Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4957

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
12-09-2016
Zaaknummer
421780 / HA RK 16-192
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 421780 / HA RK 16-192

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

19 augustus 2016

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: verzoekster,

advocaat: mr. R.P. van der Vliet, advocaat te Baarn.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding, gehouden op 18 augustus 2016;

- het wrakingsverzoek van 18 augustus 2016;

- de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van 18 augustus 2016.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 19 augustus 2016 te 13.30 uur in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn de advocaat van verzoekster en belanghebbende [belanghebbende] met haar advocaat mr. A. van Eijck verschenen. Verzoekster is niet verschenen. Ook de rechter is met bericht van verhindering niet verschenen.

De advocaat van verzoekster heeft ter zitting het wrakingsverzoek mondeling toegelicht. Na de behandeling heeft de wrakingskamer medegedeeld dat de uitspraak op 19 augustus 2016 te 16.00 uur zou volgen, dat zij de raadsman van verzoekster, voornoemde belanghebbende en dier raadsvrouw daarover zou inlichten en dat de op schrift gestelde beslissing uiterlijk op 23 augustus 2016 zou volgen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. P.J.G. van Osta als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met zaaknummer/rolnummer C/16/421337 / KG ZA 16-620.

2.2.

Verzoekster legt aan haar wrakingsverzoek het volgende ten grondslag.

De rechter heeft verlof verleend om de dagvaarding op een verkorte termijn uit te brengen. Als gevolg hiervan heeft de verdediging niet meer de mogelijkheid om stukken ter onderbouwing aan het dossier toe te voegen. De rechter heeft hiermee onvoldoende rekening gehouden, waardoor het procesbelang van verzoekster wordt geschaad. Daar komt bij dat er aan de eerste dagvaarding gebreken kleven. Kennelijk is er contact geweest tussen mr. Van Eijck en de rechter teneinde die gebreken te kunnen herstellen. Daarbij is de spoedeisendheid van het kort geding besproken en heeft de rechter de wederpartij voor de tweede keer verlof verleend om de nieuwe dagvaarding op een verkorte termijn uit te brengen. Vervolgens heeft de rechter het beroep van verzoekster op nietigheid van de eerste dagvaarding wegens die gebreken op de zitting afgewezen. De rechter heeft daarbij aan verzoekster en haar advocaat de retorische vraag gesteld ‘maar u bent er nu toch’, welke vraag het belang weergeeft dat de rechter hechtte aan het doorgaan van de zitting. De rechter is blijven benadrukken dat er een inhoudelijke beoordeling in de zaak moest komen. Hij heeft daarbij een aspect genoemd dat ziet op de inhoud van het geschil, namelijk dat het in het belang van de minderjarige is dat er nu een beslissing wordt genomen. Dit, terwijl deze inhoudelijke beslissing volgens verzoekster niet nodig is en zeker niet op korte termijn, omdat de feitelijke situatie goed is zoals deze nu is. Door de door de rechter genomen beslissingen en de daarbij gebruikte bewoordingen is verzoekster van mening dat er van een onbevooroordeelde uitspraak na de inhoudelijke behandeling geen sprake zal zijn.

2.3.

Mr. Van Osta heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie geeft hij aan dat de beslissing op het verzoek tot het verlenen van toestemming tot dagvaarding op verkorte termijn aan de rechter is voorbehouden. Bij zijn motivering omtrent de afwijzing van het beroep op nietigheid van de dagvaarding heeft hij opgemerkt dat hij het in het belang van de minderjarige achtte dat er een inhoudelijke behandeling gehouden kon worden en een beslissing kon volgen. Het belang van het kind is gediend bij een (in dit geval snelle, gelet op de in het petitum genoemde datum van 22 augustus 2016) rechterlijke beslissing in het geval waarin over dat belang tussen partijen kennelijk een groot verschil van mening bestaat. De rechter is van mening dat door een beroep op het belang van het kind te doen geen sprake is van de schijn van vooringenomenheid.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

Door mevrouw [belanghebbende] is een kort geding aangespannen tegen verzoekster, waarin zij vraagt om een beslissing van de rechter over de plaats waar haar minderjarige kleindochter met ingang van 22 augustus 2016 zal moeten wonen en naar school zal moeten gaan. De zitting van het kort geding is aangevangen op 18 augustus 2016.

Uit de genoemde data volgt reeds het spoedeisende karakter van de zaak. De beslissing van de rechter om verlof te verlenen voor de dagvaarding op verkorte termijn is in die omstandigheid niet onbegrijpelijk. Dat verzoekster, zoals zij stelt, vindt dat de situatie thans feitelijk juist is en er dus wat haar betreft op korte termijn geen inhoudelijk oordeel van de rechter hoeft te komen, doet aan die spoedeisendheid niet af.

De advocaat van verzoekster heeft ter zitting van de wrakingskamer verklaard dat door het op verkorte termijn te laten dagvaarden verzoekster geen mogelijkheid meer heeft om stukken ter onderbouwing in te dienen. Uit het proces-verbaal van de zitting maakt de wrakingskamer niet op dat verzoekster heeft verzocht om uitstel van de zitting en ook niet dat zij nog stukken ter onderbouwing wilde indienen en welke stukken dit dan zouden zijn. Mr. Van der Vliet heeft ter zitting van de wrakingskamer bevestigd geen verzoek hiertoe te hebben gedaan aan de rechter. Van een concrete behoefte op dit punt is dan ook niet gebleken. Aldus kan niet gesteld worden dat verzoekster door de beslissing van de rechter in haar procesbelang is geschaad.

Het spoedeisend karakter van de zaak vloeit voort uit de wens van de minderjarige te weten waar zij vanaf 22 augustus 2016 zal wonen en naar school zal gaan. De rechter heeft, zo begrijpt de wrakingskamer, dit belang benoemd bij de beslissing tot afwijzing van het beroep op nietigheid van de dagvaarding en het doorlaten gaan van de inhoudelijke behandeling. Daarmee heeft hij het spoedeisend karakter van de zaak onderstreept. De wrakingskamer heeft geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de rechter met het benoemen van het belang van de minderjarige een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de zaak, in die zin dat het belang van de minderjarige tot een beslissing ten nadele van een der partijen en ten voordele van de andere partij zou leiden.

3.5

Op grond van het voorgaande komt de wrakingskamer tot de slotsom dat de door verzoekster aangevoerde feiten en/of omstandigheden geen blijk geven van persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster. Uit de door de rechter genomen beslissingen kan, ook in onderlinge samenhang bezien, geen vooringenomenheid worden afgeleid. Ook is de wrakingskamer niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, dan wel dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Straf-, familie- en jeugdrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer C/16/421337 / KG ZA 16-620 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mr. A. van Dijk en

mr. G.J.J.M. Essink als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.