Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:5044

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-09-2016
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
5260299 AE VERZ 16-84 en 5276842 AE VERZ 16-89
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemersverzoek ex 7:671c BW en zelfstandig verzoek werkgever ex 7:671b BW gezamenlijk behandeld. Geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van werkgever of werknemer. Verzoek werknemer toegewezen, transitievergoeding afgewezen ex 7:673 lid 1 sub b.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1096
AR 2016/2900
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummers: 5260299 AE VERZ 16-84 WL/1132

5276842 AE VERZ 16-89

Beschikking van 16 september 2016

inzake

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [werkneemster] ,

verzoekster in het verzoek met nummer 5260299,

verweerster in het verzoek met nummer 5276842,

gemachtigde: mr. S. Gadellaa,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ortholuna B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

verder ook te noemen Ortholuna,

verweerster in het verzoek met nummer 5260299,

verzoekster in het verzoek met nummer 5276842,

gemachtigde: mr. I.P.M. Boelens.

1 De procedure

1.1.

[werkneemster] heeft op 27 juli 2016 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift op grond van artikel 7:671c jo. 7:673 BW ingediend. Het verzoekschrift strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [werkneemster] en Ortholuna.

1.2.

Ortholuna heeft op 3 augustus 2016 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift op grond van artikel 7:671b BW ingediend. Dit verzoekschrift strekt eveneens tot onbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [werkneemster] en Ortholuna.

1.3.

Partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 26 augustus 2016, alwaar de verzoeken gezamenlijk zijn behandeld. Daarbij is door mr. Gadellaa gepleit aan de hand van pleitaantekeningen.

1.4.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[werkneemster] is op 1 november 2003 in dienst van Ortholuna getreden als receptiemedewerkster. Het dienstverband is aangegaan voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 2.598,01 per maand.

2.2.

Op of omstreeks 22 juni 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [werkneemster] en de heer [A] , directeur van Ortholuna (hierna: [A] ). Daarbij heeft Ortholuna aan [werkneemster] een brief, inhoudende een schriftelijke waarschuwing overhandigd, die door [werkneemster] voor ontvangst is getekend. Deze brief luidt als volgt:

“Beste [werkneemster] ,

Hierbij wil ik je er op wijzen dat je niet dronken op je werk kunt verschijnen. Meerdere keren ben ik door collega’s en nu ook door een patiënt er op gewezen dat je naar alcohol ruikt.

Heb meer dan eens begrip getoond voor de problemen die je hebt. Begrijp de ingewikkelde privé-omstandigheden, maar ik moet nu echt voor Ortholuna kiezen. Kan deze signalen niet langer negeren.

Bij een volgende constatering zal ik daarom tot ontslag op staande voet moeten overgaan.

Ga ervan dat je niet ontslagen wilt worden en voortaan nuchter aanwezig bent.”

2.3.

In de middag van 16 juni 2016 hebben drie tandarts-assistentes die werkzaam zijn bij Ortholuna, zich bij afwezigheid van [A] , gewend tot de heer [B] (hierna: [B] ), tandarts bij Ortholuna. Zij hebben er op dat moment melding van gemaakt dat zij die ochtend een alcohollucht hadden waargenomen bij [werkneemster] en dat zij vreemd gedrag vertoonde.

2.4.

Op 17 juni 2016 heeft [B] met [werkneemster] gesproken over de meldingen. [werkneemster] heeft daarbij ontkend dat zij op 16 juni 2016 alcohol had genuttigd. Ortholuna heeft [werkneemster] daarop geschorst. [werkneemster] heeft zich vervolgens op diezelfde dag ziek gemeld in het geautomatiseerde registratiesysteem van Ortholuna.

2.5.

[A] heeft zich, tezamen met een collega, op 20 juni 2016 naar het huisadres van [werkneemster] begeven. Hij heeft haar daarbij haar privéspullen die nog bij Ortholuna aanwezig waren overhandigd, alsmede een reeds door hem ondertekende beëindigingsovereenkomst.

2.6.

[werkneemster] is op 29 juni 2016 op gesprek geweest bij de bedrijfsarts. In zijn advies is het volgende opgenomen:

- Wat is de aanleiding voor de verzuimmelding?

Betrokkene heeft zich ziek gemeld met invoelbare klachten en beperkingen naar aanleiding van een ingrijpende mededeling betreffende disfunctioneren op het werk.

- Advies (en antwoord op eventuele specifieke vraagstelling):

Er is geen sprake van ziekte of gebrek.

Betrokkene dienen conform de Werkwijzer Arbeidsconflicten versie 6 deze situatie op te lossen.

Mediation hierin geadviseerd, die reeds in deze periode kan worden opgestart.

Er is nu even sprake van een rustperiode van maximaal 2 weken na 1e ziektedag.

Betrokkene heeft in die periode recht op betaling van loon.”

3 De verzoeken en de verweren

3.1.

[werkneemster] verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671c Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen met ingang van 1 december 2016. Voorts verzoekt zij Ortholuna te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding ex 7:673 BW ten bedrage van € 15.407,00 en een billijke vergoeding van € 46.221,00.

3.2.

[werkneemster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Ortholuna heeft haar valselijk beschuldigd van alcoholgebruik op de werkvloer. Ortholuna heeft daarbij bovendien het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door niet met [werkneemster] te overleggen over de aantijgingen. Voorts heeft Ortholuna enorme druk uitgeoefend op [werkneemster] om de beëindigingsovereenkomst te ondertekenen en is zij niet bereid geweest om - in navolging van het advies van de bedrijfsarts - door mediation te proberen het geschil op te lossen. Daarmee heeft Ortholuna ernstig verwijtbaar gehandeld.

3.3.

Ortholuna verzoekt primair op grond van het bepaalde in artikel 7:671b jo. 7:669 lid 3 sub e BW (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen. Subsidiair heeft Ortholuna haar verzoek gebaseerd op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) en meer subsidiair op de h-grond (restgrond). Zij heeft verzocht aan [werkneemster] daarbij geen vergoeding toe te kennen.

3.4.

Ortholuna legt aan haar verzoek ten grondslag dat [werkneemster] na de voorafgaande waarschuwing van juni 2015 wederom onder de invloed van alcohol op het werk is verschenen. Daarmee heeft zij verwijtbaar gehandeld en kan van Ortholuna niet in redelijkheid worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen hebben ieder een zelfstandig verzoekschrift ingediend. Nu beide verzoeken zien op hetzelfde feitencomplex zal hieronder allereerst aan de hand van het beschikbare feitenmateriaal worden beoordeeld hoe het handelen van beide partijen moet worden gekwalificeerd. Daarna wordt bezien tot welke gevolgen dit leidt voor de respectieve verzoeken.

4.2.

Bij de beoordeling staat voorop dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan ten aanzien van de vraag of [werkneemster] op 16 juni 2016 onder de invloed van alcohol was, of althans, naar alcohol rook. Zij hebben ieder hun standpunt nader onderbouwd.

4.3.

[werkneemster] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat er geen sprake was van alcoholgebruik een uitdraai van een Whatsappgesprek met een collega, [C] , in het geding gebracht, waarin deze verklaart dat zij op die dag niets heeft gemerkt. Voorts heeft zij een verklaring van haar partner overgelegd, waarin deze stelt dat hij geen enkele reden heeft om aan te nemen dat [werkneemster] tijdens het werk zou hebben gedronken.

4.4.

Ortholuna heeft op haar beurt vijf verklaringen van medewerkers in het geding gebracht. Drie van hen ( [D] , [E] en [F] ) verklaren dat zij op 16 juni 2016 een alcohollucht bij van [werkneemster] hebben waargenomen en dat [werkneemster] zich ook zodanig gedroeg. Zij verklaren bovendien in de periode daarvoor vaker een alcohollucht te hebben waargenomen. De andere twee verklaringen zien niet op de gebeurtenissen op 16 juni 2016, maar zien op de voorliggende periode, waarin de betreffende medewerkers respectievelijk regelmatig gedragsverandering en regelmatig een alcohollucht hebben waargenomen.

4.5.

Door [B] is namens Ortholuna ter zitting nader toegelicht dat in de middag van 16 juni 2016 tandarts-assistentes [D] , [E] en [F] , beschroomd bij hem kwamen om melding te maken van de alcohollucht die door hen ’s ochtends was geroken. Anderen hebben dit vervolgens bevestigd en hebben verklaard dat dit al langer speelt. [B] heeft op die dag zelf niet met [werkneemster] gesproken. Na telefonisch contact tussen [B] en [A] , die niet aanwezig was, en een gesprek met [werkneemster] op 17 juni 2016 is besloten [werkneemster] te schorsen. Door [werkneemster] is deze gang van zaken niet weersproken, noch heeft zij desgevraagd kunnen verklaren wat er, anders dan alcoholgebruik, toe heeft geleid dat haar collega’s zich tot [B] hebben gewend.

4.6.

Tegenover de verschillende, gemotiveerde, verklaringen van de zijde van Ortholuna, staan een tweetal verklaringen van de zijde van [werkneemster] . De partner van [werkneemster] heeft slechts in algemene zin verklaard, zodat daaraan geen gevolgtrekkingen ten aanzien van het gestelde alcoholgebruik kunnen worden verbonden. Collega [C] heeft weliswaar verklaard dat zij niets heeft gemerkt, maar zij is daarmee minder stellig dan de verschillende collega’s die de alcohollucht wel hebben waargenomen.

4.7.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat [werkneemster] op 16 juni 2016 onder invloed van alcohol op het werk is verschenen. Daarmee heeft [werkneemster] , mede gelet op de waarschuwing van 22 juni 2015 (zie rechtsoverweging 2.2.), verwijtbaar gehandeld. Anders dan Ortholuna lijkt te betogen, is er geen sprake van ernstige verwijtbaarheid. Daarvoor is noodzakelijk dat vast zou komen te staan dat [werkneemster] na de waarschuwing van 22 juni 2015 herhaaldelijk onder invloed op het werk is verschenen. Dat is echter onvoldoende gebleken.

4.8.

[werkneemster] heeft zich nog op het standpunt gesteld dat het handelen van Ortholuna vanaf 17 juni 2016 als ernstig verwijtbaar moet worden gekwalificeerd. Daarvan is echter geen sprake. Uit het voorgaande volgt reeds dat er naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake is van een valse beschuldiging. Ortholuna kon [werkneemster] dan ook schorsen. Het staat Ortholuna ook vrij om met een medewerker in overleg te treden omtrent de beëindiging van een dienstverband. Het is dan vervolgens aan de medewerker om daaraan al dan niet medewerking te verlenen. Onvoldoende gebleken is dat Ortholuna daarbij [werkneemster] daarbij heeft geïntimideerd of enorme druk heeft uitgeoefend.

4.9.

Voor zover [werkneemster] betoogt dat Ortholuna ernstig verwijtbaar handelt door het advies van de bedrijfsarts om tot mediation over te gaan, treft dit evenmin doel. Ortholuna kon er redelijkerwijs vanuit gaat dat mediation niet tot enig resultaat zou leiden aangezien het geschil tussen partijen, namelijk de vraag of [werkneemster] een alcoholprobleem heeft, van feitelijke aard is.

Het verzoek van [werkneemster]

4.10.

Artikel 7:671c lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

4.11.

De kantonrechter is van oordeel dat dit verzoek dient te worden toegewezen. Aan dat oordeel heeft meegewogen het feit dat het hier om een werknemersverzoek gaat waarbij bijzondere opzegverboden niet aan de orde zijn. Verder is van belang dat een verzoek door de werkneemster in beginsel gehonoreerd dient te worden. Daarbij komt dat in dit geval ook de werkgever ontbinding heeft verzocht en uit de stukken en hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is besproken duidelijk is geworden dat de verhoudingen tussen partijen zo verstoord zijn dat van [werkneemster] niet gevergd kan worden dat zij de arbeidsovereenkomst nog langer voortzet. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 december 2016.

4.12.

Vervolgens moet worden beoordeeld of er in deze procedure aanleiding is voor toekenning van de verzochte transitievergoeding en billijke vergoeding. Nu het in dit geval een werknemersverzoek betreft, is de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 1 sub b BW slechts verschuldigd indien er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Voor de toekenning van een billijke vergoeding ex artikel 7:671c lid 2 sub b BW geldt dezelfde maatsaf. Zoals hiervoor is overwogen is er geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Ortholuna. De verzochte vergoedingen zullen dan ook worden afgewezen.

4.13.

Op grond van artikel 7:686a lid 7 BW zal [werkneemster] in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te trekken als bedoeld in artikel 7:686a lid 6 BW binnen de hierna te noemen termijn.

4.14.

De proceskosten worden geheel gecompenseerd.

Het verzoek van Ortholuna

4.15.

Nu de arbeidsovereenkomst reeds ten gevolge van het verzoek van [werkneemster] is ontbonden, is het verzoek van Ortholuna niet toewijsbaar. De arbeidsovereenkomst kan immers slechts één keer worden ontbonden. Niet ondenkbaar is echter dat [werkneemster] haar verzoek binnen de te stellen termijn zal intrekken. De kantonrechter zal daarom, omwille van de proceseconomie, het verzoek van Ortholuna beoordelen.

4.16.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen is het primaire verzoek van Ortholuna, strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer), toewijsbaar. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst dan ook, onder de voorwaarde dat [werkneemster] haar verzoek intrekt, ontbinden. Conform artikel 7:671b lid 8 BW jo. 7: 672 lid 2 BW zal de overeenkomst worden ontbonden per 1 december 2016.

4.17.

Nu er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [werkneemster] , is Ortholuna daarbij verschuldigd de transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 1 sub a BW. Zijdens [werkneemster] is gesteld dat de verschuldigde transitievergoeding € 15.407,00 bruto bedraagt, welk bedrag door Ortholuna niet is betwist. De kantonrechter zal dit bedrag dan ook, eveneens voorwaardelijk toekennen.

4.18.

Op grond van artikel 7:686a lid 6 BW zal Ortholuna in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te trekken binnen de hierna te noemen termijn.

4.19.

De proceskosten worden geheel gecompenseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in het verzoek van [werkneemster] :

5.1.

stelt [werkneemster] in de gelegenheid uiterlijk 30 september 2016 het verzoek in te trekken;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek van [werkneemster] niet tijdig wordt ingetrokken:

5.3.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2016;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte;

in het verzoek van Ortholuna:

in het geval het verzoek van [werkneemster] niet tijdig wordt ingetrokken:

5.5.

wijst het verzoek af;

5.6.

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek van [werkneemster] wel tijdig wordt ingetrokken:

5.7.

stelt Ortholuna in de gelegenheid uiterlijk 14 oktober 2016 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek van Ortholuna niet tijdig wordt ingetrokken:

5.8.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2016;

5.9.

kent aan [werkneemster] ten laste van Ortholuna een vergoeding toe van € 15.407,00 bruto en veroordeelt Ortholuna tot betaling van deze vergoeding aan [werkneemster] ;

5.10.

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

5.11.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.