2015. Het onderzoek is vervolgens aangehouden en opnieuw ter zitting behandeld op 2 juni 2016. Ter zitting van 2 juni 2016 is ook het beroep tegen het besluit van 24 maart 2015 (procedurenummer UTR 15/2407) behandeld. Namens eiseres zijn verschenen [A] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 16 november 2009 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een subsidie in verband met agrarisch natuur- en landschapsbeheer ingevolge de Subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer provincie Utrecht (SNL). Bij besluit van 12 april 2010 heeft verweerder deze subsidieaanvraag gedeeltelijk goedgekeurd. De subsidie wordt verleend voor individueel agrarisch natuurbeheer, individueel landschapsbeheer en voor collectief agrarisch natuurbeheer, verhoogd met een toeslag voor het uitrijden van ruige mest. Deelname aan collectief agrarisch natuurbeheer wordt goedgekeurd op basis van een minimumoppervlakte van 1 hectare en een maximum van 73 hectare(s) in het gebied [...] . De subsidie heeft betrekking op de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015. Bij dit besluit heeft verweerder er onder meer op gewezen dat in de SNL is bepaald dat jaarlijks via de GO om uitbetaling van de subsidie verzocht dient te worden. Uit de SNL volgt dat de beheerder van landbouwgrond in aanmerking kan komen voor subsidie in het kader van de SNL indien hij zijn gronden aanwendt voor agrarisch natuurbeheer. In beginsel vindt agrarisch natuurbeheer op individuele basis plaats, maar verweerder kan ook als voorwaarde stellen dat deelname in collectief verband, vastgelegd in een collectief beheerplan, plaatsvindt. In de situatie van eiseres is zowel sprake van individueel agrarisch natuurbeheer als van collectief agrarisch natuurbeheer.

Procedurenummer UTR 15/2407

2. Gedurende het jaar 2010 past eiseres op de beheereenheden 1 tot en met 65 individueel beheer toe en op de beheereenheden 1000 tot en met 1060 is sprake van collectief beheer. Op 11 mei 2010 heeft eiseres de GO 2010 bij verweerder ingediend. Vervolgens is de besluitvorming gevolgd zoals hiervoor vermeld onder ‘Procesverloop’.

3. De rechtbank stelt vast dat de subsidie die is toegekend voor individueel beheer en voor landschapsbeheer tussen partijen niet (langer) in geschil is, zodat de rechtbank over die onderwerpen geen uitspraak zal doen.

4. In het besluit van 24 maart 2015 heeft verweerder uiteengezet op welke wijze de oppervlaktes voor de gevraagde subsidie worden berekend. Ten aanzien van de oppervlaktes voor individueel en collectief agrarisch natuurbeheer is toegelicht dat, ter vaststelling van subsidiabele perceeloppervlaktes, in 2009 het nieuwe systeem ‘Agrarisch Areaal Nederland’ (AAN) is opgezet. Elke oppervlakte gebonden steunaanvraag, zoals een aanvraag in het kader van de SNL, wordt administratief getoetst aan de referentiepercelen in de AAN en geregistreerd in de Basisregistratie percelen (BRP). De landbouwer geeft jaarlijks in de GO zijn gewaspercelen, de bijbehorende oppervlaktes en het grondgebruik door. De gewaspercelen worden door verweerder beoordeeld, getoetst aan het referentieperceel in de AAN en geregistreerd in de BRP. Naast de oppervlakte die is geregistreerd in de AAN/BRP kan een extra oppervlakte worden aangevraagd in de vorm van de zogenaamde slotenmarge. De topografische oppervlakte wordt bepaald door de som van de AAN en de slotenmarge minus de aanwezige weiderand, waarbij van belang is dat in beginsel niet voor méér oppervlakte subsidie kan worden uitbetaald dan in het betaalverzoek is gevraagd. Bij de subsidieverlening voor de collectieve beheereenheden dient daarnaast rekening te worden gehouden met de aanvraag zoals deze is goedgekeurd binnen het collectief beheerplan. De landbouwers moeten jaarlijks bij de gebiedscoördinator aangeven voor welke percelen zij voor het collectief agrarisch natuurbeheer willen meedoen. De gebiedscoördinator zet dan jaarlijks de aangewezen percelen in de zogeheten Toolkit, waarin landbouwers hun beheereenheid kunnen inzien. Verweerder bepaalt jaarlijks of de in de Toolkit aangevraagde percelen worden goedgekeurd binnen het collectief beheerplan.

5. De oppervlaktes van alle collectieve beheereenheden zijn in het besluit van 24 maart 2015 opnieuw beoordeeld. Verweerder was daartoe op grond van de uitspraak van deze rechtbank van 1 november 2013 (UTR 13/1149) niet gehouden. In die uitspraak is bepaald dat verweerder over de beheereenheden 1001, 1008 en 1012 een nieuw besluit op bezwaar moest nemen. Verweerder heeft aanleiding gezien voor een volledige herbeoordeling, onder meer vanwege een mediationgesprek in oktober 2013 Die herbeoordeling heeft voor verschillende beheereenheden een gewijzigde oppervlakte tot gevolg gehad. Het totaalbedrag aan subsidie voor individueel- en collectief beheer en probleemgebiedenvergoeding is met het besluit van 24 maart 2015 per saldo hoger geworden.

6. Eiseres voert in beroep aan dat de oppervlaktes van de collectieve beheereenheden nog steeds niet correct zijn vastgesteld en verwijst naar de beroepsgronden die zijn aangevoerd in de procedure over het beheerjaar 2011 (UTR 13/3261 en UTR 13/3317). In die procedure heeft eiseres aangevoerd dat de grens water-land op basis van de door verweerder gebruikte luchtfoto’s onvoldoende nauwkeurig is te bepalen. Bij in totaal 90 ingetekende gewaspercelen kan een klein verschil in oppervlakte per saldo een groot verschil maken. Eiseres verwijst voor de onderbouwing van haar standpunt naar de spreadsheet die zij in de procedure over het jaar 2011 heeft overgelegd bij de brief van 1 juli 2015. In die spreadsheet heeft eiseres op perceelniveau toegelicht waar de perceelgrenzen volgens haar onjuist zijn gelegd en waar de oppervlaktes te klein zijn vastgesteld. Ook voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte de winterluchtfoto 2012 heeft gehanteerd. Bij het invullen van de jaarlijkse GO wordt altijd de voorjaarsfoto weergegeven en door nu de winterfoto te hanteren blijft er sprake van verwarring. Bovendien is de wens van verweerder om de oppervlaktes voor alle 6 jaren vast te stellen op basis van één winterfoto principieel onjuist in het veenweidegebied, omdat de slootkanten aangroeien, dichtgroeien, weer worden opengehaald etcetera, waardoor de situering van de slootkanten, en daarmee de oppervlakte, kan fluctueren.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de oppervlaktes van de beheereenheden wel juist zijn vastgesteld en heeft daarbij eveneens verwezen naar het standpunt zoals dat naar voren is gebracht in de procedure over beheerjaar 2011. De oppervlaktes zijn beoordeeld op grond van de winterluchtfoto 2012. Vervolgens zijn de perceelgrenzen, op dezelfde wijze als voor het beheerjaar 2010, vergeleken met de perceelgrenzen op de zomerluchtfoto van 2010. Uit die vergelijking is gebleken dat eiseres door de hantering van de winterluchtfoto 2012 niet is benadeeld. De opmerkingen in de door eiseres overgelegde spreadsheet brengen verweerder niet tot een ander standpunt. Eiseres heeft daarin volgens verweerder ten onrechte volstaan met algemene opmerkingen. Zij heeft niet specifiek aangegeven welke perceelgrens onjuist is en waarom. Ook heeft eiseres geen rekening gehouden met niet-beteelde oppervlaktes.

8. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en gelet op hetgeen is bepaald in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening EG/1122/2009, mag bij het bepalen van de oppervlakte van beheereenheden worden uitgegaan van de in de AAN/BRP opgenomen referentiepercelen, tenzij hetgeen is aangevoerd aanleiding geeft om aan de juistheid van de vastgestelde oppervlakte te twijfelen. De rechtbank verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 23 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1490).

9. De rechtbank vindt in de argumenten en de door eiseres overgelegde spreadsheet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de door verweerder vastgestelde oppervlaktes. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat ten onrechte de winterluchtfoto 2012 is gehanteerd. Verweerder heeft de perceelgrenzen vergeleken met de zomerluchtfoto’s 2010 en daarbij geconstateerd dat eiseres niet is benadeeld. Dat deze werkwijze in strijd is met de toepasselijke regelgeving is niet gebleken. Het gegeven dat bij de jaarlijkse GO altijd de zomerluchtfoto wordt getoond maakt dit niet anders, omdat niet is gebleken dat de oppervlaktes op grond van de winterluchtfoto onjuist zijn vastgesteld. Verder merkt de rechtbank op dat, alhoewel het vaststellen van de perceelgrenzen met zorgvuldigheid dient te gebeuren, het niet haalbaar is om de perceelgrenzen met 100% nauwkeurigheid vast te stellen gelet op het grote aantal gewaspercelen waarvan de oppervlaktes jaarlijks vastgesteld moeten worden. Verweerder heeft aan de hand van de winterluchtfoto’s van 2012 en de zomerluchtfoto’s van 2010 en de daarop gegeven toelichting, voldoende aannemelijk gemaakt dat de perceelgrenzen, en daarmee de oppervlaktes, voor de uitbetaling van de SNL-subsidie voor het beheerjaar 2010 correct zijn vastgesteld. De beroepsgronden slagen niet.

10. Ten aanzien van de PGV heeft verweerder zich gedurende de beroepsprocedure alsnog op het standpunt gesteld dat voor beheereenheid 35 PGV kan worden toegekend voor een bedrag van € 12,22 (0,13 hectare x € 94,-). Op dit punt is er daarom sprake van een gebrek in het besluit van 24 maart 2015.

11. In de beroepsgronden is de vraag opgeworpen of de voor de bezwaarprocedure toegekende proceskostenvergoeding wel klopt. Verweerder heeft voor het bezwaar over de PGV een vergoeding toegekend van € 974,-. Daarbij is een punt toegekend voor het indienen van het bezwaar en een punt voor het bijwonen van de mediation. Voor de bezwaren tegen het individuele beheer, het collectieve beheer en de toeslag ruige stalmest is geen vergoeding toegekend. De bezwaren zijn door eiseres zelf ingediend. Voor het bijwonen van de hoorzitting op 5 februari 2013 is bovendien al een vergoeding toegekend in het besluit van 5 juli 2013. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding onjuist is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet.

12. In het besluit van 5 juli 2013 is de oppervlakte van de toeslag vastgesteld op 10,82 hectare. Deze oppervlakte is in het besluit van 24 maart 2015 niet gewijzigd. De gronden die eiseres over de toeslag ruige stalmest heeft aangevoerd bespreekt de rechtbank in de procedure met kenmerk UTR 13/4030.

13. Gelet op het in punt 11 geconstateerde gebrek in het besluit van 24 maart 2015 is het beroep gegrond. Het besluit van 24 maart 2015 wordt vernietigd voor zover daarin is beslist dat aan eiseres terecht geen PGV is toegekend voor beheereenheid 35. Eiseres kan zich vinden in de toekenning van het bedrag van € 12,22. De rechtbank zal op grond van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien. De rechtbank herroept het besluit van 6 januari 2012 voor zover daarbij is geweigerd om PGV toe te kennen voor beheereenheid 35. Vervolgens bepaalt de rechtbank dat aan eiseres PGV toegekend dient te worden voor beheereenheid 35, ter hoogte van een bedrag van € 12,22. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in zoverre de plaats treedt van het vernietigde besluit van 24 maart 2015. Dat betekent dat verweerder dus geen nieuw besluit hoeft te nemen.

14. Omdat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 maart 2015 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 331,- dient te vergoeden.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zaken met procedurenummers UTR 15/2407, UTR 15/2406 en UTR 15/2409 samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent 1 punt toe voor het indienen van beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. Daarbij wordt uitgegaan van een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1. Dat betekent dat voor de drie zaken samen een totaalbedrag van € 992,- wordt toegekend. De rechtbank verdeelt dit totaalbedrag gelijkelijk over de drie zaken.

Procedurenummer UTR 13/4030

16. In het besluit van 5 juli 2013 heeft verweerder opgenomen dat de toeslag ruige stalmest is gekoppeld aan de oppervlakte voor collectief beheer. De ruige stalmest mag alleen worden uitgereden op de percelen met de pakketten “ [...] ” en “ [...] ”. Uit het besluit van 5 juli 2013 blijkt dat er voor deze pakketten in totaal een oppervlakte van 10,82 hectare subsidie wordt uitbetaald. Dit is in het besluit van 24 maart 2015 niet gewijzigd. Voor de ruige stalmest wordt daardoor ook een toeslag uitbetaald van 10,82 hectare. Eiseres voert aan dat de toeslag ruige stalmest niet juist is uitbetaald omdat de oppervlaktes van de collectieve beheereenheden onjuist zijn vastgesteld.

17. Dat verweerder de oppervlaktes van de collectieve beheereenheden van de percelen waarop de ruige stalmest wordt uitgereden te klein heeft vastgesteld is gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De gronden slaagt niet.

18. Voor zover eiseres heeft betoogd dat de proceskostenvergoeding voor bezwaar te laag is vastgesteld overweegt de rechtbank dat uit het besluit van 5 juli 2013 blijkt dat aan de gemachtigde een vergoeding van € 472,- is toegekend voor het bijwonen van de hoorzitting op 5 februari 2013. Voor het indienen van het bezwaar is terecht geen vergoeding toegekend, omdat de gemachtigde op dat moment nog niet bij de procedure betrokken was. De beroepsgrond slaagt niet.

19. Het beroep tegen het besluit van 5 juli 2013 is daarom ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juli 2013 (procedurenummer UTR 13/4030) ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 24 maart 2015 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 24 maart 2015, voor zover daarbij is bepaald dat voor beheereenheid 35 geen PGV wordt toegekend;

  • -

    herroept het besluit 6 januari 2012, voor zover daarbij is beslist dat voor beheereenheid 35 geen PGV wordt toegekend, bepaalt dat voor beheereenheid 35 een bedrag aan PGV wordt toekend van € 12,22 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 24 maart 2015;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 330,67,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové , voorzitter, en M.C. Verra en mr. L.M. Reijnierse, leden, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.