Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4731

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-08-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
C/16/411958 / KG ZA 16-208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontbinding en ontruiming van een ligplaats voor woonark in kort geding. Kwalificatie van de huurovereenkomst betreffende een ligplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/411958 / KG ZA 16-208

Vonnis in kort geding van 26 augustus 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.P.C. Bilderbeek te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.A.M. Euverman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden c.s.] (in mannelijk enkelvoud) genoemd worden.

1 De procedure

In conventie en in reconventie:

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de akte houdende overlegging producties tevens houdende conclusie van eis in reconventie van [gedaagden c.s.] met producties;

  • -

    de brief van 25 maart 2016 van mr. M.P.C. Bilderbeek met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling van 30 maart 2016;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden c.s.] ;

  • -

    de brief van 21 juni 2016 van mr. M.P.C. Bilderbeek met producties;

  • -

    de brief van 9 augustus 2016 van mr. M.A.M. Euverman met producties;

  • -

    het faxbericht van 10 augustus 2016 van mr. M.A.M. Euverman met producties;

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling op 12 augustus 2016;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden c.s.] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

In conventie en in reconventie:

2.1.

Op 1 februari 2006 hebben [eiser] (als verhuurder) en [gedaagden c.s.] (als huurder) twee Overeenkomsten van Huur en Verhuur voor Vaartuigen Jachthaven “ [jachthaven] ” te [woonplaats] Gemeente [gemeente] gesloten voor het uitsluitend gebruik van twee ligplaatsen in de Jachthaven [jachthaven] , plaatselijk bekend als [nummer] en [nummer] te [woonplaats] , voor het afmeren van het vaartuig aangeduid als woonark “ [woonark] ”. De huurovereenkomsten zijn voor onbepaalde tijd aangegaan.

2.2.

In beide huurovereenkomst is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Artikel 4. Huurbetaling – Voorschot

(…)
Tevens verplicht huurder zich maandelijks de eerste van iedere maand tot voldoening van een voorschot ten bedrage van €. 145,00 (zegge éénhonderdvijfenveertig euro) voor levering van de nutsvoorzieningen gas, water, elektra, kabel etc.) aan verhuurder te betalen.

Artikel 6. Nutsvoorzieningen: Gas, water, elektra, en C.A.I.
Verhuurder zal op basis van de aan hem, door de betreffende Nutsbedrijven vastgestelde voorschotten, het maandelijks door huurder te betalen voorschot voor levering van de nutsvoorzieningen vaststellen. Daarnaast stelt verhuurder een door huurder verschuldigde aanvullende Bijdrage vast, op basis van hoofdelijke omslag, van de gezamenlijke kosten voor rekening komend voor alle gebruikers van deze voorzieningen, betrekking hebbende op de kosten van administratie en de te plegen reserveringen respectievelijk bijdragen voor reparatie, onderhoud en vernieuwing van de toevoerleidingen en installaties, benodigd voor de levering van genoemde voorzieningen.

Tenminste éénmaal per jaar zal verhuurder een eindafrekening ten behoeve van huurder van de in dit artikel bedoelde voorschotten op basis feitelijk verschuldigde over de betreffende periode.

Verhuurder, respectievelijk huurder verplichten zich wederzijds tot bijbetaling, respectievelijk terugbetaling van het als dan te weinig of teveel betaalde.

Het gasverbruik wordt vastgesteld door de in iedere ark aanwezige gas tussenmeter.

Deze zijn meestal verouderd en niet meer betrouwbaar. Indien wordt het verbruik per ark bepaald door het verbruik welke wordt aangegeven door de gezamenlijke hoofdmeter gedeeld door het aantal verbruikers.

Het elektriciteitsverbruik wordt vastgesteld door de aan het begin van de hoofdsteiger bevindende elektrokast waarin zich voor elk ark apart een elektriciteitsmeter bevindt en uitsluitend toegankelijk is voor verhuurde ligplaatsen.

De aansluitingen van de door verhuurder geleverde nuts diensten zoals water, gas elektra etc. vallen vanaf de hoofdleiding (dus ook de aansluiting aan de hoofd leiding ) tot aan de ark en in de ark onder verantwoordelijkheid van de betreffende arkeigenaar. Daar een ark regelmatig in beweging is, dient de ark eigenaar deze aansluitingen regelmatig te controleren en indien nodig te laten vernieuwen.

Arkeigenaar dient er rekening mee te houden dat het meerverbruik ontstaan door lekkages enz. van deze aansluitingen en eveneens het onderzoek daarnaar, voor rekening komt van betreffende arkeigenaar. (…)”.

2.3.

[gedaagden c.s.] heeft op de ligplaatsen twee woonarken afgemeerd.

2.4.

Tussen [eiser] en [gedaagden c.s.] is eind 2014 een geschil ontstaan met betrekking tot de afrekening van de nutsdiensten op basis van de huurovereenkomst.

2.5.

In dat kader zijn partijen in een tussen hen bij deze rechtbank aanhangige procedure in kort geding een minnelijke regeling overeengekomen, die in een proces-verbaal van 10 augustus 2015 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is vastgelegd.

2.6.

Bij brief van 20 november 2015 heeft [eiser] de huurovereenkomsten opgezegd tegen 1 februari 2016.

2.7.

[gedaagden c.s.] maakt tot op heden nog steeds gebruik van de ligplaatsen.

2.8.

Er bestaat tot op heden geen achterstand in de betaling van de huurpenningen door [gedaagden c.s.]

3 Het geschil


In conventie

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. [gedaagden c.s.] ieder afzonderlijk te veroordelen om binnen 14 dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis, althans om binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de ligplaatsen met alle daarbij vanwege hen aanwezige personen en/of goederen te ontruimen en ontruimd te houden;

II. te bepalen dat indien [gedaagden c.s.] in gebreke blijft met het gevorderde sub I de door [eiser] in te schakelen deurwaarder gemachtigd is om de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm der wet ten uitvoer te leggen, onder veroordeling van [gedaagden c.s.] in alle met de ontruiming gepaard gaande kosten;

III. [gedaagden c.s.] ieder afzonderlijk en hoofdelijk, in die zin dat indien de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij ieder afzonderlijk niet aan de onder sub I bedoelde veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,--;

IV. [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen, die zin dat indien de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, uit hoofde van een vergoeding in de zin van artikel 7:225 BW om aan [gedaagden c.s.] te betalen een bedrag van € 867,41, of een in goede justitie te bepalen bedrag, voor elke maand of een gedeelte daarvan dat [gedaagden c.s.] gebruik maakt van de ligplaatsen met ingang van 1 februari 2016;

V. [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen, om aan [gedaagden c.s.] bij wijze van voorschot te betalen een bedrag van € 375,-- op elke eerste dag van de maand, met ingang van 1 februari 2016, en zolang [gedaagden c.s.] nog gebruik maakt van voorzieningen behorend bij de ligplaats;

subsidiair:
een zodanige maatregel te treffen als de rechtbank juist zal achten;

primair en subsidiair:

[gedaagden c.s.] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[eiser] stelt daartoe – zakelijk weergegeven – dat hij de huurovereenkomsten overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:228 BW rechtmatig heeft opgezegd tegen
1 februari 2016, zodat [gedaagden c.s.] vanaf laatstgenoemde datum zonder recht of titel op de ligplaatsen verblijft.

3.3.

[gedaagden c.s.] voert gemotiveerd verweer. [gedaagden c.s.] voert – eveneens kort en zakelijk weergegeven – primair tot haar verweer aan dat sprake is van huur van woonruimte als bedoeld in artikel 7:232 BW. Volgens [gedaagden c.s.] is de opzegging door [eiser] nietig, nu deze niet is opgezegd op één van de in artikel 7:271 juncto 7:274 BW genoemde gronden. Subsidiair neemt [gedaagden c.s.] het standpunt in dat sprake is van huur als bedoeld in artikel 7:230 BW. Meer subsidiair voert [gedaagden c.s.] aan dat geen sprake is van enige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomsten.

3.4.

Op de (overige) stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie:

3.5.

[gedaagden c.s.] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en bij wijze van voorschot:

I. veroordeling van [eiser] tot betaling van € 11.776,39, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 25 oktober 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een zodanige datum als de rechtbank juist zal achten;

II. [eiser] te veroordelen tot medewerking aan het door [gedaagden c.s.] zelfstandig afsluiten van een gas/energiecontract en het in dat kader door [gedaagden c.s.] faciliteren van eigen gas- en elektriciteitsmeters althans tot medewerking aan het ijken van de gas- en elektriciteitsmeter van [eiser] en [gedaagden c.s.] , een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat [eiser] daarmee in gebreke blijft, alsmede

III. veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

3.6.

[gedaagden c.s.] stelt daartoe dat [eiser] de nutsvoorzieningen niet op juiste wijze heeft afgerekend. [eiser] heeft niet de juiste bedragen in rekening gebracht, waardoor [gedaagden c.s.] teveel heeft betaald. Het verbruik dat voortkomt uit de meters van [gedaagden c.s.] is lager dan het gebruik dat voortkomt uit de meters van [eiser] . [eiser] dient het teveel betaalde bedrag aan haar terug te betalen, aldus nog steeds [gedaagden c.s.]

3.7.

[eiser] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie:

4.1.

In deze procedure vordert [eiser] kort gezegd ontruiming van de door hem aan [gedaagden c.s.] verhuurde ligplaatsen.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor toewijzing van die vordering in kort geding er niet alleen voldoende spoedeisend belang moet bestaan bij de als voorlopige voorziening gevorderde ontruiming, maar ook voldoende aannemelijk moet zijn dat [eiser] in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure in het gelijk zal worden gesteld, dat wil zeggen dat aannemelijk moet zijn dat zijn (aan een vordering tot ontruiming ten grondslag liggende) vordering tot ontbinding van de huurovereenkomsten zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter moet daarbij terughoudend zijn, omdat het gaat om een ingrijpende voorziening met verstrekkende gevolgen. In het algemeen is een bodemprocedure bij de kantonrechter, waarbij zowel de ontbinding van die huurovereenkomst als de ontruiming van het gehuurde gevorderd kunnen worden, de meest gepaste procedure, omdat in een bodemprocedure de feitelijke omstandigheden van het geval voldoende diepgaand onderzocht kunnen worden.

4.3.

In deze zaak komt het aan op de beoordeling van de vraag de huurovereenkomsten al dan niet moeten worden gekwalificeerd als huur en verhuur van woonruimte en de daarmee samenhangende vraag of [eiser] de huurovereenkomsten kon opzeggen tegen
1 februari 2016. Dat is tussen partijen in geschil. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent deze vraag zich niet goed voor een beoordeling in kort geding en is er in deze zaak ook geen sprake van omstandigheden die maken dat er direct een voorziening getroffen moet worden. Er is al een bodemprocedure aanhangig waarin dit een van de geschilpunten is en ter zitting is gebleken dat in die zaak de mondelinge behandeling binnenkort zal plaatsvinden. In die procedure kunnen de feitelijke omstandigheden van het geval voldoende diepgaand worden onderzocht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan die procedure worden afgewacht, zeker omdat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagden c.s.] zijn uit de huurovereenkomsten voortvloeiende (betalings)verplichtingen niet nakomt. Dat maakt dat de vordering (hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 3.1 sub I tot en met V) dient te worden afgewezen.

In reconventie:

4.4.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is evenzeer terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.5.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [eiser] de nutsvoorzieningen op juiste wijze heeft afgerekend.

4.6.

Gelet op hetgeen door partijen over en weer is gesteld, kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geconcludeerd dat de afrekening van de nutsvoorzieningen niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft [gedaagden c.s.] wel aangevoerd dat uit de metingen van de in zijn opdracht geplaatste tussenmeter kan worden afgeleid dat de meters van [eiser] niet goed lopen, maar [eiser] heeft dit gemotiveerd betwist. Ook de verwijzing door [gedaagden c.s.] naar de berekeningen van mevrouw [A] van AAS (overgelegd als producties 16 tot en met 19 bij brief van 9 augustus 2016 van de raadsvrouw van [gedaagden c.s.] ) kan [gedaagden c.s.] vooralsnog niet baten, nu [eiser] de juistheid van bedoelde berekeningen gemotiveerd heeft weersproken. Dit alles maakt dat nader onderzoek naar de feiten noodzakelijk is en dit kort geding leent zich daar niet voor. De conclusie is dan ook dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat het door [gedaagden c.s.] gevorderde bedrag in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen zodat de vordering als hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 3.5 sub I zal worden afgewezen.

4.7.

Nu niet voldoende aannemelijk is geworden dat de meters van [eiser] niet goed lopen, is niet duidelijk dat [gedaagden c.s.] (spoedeisend) belang heeft bij zijn vordering die is weergegeven onder rechtsoverweging 3.5 sub II. Reeds daarom ligt ook deze vordering voor afwijzing gereed.

In conventie en in reconventie:

4.8.

[eiser] is in conventie geheel in het ongelijk gesteld en [gedaagden c.s.] in reconventie. De rechtbank ziet in deze uitkomst van de procedure aanleiding de proceskosten te compenseren als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie en in reconventie:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2016.1 Bij afwezigheid van mr. Heuveling van Beek is het vonnis ondertekend door mr. P. Dondorp (teamvoorzitter).

1 type: He/4069 coll: