Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:478

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
16.701801-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrouw wordt verdacht van diefstal en verduistering van geld door geldbedragen op te nemen van een bankrekening die niet van haar was. Daarnaast wordt de vrouw verdacht van uitkeringsfraude.

De verdachte verklaart dat zij met toestemming geldopnamen deed en betalingen verrichte. De rechtbank acht de diefstal en verduistering van geldbedragen niet bewezen omdat niet kan worden uitgesloten dat de verklaring van verdachte juist is.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte heeft nagelaten om werkzaamheden en inkomsten bij de uitkeringsinstantie te melden. Daarom veroordeelt de rechtbank de verdachte voor uitkeringsfraude en legt een werkstraf van 120 uur op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.701801-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 februari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1959] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op de politierechterzitting van 16 november 2015, waarna de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer in deze rechtbank. Het onderzoek ter terechtzitting van de meervoudige kamer is opnieuw aangevangen op 19 januari 2016, op welke datum de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden, waarbij verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F. Tosun, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Rethmeier en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte naar voren is gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2009 tot en met 10 augustus 2012 in de gemeente Almere en/of de gemeente Noordoostpolder, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit (een) geld-/betaal-/pinautoma(a)t(en) heeft weggenomen een of meerdere geldbedrag(en) (van in totaal 83.060 euro), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen geldbedrag(en) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een of meerdere, door haar, verdachte, onbevoegd gebruikte, bankpas(sen) op naam van die [benadeelde] ,

en/of

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2009 tot en met 10 augustus 2012 in de gemeente Almere en/of de gemeente Noordoostpolder, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en) (van in totaal 83.060 euro), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) geldbedrag(en) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als houder/beheerder van de bankpas(sen) en/of de bankrekening(en) van die [benadeelde] , onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2009 tot en met 31 augustus 2011 in de gemeente Almere en/of in of omstreeks de periode van 01 september 2011 tot en met 10 augustus 2012 in de gemeente Noordoostpolder, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk geen opgave gedaan van en/of verzwegen dat zij, verdachte:

- werkzaamheden verricht(te) (te weten: schoonmaak- en/of huishoudelijke- en/of administratieve werkzaamheden en/of de verzorging van de heer [benadeelde] en/of diens hond) en/of

- de beschikking had over twee, in elk geval een bankpas(sen) en/of de bijbehorende pincode(s) (behorende bij bankrekening [rekeningnummer] en/of bankrekening [rekeningnummer] ten name van [benadeelde] )

en/of (aldus uit dien hoofde) de beschikking had over vermogen en/of inkomsten en/of tegoeden heeft/had ontvangen.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 staat vast dat verdachte veel betalingen heeft gedaan voor zichzelf. Dat zij hiervoor toestemming had van de heer [benadeelde] is niet aannemelijk gelet op zijn reactie als hij hoort dat hij geen geld meer heeft. Ook is het niet logisch dat hij het grootste deel van zijn inkomen weggeeft, terwijl hij zelf nauwelijks eten in huis heeft. Ook de verklaring van verdachte dat zij het geld dat zij contant heeft opgenomen heeft afgegeven aan de heer [benadeelde] , is niet aannemelijk. De heer [benadeelde] heeft verklaard dat hij nooit geld van verdachte heeft gekregen. Er blijkt niet van grote uitgaven door [benadeelde] en in de woning van de heer [benadeelde] zijn geen geldbedragen aangetroffen. De heer [benadeelde] kwam na zijn val niet meer veel buiten de deur, zodat de mogelijkheden om het geld uit te geven beperkt waren.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangegeven dat verdachte een uitkering kreeg en dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht zonder dit te melden, terwijl zij dat wel had moeten doen. Verschillende getuigen hebben verklaard dat zij € 1.000,- per maand kreeg om voor de hond van de heer [benadeelde] te zorgen en dat zij bij hem schoonmaakte en voor hem zorgde. Ook had zij de beschikking over de bankpassen van de heer [benadeelde] . De betalingen die zij voor zichzelf zou mogen doen, hebben haar financiële positie versterkt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de gehele tenlastelegging. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 blijkt uit het dossier onvoldoende dat verdachte zich geldbedragen van de heer [benadeelde] wederrechtelijk heeft toegeëigend. Zij heeft geen vergoeding gekregen voor door haar verrichte hulp. Dat verdachte geld en goederen en/of boodschappen heeft gepind, zegt niets over de wederrechtelijkheid dan wel de toe-eigening. Zij heeft hiervoor telkens toestemming gehad van de heer [benadeelde] en zij heeft de cash opgenomen geldbedragen aan de heer [benadeelde] afgegeven. Wat hij met die bedragen heeft gedaan is verdachte niet bekend. De verklaring van verdachte dat zij zich nimmer wederrechtelijk geldbedragen heeft toegeëigend met de pinpassen van de heer [benadeelde] , wordt onvoldoende weerlegd door getuigenverklaringen en overige bewijsmiddelen. De verklaring van de heer [benadeelde] is niet in een proces-verbaal opgetekend. De raadsvrouw heeft verzocht aan deze verklaring en aan het rapport van de bewindvoerder geen bewijswaarde te hechten.

De verklaringen van getuigen dat verdachte € 1.000,- heeft gehad voor de verzorging van de hond zijn eveneens niet betrouwbaar, omdat de sociale recherche deze informatie aan de getuigen lijkt te hebben verstrekt.

Er is daarom geen sprake van diefstal door middel van een valse sleutel dan wel van verduistering.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de klusjes die verdachte verrichte voor de heer [benadeelde] geen werkzaamheden betroffen in de zin van artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand. Verdachte ontkent de beschikking te hebben gehad over het vermogen van de heer [benadeelde] . Ook heeft zij nooit een vergoeding ontvangen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Feit 1

Voor de rechtbank staat vast dat verdachte de beschikking had over het geld van de heer [benadeelde] , omdat zij de pinpassen van hem had en hiermee geldopnamen deed en betalingen verrichtte. Ook blijkt uit het dossier, de verklaring van verdachte en haar verklaring ter terechtzitting dat verdachte met behulp van deze pinpassen regelmatig voor zichzelf goederen aanschafte en betalingen deed. .

De rechtbank kan op basis van het dossier echter niet uitsluiten dat de verklaring van verdachte dat zij toestemming had van de heer [benadeelde] om voor zichzelf goederen aan te schaffen en betalingen te doen, juist is. Datzelfde geldt voor de verklaring van verdachte dat zij de cashopnamen afgaf aan de heer [benadeelde] .

Gelet hierop kan de diefstal en de verduistering niet wettig en overtuigend bewezen worden en zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 2

Aan verdachte is door de gemeente Almere met ingang van 31 mei 2009 een WWB-uitkering voor een alleenstaande toegekend. Wegens verhuizing naar de gemeente Noordoostpolder is deze uitkering per 31 augustus 2011 beëindigd. Per 1 september 2011 werd de uitkering door de gemeente Noordoostpolder toegekend. Aan de uitkering is de voorwaarde verbonden dat verdachte op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling maakt van alle feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, hoogte en continuering van de uitkering.1Verdachte is hiervan op de hoogte zoals blijkt uit haar verklaring tegenover de sociale recherche Flevoland. Zij heeft de betreffende formulieren zelf ingevuld en ondertekend, waarbij zij nooit melding heeft gemaakt van inkomsten of giften.2

De broer van de heer [benadeelde] , [A] , heeft verklaard: “De laatste jaren van zijn leven werd [benadeelde] verzorgd door [verdachte] . (…) Ook wisten we wel dat [benadeelde] al gedurende langere tijd maandelijks € 1.000,- aan [verdachte] gaf voor de verzorging van zijn hondje. (…) [verdachte] heeft steeds gebruik kunnen maken van de bankrekeningen van [benadeelde] , hij had er twee, en we hebben kunnen zien dat zij veelvuldig betalingen voor haarzelf via zijn bankrekeningen heeft gedaan, zoals bij Gamma, Karwei, tanken en dergelijke. (…) We weten zeker dat [benadeelde] niet meer de deur uit kwam en zeker niet bij dergelijke winkels kwam.”3

Getuige [getuige] heeft verklaard: “ Later na het overlijden van [B] , toen [benadeelde] zijn heup had gebroken, bleef [verdachte] voor hem zorgen. Ik heb pas later gehoord dat [verdachte] € 1.000,- per maand van [benadeelde] kreeg voor de verzorging van zijn hond. (…) [verdachte] heeft mij later ook wel één en ander toegegeven. Onder andere dat zij per maand € 1000,- van [benadeelde] kreeg en de pasjes van zijn bankrekeningen kon gebruiken.”4

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij wel eens strijkwerk deed voor de heer [benadeelde] en dat zij het gros van de boodschappen voor hem deed. Ook had zij de zorg voor zijn hond op zich genomen. Zij kwam twee tot drie keer in de week bij hem, omdat hij zorg nodig had. Zij had de beschikking over de twee betaalpassen met de bijbehorende pincodes van de heer [benadeelde] om de boodschappen te kunnen betalen. Op het moment dat verdachte verhuisde, heeft zij de bankpassen mee genomen. Zij hielp hem op dat moment met zijn administratie.

Voorts heeft verdachte verklaard dat indien zij iets nodig had, of iets moois had gezien, zij toestemming aan de heer [benadeelde] vroeg om het te kopen en deze toestemming ook kreeg. Zij heeft betalingen bij bouwmarkten voor zichzelf gedaan en heeft voor zichzelf lingerie aangeschaft. Dit betroffen giften, zodat verdachte de door haar gemaakte kosten niet hoefde terug te betalen. Als zij iets wilde hebben, mocht zij het van de heer [benadeelde] kopen.

Bij de gemeenten heeft zij nooit gemeld dat zij giften heeft gehad of dat zij werkzaamheden voor hem verrichtte.5

In bijlage 9 is opgenomen welke bedragen verdachte voor zichzelf gepind heeft. Namens verdachte is haar naam achter de bewuste uitgaven opgeschreven.6

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de getuigenverklaringen met betrekking tot de € 1.000,- per maand voor de verzorging van de hond niet betrouwbaar zijn.

De rechtbank oordeelt anders . [A] heeft verklaard dat hij wel wist dat zijn broer gedurende langere tijd maandelijks € 1.000,- aan verdachte gaf voor de verzorging van zijn hondje en getuige [getuige] heeft dit van verdachte zelf vernomen. Uit deze verklaringen blijkt geenszins dat de sociale recherche de getuigen deze informatie in de mond heeft gelegd.

Bovendien past het opnamepatroon zoals blijkt uit het uitgavenoverzicht van de rekeningennummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] ten name van [benadeelde] (bijlage 9 van het dossier), bij de verklaringen van de getuigen dat verdachte € 1.000,- per maand ontving voor de verzorging van de hond.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat verdachte werkzaamheden heeft verricht door onder meer de administratie voor de heer [benadeelde] te doen en de zorg voor hem en zijn hond op zich te nemen, dat zij de beschikking had over de twee bankpassen en bijbehorende pincodes en dat zij vele giften van de heer [benadeelde] heeft ontvangen. Verdachte wist –zo blijkt ook uit haar verklaring bij de sociale recherche - dat zij werkzaamheden en inkomen aan de uitkeringsinstantie moest melden. Dat verdachte wist dat zij de giften ook moest melden, is naar het oordeel van de rechtbank evident gelet op de aard en omvang van de giften van de heer [benadeelde] . Verdachte heeft dit echter nagelaten.

Het onder 2 ten laste gelegde feit wordt wettig en overtuigend bewezen verklaard.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

2.

zij in de periode van 01 juni 2009 tot en met 31 augustus 2011 in de gemeente Almere en in de periode van 01 september 2011 tot en met 10 augustus 2012 in de gemeente Noordoostpolder, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers heeft verdachte telkens opzettelijk geen opgave gedaan van en/of verzwegen dat zij, verdachte:

- werkzaamheden verrichtte (te weten: schoonmaak- en huishoudelijke- en administratieve werkzaamheden en de verzorging van de heer [benadeelde] en diens hond) en

- de beschikking had over twee bankpassen en de bijbehorende pincodes (behorende bij bankrekening [rekeningnummer] en bankrekening [rekeningnummer] ten name van [benadeelde] )

en (aldus uit dien hoofde) de beschikking had over vermogen en inkomsten en tegoeden heeft ontvangen.

Van het onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 2: in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren. Zij heeft daarmee rekening gehouden met het tijdsverloop tussen de aanvang van het onderzoek en de behandeling ter zitting.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf gevraagd rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de documentatie van verdachte en het feit dat er sprake is van schending van de redelijke termijn.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude. Zij heeft jarenlang werkzaamheden verricht, giften ontvangen en de beschikking gehad over vermogen zonder dit bij de uitkeringsinstanties te melden. Zij heeft hiermee misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel. Daardoor is nadeel geleden door de gemeenschap, door de sociale recherche begroot op € 44.396,22

Uit de justitiële documentatie van verdachte van 5 november 2015 blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank houdt bij haar beslissing rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waarbij voor fraude met een benadelingsbedrag van € 10.000,- tot € 70.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 tot 5 maanden dan wel een werkstraf wordt genoemd en met hetgeen blijkens jurisprudentie gebruikelijk voor dit soort zaken wordt opgelegd.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat het om een oud feit gaat.

Een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf is niet (meer) passend en geboden, zodat de rechtbank aan verdachte een forse onvoorwaardelijke werkstraf op zal leggen. Omdat de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan door de officier van justitie bewezen was geacht, is de straf lager dan geëist.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d en 227b van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar, zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M.A. Sinnige, voorzitter, mrs. P.K. van Riemsdijk en Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2016.

1 Het door [sociaal rechercheur 1] , sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, op 19 mei 2014 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer 120050-6016314/2, pagina 2.

2 Het (in bijlage 18) door [sociaal rechercheur 1] en [sociaal rechercheur 2] , beiden sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, op 17 februari 2014 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer 120050-6016314/2, houdende een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 2 en 7.

3 Het (in bijlage 12) door [sociaal rechercheur 1] en [sociaal rechercheur 2] , beiden sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, op 18 juni 2013 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer 120050-6016314/2, houdende een proces-verbaal van verhoor getuige [A] , pagina’s 1 en 2.

4 Het (in bijlage 16) door [sociaal rechercheur 1] , sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, op 26 augustus 2013 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer 120050-6016314/2, houdende een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina’s 1 en 2.

5 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 19 januari 2016.

6 Het in bijlage 9 opgenomen overzicht aan uitgaven van de bankrekeningnummers van [benadeelde] , waar namens verdachte bij is geschreven welke uitgaven ten behoeve van haar zijn gedaan.