Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4818

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-08-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
UTR 15/4480
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep, Wob, artikel 55 Gemeentewet, gegrond, besluit vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/4480

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: B.J.S.A.A.F. de Winter),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. D.M.L. Krak).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 15 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing

van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

heropend, omdat is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Bij brief van 15 december 2015 heeft eiser een nader stuk in het geding gebracht. Bij brief van 14 januari 2016 heeft verweerder hierop gereageerd en heeft verweerder voorts toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder een tweede zitting (artikel 8:57, eerste lid, van de Awb).

Eiser heeft vervolgens bij brief van 19 april 2016 gereageerd. Eiser heeft geen toestemming verleend om uitspraak te doen zonder een tweede zitting.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 11 november 2014 heeft eiser met een beroep op de Wob verzocht om de volgende documenten:

- Alle ‘geheime’ documenten die zijn opgenomen in het geheimhoudingsregister (bijgewerkt tot en met 31 december 2013) sedert 1 januari 2012 tot heden.

- Alle ‘geheime’ documenten die nog niet zijn opgenomen in het geheimhoudingsregister, maar daar wel in opgenomen zouden moeten zijn in de periode 1 januari 2012 tot heden.

Eiser wenst alle door de gemeente(raad) als geheim bestempelde documenten te ontvangen. Mocht verweerder menen documenten zoals bedoeld in dit verzoek te moeten weigeren, dan vraagt eiser subsidiair om een ambtelijk beperkte versie en meer subsidiair om een samenvatting van de desbetreffende documenten.

2. Bij besluit van 16 december 2014 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. In dit besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld – samengevat – dat eisers verzoek enerzijds betrekking heeft op informatie die al openbaar is en niet nogmaals openbaar kan worden gemaakt, en anderzijds op informatie die geheim is verklaard op grond van artikel 55 van de Gemeentewet, zodat de Wob daarop niet van toepassing is.

3. Op 11 februari 2015 heeft eiser wederom een Wob-verzoek ingediend en verzocht om dezelfde documenten. Eiser heeft zich beroepen op nieuwe feiten en omstandigheden, namelijk het rapport van januari 2015 van de commissie Addink, opgesteld ten behoeve van de gemeente Utrecht. In dit rapport zijn aanbevelingen opgenomen op het punt van informatieverstrekking en geheimhouding en dit rechtvaardigt een nieuwe beoordeling van zijn eerdere Wob-verzoek, aldus eiser.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd.

5. De rechtbank stelt vast dat zowel het besluit van 16 december 2014 als de besluiten van 9 april 2015 en 15 juli 2015 strekken tot de afwijzing van twee identieke Wob-verzoeken. De afwijzing van het Wob-verzoek van 11 februari 2015 moet daarom worden beschouwd als een besluit van gelijke strekking als het eerdere afwijzende besluit.

6. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kan, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van het beroep tegen het laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan het besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen

7. Aan het tweede Wob-verzoek heeft eiser als nieuw feit ten grondslag gelegd het rapport van de commissie Addink dat is verschenen in januari 2015. De rechtbank stelt vast dat het rapport is verschenen na het eerdere besluit van 16 december 2014 en derhalve niet eerder kon worden overgelegd. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van een novum, maar dat het rapport niet kan afdoen aan het besluit van 16 december 2014. Het rapport van de commissie Addink is niet meer dan een advies. Zolang de werkwijze binnen de gemeente niet is veranderd, kan dit rapport niet afdoen aan het eerdere besluit. De documenten waarop het Wob-verzoek ziet, zijn op juiste grond op de voet van artikel 55 van de Gemeentewet als ‘geheim’ aangemerkt. Er dient een besluit te zijn van het college dat de geheimhouding wordt opgeheven en zolang een dergelijk besluit er niet is, wordt de geheimhouding niet opgeheven en is de Wob niet van toepassing, aldus nog steeds verweerder.

8. Eiser betwist dit standpunt er heeft daartoe verwezen naar het nader door hem in het geding gebrachte stuk. Dit stuk betreft een notitie van 16 april 2015 van de afdeling Intern Bedrijfs Juridische Zaken aan de Griffie van de gemeente Utrecht (hierna: de notitie). In de notitie staat onder het kopje ‘Juridisch kader’ – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“ (…)

De Telegraaf heeft vlak voor de raadsbehandeling een Wob-verzoek ingediend (…). Op dat moment moest er nog geheimhouding worden opgelegd. De geheimhouding is uiteindelijk opgelegd en daarmee loopt het Wob-traject van de Telegraaf vast. (…)”

9. In deze zaak moet ten eerste de vraag worden beantwoord of het rapport van de commissie Addink een nieuw feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of het rapport van de commissie Addink kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit van 16 december 2014. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dat niet het geval is omdat – kort gezegd – de stukken waarop (ook) het eerste Wob-verzoek zag op grond van artikel 55 van de Gemeentewet geheim waren verklaard en de Wob daarop dus niet van toepassing was.

10. De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor geciteerde passage uit de notitie van 16 april 2015 volgt dat op het moment van het indienen van het Wob-verzoek van eiser de desbetreffende stukken nog niet geheim waren verklaard op basis van artikel 55 van de Gemeentewet. Deze stelling van verweerder wordt daarom verworpen. De stelling van verweerder ter zitting dat een raadsbesluit tot geheimhouding wordt voorafgegaan door een collegebesluit waarin een voorstel tot geheimhouding is opgenomen en dat van dit collegebesluit ‘voorbescherming’ uitgaat, wordt gepasseerd. De rechtbank overweegt dat binnen het Nederlandse bestuursrecht de rechtsgevolgen van een besluit in werking treden nadat het desbetreffende besluit is genomen en op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en niet na een vóórstel tot het nemen van een besluit. De stelling van verweerder ter zitting dat binnen de gemeente Utrecht al jarenlang op deze manier wordt gewerkt, is onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te leiden.

11. Uit het voorgaande volgt dat de stelling van verweerder, dat het rapport van de commissie Addink geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, moet worden verworpen. Dit betekent dat de rechtbank de afwijzing van eisers Wob-verzoek van 11 februari 2015 kan toetsen.

12. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, blijkt uit de notitie van 16 april 2015 dat de stukken waarop het Wob-verzoek betrekking heeft, pas naderhand op de voet van artikel 55 van de Gemeentewet geheim zijn verklaard. Verweerder had het Wob-verzoek van eiser daarom moeten afdoen op grond van de Wob en heeft verzoek niet mogen afwijzen onder verwijzing naar artikel 55 van de Gemeentewet.

13. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 496,- en een wegingsfactor 1).

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2016.

De griffier is buiten staat deze uitspraak
mede te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.