Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4782

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
5070540 UC EXPL 16-7493 PP/1211
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht; beoordeling ontvangst onverschuldigde betaling niet te kwader trouw

ex art. 6:205 BW dus pas verzuim na ingebrekestelling en afwijzing wettelijke handelsrente

ex art. 6:119a BW omdat de verbintenis tot terugbetaling van de onverschuldigde betaling niet

voortvloeit uit een handelsovereenkomst maar uit de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5070540 UC EXPL 16-7493 PP/1211

Vonnis van 24 augustus 2016

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Universitair Medisch Centrum Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen UMC,

eisende partij,

gemachtigde: Groenendaal & van Krijl gerechtsdeurwaarders,

tegen:

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2 [gedaagde sub 2] , vennoot van [gedaagde sub 1] V.O.F.,

wonende te [woonplaats] ,

3 [gedaagde sub 3] , vennote van [gedaagde sub 1] V.O.F.,

wonende te [woonplaats] ,

verder gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud ook te noemen [gedaagden] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 29 juni 2016. De comparitie is gehouden op 11 augustus 2016. Van hetgeen tijdens de comparitie aan de orde is gekomen is aantekening gehouden. Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] heeft met UMC een overeenkomst gesloten waarbij [gedaagden] tegen betaling diensten levert aan UMC.

2.2.

Op of omstreeks 1 april 2011 heeft UMC abusievelijk een bedrag van € 3.121,44 aan [gedaagden] overgemaakt zonder dat [gedaagden] hiervoor een tegenprestatie heeft geleverd.

2.3.

In het e-mailbericht van 8 januari 2016 van [gedaagden] aan UMC staat vermeld: “(…) Er blijkt inderdaad sprake te zijn van een dubbele betaling. Wij zullen het bedrag terugstorten aan het UMCU. (…)”.

2.4.

[gedaagden] heeft het teveel betaalde niet aan UMC terugbetaald.

3 Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1.

UMC vordert kort gezegd - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagden] om aan UMC te voldoen € 5.129,66, bestaande uit € 3.121,44 aan hoofdsom, € 1.494,00 aan rente tot en met 25 april 2016 en € 726,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, waarna het totaalbedrag door UMC kennelijk verminderd is tot € 5.129,66, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2016 over de hoofdsom tot de dag van de voldoening en met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vordering legt UMC ten grondslag dat UMC zonder hiertoe verplicht te zijn en zonder dat [gedaagden] een tegenprestatie heeft geleverd aan [gedaagden] een betaling heeft gedaan. Die betaling wordt door UMC als onverschuldigd op [gedaagden] (terug)gevorderd. UMC maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten nu [gedaagden] in verzuim is geraakt, respectievelijk UMC de vordering uit handen heeft moeten geven.

3.3.

[gedaagden] voert verweer. Ten eerste voert [gedaagden] aan dat de vordering is verjaard. Voor zover dat verweer niet slaagt, erkent [gedaagden] de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom, maar voert zij aan dat UMC daarnaast ten onrechte kosten vordert. [gedaagden] voert aan dat zij het e-mailbericht van UMC van 7 oktober 2015 als spam heeft beschouwd en daarom er geen aandacht aan heeft geschonken. Volgens [gedaagden] had UMC haar op een andere manier moeten berichten over de onverschuldigde betaling alvorens de vordering uit handen te geven. [gedaagden] heeft aangeboden om de hoofdsom zonder de rente en de kosten te voldoen, maar dat is afgewezen door UMC. Voor zover er grond bestaat om rente en buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen stelt [gedaagden] zich meer subsidiair op het standpunt dat er geen grondslag is voor wettelijke handelsrente omdat de verbintenis tot terugbetaling voortvloeit uit de wet en dat de buitengerechtelijke kosten verkeerd zijn berekend.

3.4.

De kantonrechter overweegt als volgt.

[gedaagden] heeft de vordering per e-mailbericht van 8 januari 2016 erkend, dus binnen vijf jaar na het begin van de verjaringstermijn (op zijn vroegst ingegaan rond 1 april 2011). Op grond van artikel 3:318 van het Burgerlijk Wetboek (BW) stuit erkenning van de vordering de verjaring ervan. Dit verweer slaagt niet.

Nu [gedaagden] de verschuldigdheid erkent van de door UMC bij dagvaarding gestelde hoofdsom van € 3.121,44, staat deze vast en zal deze worden toegewezen.

3.5.

Ten aanzien van het verweer tegen de verschuldigdheid van rente en (buiten)gerechtelijke kosten overweegt de kantonrechter als volgt. Uit de toe te wijzen onverschuldigde betaling vloeit een verbintenis tot teruggave van het geldbedrag voort. Nu er een tekortkoming is in de nakoming van de verbintenis is afdeling 6.1.9 BW van toepassing. Het gaat om betaling van een geldsom dus is de tekortkoming altijd toerekenbaar. Bij ontvangst te kwader trouw is de ontvanger op het moment van ontvangst in verzuim (art. 6:205 BW). Dit betekent onder andere dat de vertragingsschade moet worden vergoed. Bij betaling van geldsommen bestaat deze vertragingsschade uit de wettelijke rente (art. 6:119 BW). Indien de geldsom te goeder trouw is aangenomen, dan dient de ontvanger in gebreke gesteld te worden om in verzuim te zijn en is de wettelijke rente vanaf de datum van het verzuim verschuldigd.

De e-mail van 7 oktober 2015 is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende concreet. Hierop had [gedaagden] actie moeten ondernemen, bijvoorbeeld door haar boekhouder in te schakelen en UMC telefonisch te benaderen hierover. Dit maakt echter nog niet dat [gedaagden] ten aanzien van de onverschuldigde betaling te kwader trouw heeft gehandeld. Immers, uit artikel 6:205 BW volgt dat de ontvanger te kwader trouw is als hij een prestatie (geldbedrag) ontvangt terwijl hij weet of vermoedt dat zij hem niet verschuldigd is, niet als de ontvanger eerst later bemerkt dat de prestatie zonder rechtsgrond geschiedde, want dan is artikel 6:205 BW niet van toepassing. De conclusie dat [gedaagden] had behoren te weten dat het door haar ontvangen bedrag een onverschuldigde betaling betrof acht de kantonrechter gerechtvaardigd, maar vormt volgens artikel 6:205 BW ook onvoldoende onderbouwing voor de ontvangst te kwader trouw. Op het moment van de onverschuldigde betaling had [gedaagden] immers een rechtsbetrekking met UMC en gesteld noch gebleken is dat de hoogte van het bedrag of het moment van de betaling aanleiding had moeten vormen tot wantrouwen. Uit dit alles volgt dat het verzuim niet van rechtswege inging op het moment van de betaling, maar dat UMC in beginsel [gedaagden] in gebreke moet stellen, wil er sprake zijn van verzuim.

3.6.

Volgens artikel 6:82 BW treedt het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. In het e-mailbericht van 7 oktober 2015 noch in latere e-mails van UMC aan [gedaagden] wordt een (redelijke) termijn voor de nakoming gesteld. Rechtsgeldige ingebrekestelling vindt derhalve pas plaats bij de aanmaning van 2 december 2015 van het incassobureau. Nu betaling uitbleef na verloop van de hierin gestelde termijn van acht dagen, dus vanaf 10 december 2015, is [gedaagden] wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd aan UMC.

Voor zover UMC met de gevorderde wettelijke rente heeft bedoeld om wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW te vorderen wordt dit afgewezen. Artikel 6:119a BW is ingevoerd ter implementatie van de Europese Richtlijn 2000/35/EG. In de considerans van de richtlijn is opgenomen dat de richtlijn enkel betrekking heeft op betalingen tot vergoeding van handelstransacties. De onderhavige verbintenis tot teruggave van de onverschuldigde betaling vloeit niet voort uit de handelsovereenkomst, maar uit de wet. Artikel 6:119a BW mist derhalve toepassing.

3.7.

UMC heeft een bedrag van € 726,00 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan de gedaagde partij een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist in artikel 6:96 lid 6 BW. Gesteld noch gebleken is immers dat de aanmaning op de dag van dagtekening door de gedaagde partij is ontvangen.

3.8.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagden] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van UMC worden begroot op:

- dagvaarding € 94,08

- informatiekosten € 9,67

- griffierecht € 471,00

- salaris gemachtigde € 350,00 (2 punten x tarief € 175,00)

Totaal € 924,75.

4 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om tegen bewijs van kwijting te betalen aan UMC € 3.121,44, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.121,44 vanaf 10 december 2015 tot de dag van de voldoening;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van UMC tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 924,75, waarin begrepen € 350,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.