Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5141

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2016
Datum publicatie
27-09-2016
Zaaknummer
5338904 UC VERZ 16-12482 LH/1040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 96 Rv-procedure over de vraag of werknemer topfunctionaris in de zin van artikel 1.1, sub b onder 5 van de WNT is, meer in het bijzonder of hij moet worden aangemerkt als (een van) de hoogste ondergeschikte(n) en in die rol (gezamenlijk) verantwoordelijk was voor de gehele rechtspersoon. Periode vóór en na een organisatiewijziging. Strekking van de WNT. Status van het overleg met het middelmanagement. Gewezen topfunctionaris in de zin van artikel 6 van de Beleidsregels WNT 2016.

Wetsverwijzingen
Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector
Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector 1.1
Beleidsregels WNT 2016
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2791
RAR 2017/10
JAR 2016/273
AR-Updates.nl 2016-1067
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5338904 UC VERZ 16-12482 LH/1040

Vonnis van 23 september 2016

in de procedure, door partijen aangebracht bij prorogatie in de zin van artikel 96 Rv, tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [naam] Holding,

gemachtigde: mr. B.J. Bongaards,

en

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [A] ,

gemachtigde: mr. M.E. Sträter.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Partijen hebben zich bij gezamenlijk verzoekschrift van 26 augustus 2016 tot de kantonrechter gewend en zijn beslissing ingeroepen, als bedoeld in artikel 96 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv).

1.2.

Vervolgens heeft elk der partijen, onder het overleggen van producties, een schriftelijke toelichting op het eigen standpunt gegeven.

1.3.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 16 september 2016. Voorafgaand aan de zitting heeft [naam] Holding nog twee nadere producties toegezonden. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. Zij hebben op vragen van de kantonrechter geantwoord en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.4.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] , geboren op [1966] , is sinds 1 augustus 1992 in dienst van (een rechtsvoorganger van) [naam] Holding, laatstelijk tegen een bruto salaris van € 8.137,-- (exclusief vakantiebijslag en dertiende maand).

2.2.

[naam] Holding maakt deel uit van de [naam] -groep, die zich richt op mbo-opleidingen voor en ontwikkeling van de verse voedingsbranche. Zij wordt daarvoor in aanzienlijke mate (ongeveer 90%) uit publieke middelen gefinancierd. [naam] Holding valt onder de reikwijdte van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (hierna: WNT), zodat voor de bezoldiging van haar topfunctionarissen de paragrafen 2 en 4 van deze wet gelden.

2.3.

De aandelen in [naam] Holding worden gehouden door [stichting 1] (ook genoemd [naam] ) en [stichting 2] (die huisvesting en onderwijsmiddelen aan [naam] ter beschikking stelt), op welke stichtingen wordt toegezien door een raad van toezicht, bestaande uit vertegenwoordigers uit de food- en onderwijsbranche. In de [naam] -groep worden de functies van voorzitter van het (eenhoofdige) college van bestuur van [stichting 1] , van voorzitter van de raad van bestuur van [stichting 2] en van algemeen directeur van [naam] Holding vervuld door een en dezelfde functionaris, zijnde tot 1 februari 2015 de heer [B] en sindsdien de heer [C] . Voor belangrijke besluiten behoeft de algemeen directeur van [naam] Holding de goedkeuring van de raad van toezicht. [B] respectievelijk [C] vergader(d)en zes keer per jaar met de raad van toezicht.

2.4.

Van de [naam] -groep heeft tot (omstreeks) 1 januari 2016 nog een derde stichting deel uitgemaakt. Voor die stichting, genaamd [stichting 3] , heeft [A] van 1 januari 2013 tot 1 augustus 2015 tijdelijke directietaken verricht. Hij was belast met de opheffing van het kenniscentrum en de transitie naar de [stichting 4] . [stichting 3] is inmiddels ontbonden.

2.5.

[naam] Holding houdt de aandelen in enkele dochtervennootschappen, daaronder [naam] B.V., een erkende examen- en certificeringsinstelling. Vanaf 1 mei 2015 is [A] benoemd tot medebestuurder van [naam] B.V., omdat de zeggenschap over de certificering met het oog op de vereiste onafhankelijkheid niet in handen mocht zijn van de hoogste leiding van de [naam] -groep.

2.6.

Na een wijziging van de organisatiestructuur in 2008 heeft [A] in [naam] Holding, onder leiding van [B] voornoemd die de hoogste zeggenschap had, aanvankelijk de functie van operationeel manager vervuld. Met ingang van 1 januari 2010 werd hij benoemd tot operationeel directeur, welke functie per 1 augustus 2010 directeur [naam] (directeur [naam] ) is gaan heten. Hij was verantwoordelijk voor de aansturing van het primaire proces, zijnde de uitvoering van het onderwijs, en gaf blijkens het organogram per augustus 2013 leiding aan (de managers van) informatiemanagement, onderwijskwaliteit, professionalisering en vakmanschap. De overige middenmanagers (HR, commercie, business control, bedrijfsbureau) vielen rechtsreeks onder [B] . In de vennootschap werd in een drietal marktunits (op de deelgebieden ‘Retail & Ambacht’, ‘Voedingsindustrie’ en ‘Out of home’), onder leiding van unitmanagers, door ongeveer 140 docenten het uitvoerende werk verricht. [A] was als directeur [naam] ook de leidinggevende van deze unitmanagers. Samen met deze unitmanagers, [B] , de HR-manager, de manager professionalisering en vakmanschap, de business controller, de commercieel manager en de manager onderwijskwaliteit, nam [A] deel aan het management van [naam] Holding, dat doorgaans elke vier weken onder de naam ‘afstemming management’ - niet zelden in afwezigheid van [B] - voor overleg bijeen kwam.

2.7.

Op advies van de accountant is [A] in het jaarverslag 2014 - naast [B] en de toezichthouders - vermeld als topfunctionaris in de zin van de WNT. In het jaarverslag 2015 zijn (over de periode vanaf 1 februari) [C] en [A] als WNT-topfunctionarissen opgenomen.

2.8.

Met ingang van 1 februari 2015 is [B] in de door hem tot dan toe beklede functies opgevolgd door de heer [C] . Als algemeen directeur van [naam] Holding heeft hij een organisatiewijziging in gang gezet die tot een structuur met minder hiërarchische lagen moest leiden en waarin de staf en de drie marktunits rechtstreeks onder [C] zouden ressorteren. Bij de besluitvorming over de organisatiewijziging heeft [C] zijn managers, ook [A] , niet betrokken. Na goedkeuring door de raad van toezicht en een positief advies van de ondernemingsraad is deze nieuwe organisatiestructuur op 1 augustus 2015 ingevoerd. In de nieuwe organisatie verviel onder meer de functie van directeur [naam] . [C] had inmiddels vanaf 1 april 2015 de taken die [A] tot dan toe had op het gebied van het primaire proces (het onderwijs) en de aansturing van de unitmanagers aan zich getrokken. [A] behield in de nieuwe structuur de titel van directeur en het bijbehorende salaris, maar werd per 1 augustus 2015 belast met de portefeuilles HR, marketing en communicatie. Ook werd hij projectleider voor het opzetten van de zogenoemde ‘Generation Food’ (BOL)-opleiding. Aan het managementoverleg van de nieuwe organisatie werd door [C] , [A] , de unitmanagers, de manager onderwijskwaliteit en de manager finance, planning en control deelgenomen.

2.9.

In september 2015 heeft [naam] de bekostigingsbrief van het ministerie van OC&W ontvangen, met daarin een voor [naam] tegenvallende bekostiging voor het kalenderjaar 2016. [C] heeft vervolgens het voornemen tot een nieuwe organisatiewijziging opgevat, waarbij de unitstructuur wordt losgelaten en het aantal teamleiders zal verminderen. [C] heeft de managers, onder wie [A] , op 18 november 2015 geïnformeerd over de gevolgen voor hun posities. [C] heeft [A] meegedeeld dat hij - [C] - de HR-portefeuille zal gaan doen, dat marketing en communicatie onder een andere manager zouden komen te vallen en dat daarmee de functie van [A] zou komen te vervallen. Op 14 maart 2016 heeft [C] de ondernemingsraad advies gevraagd over de voorgenomen herstructurering en formatiereductie per 1 augustus 2016. De ondernemingsraad heeft kort daarna positief geadviseerd. Vanaf medio januari 2016 hebben [C] en [A] met elkaar gesproken over een beëindiging van het dienstverband. In april 2016 is [naam] Holding met de betrokken vakbonden een sociaal plan overeengekomen. Toen [A] in juni 2016 aangaf gebruik te willen maken van de vrijwillige vertrekregeling van het sociaal plan, heeft [naam] Holding zich op het standpunt gesteld dat die regeling, die zou resulteren in een vertrekregeling van meer dan € 75.000,-- bruto, in strijd is met de WNT, waarna tussen partijen een geschil is ontstaan over de vraag of [A] is aan te merken als topfunctionaris in de zin van de WNT.

2.10.

Vervolgens hebben partijen eind juli 2016 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin zij overeenstemming hebben bereikt over een beëindiging van hun arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en onder meer zijn overeengekomen hun geschil over de toepassing van de WNT bij prorogatie aan de kantonrechter voor te leggen. Partijen hebben afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder hun arbeidsovereenkomst eindigt, daarbij onderscheid makend tussen de situatie (A.) dat de kantonrechter oordeelt dat [A] als topfunctionaris in de zin van de WNT moet worden aangemerkt en de situatie (B.) dat de kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is.

3 Het gezamenlijke verzoek

Partijen hebben de kantonrechter verzocht te beslissen op de volgende vragen:

1. Is [A] wel of niet een topfunctionaris in de zin van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT)?

2. Zo nee, is [A] een gewezen topfunctionaris in de zin van de WNT?

4 Het standpunt van [naam] Holding

4.1.

[naam] Holding meent dat [A] , zowel in de periode tot 1 augustus 2015 als in de periode daarna, als topfunctionaris in de zin van de WNT dient te worden aangemerkt. Hij was de hoogste ondergeschikte onder de algemeen directeur van [naam] Holding (tevens voorzitter van het college van bestuur van [stichting 1] ). Als operationeel manager/directeur respectievelijk directeur [naam] vormde [A] jarenlang de managementlaag die zich tussen de algemeen directeur/voorzitter college van bestuur en het middenmanagement (onder wie de unitmanagers) bevond. Als directeur was [A] daarom verantwoordelijk voor de gehele rechtspersoon en instelling.

4.2.

Bovendien maakte [A] deel uit van, en had hij een leidende rol in het managementteam van [naam] Holding dat over, niet aan de algemeen directeur voorbehouden, organisatie-brede onderwerpen besliste. Hij was dan ook samen met de andere leden van dit managementteam verantwoordelijk voor de gehele rechtspersoon en instelling. De beleidsthema’s voor de jaren vanaf 2012 kwamen in de samenwerking tussen de algemeen directeur en het managementteam tot stand. Dat geldt ook voor de [naam] -strategie voor de jaren 2013-2016. [A] voerde als directielid het overleg met de ondernemingsraad. In de MBO Raad, de brancheorganisatie, was [A] de [naam] -vertegenwoordiger. [A] onderhield ook het contact met het ministerie van OC&W.

4.3.

Zo [A] op grond hiervan al niet als (mede)verantwoordelijk voor de gehele rechtspersoon zou kunnen worden aangemerkt, was [A] niettemin topfunctionaris in de zin van de WNT, omdat de onderwijstak waarvoor hij verantwoordelijk was het [naam] -onderdeel is dat in hoofdzaak uit publieke middelen wordt bekostigd.

4.4.

Indien zou worden geoordeeld dat [A] met ingang van 1 augustus 2015 een functie als niet-topfunctionaris is gaan vervullen, stelt [naam] Holding zich op het standpunt dat hij niet als gewezen topfunctionaris in de zin van artikel 6 van de Beleidsregels WNT 2016 kan worden aangemerkt, omdat met het oog op het vervallen van zijn functie van directeur [naam] per 1 augustus 2015 in het werkoverleg tussen hem en [C] is afgesproken dat hij, in afwachting van verdere reorganisatie, tijdelijk werd belast met de portefeuilles HR, marketing en communicatie. Ook overigens moet het [A] duidelijk zijn geweest dat hij zijn directeurstitel, en het daarbij behorende salaris, niet zou blijven behouden, nu hij de taken die hij als directeur [naam] had niet langer vervulde, aldus [naam] Holding.

5 Het standpunt van [A]

5.1.

meent dat hij noch in de periode tot 1 augustus 2015, noch in de periode daarna, topfunctionaris in de zin van de WNT is geweest. Tot 1 augustus 2015 was hij weliswaar de hoogste ondergeschikte onder [B] , maar niet (gezamenlijk) verantwoordelijk voor de gehele organisatie en niet belast met de dagelijkse leiding van de gehele organisatie. Als operationeel manager/directeur respectievelijk directeur [naam] was hij uitsluitend belast met de aansturing van het primaire proces, de uitvoering van het onderwijs, en met de leiding over alleen de middenmanagers die onderwijsgerelateerde taken hadden. In het vierwekelijkse afstemmingsoverleg, dat geen formeel managementteam was, werden geen beslissingen voor de gehele rechtspersoon genomen, omdat strategie, begroting, investeringen, beleid en de vaststelling van de resultaatsdoelstelling van de organisatie tot de verantwoordelijkheid van de algemeen directeur/voorzitter van het college van bestuur behoorden en aan goedkeuring door de raad van toezicht onderworpen waren. [A] gaf slechts de daarvoor vanuit zijn aandachtsgebied (het onderwijs) benodigde input aan [B] . Ook zijn rol in het overleg met de ondernemingsraad en in de MBO Raad was beperkt tot onderwijsgerelateerde onderwerpen.

5.2.

Vanaf 1 april 2015 kreeg [A] , vooruitlopend op de door [C] geïnitieerde organisatiewijziging, een positie de vergelijkbaar was met die van de overige middenmanagers. [C] nam de aansturing van het primaire proces (het onderwijs) van [A] over. [C] heeft [A] niet meer om input op het gebied van onderwijs gevraagd. Met ingang van 1 augustus 2015 verviel de functie van directeur [naam] en werd [A] belast met de portefeuilles HR, marketing en communicatie.

5.3.

Ingeval zou worden geoordeeld dat hij tot 1 augustus 2015 topfunctionaris is geweest, stelt [A] zich op het standpunt dat hij sindsdien als gewezen topfunctionaris in de zin van artikel 6 van de Beleidsregels WNT 2016 moet worden aangemerkt. Van de door [naam] Holding ter zitting gestelde afspraak dat de door [A] vanaf 1 augustus 2015 vervulde functie van manager HR, marketing en communicatie een tijdelijke zou zijn, is geen sprake geweest. Over een dergelijke tijdelijkheid heeft [C] met [A] niet gesproken. Ook is in het kader van de per 1 augustus 2015 doorgevoerde organisatiewijziging door [C] nimmer ter sprake gebracht dat [A] met zijn directeurssalaris op termijn niet meer zou kunnen worden gehandhaafd. Deze salariskwestie is jegens [A] nooit aangeroerd. Met het oog op die aanstaande organisatiewijziging heeft [A] zich, met begeleiding van een loopbaancoach, beraden over zijn positie in [naam] Holding en daaruit de conclusie getrokken dat hij ook na het vervallen van zijn functie van directeur [naam] betekenisvol werk zou kunnen blijven doen, reden waarom hij zijn nieuwe rol vanaf 1 augustus 2015 heeft opgepakt. Tot het najaar van 2015 was niet bekend dat de bekostiging voor 2016 zodanig zou tegenvallen dat rekening moest worden gehouden met een hernieuwde ingreep en met personeelsinkrimping, aldus [A] .

6 De beoordeling

6.1.

Tegen de achtergrond van de overeengekomen beëindiging van hun arbeidsovereenkomst en de afspraken die zij hebben gemaakt over de voorwaarden waaronder die beëindiging zal plaatsvinden, twisten partijen over de beantwoording van de vraag of [A] als topfunctionaris in de zin van de WNT moet worden aangemerkt. Partijen onderscheiden in dat verband de periode tot, en die vanaf 1 augustus 2015, de datum van invoering van de organisatiewijziging die de functie van directeur [naam] deed vervallen. Niet in geschil is dat het bij de beantwoording van de door partijen als eerste gestelde vraag allereerst aankomt op de beoordeling van de positie die [A] - als manager HR, marketing en communicatie - op en na 1 augustus 2015 binnen [naam] Holding had.

Blijkt dat [A] toen topfunctionaris in de zin van de WNT was, dan is daarmee het geschil dat partijen verdeeld houdt beslecht. Blijkt dat niet het geval, dan wordt de beoordeling van de positie die [A] , als directeur [naam] , tot 1 augustus 2015 heeft gehad, van belang. Indien wordt geconcludeerd dat [A] tot 1 augustus 2015 topfunctionaris in de zin van de WNT was en daarna een functie als niet-topfunctionaris is gaan vervullen, moet worden beslist of hij in de periode vanaf 1 augustus 2015 als gewezen topfunctionaris in de zin van artikel 6 van de Beleidsregels WNT 2016 is aan te merken of ingevolge het tweede lid van die bepaling toch topfunctionaris is gebleven. Daarop ziet de tweede door partijen gestelde vraag. De kantonrechter zal in het navolgende eerst de periode tot 1 augustus 2015 en vervolgens de periode daarna onderzoeken. Omdat dit voor de uitkomst van dit geding niet relevant is, zal er daarbij veronderstellenderwijs vanuit worden gegaan dat de positie van [A] in de periode van 1 april tot 1 augustus 2015, waarin [A] al taken waren ontnomen maar zijn functie van directeur [naam] nog niet was vervallen, niet wezenlijk verschilde van die in de periode vóór 1 april 2015.

6.2.

In artikel 1.1, aanhef en sub b van de WNT is onder 5° het begrip ‘topfunctionaris’ gedefinieerd als: ‘de leden van de hoogste uitvoerende en toezichthoudende organen van een rechtspersoon of instelling als bedoeld in artikel 1.3, artikel 1.4 of artikel 1.5, alsmede de hoogste ondergeschikte of de leden van de groep hoogste ondergeschikten aan dat orgaan en degene of degenen belast met de dagelijkse leiding van de gehele rechtspersoon of de gehele instelling.’

6.3.

Artikel 4 van de Beleidsregels WNT 2016 (Besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2015, houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de WNT met ingang van 1 januari 2016) luidt:

‘1. Bij de definiëring van topfunctionarissen van privaatrechtelijke rechtspersonen of instellingen gaat het om de groep van hoogste leidinggevenden binnen een rechtspersoon of instelling, die leidinggeven aan de gehele rechtspersoon of instelling; daarnaast gelden de criteria los van elkaar (-). Dus iemand wordt aangemerkt als topfunctionaris als hij/zij:

behoort tot de hoogste uitvoerende en toezichthoudende organen van een rechtspersoon of instelling (welke automatisch aan het hoofd staan van de gehele rechtspersoon of instelling);

behoort tot de hoogste ondergeschikte of de leden van de groep hoogste ondergeschikten aan dat orgaan én in deze rol (gezamenlijk) verantwoordelijk is voor de gehele rechtspersoon of de gehele instelling;

belast is met de dagelijkse leiding van de gehele rechtspersoon of de gehele instelling.

Iemand kan in de praktijk ook tegelijk aan meerdere criteria voldoen.

Het kan zijn dat een vestigings- of locatiedirecteur als topfunctionaris aangemerkt dient te worden, namelijk indien deze lid is van het centraal managementteam waarin beslissingen voor de gehele instelling of rechtspersoon worden genomen.

Een directeur Financiën of een directeur P&O van een instelling valt alleen onder de definitie van topfunctionaris, als hij/zij lid is van zo’n centraal managementteam.

2. Afhankelijk van het organogram zullen bij de ene instelling of rechtspersoon de leden van slechts één managementlaag als topfunctionarissen aangemerkt worden, terwijl bij een andere instelling of rechtspersoon de leden van meerdere managementlagen als topfunctionarissen aangemerkt worden. Per instelling of rechtspersoon zal bezien moeten worden welke functionarissen als topfunctionaris aangemerkt moeten worden. Bij sommige instellingen worden zowel het bestuur als de leden van het directieteam, respectievelijk de directeur van de instelling als topfunctionaris aangemerkt. Indien bij een stichting ook sprake is van een raad van toezicht, zullen ook de leden van deze raad onder de definitie van topfunctionaris vallen.

3. Wie in het concrete geval als topfunctionaris moet worden aangemerkt, volgt primair uit de organisatiestructuur, zoals die bijvoorbeeld is neergelegd in de statuten en/of een organogram. Omdat het begrip topfunctionaris materieel moet worden uitgelegd, wordt ook degene die weliswaar niet volgens de formele organisatiestructuur, maar wel blijkens zijn feitelijke werkzaamheden leiding geeft aan de gehele rechtspersoon of instelling, voor de toepassing van de WNT als topfunctionaris aangemerkt.’

De leden 1 en 2 van artikel 4 van de Beleidsregels WNT 2016 zijn gelijkluidend aan die van artikel 4 van de Beleidsregels toepassing WNT 2015 (Besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 december 2014, houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de WNT met ingang van 1 januari 2015).

6.4.

Voor zover [A] heeft willen betogen dat in dit geding dient te worden geanticipeerd op de wijzigingen die mogelijk bij de Evaluatiewet WNT in de wet zullen worden aangebracht, oordeelt de kantonrechter dat een dergelijke anticipatie in strijd zou zijn met het beginsel van rechtszekerheid, waaraan op het gebied dat in dit geding aan de orde is doorslaggevende betekenis toekomt.

De periode tot 1 augustus 2015

6.5.

Bij de beantwoording van de vraag of [A] , laatstelijk als directeur [naam] , topfunctionaris in de zin van de WNT was, laat de kantonrechter buiten beschouwing hetgeen [A] heeft gesteld over de situatie bij andere instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs in Nederland, omdat de toepassing van de WNT afhankelijk is van de verdeling van de (formele en materiële) verantwoordelijkheden binnen de specifieke instelling en niet is gesteld of gebleken dat die bij [holding] overeen kwam met die van de andere instellingen.

6.6.

In het licht van bovengenoemde regelgeving spitst het debat van partijen zich allereerst toe op de vraag of [A] in de periode dat hij de functie van (operationeel directeur en) directeur [naam] vervulde, moet worden aangemerkt als hoogste ondergeschikte of als lid van de groep hoogste ondergeschikten onder de algemeen directeur (tevens voorzitter van het college van bestuur), aanvankelijk [B] en later [C] , en of hij in die rol (gezamenlijk) verantwoordelijk was voor de gehele rechtspersoon of de gehele instelling, zijnde [naam] Holding. Tussen partijen is, zo bleek ter zitting, niet langer in geschil dat hierbij de [stichting 3] , en de tijdelijke positie die [A] tot 1 augustus 2015 in die stichting heeft vervuld, buiten beschouwing behoren te blijven, omdat het kenniscentrum heeft losgestaan van (de aandeelhouders van) [naam] Holding. De kantonrechter betrekt evenmin de positie van [A] binnen [naam] B.V. bij de beoordeling. Ter zitting heeft [A] - onweersproken - gesteld dat hij enkel tot medebestuurder van die dochtervennootschap is benoemd vanwege de verlangde onafhankelijkheid in het kader van de certificering.

6.7.

De kern van het geschil betreft daarmee de vraag of [A] als directeur [naam] (een van) de hoogste ondergeschikte(n) onder de algemeen directeur was en of hij in die rol (mede) verantwoordelijk was voor de gehele rechtspersoon (zijnde [naam] Holding). [naam] Holding heeft gesteld dat [A] als directeur [naam] (samen met de algemeen directeur) de managementlaag vormde tussen enerzijds de algemeen directeur/voorzitter college van bestuur en anderzijds de groep middenmanagers. [A] heeft betoogd dat hij slechts verantwoordelijk was voor de aansturing van het primaire proces (het onderwijs) en alleen leiding gaf aan de managers die onderwijsgerelateerde taken hadden. De kantonrechter stelt vast dat [A] de leidinggevende was van (de managers van) informatiemanagement, onderwijskwaliteit, professionalisering en vakmanschap, alsook van de unitmanagers, maar dat de algemeen directeur leiding gaf aan de managers HR, commercie, business control en bedrijfsbureau. De kantonrechter leidt hieruit af dat binnen de organisatiestructuur van [naam] Holding vóór 1 augustus 2015 kan worden onderscheiden tussen aan de ene kant de hiërarchische lijn van functionarissen die zich bezig hielden met het primaire proces, zijnde het onderwijs, en aan de andere kant die van de functionarissen op het gebied van de ondersteunende diensten. Voor de toepassing van de WNT geeft hier de doorslag dat de wet beoogt te voorkómen dat publieke middelen worden aangewend voor bovenmatige bezoldigingen. Niet in geschil is dat de publieke middelen die het ministerie van OC&W aan de [naam] -groep ter beschikking stelt, in hoofdzaak strekken ter bekostiging van het onderwijs ten behoeve van de verse voedingsbranche. Ook bij de vraag wie topfunctionaris in de zin van de WNT is, moet de nadruk dan ook liggen bij de (hiërarchische lijn van) functionarissen die zich met die onderwijstaak bezig hielden. Dat voor de uitvoering van die taak ook ondersteunende diensten, zoals financiële en administratieve diensten, nodig zijn doet hieraan gezien bedoelde strekking van de WNT niet af. Hieruit volgt dat [A] , als directeur [naam] verantwoordelijk voor het onderwijs en als leidinggevende van de met onderwijstaken belaste managers, als topfunctionaris in de zin van de WNT had te gelden.

6.8.

Maar ook indien zou zijn geconcludeerd dat [A] zich als hoogste ondergeschikte niet heeft bezig gehouden met het werk dat het ministerie OC&W met de ter beschikking gestelde middelen in het bijzonder heeft willen bekostigen, zou hij topfunctionaris in de zin van de WNT zijn geweest, omdat hij in dat geval als directeur [naam] gezamenlijk met de overige managers van de managementlaag onder de algemeen directeur/voorzitter van het college van bestuur, verantwoordelijk was voor de gehele rechtspersoon. [A] nam samen met de algemeen directeur, de HR-manager, de manager professionalisering en vakmanschap, de business controller, de commercieel manager, de manager onderwijskwaliteit en de unitmanagers deel aan het - als ‘afstemmingsoverleg’ betitelde - overleg waarin vierwekelijks organisatie-brede onderwerpen aan de orde waren. Dat dit overleg binnen [naam] Holding geen formele status had, is niet relevant, omdat ook hier mede moet worden gelet op het feitelijke functioneren van dat overleg en ‘wezen voor schijn’ gaat. Dat de algemeen directeur de formele eindverantwoordelijkheid droeg en voor strategische en andere voor de vennootschap (financieel of anderszins) belangrijke beslissingen de goedkeuring van de raad van toezicht behoefde, geeft evenmin de doorslag. Blijkens de overgelegde verklaringen werden in het overleg van de managers organisatie-brede operationele en tactische beslissingen genomen, en werden alleen strategische en beleidskwesties aan [B] voorgelegd. Dat beeld strookt met de in geding gebrachte verslagen van het ‘afstemmingsoverleg’. Blijkens die verslagen werden in het overleg, ook buiten aanwezigheid van [B] , beslissingen genomen en afspraken gemaakt over onderwerpen die de gehele organisatie raakten. Gezien de omvang van de organisatie is ook niet aannemelijk dat [B] de beslissing over alle te nemen beslissingen aan zich heeft willen houden en aan zijn managers de voor de dagelijkse gang van zaken vereiste beslissingsruimte heeft willen ontnemen. Uit hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd ontstaat de indruk dat [B] de vennootschap op afstand heeft bestuurd. Hij was vaak niet aanwezig bij het overleg van zijn managers en vergaderde niet meer dan zes keer per jaar met de raad van toezicht. Onder die omstandigheden moet hij zich hebben geconcentreerd op zijn eigen verantwoordelijkheid voor de (financieel) ingrijpende beslissingen en aan de groep managers een aanzienlijke beslissingsruimte hebben gelaten.

De periode vanaf 1 augustus 2015

6.9.

Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd, volgt dat met het aantreden van [C] als algemeen directeur/voorzitter college van bestuur in februari 2015 een koerswijziging is ingezet die ertoe heeft geleid dat een ‘plattere’ managementstructuur ontstond, waarin de algemeen directeur zich, anders dan zijn voorganger [B] , nadrukkelijk met de inhoud van het werk ging bezighouden en de beslissingsruimte van de managers navenant werd ingeperkt. Van [A] nam [C] de taken op het gebied van het primaire proces (het onderwijs) en de aansturing van de unitmanagers over. Hij trok ook het overleg met de ondernemingsraad aan zich. Zo verdween de managementlaag die tot dan toe tussen de algemeen directeur en de middenmanagers had bestaan. [holding] heeft niet gemotiveerd weersproken dat de verantwoordelijkheid van [A] hierdoor wezenlijk is verminderd. Ook het afstemmingsoverleg met de managers moet hierdoor zodanig van karakter zijn veranderd, dat vanaf 1 augustus 2015 van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de groep hoogste ondergeschikten voor de gehele rechtspersoon geen sprake meer was.

Gewezen topfunctionaris vanaf 1 augustus 2015?

6.10.

Zoals hierboven (onder 6.1.) is overwogen moet thans, nu is vastgesteld dat [A] tot 1 augustus 2015 topfunctionaris in de zin van de WNT was en daarna een functie als niet-topfunctionaris is gaan vervullen, in antwoord op de tweede door partijen gestelde vraag worden beslist of hij vanaf 1 augustus 2015 als gewezen topfunctionaris in de zin van artikel 6 van de Beleidsregels WNT 2016 is aan te merken of ingevolge het tweede lid van die bepaling topfunctionaris is gebleven.

6.11.

In artikel 6 van de Beleidsregels WNT 2016 is bepaald:

‘1. Van een gewezen topfunctionaris is sprake indien de functionaris: a. in het verleden - maar na 1 januari 2013 - een functie als topfunctionaris heeft bekleed, en b. na beëindiging van deze functievervulling bij dezelfde instelling of rechtspersoon een functie als niet-topfunctionaris is gaan vervullen.

Gedurende deze periode van functievervulling in de andere functie kwalificeert de functionaris als ‘gewezen topfunctionaris’.

2. Onder omstandigheden blijft een topfunctionaris na het neerleggen van zijn taken voor de toepassing van de WNT als topfunctionaris aangemerkt en niet als gewezen topfunctionaris. Dit geldt in elk geval in de situatie dat de voortzetting van het dienstverband in een functie als niet-topfunctionaris onderdeel uitmaakt van de afspraken die met het oog op de beëindiging van het dienstverband als topfunctionaris zijn gemaakt. Tevens geldt dit in de situatie dat een topfunctionaris, die in het kader van een reorganisatie is aangewezen als herplaatsingskandidaat, tijdelijk een functie als niet-topfunctionaris vervult vooruitlopend op een definitieve herplaatsing binnen de organisatie dan wel ontslag als herplaatsing niet mogelijk blijkt.

3. De wet kent geen begrenzing in tijd van de verplichting tot openbaarmaking van gegevens over gewezen topfunctionarissen. Zolang de gewezen topfunctionaris bij dezelfde rechtspersoon of instelling een functie bekleedt, moeten de bezoldigingsgegevens in de financiële verslaglegging worden vermeld.’

6.12.

Waar [naam] Holding heeft betoogd dat [A] per 1 augustus 2015 tijdelijk in de functie van manager HR, marketing en communicatie is benoemd, zulks in afwachting van een beëindiging van zijn directeursfunctie bij een volgende reorganisatie, zoals die zich daarna per 1 augustus 2016 heeft voltrokken, wordt zij in dat standpunt niet gevolgd. [A] heeft betwist dat die tijdelijkheid ooit jegens hem ter sprake is gebracht. Dat hem is gezegd dat hij, gezien zijn aan een directeursfunctie gekoppelde salaris, erop moest rekenen dat hij op termijn niet zou kunnen worden gehandhaafd, heeft [A] eveneens weersproken. De kantonrechter wil wel aannemen dat het voor [C] zelf duidelijk was dat de nieuwe positie van [A] , gezien zijn salaris, van tijdelijke duur zou moeten zijn, maar bij gebreke van enige schriftelijke documentatie, die eigenlijk noodzakelijk is nu het - op termijn - om een beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou gaan, kan niet op grond van de enkele stelling van [C] worden aangenomen dat [A] nog slechts tijdelijk zou kunnen blijven en dat dit tussen partijen zo is afgesproken.

6.13.

[naam] Holding heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat al vóór 1 augustus 2015, althans voordat in september 2015 het tegenvallende bekostigingsbesluit van het ministerie van OC&W bekend werd, bij [naam] Holding het voornemen bestond voor een hernieuwde organisatiewijziging waarbij de functie van [A] zou vervallen. Veeleer is aannemelijk dat juist - pas - dat ministeriële besluit de - onvoorziene - aanleiding en reden is geweest om de organisatie verder te structureren en de formatie te reduceren. Daarop wijst ook de adviesaanvraag van 14 maart 2016 aan de ondernemingsraad. Daarin is vermeld dat ‘de effecten van de nieuwe bekostigingssystematiek (-) pas onlangs in de volle omvang duidelijk (zijn) geworden’ en dat daardoor een ingreep noodzakelijk werd ‘om de continuïteit van de organisatie te kunnen blijven borgen.’ Onder deze omstandigheden ziet de kantonrechter geen grond voor toepassing van het tweede lid van artikel 6 van de Beleidsregels WNT 2016. Er is geen reden om te veronderstellen dat het de bedoeling van partijen is geweest om de degradatie van [A] in fases te doen plaatsvinden, teneinde de consequenties van de WNT te ontgaan.

6.14.

Op grond van het voorgaande beantwoordt de kantonrechter de eerste door partijen aan hem gestelde vraag aldus dat [A] in de periode voorafgaande aan 1 augustus 2015 topfunctionaris in de zin van de WNT was. In antwoord op de tweede vraag van partijen wordt beslist dat [A] vanaf 1 augustus 2015 geen topfunctionaris in de zin van de WNT meer was, dat voor toepassing van het tweede lid van artikel 6 van de Beleidsregels WNT 2016 geen grond bestaat en hij daarom sindsdien als gewezen topfunctionaris in de zin van de WNT moet worden aangemerkt.

6.15.

De aard van het onderhavige geding maakt dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De kantonrechter:

stelt vast dat [A] in de periode voorafgaande aan 1 augustus 2015 topfunctionaris in de zin van de WNT was;

stelt vast dat [A] vanaf 1 augustus 2015 geen topfunctionaris in de zin van de WNT meer was, dat voor toepassing van het tweede lid van artikel 6 van de Beleidsregels WNT 2016 geen grond bestaat en [A] daarom vanaf 1 augustus 2015 als gewezen topfunctionaris in de zin van de WNT moet worden aangemerkt;

compenseert de proceskosten, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 september 2016.