Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4864

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
4649585 / LC EXPL 15-4761
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvaring van twee schepen in de sluis te Lelystad. Bij de beoordeling van aansprakelijkheid strekt tot uitgangspunt het arrest HR 30 nov. 2001, S&S 2002, 35; NJ 2002, 143‘[naam vaartuig]’/‘[naam vaartuig]’. Bij de uitlegging van het begrip ‘schuld van het schip’ moet worden vooropgesteld dat volgens de art. 8:1004 lid 1 en 8:546 BW geen wettelijk vermoeden van schuld bestaat, zodat op de eigenaar van het schip niet in het algemeen risicoaansprakelijkheid rust m.b.t. door of met het schip aan personen of zaken toegebrachte schade. Alleen sprake van schuld van een schip indien de schade het gevolg is van (a) een fout van een persoon voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is volgens de art. 6:169–6:171 BW; (b) een fout van een persoon of van personen die ten behoeve van het schip of van de lading arbeid verricht/verrichten of heeft/hebben verricht, begaan in de uitoefening van hun werkzaamheden; (c) de verwezenlijking van een bijzonder gevaar voor personen of zaken dat in het leven is geroepen doordat het schip niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden eraan mocht stellen. Niet is gesteld noch gebleken dat gedaagde zich ervan heeft vergewist dat de schroeven van het binnenvaartschip in de sluis uit waren alvorens de sluis in te varen. Niet gebleken dat gedaagde voldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen om bij een mogelijke calamiteit in de sluis schade te voorkomen. Gedaagd heeft zich niet voorzien van assistentie om zijn schip af te houden van andere schepen. Dat had gelet op de beperkte ruimte in de sluis te Lelystad wel op de weg van gedaagde gelegen. Daaruit volgt dat de schuld van gedaagde voldoende is komen vast te staan. Toewijzing vordering eiser..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 6, p. 333
S&S 2017/16

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Lelystad

Vonnis van 10 augustus 2016

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 4649585 / LC EXPL 15-4761 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] BV,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde mr. F.J. Hommersom,

tegen

[gedaagde] , ZONDER BEKENDE WOON -OF VERBLIJFPLAATS IN NEDERLAND, DOCH WOONACHTIG TE [woonplaats] , DUITSLAND,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. J.C. van Zuethem.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    akte uitlating producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 29 september 2014 heeft in de sluis te Lelystad een aanvaring plaatsgevonden tussen het vaartuig “ [naam vaartuig] ” van eigenaar/schipper [A] met als thuishaven Lelystad en het vaartuig “ [naam vaartuig] ” van eigenaar/schipper [gedaagde] , waarbij het vaartuig van [A] in de flank is geraakt en beschadigd.

2.2.

[A] en [gedaagde] hebben een aanvaringsformulier watersportverzekering ingevuld en ondertekend. Op dit formulier is onder meer opgenomen:

“|Zichtbare schade: Teak schade, hekstoel, zeerailing”

“Voertuig B vaart dwars in voertuig A.

(motor was uitgevallen) omdat zijn motor was uitgevallen

Schipper B aanvaard aansprakelijkheid voor schade aan vaartuig A.”

2.3.

[A] is verzekerd bij [eiseres] en [gedaagde] is verzekerd bij ESA Euroship GmbH (Duitsland).

2.4.

Bij offerte van [bedrijf] te [vestigingsplaats] van 29 september 2014 is de schade begroot op een bedrag van € 2.011,00. De schade is conform de offerte hersteld.

2.5.

[eiseres] heeft de schade van [A] onder aftrek van het eigen risico vergoed tot een bedrag van € 886,00. Voor dit bedrag is [eiseres] gesubrogeerd in de rechten van [A] . [eiseres] en [A] hebben op 10 september 2015 een akte van cessie gesloten voor het bedrag van € 1.125,00 gelijk aan voormeld eigen risico.

2.6.

Bij e-mail van 25 januari 2015 verklaart getuige [getuige] het volgende:

“Mijn verklaring van de aanvaring in de sluis bij Lelystad dd 29-09-2014 van de familie [A] .

Wij lagen met ons schip al aangemeerd aan stuurboordzijde van de sluis evenals het schip van de familie [A] . Familie [A] lag ongeveer een meter of 10 achter ons. De boot van de duitse meneer kwam aangevaren om aan bakboordzijde aan te meren. Uit zijn verhaal bleek dat zijn motor afsloeg en was hierdoor stuurloos geworden. De duitser kreeg de motor weer aan de praat maar lag inmiddels dwars in de sluis met de punt richting bakboord, precies waar de heer [A] aangemeerd lag. De motor van de duitser stond nog in zijn vooruit met een behoorlijke snelheid. Hierdoor ramde de duitser de boot van de familie [A] midscheeps. Met de nodige schade als gevolg.”

2.7.

Bij e-mail van 15 april 2016 schrijft [getuige] nog het volgende:

“De Duitse heer heeft direct schuld bekend. De schadeformulieren zijn door beide partijen, in goed overleg en goedvinding met elkaar, ingevuld en ondertekend. Er was hierover geen onenigheid met elkaar. Ik was hier bij aanwezige.”

2.8.

De verzekeraar van [gedaagde] en [gedaagde] zelf hebben de aansprakelijkheid voor de door [A] geleden schade steeds afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.751,32 (hoofdsom € 2.011,00, buitengerechtelijke kosten € 1.920,61, vertalingskosten € 819,71, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiseres] stelt daartoe dat [gedaagde] door ondertekening van het schadeformulier, waarop staat vermeld dat hij de aansprakelijkheid aanvaard, die aansprakelijkheid voor de schade van [A] erkent. [gedaagde] is bovendien aansprakelijk op grond van artikel 8:1005 BW onder verwijzing naar de in het arrest [naam vaartuig] / [naam vaartuig] geformuleerde criteria. Uit het niet weersproken feitencomplex en uit de overgelegde getuigenverklaringen van [A] en [getuige] blijkt dat [gedaagde] de sluis is binnen gevaren, op enig moment de motor is uitgezet of afgeslagen, waarna het schip dwars in de sluis kwam te liggen, de motor weer heeft gestart die in de voorwaartse gang stond, waarna het schip van [gedaagde] het schip van [A] midscheeps heeft geraakt. Aldus is sprake van een fout aan de zijde van [gedaagde] , omdat hij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om de schade te voorkomen bij het binnenvaren en afmeren in de sluis.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] heeft de juistheid van de inhoud van het aansprakelijkheidsformulier bestreden. De erkenning van de aansprakelijkheid was niet op het formulier opgenomen en onjuist is dat op het formulier is vermeld dat [gedaagde] geen zichtbare schade aan zijn schip had. Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat het formulier onder misbruik van omstandigheden is ondertekend, omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is, hij onvoldoende over de inhoud is ingelicht en [A] zich jegens [gedaagde] agressief gedroeg. Bij brief van 22 januari 2016 heeft [gedaagde] het aansprakelijkheidsformulier vernietigd op grond van artikel 3:50 jo 3.44 lid 1 en lid 4 BW.

3.4.

De aanvaring is niet aan de schuld van [gedaagde] te wijten. Bij het de sluis invaren werd het schip van [gedaagde] plotseling door het schroefwater van het aan bakboord liggende binnenvaartschip in de richting van het schip van [A] geduwd. [gedaagde] probeerde de koersverandering direct te herstellen, waardoor hij in de buurt van de sluismuur terecht kwam. Ten einde een aanvaring met de sluismuur te voorkomen, gaf [gedaagde] gas vooruit. Op dat moment viel de motor van het schip van [gedaagde] uit en werd het schip door het schroefwater in de richting van het schip van [A] geduwd en vond de aanvaring plaats. [gedaagde] mocht erop vertrouwen dat hij veilig de sluis kon binnenvaren nu op grond van artikel 6:28 lid 9 sub e BPR het niet is toegestaan om na het afmeren in de sluis gebruik te maken van mechanische middelen tot voortbeweging, zoals bij het binnenvaartschip het geval was. [gedaagde] heeft er alles aan gedaan om een aanvaring te voorkomen. Voor zover enige aansprakelijkheid moet worden aangenomen is sprake van medeschuld omdat het schip van [A] onvoldoende in de sluis naar voren was gevaren, waardoor voor [gedaagde] onvoldoende ruimte bestond om de sluis veilig in te varen en af te meren.

3.5.

Tot slot heeft [gedaagde] schade geleden als gevolg van het handelen van [A] . [A] heeft in woede het ankerlicht van het schip van [gedaagde] vernield en in het water gegooid. De schade bedraagt daarvoor € 104,95 en [gedaagde] beroept zich op verrekening voor het geval in rechte komt vast te staan dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [A] .

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Bevoegdheid

4.2.

De schadeveroorzakende gebeurtenis heeft zich voorgedaan in de sluis te Lelystad. Op grond van artikel 7 van de toepasselijke EEX-verordening is bij onrechtmatige daad de rechter bevoegd waar het schade toebrengende feit zich heeft voorgedaan. Aldus is de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bevoegd kennis te nemen van de vordering van [eiseres] .

Toetsingskader

4.3.

Bij de beoordeling strekt tot uitgangspunt het arrest HR 30 nov. 2001, S&S 2002, 35; NJ 2002, 143‘ [naam vaartuig] ’/‘ [naam vaartuig] ’. Bij de uitlegging van het begrip ‘schuld van het schip’ moet worden vooropgesteld dat volgens de art. 8:1004 lid 1 en 8:546 BW geen wettelijk vermoeden van schuld bestaat, zodat op de eigenaar van het schip niet in het algemeen risicoaansprakelijkheid rust m.b.t. door of met het schip aan personen of zaken toegebrachte schade. Daar staat echter tegenover dat volgens art. 6:173 lid 1 BW de bezitter van een roerende zaak aansprakelijk is indien zich een bijzonder gevaar voor personen of zaken verwezenlijkt dat in het leven is geroepen doordat de zaak niet aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen voldoet. Ofschoon deze bepaling uitdrukkelijk niet op schepen van toepassing is, dient een daarmee overeenstemmende regel ook te gelden met betrekking tot de aansprakelijkheid van de eigenaar van een schip volgens de art. 8:544–8:545 en 8:1004–8:1005 BW. Daaruit volgt dat alleen dan sprake is van schuld van een schip indien de schade het gevolg is van (a) een fout van een persoon voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is volgens de art. 6:169–6:171 BW; (b) een fout van een persoon of van personen die ten behoeve van het schip of van de lading arbeid verricht/verrichten of heeft/hebben verricht, begaan in de uitoefening van hun werkzaamheden; (c) de verwezenlijking van een bijzonder gevaar voor personen of zaken dat in het leven is geroepen doordat het schip niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden eraan mocht stellen. Uitgangspunt moet zijn dat op grond van het bepaalde in art. 8:1004 lid 2 BW de schade wordt gedragen door hen die haar hebben geleden indien de oorzaak ervan niet kan worden vastgesteld.

Verdere beoordeling

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat de schade aan het schip van [A] het gevolg is van een of meerdere fouten van [gedaagde] . De kantonrechter neemt daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

4.5.

Vast staat dat het schip van [A] aangemeerd lag in de sluis te Lelystad aan stuurboordzijde. Vervolgens is [gedaagde] met zijn schip de sluis in gevaren. Op enig moment tijdens het invaren in de sluis is de motor van het schip van [gedaagde] uitgevallen en is [gedaagde] met zijn schip in de sluis dwars komen te liggen. Vaststaat dat [gedaagde] verder op enig moment de motor van het schip in zijn achteruit heeft geschakeld en vervolgens, om een botsing met de sluismuur te voorkomen, de motor “blitzschnell” in zijn vooruit heeft gezet. [gedaagde] stelt dat toen de motor is afgeslagen en hij met zijn schip door het schroefwater van het binnenvaartschip tegen het schip van [A] is aangedrukt. [gedaagde] hoefde er niet op bedacht te zijn dat het binnenvaartschip nog gebruik maakte van mechanische middelen tot voortbeweging, omdat het schip volledig afgemeerd lag en omdat op grond van artikel 6:28 lid 9 sub e BPR gebruik van de schroef na afmeren in de sluis ook niet is toegestaan. Als gevolg daarvan kan [gedaagde] geen verwijt worden gemaakt van de aanvaring, aldus [gedaagde] .

4.6.

De lezing van partijen over de toedracht lopen uiteen. Veronderstellenderwijs de lezing van [gedaagde] volgend is de kantonrechter van oordeel dat niet is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] zich ervan heeft vergewist dat de schroeven van het binnenvaartschip uit waren alvorens de sluis in te varen. De door [gedaagde] overgelegde brochure “Varen doe je samen” vermeldt immers dat voor de recreatievaart geldt: “wacht met invaren totdat de beroepsvaart de trossen vast en de schroeven uit heeft”. [gedaagde] had er op bedacht moeten zijn dat hij mogelijk zou kunnen worden geconfronteerd met schroefwater van het binnenvaartschip, ondanks het verbod daartoe. Daar doet niet aan af dat [gedaagde] de schroefbeweging niet kon waarnemen vanwege de zware belading van het binnenvaartschip. Hij had zich daarvan op ander wijze moeten vergewissen. Daarnaast is de kantonrechter niet gebleken dat [gedaagde] voldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen om bij een mogelijke calamiteit in de sluis schade te voorkomen. Niet gesteld noch is gebleken dat [gedaagde] zich had voorzien van assistentie om zijn schip af te houden van andere schepen. Dat had gelet op de beperkte ruimte in de sluis te Lelystad wel op de weg van [gedaagde] gelegen. Daaruit volgt dat de schuld van [gedaagde] voldoende is komen vast te staan. [gedaagde] is dan ook aansprakelijk voor de door [A] geleden schade.

4.7.

[gedaagde] heeft zich nog op het standpunt gesteld dat sprake is van mede schuld. Het schip van [A] zou onvoldoende naar voren zijn gevaren, waardoor [gedaagde] gedwongen zou zijn geweest om tussen het schip van [A] en het binnenvaartschip door te varen. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet. Als [gedaagde] van mening was dat hij niet veilig de sluis kon binnenvaren door de ligging van het schip van [A] dan had hij daarvan af moeten zien.

4.8.

Gelet op het bovenstaande behoeft de kantonrechter de vraag in hoeverre [gedaagde] kan worden gehouden aan de door [eiseres] gestelde erkenning van de aansprakelijkheid, zoals vermeld op het aanvaringsformulier, niet te beantwoorden.

4.9.

Nu [eiseres] als verzekeraar gesubrogeerd is in de rechten van [A] en tevens de vordering terzake het eigen risico van [A] rechtsgeldig overgedragen heeft gekregen zal de vordering tot vergoeding van de schade, welke schade overigens niet inhoudelijk is betwist, van € 2.011,00 jegens [gedaagde] worden toegewezen.

Tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten is geen verweer gevoerd. Krachtens artikel 6:96 lid 2 sub b en c komen voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. [eiseres] heeft een drietalfacturen overgelegd van zijn Nederlandse raadsman en zijn Duitse raadsman respectievelijk 11 april 2015 voor een bedrag van € 725,31, 4 augustus 2015 voor een bedrag van € 525,22 en van 1 april 2015 voor een bedrag van € 670,10. Daarnaast heeft [eiseres] nog overgelegd een factuur van 13 november 2015 voor vertalingskosten van de dagvaarding. Niet gesteld noch gebleken is dat de door [eiseres] gemaakte kosten zien op de proceskosten zoals bedoeld in de artikelen 237-240 Rv, zodat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt.

4.10.

[gedaagde] beroept zich nog op verrekening van een bedrag van € 104,95 op grond van artikel 6:130 BW. [A] heeft na de aanvaring het ankerlicht van het schip van [gedaagde] afgerukt en in het water gegooid, aldus [gedaagde] . [A] ontkent dat daarvan sprake is geweest. Nu niet op eenvoudige wijze is vast te stellen dat [A] schade heeft toegebracht aan het ankerlicht van [gedaagde] en door [gedaagde] volstaan is met een algemeen bewijsaanbod zal de vordering tot verrekening worden afgewezen.

4.11.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 4.751,32 met de wettelijke rente vanaf 26 november 2015 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 962,16, waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2016.