Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4844

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
5061501 ME VERZ 16-109
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 7:685 BW, 7:661 lid 1 BW, 7:673 lid 7 BW, 7:677 lid 1 BW, 7:677 lid 2 BW en 6:96 BW, Ontslag op staande voet van een werknemer in de functie van Zorgkundige binnen het cluster Intensieve Zorg en verricht haar werkzaamheden te [vestigingsplaats]. Het cluster Intensieve zorg begeleid cliënten die bij Philadelphia wonen en intensieve zorg en ondersteuning nodig hebben. Werkneemster is tevens kassier van een van de woningen waar zorg wordt verleend en verantwoordelijk voor de uitgaven. De dringende reden ziet op het verduisteren en onttrekken van gelden. Kern van het geschil is of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. De dringende reden wordt op zichzelf niet betwist. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. Werkgever vordert in haar tegenverzoek vergoeding van schade, waaronder de gefixeerde schadevergoeding. Die vordering wordt deels toegewezen en voor het overige wordt een bewijsopdracht verstrekt aan werkgever. Geen transitievergoeding verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0988
AR 2016/2594

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Zaak- en rekestnummers: 5061501 ME VERZ 16-109

Datum beslissing: 1 augustus 2016

Beschikking

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,

gemachtigde mr. J.R. Bügel, advocaat te Dronten,

hierna te noemen: [verzoekster] ,


en

de stichting

PROTESTANTS-CHRISTELIJKE STICHTING PHILADELPHIA ZORG

gevestigd te Amersfoort,
verweerster,

gemachtigde mr. D.J. Rutgers,

hierna te noemen: Philadelphia.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift ontvangen op 9 mei 2016,

- het verweerschrift van 10 juni 2016,

- de mondelinge behandeling op 20 juni 2016, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,

- de pleitnota van Philadelphia,

- de aanhouding ten behoeve van nadere uitlatingen van partijen over het verzoek van Philadelphia [verzoekster] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan Philadelphia,

- de akte van [verzoekster] van 4 juli 2016,

- de akte van Philadelphia van 18 juli 2016.

1.2.

Ter zitting van 20 juni 2016 is gebleken dat [verzoekster] geen kennis heeft kunnen nemen van het verweerschrift tevens (on)voorwaardelijk ontbindingsverzoek en verzoek tot schadevergoeding. [verzoekster] is in de gelegenheid gesteld het verweerschrift tijdens een schorsing van de behandeling te bestuderen (door te nemen), waarna de kantonrechter in overleg met partijen de behandeling heeft voortgezet voor wat betreft de gevorderde vernietiging van het ontslag op staande voet en de gevorderde (on)voorwaardelijke ontbinding. Ten aanzien van de vordering schadevergoeding is tussen partijen afgesproken dat [verzoekster] bij akte zal reageren, waarna vervolgens Philadelphia de gelegenheid krijgt bij akte te reageren.

1.3.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Philadelphia is een landelijke zorginstelling, gericht op mensen met een verstandelijke beperking.

2.2.

[verzoekster] is geboren op [1984] en thans dus 32 jaar oud. Zij is op

1 juli 2004 in dienst getreden bij Philadelphia, thans op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Haar laatstverdiende salaris bedraagt € 2.000,80 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, op basis van 28,8 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao-gehandicaptenzorg van toepassing.

2.3.

[verzoekster] was laatstelijk werkzaam als Zorgkundige binnen het cluster Intensieve Zorg en verrichten haar werkzaamheden op locatie [straatnaam] te [vestigingsplaats] . Het cluster Intensieve zorg begeleid cliënten die bij Philadelphia wonen en intensieve zorg en ondersteuning nodig hebben. De locatie te [vestigingsplaats] kent vier woningen. Elke woning heeft een kassier en [verzoekster] was in de periode januari 2012 tot en met 30 november 2015 aangesteld als kassier van de algemene kas en de kas van woning 3. In de periode januari 2014 tot en met juni 2015 was zij tevens kassier van woning 4.

2.4.

[verzoekster] is als kassier verantwoordelijk voor het invoeren van de kas, het verwerken van bankmutaties en inboeken van de facturen, alsmede voor de verantwoording van de uitgaven en de archivering van de aan pintransacties en contacten uitgaven ten grondslag liggende documenten. Ook had [verzoekster] beschikking over pinpassen van Philadelphia.

2.5.

Een kassier dient te werken met het WebKasBankBoek (WKBB). Via dit systeem worden lokale uitgaven verantwoord. Voor het registreren van mutaties beschikt de kassier over een eigen inlogcode en wachtwoord. De procedures verantwoording en archivering van lokale uitgaven zijn vastgelegd in de ‘Handleiding kassier WKBB kas en PIN transacties’.

2.6.

De locatiemanager van de locatie [straatnaam] te [vestigingsplaats] is de direct leidinggevende van [verzoekster] . Tot november 2015 was mevrouw [A] de locatiemanager van de locatie [straatnaam] te [vestigingsplaats] . Eind november 2015 is mevrouw [B] aangesteld als (waarnemend) locatiemanager van de locatie [straatnaam] te [vestigingsplaats] .

2.7.

Mevrouw [B] heeft bij het afsluiten van de kas over de maand november 2015 alle kassiers van de locatie [straatnaam] verzocht ter controle bij haar de kasadministratie aan te leveren. [verzoekster] leverde hierbij een onvolledige kasverantwoording aan. Er ontbraken 52 kassabewijzen en/of kassabonnen van uitgaven in november 2015. [verzoekster] is gevraagd om uitleg te geven over uitgaven in november 2015 waarvan niet duidelijk was of deze uitgaven van zakelijke aard waren. Tevens was er onduidelijkheid over twee geldopnamen die hadden plaatsgevonden in september 2015.

2.8.

Op 8 december 2015 heeft er tussen Philadelphia en [verzoekster] een gesprek plaatsgevonden in verband met vragen die bij Philadelphia gerezen waren over (vreemde) transacties en het ontbreken van bonnen in het WKBB.

2.9.

Op 8 december 2015 heeft Philadelphia aan [verzoekster] geschreven:

‘‘Hierbij bevestigen wij het gesprek van dinsdag 8 december jongstleden, om 12.45 uur in aanwezigheid van ondergetekende en de heer [C] (hr-consulent). Op dinsdag 8 december 2015, heeft ondergetekende geconstateerd dat er binnen het webkasbankboek onjuiste transacties zijn verricht. Geconstateerd is dat:

  • -

    tot op heden tenminste een 70 tal transacties zonder kwitantie zijn ingeboekt;

  • -

    transacties voor andere doeleinde dan voor de locatie zijn verricht.

[…] In het gesprek van dinsdag 8 december om 13:45 uur hebben wij bovenstaande constatering met u besproken en u gevraagd om opheldering over het grote aantal niet te verifiëren uitgaven en niet onderbouwde gedeclareerde bonnen. U gaf aan dat u inderdaad transacties op een verkeerde manier hebt ingevoerd en dat u nalatig en onnauwkeurig bent geweest rondom de ontbrekende kwitanties. […] Het verontrust mij in ernstige mate dat vooralsnog dat u in bovenstaande geen opheldering hebt kunnen bieden.

Gezien de ernst van de feiten zijn wij van mening dat voortzetting van de werkzaamheden niet verantwoord is wegens het vermoeden van een dringende reden, welk ontslag op staande voet kan opleveren. Om die reden heb ik u medegedeeld dat u geschorst wordt conform artikel 2:8 van de cao-gehandicaptenzorg. Tijdens deze periode zal Philadelphia met spoed een intern onderzoek starten en zich beraden op vervolgstappen. […]’

2.10.

Op 14 december 2015 is de schorsingsperiode van [verzoekster] met een week verlengd omdat het interne onderzoek nog niet was afgerond.

2.11.

Op 18 december 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en Philadelphia over de eerste resultaten van het intern onderzoek. Tevens is bij brief van 18 december 2015 de schorsingsperiode omgezet in een non-actiefstelling, in de zin van artikel 2:7 van de cao-gehandicaptenzorg, omdat het interne onderzoek nog niet is afgerond.

2.12.

In het kader van het interne onderzoek is [verzoekster] op 22 december 2015 verhoord over haar werkwijze als kassier.

2.13.

Op 7 januari 2016 is Internal Audit met haar bevindingen gekomen. De conclusie van het rapport van Internal Audit luidt als volgt:

‘Aan de in de Handleiding kassier WKBB kas- en PIN transacties opgenomen norm dat aan alle transacties, zowel kas als bank (pin) een bon als onderlegger moet hebben, wordt op basis van de tot nu toe aangeleverde documentatie, in de periode januari 2015 tot en met november 2015, in 549 keer van de 1.219 transacties NIET voldaan.

Aan de norm dat kassabonnen genummerde dienen te worden wordt op basis van de aangeleverde documentatie in 603 van de 670 aangeleverde kassabonnen NIET voldaan.

Aan de norm dat zowel kas- als PIN-uitgaven van zakelijke aard dienen te zijn wordt in de 9 gevallen dat Dolce Gusto koffie is aangeschaft, bevestigd door [verzoekster] , NIET voldaan.

Aan de norm dat uitgaven ten behoeve van cliënten betrekking hebben op de betreffende cliënt is door het ontbreken van bonnen eveneens NIET voldaan.’

2.14.

Op 8 januari 2016 heeft Philadelphia aan [verzoekster] geschreven:

‘[…] Op basis van de bevindingen van de afdeling Internal Audit van Philadelphia heeft Philadelphia besloten tot het starten van een nader extern onderzoek. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd door [naam adviesbureau] ( [naam adviesbureau] ). Gezien het externe onderzoek wordt de op non actiefstelling conform art. 2.7 van de CAO Gehandicaptenzorg, onder de voorwaarden vermeld in de brief van 18 december 2015, met maximaal 6 weken verlengd. Wij benadrukken dat de situatie onverminderd ernstig is.[…]’

2.15.

Op 12 januari 2016 heeft Philadelphia een overeenkomst van opdracht met [naam adviesbureau] gesloten teneinde onderzoek te doen naar:

 de rapportage van 7 januari 2016 van een Internal Audit van Philadelphia,

 selectie en analyse van het in het WKBB geboekte facturen op mogelijke onregelmatigheden,

 achtergrond onderzoek naar [D] (voormalig locatiemanager) en [verzoekster] , alsmede

 interviews met mevrouw [E] en mevrouw [F] .

2.16.

Op 15 februari 2016 heeft er in het kader van het onderzoek van [naam adviesbureau] een gesprek met [verzoekster] plaatsgevonden.

2.17.

Op 8 maart 2016 heeft [naam adviesbureau] een rapport uitgebracht. Het onderzoek van [naam adviesbureau] heeft zich gericht op de periode 1 januari 2012 tot en met 30 november 2015, woning drie en woning vier van de locatie [straatnaam] te [vestigingsplaats] . Bij brief van 8 maart 2016 is dit rapport aan [verzoekster] verstrekt. In deze brief heeft Philadelphia haar voornemen tot het geven van een ontslag op staande voet kenbaar gemaakt, en [verzoekster] in het kader van hoor en wederhoor in de gelegenheid gesteld om tijdens een hoorgesprek op 10 maart 2016 te reageren op het rapport van [naam adviesbureau] en het voornemen van Philadelphia de arbeidsovereenkomst vanwege een dringende reden onverwijld op te zeggen.

2.18.

Op 10 maart 2016 is [verzoekster] door Philadelphia ontslagen op staande voet. In de betreffende brief van 10 maart 2016 is onder andere vermeld:

‘Vandaag, 10 maart 2016, verscheen u voor het hoorgesprek in verband met de bevindingen uit het rapport van [naam adviesbureau] d.d. 8 maart 2016. […] Hierbij bevestigen wij schriftelijk de mondelinge mededeling tijdens het gesprek van vandaag waarin u met onmiddellijke ingang, op staande voet, bent ontslagen om dringende redenen als bedoeld in artikel 7:677 jo 7:678 BW. De redenen voor dit besluit zijn de volgende feiten. […] Uit het rapport [naam adviesbureau] d.d. 8 maart 2016, dat aan u met een begeleidende brief op 8 maart 2016 verstuurd is, volgt dat u op meerdere onderdelen ernstig tekort bent geschoten in de werkzaamheden van kassier en verantwoordelijk bent voor niet zakelijke uitgaven ten laste van Philadelphia en onttrekking van gelden van Philadelphia. De onderdelen zijn als volgt uiteengezet.

1. Verantwoording en archivering documenten van lokale uitgaven niet conform procedures

Onjuiste archivering en nummering bewijsstukken.

Voor een bedrag van € 84.389,- van in totaal 3.153 mutaties over de periode 2012 tot en met 30 november 2015 is geen bewijsstuk, dus onderliggende bon, aanwezig. Van de wel beschikbare bewijsstukken, facturen, kassabewijzen en/of kassabonnen, bleek dat deze niet volgens de voorgeschreven procedure uit de handleiding kassier WKBB zijn voorzien van een boekingsnummer.

Als kassier bent u verantwoordelijk voor de administratieve verantwoording en archivering van de aan pintransacties en contante uitgaven ten grondslag liggende documenten. Aangezien voor een groot aantal mutaties, over meerdere jaren, geheel geen bewijsstukken aanwezig zijn, bent u hierin ernstig en structureel tekortgeschoten.

Toezenden bewijsstukken hoofdkantoor / centrale archivering

De bewijsstukken van de exploitatiekosten zijn niet jaarlijks na afsluiting van het jaar voor archivering naar het hoofdkantoor gestuurd. Ook hierin bent u tekortgeschoten.

2. Niet zakelijke uitgaven ten laste van Philadelphia en onttrekking van gelden aan Philadelphia.

Er is sprake van niet zakelijke uitgaven die zijn verantwoord op de kostenplaats algemene kas, kas woning drie en kas woning vier.

Het gaat in de periode 2012 tot en met 2015 om een bedrag van € 2.894,- aan producten die niet gebruikt worden op de locatie. Een bedrag van 2.852,- aan voedingsmiddelen die vanwege de aard dan wel de aangeschafte hoeveelheid niet bestemd kunnen zijn voor cliënten.

[…]

Voorbeelden niet zakelijke uitgaven

[…]

Uitgaven in uw woonplaats [woonplaats]

Er zijn in het jaar 2015 diverse uitgaven gedaan, in totaal voor een bedrag van € 1.651,21 bij detaillisten in [woonplaats] , uw woonplaats. […]

Onttrekken van contanten aan de kas door dubbel verantwoorden uitgaven of onjuist verantwoorden in 2015

Dubbel verantwoorden

Onder verwijzing naar punt 115 van het rapport [naam adviesbureau] worden uitgaven met de pinpas eveneens verantwoord als een uitgave in contacten. Hierdoor konden, zonder kasverschil, contanten worden onttrokken aan de kas. […]

Onjuist verantwoorden

Op 20 februari 2015 wordt een bedrag van € 150,- als contante uitgave voor een rouwstuk verantwoord. Uit het bij deze transactie behorende bewijsstuk blijkt dat er een bedrag van € 115,- contant is afgerekend. Uit de bijbehorende pinbon blijkt dat een medewerker het bedrag heeft betaald van zijn of haar bankrekening. Vervolgens zijn de twee bewijsstukken opgenomen als opname van contanten ad € 150,- uit de kas van Philadelphia. Uit het webkasbankboek blijkt niet van een kasverschil van € 35,-. Er is € 35,- onttrokken aan de kas. Onttrekken van contanten door meer te pinnen dan verschuldigd.

Bij transacties op 19 en 24 april is een bedrag van € 20,- extra gepind. Uit het webkasbankboek blijkt niet van een verantwoording van het meer gepinde bedrag. […].

De samenvattende conclusie van [naam adviesbureau] in verband met uw handelswijze is de volgende:

  1. Uit het onderzoek blijkt dat u in strijd met de geldende en voorgeschreven procedures de bewijsstukken niet volgens een voorgeschreven wijze heeft gearchiveerd en voorzien van een boekstuknummer. Het blijkt dat u in strijd met geldende procedures privé uitgaven heeft betaald dan wel deze kosten hebt verantwoord.

  2. Gelet op het vorenstaande hebt u onrechtmatig gelden onttrokken aan Philadelphia.

De brief van 8 maart 2016 aan u zijn de bevindingen van [naam adviesbureau] zoals vastgelegd in het rapport van [naam adviesbureau] d.d. 8 maart 2016 uitvoerig uiteengezet. De brief van 8 maart 2016 en het rapport van [naam adviesbureau] kunnen als hierbij herhaald en ingelast worden beschouwd ter onderbouwing van het ontslag op staande voet. […]

Conclusie

Voornoemde feiten en omstandigheden leveren elke afzonderlijk als ook in onderlinge samenhang bezien dringende renden op die een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Philadelphia heeft daarbij alle feiten en omstandigheden meegewogen. U bent ernstig tekortgeschoten in de uitoefening van uw werkzaamheden en u hebt het in u gestelde vertrouwen ernstig en onherstelbaar beschadigd. Door uw handelswijze hebt u de organisatie en de goede naam van Philadelphia ernstig beschadigd. Het feit dat het gaat om maatschappelijke gelden en die ten goede horen te komen aan onze cliënten, kwetsbare mensen met een verstandelijke en lichamelijke beperking, maakt de situatie des te ernstiger.

De arbeidsovereenkomst eindigt per vandaag, donderdag 10 maart 2016. Er wordt een eindafrekening per vandaag opgemaakt. Dit is u vandaag mondeling medegedeeld.

Philadelphia beroept zich verder op artikel 6:677 lid 2 BW en is van mening dat u – in ieder geval – schadeplichtig bent voor het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, in uw situatie drie maanden salaris. Wij zullen derhalve in eider geval drie maanden salaris op de eindafrekening inhouden. […] Daarnaast houdt Philadelphia u aansprakelijk voor de schade die u door uw handelwijze hebt toegebracht aan de organisatie en de cliënten.

Tenslotte berichten wij u hierbij dat Stichting Philadelphia Zorg aangifte zal doen bij de politie. […]’

2.19.

Op 29 maart 2016 is namens [verzoekster] bezwaar gemaakt tegen het gegeven ontslag op staande voet.

2.20.

Op 11 april 2016 heeft Philadelphia aan (de gemachtigde van) [verzoekster] onder andere geschreven:

‘[…] Zonder volledigheid te beogen valt in uw brief op dat er geen aandacht is voor het feit dat uw cliënte de organisatie ernstige schade heeft toegebracht. Niet alleen in materiële zin, maar ook de goede naam van Philadelphia is aangetast door de handelswijze van uw cliënte. Dit neemt Philadelphia hoog op. Philadelphia ziet geen enkele reden om het ontslag op staande voet in te trekken. […]’

2.21.

Op 25 april 2016 heeft de gemachtigde van [verzoekster] aan Philadelphia geschreven:

‘[…] Ten onrechte is mogelijkerwijs het beeld ontstaan dat mijn cliënte geen oog zou hebben voor de schade welke aan uw organisatie zou zijn toegebracht. Het moge duidelijk zijn dat mijn cliënte zich zeer wel bewust is van de ontstane situatie en met betrekking daartoe betreurt mijn cliënte ook zeer dat deze situatie is ontstaan door haar toedoen. Bovendien in mijn cliënte bereid om een bedrag te vergoeden ter grootte van € 2.894,-- ter zake van producten die niet gebruikt zouden worden op de locatie over de periode 2012 tot en met 2015. […]’

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt, samengevat:

  1. de opzegging van 10 maart 2016 te vernietigen, en

  2. [verzoekster] toe te laten de bedongen werkzaamheden te verrichten,

  3. Philadelphia te veroordelen tot betaling van het salaris vanaf 10 maart 2016, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente,

  4. Philadelphia te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[verzoekster] voert daartoe - kort gezegd - aan dat het op 10 maart 2016 aan haar gegeven ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven en daarom geen stand kan houden. Zij stelt dat alle feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag op staande voet reeds bekend waren op uiterlijk 7 januari 2016, de datum van het verschijnen van de rapportage van Internal Audit van Philadelphia. Reeds op 18 december 2015 was al uit het interne onderzoek naar voren gekomen dat er ruim 500 transacties in 2015 niet afgedekt waren door een kassabon en dat het om een bedrag van € 17.402,80 zou gaan. Uit het [naam adviesbureau] rapport blijkt niet van indicaties, dat dit onderzoek tot andere uitkomsten zou leiden dan de uitkomsten van het onderzoek van Internal Audit. [verzoekster] stelt dat het onderzoek van [naam adviesbureau] een uitbreiding van het onderzoek betrof en niet zo zeer een ander of nieuw onderzoek, met een andere doelstelling of insteek. [verzoekster] stelt dat de redenen van ontslag, zijnde dringende redenen, blijken uit het onderzoek van 7 januari 2016. Dat er nog meer en andere redenen zouden zijn voor het ontslag op staande voet over een langere periode doet er niet aan af dat het gaat om dezelfde soorten feiten en omstandigheden. Bovendien geldt dat uit de brief van 10 maart 2016 blijkt dat alle feiten op zichzelf ook voldoende redenen zouden zijn voor het ontslag op staande voet. Het aanvullende onderzoek was voor de beschuldigingen aan het adres van [verzoekster] niet noodzakelijk. Dit onderzoek was hooguit nodig voor het vaststellen van de omvang van de schade. Dit betekent dan ook dat de uitkomsten van het Internal Audit voldoende redenen zijn geweest voor het ontslag op staande voet. [verzoekster] heeft tegen de zelfstandige verzoeken van Philadelphia verweer gevoerd.

3.3.

Philadelphia heeft verweer gevoerd en zelfstandig de volgende verzoeken ingediend:

  • -

    Voor recht te verklaren dat [verzoekster] geen recht heeft op een transitievergoeding,

  • -

    [verzoekster] te veroordelen tot betaling aan Philadelphia van een gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 van € 6.026,40,

  • -

    [verzoekster] te veroordelen de kosten van het [naam adviesbureau] onderzoek van € 20.849,51 aan Philadelphia te vergoeden op grond van 6:96 lid 2 sub b BW,

  • -

    [verzoekster] te veroordelen een schadevergoeding aan Philadelphia te betalen van

€ 90.701,- op grond van artikel 7:661 lid 1 BW,

  • -

    de arbeidsovereenkomst – voor zover die nog bestaat – te ontbinden op de kortst mogelijke termijn op grond van verwijtbaar handelen (e-grond) subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond),

  • -

    [verzoekster] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Tevens heeft Philadelphia nog subsidiaire verzoeken ingediend.

3.4.

Philadelphia voert daarvoor het volgende aan. Philadelphia stelt dat er eind november 2015 vragen zijn gerezen over transacties van [verzoekster] . Hierop hebben diverse gesprekken met [verzoekster] plaatsvonden en is direct een intern onderzoek gestart. Op 7 januari 2016 is Internal Audit met haar bevindingen gekomen. De conclusie van het rapport van Internal Audit is dat door [verzoekster] over de periode januari 2015 tot en met november 2015 niet is voldaan aan diverse normen die zij als kassier in acht had moeten nemen. Het onderzoek van Internal Audit gaf echter nog geen compleet beeld. Philadelphia kon op basis van dit onderzoek geen (zware) maatregelen nemen, hetgeen voor Philadelphia reden vormde om een extern onderzoek bij [naam adviesbureau] te entameren naar de exacte feiten en omstandigheden, waarbij ook een beeld gevormd kon worden van eventuele betrokkenheid van andere medewerkers. Uit het onderzoek van [naam adviesbureau] is gebleken dat [verzoekster] in strijd met de geldende en niet volgens de voorgeschreven procedures de bewijsstukken heeft gearchiveerd. Uit het overzicht van [naam adviesbureau] blijkt dat voor een bedrag van € 84.389,- (totaal 3.153 mutaties) geen bewijsstuk aanwezig is. Daarnaast heeft [verzoekster] in strijd met de geldende procedures niet zakelijke uitgaven gedaan dan wel deze kosten niet verantwoord. Het gaat om € 2.894,- aan producten die niet gebruikt worden op de locatie [straatnaam] en een bedrag van € 2.852,- aan voedingsmiddelen die vanwege de aard of aangeschafte hoeveelheid niet voor cliënten bestemd kunnen zijn. Daarnaast is uit het [naam adviesbureau] onderzoek gebleken dat er gelden zijn onttrokken door meer te pinnen dan verschuldigd of door dubbel/onjuist verantwoorden van uitgaven. Dit betreft een bedrag van € 566,-. De totale schade bedraagt dan ook volgens Philadelphia € 90.701,-. Philadelphia heeft vervolgens [verzoekster] gehoord over het onderzoek van [naam adviesbureau] en haar voornemen om over te gaan tot ontslag op staande voet. In het gesprek op 10 maart 2016 is [verzoekster] ontslagen op staande voet. Philadelphia betwist dat zij reeds op 7 januari 2016 bekend was met de feiten en omstandigheden voor het ontslag op staande voet. De Internal Audit richten zich op de administratie en op welke wijze de administratie gevoerd is en had alleen betrekking op 2015. De uitkomst van de Internal Audit is aanleiding geweest voor verdergaand onderzoek door [naam adviesbureau] naar de transacties via de kas, pinbetaling en facturen, alsmede de eventuele betrokkenheid van medewerkers. Dit was nodig omdat [verzoekster] tijdens de Internal Audit nauwelijks meewerkte en de betrokkenheid van derden suggereerde. Daarnaast richten het [naam adviesbureau] onderzoek zich ook op de jaren 2012, 2013 en 2014. Voorts is belangrijk dat in het [naam adviesbureau] onderzoek voor het eerst is geconstateerd dat er geen andere medewerkers betrokken waren, afgezien van de falende controlerende taak van de voormalig locatiemanager. Pas op 8 maart 2016 waren alle feiten en omstandigheden bekend op basis waarvan Philadelphia een weloverwogen besluit kon nemen met betrekking tot [verzoekster] .

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vernietiging ontslag op staande voet

4.1.

In de onderhavige zaak staat ter beoordeling of het op 10 maart 2016 aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet in stand kan blijven.

4.2.

Om dit te kunnen beoordelen is van belang of sprake was van een dringende reden voor Philadelphia om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, en of die reden onverwijld is medegedeeld aan [verzoekster] .

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen - zo is door de kantonrechter ter zitting nog expliciet aan [verzoekster] gevraagd - de dringende reden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd niet ter discussie staat. Door [verzoekster] is benadrukt dat de grondslag voor vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet enkel is gestoeld op het standpunt dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Dat daarmee sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW die Philadelphia de bevoegdheid geeft de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen is dan ook een gegeven.

4.4.

De kern van het geschil is of het ontslag op staande voet onverwijld gegeven is. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.

4.5.

Indien bij een werkgever het vermoeden is gerezen dat zich een dringende reden tot ontslag van een werknemer voordoet, en hij zich, alvorens tot ontslagverlening op staande voet over te gaan, van de juistheid van dat vermoeden wil vergewissen, is de daarbij van hem te vergen mate van voortvarendheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij o.m. valt te denken aan de aard en omvang van eventueel noodzakelijk onderzoek, de behoedzaamheid die bij het instellen van zulk onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf van de werkgever te wekken, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, bij ongegrondbevinding van het vermoeden, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad (HR 15 februari 1980, NJ 1980, 328).

4.6.

In onderhavige situatie staat vast dat eind november 2015 vreemde transacties zijn geconstateerd door de nieuwe waarnemend locatiemanager met betrekking tot kasadministratie waarvoor [verzoekster] op dat moment verantwoordelijk was. [verzoekster] is gehoord en direct daarna is een intern onderzoek opgestart. Dat dit alles niet voortvarend is gebeurd is ook niet door [verzoekster] gesteld. [verzoekster] stelt dat toen het intern onderzoek op 7 januari 2016 was afgerond er reeds voldoende feiten en omstandigheden waren gebleken om haar op staande voet te ontslaan en dat er op dat moment geen reden was een aanvullend extern onderzoek door [naam adviesbureau] te laten plaatsvinden. De kantonrechter constateert dat uit het intern onderzoek van Philadelphia bleek dat [verzoekster] zich niet aan de voorgeschreven procedures had gehouden. Het interne onderzoeksrapport geeft een feitelijke weergave van het aantal (vreemde) mutaties doch richt zich niet, althans summier, op de vraag hoe het kan dat die vreemde mutaties op de naam van [verzoekster] zijn ontstaan, of de gelden haar ten goede zijn gekomen en of zij heeft gehandeld in samenwerking met of op aanwijzing van derden. [verzoekster] heeft tijdens het interne onderzoek de feiten niet erkend en op vele vragen geantwoord dat zij de toedracht van bepaalde transacties niet meer kon herinneren.

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat de eis van onverwijldheid van artikel 7:677 lid 1 BW de werkgever verplicht om met de nodige voortvarendheid te handelen. Dat betekent echter niet dat de werkgever geen tijd mag nemen om, weliswaar met de nodige voortvarendheid, onderzoek te (laten) doen naar de handelwijze van de werknemer, teneinde te voorkomen dat hij de werknemer ten onrechte, en op basis van onjuist gebleken verdenkingen, op staande voet zou ontslaan. De van de werkgever te verlangen voortvarendheid mag niet ten koste gaan van de, eveneens jegens de betrokken werknemer vereiste, zorgvuldigheid. (zie ook: gerechtshof Arnhem 5 augustus 2008, ECLI:NL:GHARN:2008: BD9901).

4.8.

Gelet op de inhoud van het interne onderzoeksrapport, in combinatie met de opstelling van [verzoekster] , is begrijpelijk dat Philadelphia op dat moment niet het risico wilde nemen dat later zou kunnen blijken dat [verzoekster] slechts een slordige kasadministratie over het jaar 2015 had bijgehouden en door betrokkenheid van derden de schijn tegen had gekregen, en zij daardoor [verzoekster] ten onrechte op staande voet zou ontslaan. Gelet hierop had Philadelphia voldoende aanleiding de bevindingen uit het intern onderzoek te laten toetsen door een professionele externe partij (in dit geval [naam adviesbureau] ) en tevens te laten onderzoeken of er andere medewerkers betrokken waren voordat zij tot het geven van een ontslag op staande voet overging. Zij heeft hierbij ook niet onnodig lang gewacht en is direct volgend op de conclusie van het intern onderzoek overgegaan tot het verlenen van de opdracht aan [naam adviesbureau] . Ook nadat de conclusies van het [naam adviesbureau] onderzoek bekend waren heeft zij direct [verzoekster] uitgenodigd voor een hoorgesprek en heeft zij voortvarend gehandeld met het geven van het ontslag op staande voet. Het feit dat uit het [naam adviesbureau] onderzoek onder meer ook dezelfde feiten naar voren zijn gekomen als reeds bij het interne onderzoek waren geconstateerd, kan Philadelphia niet worden tegengeworpen aangezien het [naam adviesbureau] onderzoek, naast uitbreiding van het onderzoek, ook juist deels tot doel had om die resultaten op juistheid te checken, zodat Philadelphia zekerheid kreeg omtrent haar vermoedens.

4.9.

Nu het ontslag onverwijld is gegeven houdt op grond van het vorenstaande het op 10 maart 2016 gegeven ontslag op staande voet stande. Het verzoek van [verzoekster] om de opzegging te vernietigen zal dan ook worden afgewezen. Het dienstverband is daarmee op 10 maart 2016 geëindigd. Het verzoek van [verzoekster] haar weer toe te laten tot de bedongen werkzaamheden en haar het overeengekomen loon te betalen is dan ook evenmin toewijsbaar.

Transitievergoeding

4.10.

Philadelphia heeft verzocht om voor recht te verklaren dat [verzoekster] geen recht heeft op een transitievergoeding aangezien [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of heeft nagelaten. [verzoekster] heeft geen expliciet verweer gevoerd tegen dit verzoek, althans heeft dit gedaan bij nadere akte terwijl daarvoor geen gelegenheid is gegeven. In het kader van de verzochte ontbinding - die naar de mening van [verzoekster] niet tegenstrijdig zijn aan haar standpunt dat de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden niet ter discussie staat - alsmede in haar nadere akte heeft zij gesteld dat haar gedragingen hooguit als slordig zijn te kwalificeren en ook het toezicht van haar leidinggevende ontbrak. Dit standpunt is reeds hierom onbegrijpelijk, omdat [verzoekster] ter zitting nu juist de dringende reden, die in zijn algemeenheid ernstig verwijtbaarheid in zich draagt, niet ter discussie heeft gesteld en daarmee kennelijk ook heeft geaccepteerd. Voor zover uit deze stellingen toch moet worden afgeleid dat zij van mening is dat haar een transitievergoeding toekomt omdat haar geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, overweegt de kantonrechter het volgende. [verzoekster] heeft de door Philadelphia gestelde feiten die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, waaronder gelden van Philadelphia aanwenden voor privégebruik, in elk geval het doen van privéboodschappen met de pinpas van Philadelphia, onvoldoende weersproken (zie ook hieronder onder r.o. 4.16 en 4.17). De kantonrechter acht haar handelen dan ook niet slechts slordig maar zonder meer ernstig verwijtbaar. Dat haar leidinggevende tekort is geschoten in haar controlerende taak maakt het gedrag van [verzoekster] niet minder laakbaar. De transitievergoeding is op grond van artikel 7:673 lid 7 BW dan ook niet verschuldigd. Het verzoek voor recht te verklaren dat [verzoekster] geen recht heeft op een transitievergoeding zal worden toegewezen.

Voorwaardelijke ontbinding

4.11.

Nu het ontslag op staande voet stand houdt is de arbeidsovereenkomst op 10 maart 2016 geëindigd. Er is dan geen grond meer om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Voor zover het verzoek tot ontbinding zich ook uitstrekt tot de situatie waarin in latere instantie mocht blijken dat het gegeven ontslag op staande voet onterecht is gegeven, overweegt de kantonrechter dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 22 april 2016, ECLI:NL:GHAR:2016:3215, heeft overwogen dat met de toewijzing van een dergelijk verzoek zou worden miskend, dat ontbinding op voorhand van een als gevolg van een eventuele veroordeling tot herstel te sluiten nieuwe arbeidsovereenkomst niet aan de orde kan zijn. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

Gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW

4.12.

Met betrekking tot de door Philadelphia verzochte gefixeerde schadevergoeding van € 6.026,40 overweegt de kantonrechter het volgende. Ingevolge artikel 7:677 BW is [verzoekster] , als de partij die door opzet of schuld de dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan Philadelphia een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Uit r.o. 4.10 vloeit reeds voort dat [verzoekster] schuld heeft aan de dringende reden. De hoogte van het gevorderde bedrag is niet afzonderlijk weersproken. Rekening houdend met een reguliere opzegtermijn van drie maanden en het bruto maandsalaris van [verzoekster] , is de verzochte schadevergoeding dan ook toewijsbaar.

Onderzoekskosten [naam adviesbureau]

4.13.

Met betrekking tot de door de Philadelphia ter zake van de kosten van het [naam adviesbureau] onderzoek verzochte bedrag overweegt de kantonrechter als volgt. Nu [verzoekster] op grond van 7:661 lid 1 BW aansprakelijk is voor de schade die zij Philadelphia heeft toegebracht (zie hieronder ook r.o. 4.15) is zij op grond van artikel 6:96 BW ook aansprakelijk voor redelijke kosten ter vaststelling van die schade en aansprakelijkheid. Vaststaat dat Philadelphia als gevolge van de vreemde transacties van [verzoekster] genoodzaakt was onderzoek te doen naar de als gevolg daarvan reeds opgetreden en nog eventueel te verwachten schade en wie daarvoor aansprakelijk was. Voor dat onderzoek, dat door [naam adviesbureau] is uitgevoerd, heeft Philadelphia kosten moeten maken die dan ook voor vergoeding in aanmerking komen. De kantonrechter passeert het verweer van [verzoekster] dat het onredelijk is om de gevolgen van een incomplete administratie, waardoor de kosten van het onderzoek zijn opgelopen, voor rekening van [verzoekster] te laten komen. Hiermee miskent [verzoekster] dat indien zij niet laakbaar had gehandeld er van een dergelijk onderzoek door [naam adviesbureau] in het geheel geen sprake had hoeven zijn. Niet is bestreden dat het onderzoek van [naam adviesbureau] € 20.849,51 heeft gekost. Dit bedrag zal worden toegewezen.

Schadevergoeding ex artikel 7:661 lid 1 BW

4.14.

Philadelphia vordert vergoeding van alle schade die door [verzoekster] is toegebracht. Philadelphia vordert een totaalbedrag van € 90.701,-. Dit bedrag valt in verschillende posten uiteen.

4.15.

De kantonrechter stelt ten aanzien van de verzochte schadevergoeding ex artikel 7:661 BW voorop dat in voldoende mate vaststaat dat [verzoekster] tekortgeschoten is in de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst en dat zij in de uitvoerig van de overeenkomst schade aan Philadelphia heeft toegebracht. Gelet op de omvang (zowel in aantal als in bedrag) van de transacties die [verzoekster] te goede zijn gekomen, is haar handelen – zoals reeds in r.o. 4.10 overwogen – niet slechts slordig doch ernstig verwijtbaar. De kantonrechter acht dan ook voldoende vaststaan dat er bij [verzoekster] sprake is geweest van opzet, althans bewuste roekeloosheid, in de zin van artikel 7:661 BW. Zij dient dan ook de schade die als gevolg van haar handelen voor Philadelphia is ontstaan te vergoeden. De wet biedt geen aanknopingspunten voor het betoog van [verzoekster] dat artikel 7:677 BW exclusieve werking heeft en daarom aan toewijzing van een schadevergoeding op grond van artikel 7:661 BW in de weg staat. Bovendien biedt artikel 7:677 lid 5 de kantonrechter alleen de mogelijkheid de vergoeding op een hoger bedrag te stellen, indien de opzegging door de werknemer geschiedt, zodat in onderhavig geval waarin de opzegging door de werkgever is geschiedt, de kantonrechter helemaal geen mogelijkheid heeft de vergoeding ex artikel 7:677 BW te verhogen op grond van de omstandigheden van het geval. Het verweer van [verzoekster] faalt.

4.16.

Ten eerste stelt Philadelphia dat [verzoekster] een bedrag van € 2.894,- heeft besteed aan producten die niet gebruikt worden op de locatie. [verzoekster] heeft van dit bedrag in totaal € 222,83 gemotiveerd weersproken. Zij heeft immers bij nadere akte gesteld dat bonnummer 181, bonnummer 23 en bonnummer 2 (zie bijlage 1, [naam adviesbureau] -rapport) uitgaven waren ten behoeve van bewoners, en derhalve geoorloofd waren. Daarbij kan zij de transactie van bonnummer 14 niet hebben verricht en is deze blijkens de omschrijving bedoeld voor [naam bouwbedrijf] in [vestigingsplaats] , een bouwbedrijf van de man van een collega. Philadelphia is in haar antwoordakte hierop niet ingegaan. [verzoekster] heeft nog gewezen op de opmerking van [naam adviesbureau] dat het bedrag van de niet-zakelijk kosten lager kan zijn dan het totaalbedrag omdat het bedrag het totaalbedrag van de kassabonnen zijn en niet de individuele producten. De kantonrechter overweegt hierover dat het op de weg van [verzoekster] ligt de in het rapport genoemde afzonderlijke bedragen te betwisten en dat een algemene opmerking dat de kosten lager kunnen zijn, zonder te specificeren welke kassabonnen dan tevens zakelijke producten bevatten, onvoldoende is om aan haar stelplicht te voldoen. Zij heeft de overige bonnummers in deze categorie dan ook onvoldoende weersproken. De kantonrechter acht daarom voldoende vaststaan dat [verzoekster] een bedrag van € 2.671,17 (€ 2.894,- minus € 222,83) van de gelden van Philadelphia heeft gebruikt om privéaankopen te doen, voor producten die niet worden gebruikt op de locatie.

4.17.

Ten tweede stelt Philadelphia dat [verzoekster] een bedrag van € 2.852,- heeft besteed aan producten die vanwege de aard dan wel de aangeschafte hoeveelheid niet bestemd kunnen zijn voor cliënten van Philadelphia. Dit bedrag bestaat onder andere uit een bedrag van € 1.651,21 dat door [verzoekster] bij detaillisten in haar woonplaats is uitgegeven. Het bedrag is door [naam adviesbureau] in haar onderzoeksrapport nader uitgewerkt. Ter zitting heeft Philadelphia diverse voorbeelden gegeven zoals Dolce Gusto koffie, hondenbrokken en alcoholproducten. Ten aanzien van deze uitgaven heeft [verzoekster] in haar nadere akte verwezen naar haar betwisting van de verschillende bedragen in het kader van het [naam adviesbureau] onderzoek. Uit het [naam adviesbureau] onderzoek komt naar voren dat [verzoekster] des gevraagd heeft verklaard zich de transacties niet te kunnen herinneren. Uit de gesprekverslagen van de gesprekken gehouden met [verzoekster] in het kader van het interne onderzoek komt naar voren dat [verzoekster] erkend dat zij inderdaad weleens producten voor eigen gebruik haalt doch stelt dit te verrekenen met aankopen voor Philadelphia met haar privépinpas. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] het bedrag van € 2.852,- onvoldoende heeft weersproken. Nu voldoende vaststaat dat [verzoekster] privé-aankopen deed met de pinpas van Philadelphia had het op de weg van [verzoekster] gelegen specifieker aan te geven welke bonnummers hiertoe niet behoorde en op welke punten de door [naam adviesbureau] gemaakte berekening niet klopt. Een algemene betwisting is, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van Philadelphia, onvoldoende. Gelet hierop acht de kantonrechter voldoende vaststaan dat [verzoekster] een bedrag van € 2.852,- heeft uitgegeven aan producten ten behoeve van haar zelf.

4.18.

Ten derde stelt Philadelphia dat [verzoekster] een bedrag van € 566,- heeft onttrokken door meer te pinnen dan verschuldigd of door dubbel/onjuist verantwoorden van uitgaven. Ten vierde, en tot slot, stelt Philadelphia dat [verzoekster] een bedrag van

€ 84.389,- niet heeft verantwoord in de boekhouding. Volgens Philadelphia moet het ervoor worden gehouden dat door [verzoekster] bewust de thans incomplete boekhouding is gebruikt haar misbruik van gelden van Philadelphia te verbloemen. Uit de boekhouding blijkt dat woning 3, waarvan [verzoekster] kassier was, een substantieel hoger uitgavenpatroon had. [verzoekster] heeft hier tegenin gebracht dat niet vaststaat dat deze bedragen door haar zijn onttrokken. [verzoekster] vermag niet in te zien waarom zij verantwoordelijk is voor de dubbelboekingen (van zowel contant als pin bij dezelfde uitgaven) terwijl niet valt uit te sluiten dat mevrouw [D] deze boekingen heeft gedaan. Ten aanzien van de niet gearchiveerde bonnen stelt [verzoekster] dat zij de bonnen na verwerking in de daarvoor bestemde map heeft gedaan en die map voor alle medewerkers toegankelijk was. Daarnaast moet [verzoekster] vaststellen dat het ontbreken van bonnen bovendien niet betekent dat de bedragen die tegenover de ontbrekende bonnen staan dan ook allemaal onttrokken zijn. Philadelphia heeft volgens [verzoekster] niet inzichtelijk gemaakt of het ontbreken van bonnen daadwerkelijk tot onttrekkingen heeft geleid.

4.19.

De kantonrechter overweegt met betrekking tot deze twee gestelde totaalbedragen dat op basis van de thans beschikbare informatie onvoldoende vaststaat dat deze transacties (dubbelboeken en/of niet verantwoorden) ertoe hebben geleid dat er gelden bij Philadelphia zijn onttrokken en dat dit door [verzoekster] is gebeurd.

4.20.

Uit de door Philadelphia weergegeven tabel (zie randnummer 3.16 van de antwoordakte van Philadelphia) blijkt dat met betrekking tot woning 3, waarvan [verzoekster] kassier was, in de jaren 2012 tot en met 2015 een bedrag van € 124.381,- aan uitgaven zijn geboekt, terwijl dit bedrag bij de andere woning beduidend (meer dan € 100.000,-) lager lag. De uitgaven van woning 1 bedroegen namelijk in dezelfde periode € 30.117,-, die van woning 2 € 19.791,- en van woning 4 € 13.481,-. Dit in combinatie met het gegeven dat er een bedrag van € 84.389,- in de boekhouding van woning 3 niet is verantwoord, en gezien de transacties van [verzoekster] waarvan reeds vaststaat dat zij die ten behoeve van haar zelf heeft verricht, is er thans wel een aanwijzing dat er bij Philadelphia gelden zijn onttrokken door [verzoekster] , die verband houden met het dubbelboeken en/of niet verantwoorden van transacties door [verzoekster] . Philadelphia heeft een bewijsaanbod gedaan. Nu de aard van de procedure (een bodemzaak) zich niet verzet tegen toepasselijkheid van het bewijsrecht als geregeld in de artikel 149 tot en met 207 Rv en het bewijsrecht uit de dagvaardingsprocedure op grond van artikel 284 Rv van overeenkomstige toepassing is op de verzoekschriftprocedure, zal, ten behoeve van de waarheidsvinding, Philadelphia overeenkomstig haar bewijsaanbod, worden toegelaten tot bewijs dat er door [verzoekster] gelden zijn onttrokken door het dubbelboeken en/of niet verantwoorden van transacties in de uitoefening van haar functie als kassier bij Philadelphia. Tevens zal Philadelphia de omvang van de daarmee verband houdende schade moeten bewijzen.

4.21.

Indien Philadelphia het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient zij deze stukken afzonderlijk in het geding te brengen. Indien Philadelphia het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient zij dit te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon (bij rechtspersoon: rechtsgeldig vertegenwoordigd) aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.

4.22.

De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 45 minuten zal duren. Als Philadelphia verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

4.23.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.24.

De kantonrechter wijst Philadelphia erop dat indien zij niet slaagt in haar bewijslevering zij de daarmee verband houdende kosten zal dienen te dragen, terwijl indien zij in haar bewijslevering slaagt het de vraag is of [verzoekster] voldoende verhaal biedt voor het toegewezen bedrag. Uit het gesprekverslag van het op 18 december 2015 met [verzoekster] door Philadelphia gehouden gesprek blijkt immers dat er op dat moment loonbeslag (door een derde) bij [verzoekster] was gelegd, terwijl zij uit hoofde van deze beschikking reeds een bedrag van € 32.399,62, exclusief proceskosten, aan Philadelphia dient te betalen. Het is aan Philadelphia om aan te geven of zij van de mogelijkheid tot verdere bewijslevering wenst over te gaan.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat [verzoekster] geen recht heeft op een transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW, wegens ernstig verwijtbaar handelen.

5.2.

veroordeelt [verzoekster] om aan Philadelphia een bedrag van € 6.026,40 te betalen als schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW;

5.3.

veroordeelt [verzoekster] om aan Philadelphia een bedrag van € 20.849,21 te betalen als schadevergoeding op grond van artikel 6:96 BW;

5.4.

veroordeelt [verzoekster] om aan Philadelphia een bedrag van € 5.524,01 te betalen als schadevergoeding op grond van artikel 7:661 BW;

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het anders of meer verzochte af, tenzij hieronder anders staat vermeld,

5.7.

houdt de beslissing omtrent het overige verzochte bedrag aan schadevergoeding ex artikel 7:661 BW aan,

5.8.

draagt Philadelphia op te bewijzen dat er door [verzoekster] gelden zijn onttrokken door het dubbelboeken en/of niet verantwoorden van transacties in de uitoefening van haar functie als kassier bij Philadelphia, alsmede de omvang van de daarmee verband houdende schade voor Philadelphia,

5.9.

bepaalt dat, indien Philadelphia bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij uiterlijk op 31 augustus bij nader verweerschrift:
- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;
- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden,

5.10.

bepaalt dat:
- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;
- indien Philadelphia geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;
- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten,

5.11.

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald,

5.12.

bepaalt dat, indien Philadelphia (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken vóór of uiterlijk op 31 augustus 2016 bij nader verweerschrift in het geding moet brengen,

5.13.

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2016.